[p. 170]
[Adriaan Morriën: gedichten]
Recapitulatie
Wij zagen neer op onze schone handen,
Onze eindelijk voltooide nagels, onze te vrouwelijke pols.
In de spiegel stemden wij onze glimlach af
Op het belang van de avond, hel uiteenvallen van de nacht,
De komende ochtendschemer, met of zonder taxi,
Misschien dronken, zeker ontrouw, hongerig met klokkende magen,
En met de pijn van onze voeten omhooggestegen.
Dromers met bijziende ogen, hardhorende componisten, meisjes in
baljapons,
Die onder een lantaren in haar tas naar geld zoeken,
De poederdoos aanraken, de huissleutel betasten, een
dubbelgevouwen brief.
Liefde werkt snel als vergif, of vriendelijker als aspirine.
De begeleidende hoofdpijn zal zeker verdwijnen,
De hongerige ingewanden komen tot rust, de voortplantingsdrift
Resigneert, verandert in monologue intérieure, in gevoeligheid
Van de vingers, de tong bij het kussen, in verhoogde reukzin,
Afkeer te gaan slapen, vaderliefde, trek in sinaasappelsap.
De bakkersknechts, die naar hun werk gaan, nemen er iets van mee,
De schoonmaaksters weten er raad mee met bezem en dweil.
De huizen brengen hoogte en diepte in onze gevoelens.
Het water, de wind, het beginnende licht restaureren de rest.
Adriaan Morriën
[p. 171]
Toenadering
De schoonheid van een vrouw, wanneer wij haar niet kennen,
't Vermoeden wat zij zijn kan, de lectuur van handen, ogen en gezicht.
Haar voeten dragen schoenen, tot mijn spijt, want tenen,
Wreef, hiel en zolen zijn aandoenlijker dan tranen,
Beschamender dan vingernagels die te kort zijn of te breed.
't Is goed, dat vrouwen kleren dragen: 't zou te koud zijn,
Maar ook te triest haar naaktheid dadelijk te overzien.
Ik houd niet van een lichaam dat geen fouten heeft te bieden.
Voor mij zijn grote, kleine borsten beter dan volmaakte.
Make-up heeft zin door wat er onder ligt begraven
En bloot komt na een kus, een nacht van liefde of van slaap:
De eigen lippen onder lippenrood als van een dode,
De bleke wangen met hun vlekken van vergelding,
Een reddend puistje op een verder smetteloze kin.
Adriaan Morriën
[p. 172]
Pastorale
De paarden mogen blijven leven
Een aarde zonder mensen maar met hengsten merries veulens
De boerderij verlaten maar de weide vol met vee
Het bos weerklinkt van 't esperanto van de dieren
De lanen en de paden worden overwoekerd
Bloemen verdringen zich als engelen om een dode
Geen leunstoel bij het raam geen fles met medicijnen
Een wereld die haar hemd heeft uitgetrokken
De tijd ligt als een veulen in het gras
De koe vergeet de schaamte om haar uiers
Het varken wordt weer mager als een filmster
De kippen zoeken vaders voor hun kuikens
De slakken huizen nu voor goed in alle keukens
Het zout verdroogde of smolt weg tot tranen
Een kudde olifanten snuffelt aan de dakgoot
Een zebra raakt verdwaald in vroegere villawijken
Een geit verandert zienderogen voor de spiegel
De liefde is een samenscholing op de pleinen
En God niet meer verstrooid door onze vaders
Verandert zijn drievuldigheid in paarden
Een merrie om zijn nederdaling te ontvangen
Een hengst voor verre tochten op de aarde
Een veulen voor de zondeval der slangen
Een ezel voor de al te hete dagen
Het leven keert terug naar oude wouden
De kikkers kwaken in de late avond
Er is geen voorkeur meer voor nachtegalen
En ook de hazen halen ruimer adem
De nacht verzamelt paarden en geluiden
De wind verplaatst zijn grote schone handen
Adriaan Morriën