Libertinage. Jaargang 3


auteur: [tijdschrift] Libertinage


bron: Libertinage. Jaargang 3. G.A. van Oorschot, Amsterdam 1950  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 479]

Fluimpje

W.F. Hermans schreef in Podium van Augustus-September 1950 een stukje over H.A. Gomperts, dat een aardig document zal blijven voor ieder die zich interesseren mocht voor het karakter van deze jonge romancier. (Men vraagt zich trouwens af waarmee Podium zijn jaargangen vullen zou als Gomperts niet bestond; in genoemd nummer komt hij alweer in drie artikelen voor; zijn fascinatie moet voor medewerkers aan dit blad onweerstaanbaar zijn.)

Hermans schreef zijn stukje naar aanleiding van de Vestdijk-Croiset-kwestie, niet meer dan naar aanleiding ervan, want hij grijpt deze affaire gretig aan om over Gomperts allerlei lang verkropt kwaad te spreken.

Het miezerige mopje waarmee hij begint geeft al dadelijk de toon aan, en tevens een treffend voorbeeld van Hermans' humor: ‘H.A. Gomperts, auteur van Jagen om te Leven, houdt zich in werkelijkheid bezig met het schrijven van stukjes in de krant om te leven.’ Die olijke Hermans doet net of hij denkt dat Gomperts ècht jagen bedoelt, met een geweer! Heeft hij hem daar even! Maar het is maar een wensdroompje van Gomperts voegt hij er aan toe, voor wie denken mocht dat deze het gewoon figuurlijk bedoeld had. Van dit soort grapjes maakt Hermans er meer; zij zijn bête, maar hij roddelt nog liever bête dan niet. Gomperts is geen werkelijk schrijver, maar een naprater van Ter Braak gaat hij verder (beprater, nabauwer, herkauwer zegt hij ook, hij zegt alles drie à zes keer want hij staat opgewonden te schelden) en somt een aantal (gedeeltelijk nooit door Ter B. gebruikte) Terbraakse termen op waaruit dat allemaal blijken moet. Nou, dat hadden we wel eens eerder gehoord, maar meestal niet van mensen die tegelijkertijd de mond vol hebben over zelfstandig kunnen lezen.

Gomperts kan zonder Ter Braak niet lezen, zo begint Hermans nu vlijmscherp te redeneren, en bovendien is hij een te ‘schichtige kabouter’ om de werkelijk opmerkelijke dingen in onze letteren in hun juiste proporties te zien (?) en omdat hij geen proporties ziet had hij een stunt nodig (that's clear!) en de enige stunt die hij verzinnen kon was ‘ontmaskeren’ (want dat deed Ter Braak ook) - kortom, hij wou dus iets ontmaskeren, en dáárom dacht hij toen maar dat Croiset Vestdijk was, en zei dat ook, met de boudheid die schichtige kabouters eigen is, daarbij schichtigjes alleen maar afgaande op zijn eigen beoordeling van Croiset's werk. Want Ter Braak was dood, zegt Hermans er nog eens puntig bij.

Een zo roekeloze en schichtige vergissing, te menen namelijk dat iemands werk meesterlijk is en op dat van een andere meester lijkt, waarschijnlijk zelfs van hem is - dat had G. zijn ontslag moeten kosten vindt Hermans. Sterker nog, hij had er bij zijn krant uitgetrapt moeten worden, gaat hij met onontkoombare logica voort, want een dergelijke veronderstelling, dat een meesterwerk van A mischien wel geschreven is door B, dat is even erg als Lieftinck er van betichten dat hij steekpenningen aanneemt van het Politburo. Jawel, vooruit maar, de verdediging van het Westen staat op het spel! Alsof bijvoorbeeld een afspraak tussen Croiset en Vestdijk niet een volkomen onschuldige grap had kunnen zijn, zoals destijds het onder elkaars naam publiceren van de dichters Pareau en Noordstar. Dit staaltje

[p. 480]

van ‘crooked thinking’ is misschien het smerigste uit het stuk, maar er volgt nog meer in dit genre. Gomperts vroeg voor Het Parool een aantal schrijvers naar hun oordeel over de gelijkenis tussen het werk van Croiset en Vestdijk. Wat zegt Hermans nu? Dat Gomperts een enquête hield om uitgemaakt te zien: a. Dat Croiset (die Gomperts niets heeft misdaan, zegt Hermans erbij, het onthullendste zinnetje uit het hele stuk!) zo eerloos en onfatsoenlijk is geweest werk van een ander onder zijn eigen naam te publiceren (alsof C. dat ooit op zijn eigen houtje zou doen, of alsof het eerloos en onfatsoenlijk zou zijn wanneer het op een afspraak zou berusten!); en b. dat Vestdijk brutaalweg staat te liegen (maar de ‘enquête’ betrof niet het auteurschap doch de mate van overeenkomst van het werk; een vraag waar Vestdijk zelf in zijn reactie in Het Handelsblad gewoon op in ging; bovendien, àls hij de auteur was geweest, had hij goede redenen kunnen hebben dit niet te erkennen zonder dat dit als liegen bestempeld zou hoeven worden).

Hermans laat het hier nog niet bij; ‘tussen de regels lezend’ dikt hij het nog wat aan: enkel omdat G. zijn ontslag niet wil nemen en wil voortgaan met stukjes schrijven moet ‘Croiset in de hoek worden getrapt als een dief’ zegt hij, en moet ook bewezen worden dat Vestdijk, terwille van zijn reputatie en om er te komen (andere motieven voor zoiets kan H. niet bedenken) onder C.'s naam publiceerde en ‘als een snotjongen staat te liegen’. Niemand probeert dat te bewijzen, het is alleen Hermans die probeert te suggereren dat G. heeft gezegd: ‘Croiset is een dief en Vestdijk een liegende snotjongen’ om daarna met het meest hypocriete aplomb te vragen: ‘Welk land laat zich geduldig zulke lasterlijke onzin over een van zijn grootste schrijvers door een zijner grootste dagbladen oplepelen?’

Vuile demagogie, Hermans. Het kan je geen spat schelen welk land dat doet en wat dagbladen zeggen, en je zou zot zijn als het je schelen kon. Je weet heel goed dat die lasterlijke onzin niet beweerd wordt, maar je bent ‘tuk op kwaadaardigheid’ zoals je zelf zegt en het meest afgetrapte krantenpathos, de vulgairste ingezonden-stukkenretoriek, het kromste argument is je goed genoeg als je denkt dat je ermee kunt schaden. En dat praat van ‘ressentiment’ en van ‘oudewijvengeklets zoals het in Amsterdam dagelijks wordt gehoord’. Oudewijvengeklets als dit hoort men zelfs in Amsterdam zelden; je bent het onsmakelijkste oude wijf dat ik in tijden heb horen wauwelen, tuk op kwaadaardigheid, maar niet meer goed genoeg bij het hoofd om iets anders te produceren dan ranzige roddel. Je stuk stinkt een uur in de wind. Ik zou mij doodschamen als een van mijn vrienden zoiets geschreven had, tegen wie ook. Ik schaam mij nu nòg haast, voor mijn voorletters.

 

W.F. van Leeuwen