|
|
|
| |
3 Mei-Juni 1952

| |
| | | |
[Jan van Nijlen: gedichten]
In een Park
Een van die parken, in de week verlaten,
In een reeds zacht, maar duister voorjaarsweer.
Daarin een bank, waarop twee mensen zaten,
Een vogel riep en toen de stilte weer.
De vrouw was jong, de man leek heel wat ouder,
Zij spraken niet, maar toen de vogel floot
Gleed zacht haar hoofd liefkozend aan zijn schouder.
Ik dacht aan mij, ik dacht ook aan de dood.
Een stem: ‘zou jij die man nog willen zijn,
Jij die bemint, maar nimmer hebt geloofd
Aan liefde en zou je nu niet zalig zijn
Door het gebaar van dit verliefde hoofd?
Huichel niet langer met jezelf, beken
dat je voor zulk moment alles zou geven,
Met inbegrip van je verloren leven,
Om eigenlijk te zijn wat je toch bent:
Een argloos kind... En zelfs al heb je al lang
Alleen de liefde lief die vriendschap heet,
Al was je hart gerust, nog kan de zang
Van een onnozel vogeltje het leed
Vergeten doen van zoveel loze jaren
Eenzaamheid, waarin je verlangd hebt zonder
Te weten wat en zonder te bedaren...
Geloofde je dan niet meer aan het wonder?
Je staat daar nu, beproefde humorist,
In een stil park waar je niets hebt te maken.
Zou je niet denken dat je je vergist
Hebt met je dwaas, je nutteloos verzaken
Aan 't enige wat je nog redden kon:
Het lokgeroep van de verliefde winden,
Van 't geurend gras en van de prille zon
Ook in jouw hart? - ‘Ik kon geen antwoord vinden.’
| |
| | | |
Feestdag
Ik zie de beuken in de wind bewegen
Lichtbruin voor 't venster, in de voorjaarszon,
En voel een zwaarte, een weemoed op mij wegen,
Alsof, voor mij, opnieuw de jeugd begon.
De mensen lopen vrolijk langs de wegen,
Het lijkt wel kermis met dit carillon
Dat speelt, dit warme licht, en er hangt tegen
De blauwe lucht een gele feestballon.
'k Had in mijn jeugd de pest aan zulk vertoon.
Nu voel ik mij tot tranen toe bewogen,
En ben ik jong, als was ik zelf mijn zoon.
'k Beleef in werklijkheid mijn liefste dromen,
Niets is meer waar, het schemert mij voor de ogen:
Ik weet dat mij, straks, alles wordt ontnomen.
|
|
|