terug  begin  verderprepost
[p. 359]

[Ankie Peypers: Verhaal]

Verhaal

 
Ook was er een fontein. En zomerbloemen
 
verklapten toch elkaar, wie deze nacht
 
het voorrecht had, haar lieveling te noemen
 
en wie haar 's morgens bloemen had gebracht.
 
 
 
Of de fontein verbood, dat zij zo praatten,
 
zij babbelden en lachten om zijn dreigen
 
want onderwereld noch verdelging baten
 
om bonte bloemenmonden te doen zwijgen.
 
 
 
Gepijnigd hoorde het fonteinbeeld aan
 
dat zij hem caro mio noemde en de lippen bood.
 
De bloemen zeiden: ‘Zie haar voeten gaan,’
 
en ‘zagen jullie hoe het kleed strak om haar heupen sloot?’
 
 
 
Toen voer een siddering door de draineringsbuizen.
 
De bloemen keken op naar de fontein.
 
Hij slingerde zijn stralen rond in machtig suizen
 
en had een man, een graaf, een koning kunnen zijn.
 
 
 
‘Sinds zij in mijn schoot hals en borsten waste,’
 
riep de fontein wijd over marmersteen
 
en bloemen uit, ‘sinds ik haar naakt verraste,
 
is zij van mij, la cara mia, en van mij alleen.’
 
 
 
De bloemen zwegen en de stilte beefde.
 
Toen lachte zacht een stem en in het licht der maan
 
zag men een schaduw en een beeld dat leefde,
 
de schone en haar vriend, een huis ingaan. -
 
 
 
Met al zijn kracht nam de fontein zich op en bracht
 
zichzelf ten hemel en ontdaan van eer en rust
 
vloog hij als een versteende reuzenvogel door de nacht.
 
 
 
Omstreeks de dageraad wierp hij zichzelf te pletter op de Franse kust.
 
 
 
Ankie Peypers
prepostterug  begin  verder