terug  begin  verder
[p. 390]

Jaques Gans
De Schweijk van de 2de wereldoorlog

Ik weet niet, geachte lezer, of U ook tot die gedupeerden van de nieuwsgierigheid behoort die een veertigtal guldens hebt neergeteld voor het aanschaffen van het lijvige boekwerk dat na jarenlang zwoegen van de Parlementaire Enquêtecommissie eindelijk het licht heeft gezien over de gedragingen van de indrukwekkende persoonlijkheden, die de een meer dan de ander, een vinger in de pap hebben gehad in het z.g. England Spiel. Boos geworden op de tendentieuze leugenarij van onze Baron van Münchhausen van de geheime dienst, de heer Ras de Graaf, had ik enige keren naar de pen gegrepen om van mijn afkeer te getuigen van deze carnavalsjongen, die inmiddels voor de edelachtbare commissie wel op een heel afdoende wijze in het trieste hemd is komen te staan.

Toen ik die lijvige boekwerken in geleende toestand op mijn tafel had liggen, ontbrak mij volkomen de overtuiging ze door te lezen, zoals men dat met een boek behoort te doen, namelijk van het begin tot het eind. Zelfs het feit waarop ik was geattendeerd, dat mijn persoon enige keren in dit doolhof van domheid en ijdelheid voorkomt heeft mijn leesijver niet voldoende kunnen stimuleren. Het is bij een vluchtige doorbladering gebleven, waarbij ik met stijgende weerzin moest vaststellen, hoe moeilijk het blijkbaar voor militairen, helden en hoogwaardigheidsbekleders is om niet altijd de schuld op een ander te schuiven en om niet altijd zo'n afschuwelijk gebrek aan gevoel van humor te demonstreren.

Ik heb dit compendium van menselijke onbeduidendheid dan ook spoedig dichtgeslagen onder de verzuchting dat ik voor een tiende van de kosten en een twintigste van de tijd aan dit oeuvre gespandeerd een lezenswaardiger verhaal had kunnen schrijven. Vanwege het gewicht rusten zij nog steeds in de hoek van mijn vertrek als verhoging voor de schaarse keren in dit bestaan dat ik mij de schoenen pleeg te poetsen.

Geachte lezer, ik weet natuurlijk niet hoe het gesteld is met Uw ervaring van ‘de held’ in de samenleving. Wanneer ik dan ook dit bizonder tedere thema met voorbedachte rade aanroer, sta ik er op U te verklaren met de ervaring van vijf jaar oorlog en vijf jaar vrede achter me, dat de beweegredenen van datgene wat de held heet te maken mij nog altijd volkomen duister zijn. En daar het duistere mij wel boeit, maar bizonder op mijn qui vive doet zijn wil ik U enige uit mijn herinnering opnoemen.

Ik heb in die tien jaar lieden gezien, die held zijn geworden omdat zij ruzie met hun vriendin kregen. Anderen omdat zij geen vriendin konden krijgen. Ik heb lieden gezien, die helden werden, om minister of 2de Kamerlid te worden. Anderen, die het minder hoog zochten om een paar sterren op de kraag of een medaille op de borst. Weer andere, en dat waren soms de rondborstigsten om er een aardige broodwinning uit over te houden. Ik heb helden zien worden omdat zij een borrel te veel ophadden, en anderen omdat zij er te lang niet een genuttigd hadden. Ik heb ook helden gezien, die niet wisten dat zij het waren. Maar dat was een minderheid en daar zijn er veel van kapot.

[p. 391]

Dan is er ook nog een kleine categorie en misschien wel de meest amusantste, die helden werden ondanks zichzelf. Door het noodlot of zo men wil, door het toeval.

Er is sinds de bevrijding in binnen- en buitenland een gehele literatuur ontstaan, die ons de wederwarigheden van de helden in de laatste oorlog in geuren en kleuren bezongen heeft. Er is ook een zekere vermoeidheid op die literatuur gevolgd, die naar mijn overtuiging een zeer verklaarbare oorzaak heeft. Al dat verschrikkelijke, al dat gewelddadige van de strijd tegen het monster dat in de verzetsliteratuur zulk een grote rol speelde is dikwijls geschreven door lieden die niet voldoende afstand tot hun onderwerp genomen hebben. De gebeurtenissen waren hun te diep in de huid gekropen om het tweegesprek tussen dood en leven dat zich ook in de meest idyllische vredestijd voltrekt in hun oorlogsmaterie voldoende te objectiveren. Het gevolg daarvan werd dat de meeste verzetsliteratuur kreupel ging aan te lange incidentele uitweidingen, aan een te sterke zwart-wit overdrijving van mede- of tegenstander, een te sterke overschatting van het eigen inzicht of aandeel in de gebeurtenissen. En ook een zekere bevreesdheid of schichtigheid van de schrijvers om in zaken van overtuiging en gewicht zich uit te spreken tegen de na de bevrijding alom heersende patriottische hausse van het levensgevoel. En ook nu nog is er een zekere moed voor nodig om zoals Jean Roy, een nog jeugdig Fransman, in zijn geruchtmakend boekje Drôle d'histoire’ (Gallimard, Paris 1950) de gebeurtenissen van de oorlog, waar een argeloos enkeling zich mee te meten had, te behandelen op een wijze die tegen de opgeschroefde trots van de nationale verzetshanen indruist.

En hoewel deze ‘Drôle d'histoire’ zich hoofdzakelijk tot Franse verhoudingen - in Frankrijk zowel als in Londen - beperkt, men wordt herhaaldelijk getroffen door de overeenstemming met personen en gebeurtenissen in Nederland en wat zich in Londen Nederland noemde. De Krulzen, de Lieftincks en de Derksema's, zij komen in dit boekje van Jean Roy heel wat duidelijker en levensechter uit de verf dan in de stop-verfachtige verslagen van onze Parlementaire Enquête. Zelfs onze imposante heer van Heuven Goedhart, die voor die Enquête verklaarde zozeer geleden te hebben in de Spaanse residenceforcée, terwijl hem in werkelijkheid een zeer coulante behandeling ten deel is gevallen, zou moeten blozen bij de lectuur van dit charmante boekje, waarbij zijn ‘Reis van Colonel Blake’ wel als een zeer pretentieus vod afsteekt.

De ‘held’ van Jean Roy, de student in de rechten Jacques Rouvière, behoort tot de categorie van helden, die volkomen door het toeval en ondanks zichzelf een heldenrol krijgt toegemeten. Nadat hij de 11de November 1940 in een tearoom aan de Champs Elysées een vreedzaam kopje chocolade heeft gedronken, geraakt hij bij het betreden van de straat in een demonstratie van Gaullisten verward en wordt door de rafle die hiervan het gevolg is, de gevangene van de Duitsers.

Weliswaar wordt hij uit deze onplezierige situatie na enige dagen bevrijd, wanneer blijkt dat hij inderdaad part noch deel aan die betoging had, maar zijn levenssituatie is door dit voorval volkomen gewijzigd. Voor zijn omgeving, zijn vrienden en zijn leraren heeft hij thans het

[p. 392]

dubbele aureool van verzetsheld en Gaullist verworven. In zulk een situatie baat ontkennen geen zier, integendeel, het vergroot de atmosfeer van geheimzinnigheid en koelbloedigheid rond zijn persoon geweven. Om rustig zijn studie voort te zetten verdwijnt hij naar Montpellier in onbezet Frankrijk. Maar zijn roem is hem reeds vooruitgegaan en tegen zijn wil wordt hij in een nogal frivool en romantiserende verzetsclub opgenomen.

Met het gevolg dat hij na enige maanden door een onvermijdelijk politie-optreden werkelijk de benen moet nemen. In gezelschap van een Engels piloot, die boven België uit zijn geraakt vliegtuig gesprongen was en het al zwervend tot het clubje in Montpellier had gebracht. Na enige vergeefse pogingen stuit het tweetal in een café in Pau op een praat-grage Parijse arbeider die in die contreien de smokkelhandel beoefent en ze aan de overkant brengt. In Spanje wacht hen de sombere tijd van het lange wachten in een gevang van de Seguridad. Vrij, in Madrid, wordt hij bij een nachtelijk avontuur gekidnapped door de geheime dienst van de Gaulle, die hier al in volle concurrentie met de Britse collega's was. Maar via Gibraltar bereikt hij Engeland. In de patriottic school wordt hij door een landgenoot die zich op het bureau genesteld heeft aangebruld op de domme manier, die hem eens en voor altijd op de hoogte stelt van het intellectuele peil, waarop dit soort lieden van nagenoeg alle in Londen aanwezige regeringen pleegde te staan. Een mengelmoes van promotiezoekers, bureauhelden van Piccadilly Circus.

Uitgerust met te veel gevoel voor humor en te veel goede smaak om dupe te worden van deze kostbare ponden vaderlanders, doet hij het verstandigste wat men in zo'n situatie kon doen. Hij rust uit in een ziekenhuis om over de situatie na te denken en schaft zich vervolgens een aardige vriendin aan. Daar ontsnapt hij niet mede aan de zelfvoldane en corruptieve atmosfeer, die het emigrantenbestaan in Londen kenmerkt. Een kortstondig verblijf in de financiële propaganda is voldoende om de cafard van deze in Londen verloren Fransman tot een climax aan te wakkeren. Hoe dan ook, waarom dan ook, hij wil terug naar Frankrijk! En de enige weg die daarheen leidde was de moeizame van de geheime agent. Het enige middel de parachute. Bracht het toeval hem op de eerste schrede van zijn heldenloopbaan, de walging bracht hem op de volgende. Hij volgt de cursus van de O.S.S., de Amerikaanse geheime dienst en zijn verslag hiervan geeft ons een bizonder boeiend tafereel van de kneed-partij die aan de geheime opdracht vooraf gaat. Met inbegrip van de talrijke theoretische wenken aan de geheime agent, waar in de practijk van bezet Europa, dikwijls zo weinig van terecht kwam.

En alweer blijkt uit dit boek van Jean Roy, wat Tolstoy in ‘Oorlog en Vrede’ zo treffend en tot dusver nog steeds onwederlegbaar doet uitkomen: de oorlog is een spel met onbekende grootheden. Ook de knapste strategen - en Napoleon was niet voor de poes - kunnen geen enkel verloop van een krijgshandeling tot in het uiterste vooruit berekenen. In de hel van vuur en staal of van het ongewisse zijn zo talrijke plotseling wisselende of opdoemende factoren, dat van geen operatie van te voren het resultaat vaststaat.

Onze Jacques Rouvière ervaart dit, wanneer hij in Juli '43 boven Frankrijk wordt geparachuteerd. De drop-zône blijkt niet aanwezig te

[p. 393]

zijn, het maquis dat hem moet ontvangen blijkt een onbetrouwbaar clubje, zijn contactadres is al sinds enige tijd opgevlogen. De incidentele contacten die hij maakt zijn evenmin hoopgevend en na een summier gesprek met een maurrassiaanse majoor, die hem niets beters weet te vertellen, dan dat hij door de schuld van het Front Populaire buiten dienst werd gesteld in 1936, geeft hij de brui aan zijn geheim-agentschap. Van het millioen, dat hij nog in de zak heeft koopt hij een fietsje en peddelt daar mee langs de kastelen van de Loire.

Maar het was deze jongeman nu eenmaal niet gegeven om als een rustig toerist, genietend van wijn en vrouwen in het schoonste landschap van West-Europa het eind van de oorlog af te wachten. Het toeval heeft nu eenmaal een held met hem voor en in Blois wordt zijn fiets gestolen. Hij keert terug naar Parijs en ontmoet in de metro bij Chàtelet de makker met wie hij bij de O.P.S. werd opgeleid. Die bezorgt hem twee Amerikaanse piloten en een Engelsman met Mosley ideeën op de koop toe.

De avonturen van dit viertal in volle oorlogstijd op zoek naar een ontsnappingslijn over de Pyreneeën zijn beschreven met een humor, die gedachten aan de brave soldaat Schweijk oproepen en al raakt men de bittere Mosley aanhanger ook kwijt bij een razzia in een hotel in Nice, het overschot kruist de Pyreneeën en komt in Engeland aan, waar onze héros malgré soi, verachter van de uniform, die hij van huis uit is tot luitenant wordt gebombardeerd en met decoratie behangen.

In deze tijd waarin de angst voor de atoom-oorlog de mensen in Europa bedrukt, waarin de politie-bourgeoisie van de heer Stalin ons door duidelijke demonstratie van de kaart denkt te krijgen, acht ik dit verrukkelijke boekje een bizonder gelukkig symptoom. Niemand in dit Westen is bizonder gebrand op een nieuwe oorlog en een nieuwe bezetting. Jacques Rouvière in de ‘Drôle d'Histoire’ van Jean Roy, was dat evenmin op de vorige oorlog. Hij vertegenwoordigt de sceptische, critische Fransman die bij herhaling een klap van het noodlot nodig heeft, om het heldenvak uit te oefenen. Met alle verrotting die aan de democratie inhaerent heet te zijn - en die Jean Roy heel wat beter door heeft, dan de Moskou-erinlopers die ten onzent b.v. in ‘De Groene’ het hoge woord voeren - lijkt mij deze geestesgesteldheid heel wat verkieslijker en uiteindelijk ook heel wat strijdvaardiger dan de slavenheroïk van de heilige stootbrigadier van Vader Stalin.

terug  begin  verder