|
|
|
| |
| | | |
[Remco Campert: gedichten]
Remco Campert
Berchtesgaden
Nietwaar? Terwijl sneeuw zich ophoopte
En vorst op ramen oorlogskaarten sloeg;
Terwijl gidsen verdwaalden en touristen
Langs lakens in de kloven daalden
In ons buitenhuis van liefde.
Soms dronken wij cognac, een nachtlang,
En schaakten met vrienden, nieuwe en
Oude kameraden. Beheerst bewogen zich
De vrouwen - neen eerder ontspannen -
Door de kamer, zorgden voor koffie,
Streelden ons haar en verbrandden
De kranten, die wij niet lazen.
Toch zou spoedig de morgen komen
Die de haard gedoofd vond en
Herinnering aan de avond tevoren
Een bittere smaak in de mond; jij
En ik in bed, de dekens opgetrokken,
Bang luisterend hoe dorpsbewoners
| | | | | |
De wereld moet men vangen
en er werkelijkheid van maken
De lucht waar veel onaards gebeurd
Zo goed als de aarde met zijn wereldse adem
Beiden zijn werkelijkheid: het hotel
De benauwde kamers met stoffige verwarming,
Kraken op de trap, piepen op de gang,
Zuchten achter een ander nummer, verzamelde
Adem van reizigers op zolder
En de zwarte nacht, koolzwart glinsterend,
Daarboven welvend en zwijgend.
Beiden zijn werkelijkheid
Maar worden pas noodzakelijk
(Ja, de engel aan de deur)
Wanneer gehoord en gezien
Met apparaatloze zintuigen.
Instrumentalisten van het Westen
Van het Noorden en Noord-Westen
Breng die duistere lichtende bal
Instrumentalisten van het oog
Het oor en dan pas de hand:
De papieren zijn weer blank
Dat van ontstaan: daarin heeft zich werkelijkheid
Geconcentreerd, de stenen
Om die stenen, de schoorsteen
En het moment van wat is rook
|
|
|