De spelling der Limb. Serm. wijkt zeer sterk af van de Middelnederlandsche en nadert in vele opzichten de Middelhoogduitsche.
Daartoe behoort o.a. de eigenaardigheid, dat lange en gerekte klinkers zoowel in open als in gesloten lettergrepen veelal enkel worden geschreven. Bij de gerekte is dit regel, maar bij de oorspronkelijk lange is de dubbele spelling (of wat daarvoor in de plaats treedt, als ae, oe) eveneens zeer gewoon. LvJ. heeft deze eigenaar-
digheid in nog hoogere mate, en. nog in Kerst. en Lutg. vindt men er talrijke sporen van. Daarentegen duidt Statb. gewoonlijk de lengte aan, en wel door verdubbeling of door toevoeging van e of i, het laatste in overeenstemming met de Nederrijnsche spelling.
Indien in de Serm. een regel midden in eene lettergreep wordt afgebroken, wordt de klinker vaak in den volgenden herhaald. Bij a, o, u, wier lengte door eene bijgevoegde e wordt aangeduid, spreekt zulk een herhaling eer tégen, dan vóór de lengte; bij e en i, waar de lengte door verdubbeling wordt te kennen gegeven, mag de herhaling niet als bewijs voor de lengte worden aangevoerd, en dat is hier dan ook niet geschied. Men vergelijke hime|els (coeli) 96a, hime|elchs (coelestis) 11c, sele|eg 126d, beteke|ent 127c, wi|ilt (vult) 86a, volbra|agt (perfectus) 68b.
Bij de medeklinkers vindt men iets dergelijks; z. § 73, Opm.
De sporadische verdubbeling van den volgenden medeklinker is geen bewijs, dat een klinker kort is, en omgekeerd; z. § 73, b.
De zooeven genoemde eigenaardigheden der spelling maken het vaak moeilijk, soms onmogelijk, de quantiteit, resp. qualiteit, der klinkers te bepalen.
a. Oorspronkelijk lange klinkers1 blijven lang. Verkorting z. § 15. Hunne uitspraak is gesloten2, behalve bij â; z. § 22.
b. Oorspronkelijk korte klinkers blijven kort in gesloten lettergrepen. Rekking z. § 16.
c. Als in 't Mndl. (z. van Helten, Mnl. Sprkk. § 1), is in een open lettergreep elke korte klinker sterk gesloten en min of meer gerekt.3 De schrijfwijze in oorspr. open, maar door syncope gesloten lettergrepen bewijst dat, en de nieuwere tongvallen doen het onderstellen.
eld., gaeft (uit *gāvĕt) 56d en eld., waest (uit *wāzĕt) 120a en eld., naast es, gaf, was; z. echter § 16, 2.
b. -en(e), a.s.m. van 't zelfde vnw.: gauene 112d, sagene 8c en eld., slagene (feri eum) 102a, stakene 155d naast gaf, sag, slag, stac; z. echter § 16, 2;
c. -er, g.d.s. en g. pl. van 't zelfde pron. en enclitische vorm van da(e)r (illic): eser (est eorum) 13d, eser (est illic) 121c (bis) en eld., mager (potest illic) 65d, namer (sumpsit illic) 163b, quamer (vēnit illuc) 54a, waser (erat illic) 149c en eld., naast es, mag, nam, quam, was; z. echter § 16, 2;
d. -ic (ego): benic 20b en eld., magic 21a en eld., salic 11b en dikw., daarnaar ook salickene 69d.
Bewijzen zijn alleen de vormen met ben (sum), es (est), mag en sal, daar gaf (dedi, dedit), slag (feri), enz. ook buiten de samenstelling met een encliticon gerekten klinker kunnen hebben; z. § 16, 2.
Naar analogie is rekking soms aan te nemen bij aanhechting van -er (ille), we vindèn evenwel alleen namer 56c, spraker 6c.
Naast de vormen met gerekte vocaal stonden echter die met korte (tenminste bij ben, es, mag, sal), naar analogie van den onafhankelijken vorm. Hierop wijzen misschien da verbindingen bennic 160c (bis) en eld., esser (est ejus) 121b, sallic 99b en eld.; zie echter § 73, b. Zoo is het in 't Nieuwndl.
Bij -ic dient bovendien overwogen, dat ongetwijfeld naast alkaâr stonden een enclitische of proclitische vorm -ĕk en een volle ìk, evenals in 't tegenwoordig Ndl.
Absolute zekerheid gunt de spelling der Serm. ons niet.
De in een open lettergreep gerekte klinker blijft gerekt, als de lettergreep door syn- of apocope eener volgende zwakke vocaal gesloten wordt. Zoo vindt men:
ae: gaeft (dedit id), haet (odit, odium, oderitis), haetde (pt.), maegt (virgo), maecde, maect (facit), gemaect, maelt (molit), maent (monet), maenst (mones), naect (nudus), saeps (suci), gesaet (satiatus), scaet (nocet), smaect (sapit), gesmaect (odoratur etc.), volmaect (perficit, perfectus), enz.;
ee (‘umlaut’): geenstere (scintilla) 131c, 199d, heer (exercitus), meer (mare), enz.;
ee (= onfr. e): beet (orat), beetde (oravit), eet (edatis) 86b, geel (flavus) 88b, der geenre (illorum) 92b, geert (cupit) 71c, geweest, leefden (vixerint) 91b, vergeet (obliviscamini) 93d, verteert (consumit), weest (estote) 31d, enz.;
ee (= onfr. i): beelde (imago) 80c, beet (morsus) 151a (bis), geeft (dat), geureet (pacificatus) 117b, leeds (membri) 41d, leest (legit), enz.;
ie, ij (onfr. i): biet (precatur) 75b, bijt (id.) 109c, li|egt (jacet) 96a, siet (sedet) 100c;
oe: brudegoem, do|egt (virtuti) 123b, hoefscelic 201d, loeft (laudat), geloeft (promissus etc.), oueruloet1 111d (bis), soen (filius), stoect (instigat), stoert (id.; vgl. mhd. stürn, md. storen) 16a, woent (habitat etc.), gewoent (part. pt.), enz.;
ue, in su|elt (debetis) 67d, 124b.
Veel talrijker zijn echter gavallen waarin enkele vocaal staat (ook: mant, her, gert, lest, ligt, dogt, sult, enz.), en dus omtrent de qualiteit uit de Serm. zelf niets is te beslissen; z. § 10. Als in 't Mndl., zullen wel in vele gevallen korte en gerekte klinker naast elkaâr hebben gestaan; zie van Helten t.a.p., § 3.
Secundaire verkorting der gerekte vocaal is slechts in de volgende gevallen zeker:
a. vóór tt, in wet (lex), uit *wētĕt (onfr. witut), d.s. wette, en vóór rr in derre (huic, horum etc.). Het bestaan van vormen gi et (editis), hi hat (odit), gi wet (scitis), enz. met korten klinker, naast die met gerekten, is niet te bewijzen.
b. vóór ff, in effen(e) (planus), en vermoedelijk ook vóór lange ch, in neghelen (negelen, nech(g)elen; clavis figere [z. § 104]) en vóór lk in melc uit *mēlĕk, sulc en welc.
Verkorting van een oorspronkelijk langen klinker heeft plaats gehad in de volgende gevallen:
a. vóór tt in totten (= *tote den), totter (= *tote der), tot; naast tote, toten, toter (z. van Helten t.a.p., blz. 1822); verder in luttel, lutter enz., vtterste (utterste). Naast den laatsten vorm vinden we zelden uterste; vgl. eng. utter en outer (ags. ûterra). Verder in *vet (pinguedo) uit *vêtĕt, d.s. vette 222b, vet (pinguis), vetheit.
b. vóór cht (uit Germ, cht of ft), in bragte, bragt, bregte (opt.), brulogt, dagte, degte, dogte (visum est), gedagt (part.), gedagte of gedegte (cogitatio), gerugte, ligt (levis) enz., ligt (lux, fulgens) enz., lugten (fulgere), sagte (mite), segte (mitis), sugten (gemere), misschien ook: bigte (confessio) enz.
Onder den invloed van andere vormen blijft de lange klinker1 in sugte (quaesivit), gesugt, vgl. Statb. soeghden p. 334, verseught 306, en zelfs verseuckt 300, 327, Nieuwmaastr. zeukde, gezeukt (d.i. z
ǵdĕ, gĕz
k). Evenzoo vindt men gekoegt 145a (bis) en geknoegt (nexus) 181c van coepen, *cnoepen, daarnaast gecogt, geknocht, pt. kogte (lange of korte o?), verder gedogt (baptizatus) en gesogt (immersus) 22a (z. § 88). Misschien bestonden hier een oudere vorm met korte vocaal en een nieuwe met lange naast elkaâr. Het is trouwens niet zeker, welke klank met oe wordt bedoeld; z. § 61. Twijfelachtig is bra|echte 165b.
c. vóór mm, in emmer, immer, nemmer, nimmer, enz. Over nemer 35a, 38b en nimermeer 19d z. men § 73, b.
d. vóór rg, in nergen, nirgen (nusquam). Vgl. jwergen 175c.
e. misschien vóór lf, in elf (undecim), en vóór lk (lg) in elc, vgl. sulc. (sulg) en welc (welg, welec 37b, 55a)2.
f. vóór lange ch (uit k-h) in lighame (lichgame, liggame, lichame, licgame).
Twijfelachtig zijn: menge (naast menege), vrint (amicus). De lange vocaal blijft in eenke (ullam; z. § 100) en in stunt, opt. stunde (vgl. de spellingen stuent 125c, stuenden 41b, 125c). Over entweder, antweder z. men. § 52, Opm.
De spelling laat niet toe de uitgestrektheid van dit verschijnsel te beoordeelen. Rekking blijkt uit de schrijfwijze:
1. in gevallen waarin ook het Westelijk Mndl. rekking kent, nl.:
a. vóór r + cons., in: sca|erp 189b, 220c, sta|erf 157c, sta|erc 84c, 106c, swa|erde (cutis) 169a, wa|erp 221a; gesteerct 57a; eernst 191a; weert (hospes) 101c; bedo|erfte (egebat) 112a, notdo|erfte 128d, wo|ert (verbum) 87c, wo|erden (verbis) 166c.
Dit verschijnsel had zonder twijfel eene veel grootere uitbreiding dan deze weinige voorbeelden zouden doen vermoeden. Dat blijkt niet alleen uit nieuwe dialecten, maar ook uit Statb. pass.: in 't Maastr. van 1380 was de rekking volkomen doorgedrongen.
b. vóór rr, in erincheit 23a, eert (confundit) 24b, vereert (iratus) 28c (bis), naast erren, erringe enz.3.
c. vóór n + cons., in do|enct (videtur) 112a, du|enct (id.) 27b. eengene 189c is blijkbaar een schrijffout voor: engeene.
d. vóór cht, in do|egter (filiae) 104c, cra|egtger (fortius) 87d vlg., sna|echts 168a.
e. vóór st, ss, in haeste 226b, ha|estelike 193a, 201c, haestelike 176d, roest (quiescit) 116d, wa|est (crescit) 126c. Over hesenen z. men § 111.
f. vóór ll, in eruuelt (implet) 39c.
Van de laatste vijf gevallen zijn de voorbeelden zoo uiterst dun gezaaid, dat we ons van gissingen onthouden.
2. in gevallen waarin het Westelijk Mndl. geen rekking kent. De neiging tot verlenging, die we in onze Sermoenen slechts gebrekkig kunnen constateeren, heeft in het Maastr. an andere limb. dialecten eene groote uitbreiding gekregen en heeft die gedeeltelijk reeds in Statb.; z. ook § 109.
De rekking kwam en komt vooral voor bij ă; de neiging om deze te sluiten, resp. te rekken, was bijzonder sterk, en waar zij kort is gebleven, is zij, tenminste in 't Maastr., toch iets langer dan in 't gewone Nederlandsch.
Wat de Serm. betreft, kunnen we meest vormen met gesloten vocaal aanwijzen die de rekking bevorderden. We vinden:
ae: in de znw. gelaes (vitrum) 88b, ongemaec 141c, smaec (odor) 115c, d.s. gelase, ongemake, smake1;
in de bnw. gehaet (inimicus) 168d (vgl. 't part. gehaet), laem 147c, na|et 155b, saet (satur) 111d, 206c en eld., verbogen: *lame, *nate, *sade (vgl. ook 't part. gesaet uit gesadet); evenzoo saetheit 206c enz. gewaer 99b en eld. kan zich gericht hebben naar geware (oorspr. bijw.); of verlenging vóór r?
in den 2. s. imp. vaer 52d, inf. varen;
in eenige praeterita: aet (edit) 140b, 168b, saet (sedi) 134a, (sedit) 140a, vergaet (oblitus est) 170b; pla|ech (soluit) 160c, staec (pupugit) 169d, dorsta|ec 171a;
in het vreemde woord kersta|el 113d, d.s. *kerstale.
In al deze vormen en verscheidene andere hebben 't Maastr., 't Roerm. en andere dialecten rekking, en wel meest tot ā, daarentegen in de praeterita tot
(Maastr.), ô (Heerlsch), ô of ā (Roerm.). De å of o-klank stemt overeen met de vocaal van den pl. pt. ind.: maastr.
t, pl.
tĕ, Heerlsch ôt, ôtĕ, roerm. āt, ātĕ en ôt, ôtĕ.
Het schijnt, dat de klinker zelfstandig werd gerekt, en de daardoor ontstane ā onder invloed van het meerv, tot
, resp. ô werd;
in de Roerm. meervoudsvormen met ā heeft zich omgekeerd de plur. naar den sing gericht1.
Ook ma|ech (potest) 20c en eld., ma|egtu (potes) 17a, zouden vóór lengte pleiten, indien niet de nieuwe dialecten in ‘maag’, ‘kan’ en ‘zal’ korte a hadden en Statb. niet mach, kan, sal spelde. Vgl. echter sael, Public III, p. 426 (bis) naast sal, in eene maastr. oork. van 1349. Is er rekking geweest, dan verdween zij spoedig weêr.
Naar analogie van 't Nieuwmaastr. mogen we met waarschijnlijkheid ook rekking aannemen in dag (dies), d.s. dage, gras (herba) - grase, sap (sucus), g.s. saeps (uit *sāpĕs) 36ab, en dgl.; vgl. Statb. daegh (daigh).
ee (onfr. i): in het znw. leet (membrum) 41d (bis), 42a en eld., g.s. leeds (uit *lēdĕs) 41d, n.a. pl. lede (leet, let). Zoo ook in Statb. leet p. 279 (bis) en eld., en eveneens in nieuwere tongvallen. Z. verder § 31.
in den 2. s. imp. eet 84a; zie verder bij de st. ww.
oe: in de znw. hoel (caverna) 201c, lo|ef (laus) 167b, d.s. *hōle, lōue; vgl. Maastr. hōf, hōl, lōk, enz.
Opm. In 't westel. Ndl. is meestal de korte, open klinker van den n.s. of den 1. 3. p. s. in 't meervoud gedrongen (met rekking van den volgenden medeklinker): sap - sappen, lam - lamme, hol - holle; zat (sedi) - dial.-holl. zattĕ, maar: staf en staaf(?) - staven, hol - holen, enz.; bij i bleef (door 't verschil van klinker) de oude afwisseling bewaard: lid - leden, schip - schepen.
Limb. Serm. in gesloten lettergreep a: af, al, an (voorz.)2, an (siquidem) 150b, 213c, bat (melius), dag, gast, hant, lanc, lant, ombehanc, van, wal (bene)3, wandelen - vant, sprac, gaf en dgl. ptt. ind. (1. 3. sg.), dus ook an, dar, darf, can, mag, sal - vallen en and. red. ww., enz.;
in open lettergreep a: alecort, ane (bw., zeldzamer vz.), aue (bijw.), lighame, maken, nase, vader, wale (bene) - dragen en dgl. ww., enz.; zie ook § 12;
in oorspronkelijk open, doch later gesloten lettergreep meestal a, maar niet zelden ook ae: gelas (vitri), mant (monet), nact (nudus), te varne (ire), enz.; daarnast gespaert, naecde (nudi), schaemde, enz., z. § 13.
Rekking in gesloten lettergreep wordt meestal niet aangeduid, soms door bijgevoegde e; z. § 16.
a vóór rr of r + cons. blijft gewoonlijk, maar wordt soms e (wat in 't Nieuwmaastr. en de overige tongvallen regel is): erm (lacertus) 20b, ermude 175a, 178d, 187d, ertsetrie 84c en eld., mertelere 62d (bis) en eld., scerpe (pera) 57d, verwe (color) 88b, erwermen (incalescere) 217d, verwermen (id.) 131c en eld., naast arm, armude, artsetrie, martelere, varwe, enz., voorts arbeit, arg, eruarmen, marg - pt. wart, dar, darf, enz. Rekking z. § 16, 1, a en b.
Over a + ld of lt vgl. men § 78 vlg.
De ‘umlaut’ van a is, als in alle Limburgsche dialecten, consequenter toegepast dan in 't westel. Ndl. Men vindt hem in de Serm.:
1. in gevallen waarin ook het Westmndl. altoos of gewoonlijk ‘umlaut’ heeft: beter (melior), deren (nocere)1, edele, egter, geweldeg, helle, reden (loqui), twelef, vergetten (factit. van vergeten), verken (sus), enz.
2. in gevallen waarin het Westmndl. zelden ‘umlaut’ heeft (z. van Helten t.a.p., § 20, a en b):
a. vóór cht = got. ht en vóór lange ch: dregteg, eendregtecheit, geslegte (tribus), megteg, wegtere, enz., neghelen (nech(g)elen enz.);
b. in gevallen waar in 't Wmndl. de e meestal door analogie was verwijderd: egterste (postremus), geuenckenisse 171b, 195d, cregteg, cregtelike2, crenckelike, sterckelike, tegenclike (-lic, tegenckelic) - 3. s. dreg(e)t, 2. s. vels (cadis), enz.;
3. In gevallen waar het Wmndl. nooit of zoo goed als nooit ‘umlaut’ heeft: enxstelic, beheldere (salvator), beheldenisse, beuellike, degelics (quotidie), dempeg, eenueldeg (eueldeg), gederen (coire), gensen (sanare), lesterlike, nemelike (praesertim), sedde (satietas), scedelike (scedelic), scemede (scemde), scemelch (pudibundus), utseteg 149b, velleg (caducus), velschen (falsare), verwermen (calefacere), vutschemel (?), wermde (weremde), enz.
Vreemd is selme (psalmus) 94d (ter) en eld.; wencken (titubare) 37b berust op een anderen vorm (*wankjan) dan Mndl. wanken (*wankôn of *wankên). Omgekeerd schijnt carmen, 176d = *karmôn (of *karmên) te zijn.
In de sub 2. en 3. genoemde gevallen komt in de Serm. niet zelden ook a naast e voor, onder invloed van 't Wmndl. of van vormen waar in een volgende syllabe geen i of j volgde. Zoo vinden we: anxstelike, dragteg, dagelics, gaderen, ganslike, cragteg, cragtelike, lasterlike, ontfanclic (ontfanckelic), ontfarmeg (zelden ontfermeg), saden (satiare), scamede, starckelike, wagtere, 3. s. draget, enz.
Uitsluitend a in behagelike (behachlike), hastelike (haestelike), (ge)laghen (ridere) 167d, 189d, 206d, in 't suffix -agteg (naast-agt, LvJ. -eghtech), behalve hellegtech 192b, en in den compar.: langer, starcker, enz. In 't laatste geval zou men van vormen met -ôr- (got. -oz-) kunnen uitgaan, ware het niet, dat de superl. altijd ‘umlaut’ vertoonde.
Over ‘umlaut’ in de verbuiging zie men afzonderlijk, over ee in gesloten lettergrepen § 13 en 16, 1. a, over -vuldeg naast -veldeg § 77, en over ‘umlaut’ in 't pt. bij de ww.
o (d.i. ö̀) staat in iegenwordeg 87d naast i(h)egenwerdeg (pass.).
De ‘umlauts’-e onderscheidt zich in de nieuwere tongvallen, tenminste in gesloten lettergrepen, zeer sterk van de e uit e1 en nadert tot de opene ì welke we in ndl. kind, schip hooren. Franquinet duidt dezen klank aan met é, Simons met ä. Eene dergelijke uitspraak, maar minder sterk naar i neigend, hebben we vermoedelijk voor het dialect der Sermoenen aan te nemen.
Slechts in één geval was de i-kleur blijkbaar sterker, en wel indien nn of n + cons. volgden. In dit geval toch schrijft onze vertaler niet zelden i: bringen, dincken enz., drincken 8b, kinnen enz., bekinnisse, sinden 24a, naast de gewone brengen, dencken enz., drencken, kennen enz., bekennisse, senden; altijd: ende (finis), engel, mensce (mensche), enz.
De n, voor palatalisatie bijzonder vatbaar, assimileerde de qualiteit der e nog verder aan hare eigene door de e allengs in i te laten overgaan.
De nieuwe dialecten hebben hier i als in ndl. kind2. Uit het Mndl. is bekend, dat het Limburgsch in dezen overgang niet alleen staat.
Limb. Serm. a in open en gesloten lettergrepen, daarnaast in geslotene dikwijls, in opene hoogst zelden ae: adere (vena), aflat (remissio), genade, iamer, iar, clar, quat, mage (consanguinei), mane (luna), mate (mensura), rameg (aeruginosus) 22c, swar, vragen, (ver)-smaheit, war - gan, gedan, stan, enz.; iaer, claer, craem 80c, quaet, raet, swaer, waen, waer (verus) - gaen, gedaen, staen, enz.; aete (ederet) 141d, versmaeden (spernunt) 215b, versmaeden (spernere) 159d, enz.
Aan 't einde van een woord vooral is ae gebruikelijk: gae, ontfae, stae, enz., naast ga, ontfa, sta, onz.
Eéns ai: onsailde 12d. De aanduiding der lengte met i, die ook bij o ééns voorkomt (§ 60), en herinnert aan de Brabantsche en de Nederrijnsche schrijfwijze, wordt in de kleine maastr. oork. van 1349 niet gevonden (altijd ae, oe), maar is in Statb. zeer gewoon.
Naast de vormen met a of ae vertoonen zich de volgende met o, resp. oe: gemoge (consanguinei) 65b, lensots (seminis lini) 163c, mone (luna) 6c, moscap (consanguinitas) 33b, 65d, te moten (admodum) 1 r. (quater), 1 v. (quater), 2 r. (bis), 2 v. (quater), oderen (venas?) 16c (corrupt), romeg (aeruginosus) 22c, versmoheit 207b; roets (consilii) 216b.
Van de 22 zekere gevallen staan 14 in de inhoudsopgave en één (mone 6c) in een titel; in moscap 33b staat mo op ratuur. Daar nu de titels der preeken met de inhoudsopgave nog andere afwijkingen van den tekst vertoonen1 en vermoedelijk niet van den vertaler zelven zijn, is het niet onmogelijk, dat ook de zes overige o's afkomstig zijn van een afschrijver. Toch mogen we voor den vertaler zelven reeds eene tot open ô neigende uitspraak der â, dus
, aannemen. De maastr. oork. van 1349 heeft oe of o: noemoels (nomoels), noelecke, joere, joers, sintervoes (St. Servaas), gedoen, roede (consilio), stoen, ééns maer (sed). Statb. heeft gewoonlijk o, oe (oi), en de nieuwe dialecten hebben alle
of ô (gesloten ô) of beide; in 't Maastr. vindt men zelfs verscheidene
's die aan onfr. ă beantwoorden.
LvJ. heeft a (ae), evenzoo Veld.; in Serv. vindt men echter ook oe (zelfs in rijm op ō I, 412), maar dat kan door den omwerker er in zijn gebracht.
Evenals andere Oostelijke dialecten van ons land hebben de Limburgsche ‘umlaut’ van â, wat één hunner voornaamste kenmerken is tegenover de Westndfrankische.
Zoo consequent ontwikkeld als de ‘umlaut’ van ă is die van â echter niet, maar hij is toch in het Limb. der Sermoenen veel meer gewoon dan in de onfr. psalmen; zie T. en Lttb. IV, blz. 162.
Gewoonlijk vinden we a (ae) en e (ee) naast elkander, waarbij soms invloed van 't Westmndl. op onzen vertaler onmiskenbaar is (b.v. vóór j, waar het Maastr. en andere tongvallen altijd ‘umlaut’ hebben). We vinden o.a.: archwenech 27d, beswerde (dolor), beswernisse, biredeg (dolosus) 101d, sig erueren (metuere), geberen, gedende (figura), genedeg, geneme(acceptus), getemen1, here(cilicium) 175a, 3.s.clert(vgl. mhd. klaêren) 179a, *legelen (d.s. legelne) 201c, mer (nisi, sed), mere (fama) 136b, neken (appropinquare), neste (proximus), onmere (ommere, mhd. unmaêre), onderdeneg, onueruerlike (onreuerlike), onweragteg (uit *unwârihaftîg, zie T. en Lttb. V, blz. 173, en vgl. mhd. waêre naast wâr) 50b, ouerdedech 160a, seleg enz., seltseme (mirus) 168c vlg.2, schekere (latro) 151c, 169b, scepken (ovicula) 111c, stedeg enz., stedelike, tege (lentus) 119b, temalic, temelike, trege enz., pt. versmede (sprevit) 140b, weien (flare), wenen (putare) - spreke, geue en dgl. optt. pt., ook dede - du sprekes (locutus es), du wers (fuisti) en dgl.
Over het suffix -bereg, uit -*bâri + îg, zie men § 68.
Twijfelachtig is de quantiteit der e in alwereg 96c en drosete 113c; ā́lwērĕ̀g, ā́lwĕrĕ̀g, ā̀lwếrĕg? drósḕte, drósĕtĕ̀, drṑsếtĕ? Vermoedelijk was de vocaal iets verkort, maar niet tot ĕ geworden.
In gesloten lettergreep vaak ee: 3. s. erueert, hantgebeer (sceptrum), meer (nisi, sed), neest, versmeet 156a, versmeetste (superl.), 3. s. weent (putat), enz. - 3. s. dweet, leet, reet, sleept, veet - 3. s. geet(?), steet(?).
of nast (proxime, prope), onderdaneg, saleg, onsailde 12d, scakere 93b, stadeg enz., stadelike, tamelic, tamelike, tragen (tardare), tracheit, versmaden (spernere), superl. versmaetste, waien, wanen - sprake, gaue enz., dade - du wa (e)rs enz. - laet of lat, gaet of gat, enz.
Altijd a in iamereg, iameren1, iamerlike, onmatelic - claerlike (clarlike), qualike, warlike - in den comp.: clare, nare, sware, ware enz. (z. § 19 - superl. quatste - openbare (bnw,, onder invl. van 't bijw., vgl. mhd. offenbaêre, offenbâr, beide bnw. en bnw.) *geware (verus) 34c, gewareg (invloed van war), rameg, romeg (invl. van *ram, vgl. Nieuwheerlsch råm, schimmel) 22c.
Zeker toevallig ontbreekt een vorm met e bij bespraien (irrigare) 135b, gedrait 88d, gesprakeheit 96d, zayen 190c. De zeldzaamheid van e(e) bij versmaden is misschien te wijten aan den invloed van versmaen.
clere (clarus) 178d (bis), 179b kan moeilijk aan ‘umlaut’ zijn toe te schrijven. De vorm komt ook elders voor, o.a. Lutg. I, 79. Invloed der volgendo r of van (ver)cleren (v. Helt. § 21, 0pm. 2)?
De uitspraak der ê uit â is tegenwoordig gesloten en lang; soms is ê zelfs tot î geworden.
In overeenstemming met â is ê vóór cht verkort: gedegte (animus), segte (mitis), segtecheit enz. - opt. pt. bregte, gedegte, 2. s. ind. brechste 2l3a. a is vrij gewoon in gedagte (oorspr. gedechte naast gedacht?); in pl. v. segte komt, door verwarring met het bijw., sagte voor: 191c, 194b, 208c; evenzoo sagten (mitigare) 194a (bis), 195a, sagter (mitior), sagtmudecheit 176a; omgekeerd sechte als bijw. 52a.
In LvJ. is de ‘umlaut’ minder gewoon, maar toch vinden we: geneken naast genaken, wenen n. wanen, seleg n. saleg, 3. s. hi ontfeet, versmedden (contempserunt) blz. 70, versmedt (contemnit) 186, enz., a komt betrekkelijk meer voor en is in den opt. pt. alleen gebruikelijk. Kerst. en Lutg. als LvJ.
In het dialect van Veldeke had blijkbaar ook wisseling van â en ê plaats; de verhouding is evenwel niet to bepalen. Behaghel tracht2 door eenige m.i. hoogst willekeurige veranderingen in den Serv. het bestaan van dezen ‘umlaut’ in Veldeke's werken weg te cijferen, maar maakt alleen waarschijnlijk, dat de uitspraak van ê uit â en van ê uit ai vóór r (resp. van ē uit e of a vóór andere consonanten) niet gelijk was, en de dichter ze in lataren tijd niet meer in 't rijm verbond.
Van de 28 door Behaghel genoemde rijmen tusschen â en ê zijn twee onjuist (*gebêren: *wêren Serv. II, 1040 en *gebêres: *wêres En. 9953; vgl. Serm. geberen); van de overige staat de twijfelachtige klinker in 12 gevallen vóór r; in 9 der overblijvende is de vorm met dien klinker een opt. pt. (Eneide 4521 vlg. kan men bovendien ook lancsam: quam lezen), in 2 gevallen een vorm van wânen of wênen, in twee het subst. hâle of hêle, en in het laatste het adj. bequâme of bequême.
Daarentegen staan in den Serv. 9 rijmen tusschen ê uit ai en ê uit â vóór r, die Behaghel door veranderingen verwijdert.
Men vgl. verder *Troiêren: ontmēren (solvere) En. 2239, en vooral *dêde: stēde Serv. II, 656 en stēde: *dêde ald., 7861, die onomstootelijk de aanwezigheid van den ‘umlaut’ bewijzen.
Blijkbaar was deze echter evenmin consequent toegepast, als in eenig ander Limburgsch geschrift, en bovendien neigde óf ê vóór r naar â, m.a.w. had den zoogenaamden ‘blatenden’ è-klank, óf â naderde vóór r tot ê.
Het veelvuldig voorkomen van het rijm ê (uit â): ê (uit â) toont evenzeer, dat die klank niet aan een anderen gelijk was.
Voor korte e vgl. men Serv. II, 1619 brechte: knechte.
In de oork. van 1349 en in Statb. is e(e) regel, hoogst zelden a(e): Over 3. s. geit, sleit, steit enz. (Statb.) z. men bij de ww.
Over het indringen der ê in westel. dialecten, tenminste in de conventioneele schrijftaal, z. men v. Helten, Mndl. Sprkk., § 21, al. 2.
Limb. Serm. in gesloten lettergreep e: berg, erde, gern(e) (cupide), gesteren, knegt, regt, selden, self enz., tempel, teswe (dextra) 19c, 230c - helpen, vegten, werpen en dgl., enz.
Slechts éénmaal i: die silue (eandem) 50a.
Ook in 't vreemde woord pinsen, en in gepins enz. staat i, naast het gewone pensen enz., als in 't Mndl. (van Helten t.a.p., § 26, b). Hier kan echter ook e uit i zijn ontstaan; want daar e vóór gedekte n in 't Germ. niet bestond, is de overneming van pensare als *pinsôn begrijpelijk; evenzoo cinsinge, spindere 181b; z. verder § 31.
we is u (d.i. ǜ) geworden in suster (soror).
Overgang van e in a komt voor in darwart 210d, opwart 169b,
wart (versus) 7 maal (185b en eld.), naast darwert, opwert (oppert), wert (pass.).
Limb. Serm. in open lettergreep eveneens e (d.i. ē): beden (onfr. bedôn), breke (inopia), ind. pt. dede, pl. lep(e)re (onfr. lepora) 222d, 223a (bis), leuen (vita, vivere), lewe, neuen (iuxta), segenen, vegevur (purgatorium) 69b, vorspreke (mhd. vürsprëche), weke, wingartreue (ook: reue) - nemen, geuen en dgl., enz.
In oorspronkelijk open, maar later gesloten lettergreep gewoonlijk e, niet zelden echter ook ee: gebets (precationis), geft (datis), nemwi (sumimus), enz.; speer (hasta), verdeet (= verdedet) 151c, verteert, verteerde, weelde 175c; ook weelicheit (uit *welĕlîkheid, vgl. ags. wela) 193c; z. verder § 13.
Eénmaal in open syllabe i: stormwider (tempestas) 43 d.
ee in teen (decem) is ontstaan door de samensmelting der beide e's van *tehen; dat de ee eene zeer lange ê aanduidt, blijkt uit de standvastige dubbele spelling en den wisselvorm tein 11a en eld. Statb. theende p. 333, n. pl. theenderen ald. (titel), Publ. I, p. 62 (maastr. oork. van 1440) vyfthene. ten staat ook in de onfr. psalmen; we zullen daar wel eveneens tên moeten verstaan.
o voor e in begort (optatus) 111c; z. § 19.
Limb. Serm. ie of i; het laatste is meer gebruikelijk, behalve in die, n. en a.s. en pl. van verschillende pronomina.
i: din, dir, dis (naamvallen van verschillende vnw.), hi in hi bi (hac re) 84b, hir (hic), mide (ohd. miata) 188c, schire (cito), geschirt (purgatus) 192d, spigel, wi (quis etc) enz. - blis, hit, vil en dgl. ptt. - andris (n. pr.), brif (breve) 97b, ciren (siren), grixsch, manire, riuire (flumen). Ook brisc(h)en (rugire) 101c, 174c?
ie in: dien, dier, dies, hie (hic) 136d, wie (quis etc.), wies 75b - blies, hiet, viel, enz. - gesi|ert 4c.
ij (anders meest = î) in dijt (qui id) 181c, utijn (= ut dien) 5c.
e (ê) in de (ille) enz., we (quis); ee in wee (quis) 48a, 116a; z. de vnw.
ê was verkort in de vormen van 't lidwoord; de, der, den, zooals blijkt uit dandere (alia), dapostele (apostoli), enz.
De quantiteit der i in de ptt. ginc, hilt, hinc en vinc blijkt uit de spelling niet; de ie van Statb. in deze gevallen (gienc enz.) pleit echter voor lengte.
ei in heit (nomen habebat) 17a, 104a; hierover en over de uitspraak van ie zie men § 56.
Bij dezen klank heerscht in de Serm., als in alle mndl. geschriften, eene groote verwarring, hier nog vermeerderd door de enkele spelling van gerekte klinkers. We behandelen eerst de gesl. syll.
a. In de volgende lettergreep stond vroeger eene i of j1. De volgende medeklinker is:
b of p: cribbe (praesepe) 126d.
d of t: bidden, hitte (hitde), middelt, mitder nagt (dat. sg.), ouermits, sitten, wit (albus, verbogen: witte enz.).
f: vergiffenisse (vergifenisse, vergifnisse).
g, ch: ansigte, berigten, berigtenisse enz., *gewigte 214b, gigte (donum), liggen enz., rigten (rectum facere), sig gerigten (rectum facere), gerigte (judicium), gerigte (ferculum), rigtstul 127d, rigtweg - 3. s. vigt; daarentegen: regten (praeparare), sig regten (dirigere se) 30b - 3. s. vegt. Over den imp. sig (vide) 94a naast seg (sech) pass. z. men de st. ww. De 3. s. vegt staat onder invloed van den 1. s. vegte en andere vormen; bij regten enz. denke men aan regt.
k: bestricken 59d, dic (spissus) 219b, gestict (infixus), maar erquecken (onder invl. van quec); sprecwort 13b (= sprēcwort, ond. invl. van sprēken?).
Over decke (dec, saepe), dat veel meer voorkomt dan dicke, zie men Behagel, V.-En. XLVI.
l: anuilte, billike enz. (onbilic 22c), milde, ouersilueren, silueren (argenteus), stillen (coercere), wilde (wilt), 1. s. wille (volo) enz. - 3. s. hilpt (daarnaast helpt, onder invloed van helpen), scilt (exprobat).
m: timmeren - 3. s. swimt 20a, climpt (climt). Daarnaast: tem(m)erman 60b, 96a - 3. s. swemmet (swemt), het laatste onder invloed van swemmen.
n: beginsel, gesinne, ingesinne, inneg (jnneg) enz., minne (= osa. minnia?) enz., minste (minimus), twinteg, vingeren (annulus) - 3. s. begint, bewint, bint, drinct, dwinct enz., gilt, ontrinnet, ontsprinct, singt (sinct, singet), vint, wint (acquirit) enz., 2. s. winstu 123d. Statb. gesinne, minne, vint.
menre (minor) en zijne afleidingen kunnen zich naar men (minus; vgl. bat, melius) gericht hebben.
begen(t)sel 121d (quater), betrekkelijk zeldzaam, staat onder invloed van begen en begennen, de 3. sg. vent (reperit) en dgl. onder dien van venden, enz.
r: kersten, ongehermech (inquietus) 195b, werdeg (dignus), enz. -
3. s. werret (taedet), wert (fit), enz.; alleen gebirgte 223c - 3. s. birget 65c, stirft 67c, naast de gewone gebergte - bergt, sterft. Vgl. Statb. stirf (moritur) p. 273, wirft 270, 334 (ter), wirpt 285 (bis), naast werpt. Rekking z. § 16, 1. a en b.
s: listeg, listelike 199a, listen (dolis) 45b, 101c, missen enz., smisse (officina) 199a, vischere 16b.
Slotsom: i is gebleven, wanneer de volgende lettergreep eene i of j heeft bevat1, behalve vóór r, waar i tot e (resp. ē) is geworden. Deze toestand is door analogieën eenigszins in de war gebracht.
b. De volgende lettergreep had geen i of j. De volgende medeklinker is:
b of p: schep (navis) 162b, schepman (nauta) ald. Vermoedelijk = schēp (dat. plur. schepen 162b [bis]); vgl. sceepluyde oork. 1349.
d of t. i is regel in: bit (cum), dit (hoc), naast bet (dikw.), det2, e in: better (amarus) enz., et, het (id), met (cum), naast bitter (niet zelden), hit 21c, 56c, 64a, mit (dikw.). Statb. id en ed, mit en met (cum); oork. van 1349 et (id) 3 maal. et, het verkeeren echter wegens hun gering accent in een ander geval dan de overige. Rekking in let (leet) en waarschijnlijk in smet (faber), z. § 16, 2.
f: screft (scriptum), evenzoo screfture; scrifture 217c (bis).
g, ch: wegt (ohd. wiht) 10c.
k: aneblic 72a, stric (laqueus); ééns strec 216d.
l: siluer, scilt, spille (uit *spinle) 167d, stille; daarnaast seluer 57d, 144d. Bij Veld. en in 't hs. van den Servaes, dat ergens uit de buurt moet zijn, is deze i altijd van e gescheiden3, maar in't Nieuwmaastr. is i vóór gedekte l met e samengevallen in een klank die der ‘umlauts’-e nabijkomt (Franq. é).
m: scempelinc 210c, scempwort 210d, stemme (vox) - clemmen (ascendere), swemmen; daarnaast scimp (risus) 156c. Nieuwmaastr. ǜ (als in ndl. kummel): klǜmmĕ, stǜm, vgl. ǜ uit ‘umlauts’-e vóór b in hǜbbĕ (habere).
n. Alleen i in hinderen, rinc (annulus) 19c, twint 150b, 152d, vinster (obscurus) enz.; i is gebruikelijker dan e in binnen, dinc, in (bijw.), kint (filius) enz., wint (ventus), naast bennen (dikw.), denc (zeer dikw.), en (dikw.), kent (zeer dikw.), went (betrekkelijk dikw.).
e predomineert in: begen (principium), ben (sum), blent (caecus) enz. (ook blenden, erblenden, trans., naar blent), gender (illuc) 69b, 205b, hen (eis), men (minus), penxtdag 125d, sen (sensus), sent (de), sent(e) (sanctus) 2 r., 6c, 21a, 226a, slenc (laevus), wencken (signum; daarnaar ook wenckere), wenter; daarnaast: begin (4 maal), bin 17a, verblinden (caecum fieri), hin (?) 12d, sin, sint (de), slinc1.
Evenzoo is e meer gewoon bij de st. ww. begennen (zw. pt.), benden, drencken, dwengen, gewenden, ontsprengen, sengen, sencken, stencken, venden, naast niet zeldzaam beginnen, binden, enz.
In de maastr. oork. van 1349 bennen (4 maal), g. d. pl. denghen (bis), venden, maar hindernisse, sintervoes.
Statb. binnen, kin(d)t (pass.), vinden (4 maal), min 320, maar ook: venden 311, dweng(h)en (3 maal), sent (sanctus) pass., uytgedenghde 324.
In eene Gulpensche oork. van 1375 (Slanghen, blz. 111 vlgg.) staat: kender (liberi) 2 maal, kent (filius, liberi) 3 maal, sent (sanctus) 7 maal, sint (id.) éénmaal.
Eene sterk naar é neigende uitspraak dezer ì schijnt onbetwistbaar, hoewel die neiging niet verder behoeft te zijn gegaan dan ndl. i in kind. Men denke er aan, dat e uit ă vóór gedekte n in i overging of begon over te gaan, en ook dáár e en i naast elkaâr werden gebruikt. Waarom vinster en and. altijd i hebben, weet ik niet, gedeeltelijk (b.v. bij rinc) zal dat wel toevallig zijn.
r. Altijd e: kerst (Christus), merre (myrrha), enz.
s: biscop 62d, biste (es) 149b, (ge)cissen 3 maal, misse (missa), wiste en weste (dit kan oorspr. op het verschil van opt. en ind. berusten), anders e: du best, beste (es), cessen 183b, desch 84a, es (est; éénmaal jst = is het 65d), gewes 163c, quespel l76a, lest (astutiae) 45c, 174c, (mes- = onfr. mis-), messe (missa), mest (stercus), nest (nidus) 129b, uesch (piscis) 120c, wessel (onfr. ps. wihsil, maar vgl. ags. wrixl, ohd. wëhsal).
Oork. van 1349: es (est) pass., twest, daarentegen Statb. is (est), argelist (2 maal), tegenover mes- (pass.), twest (5 maal).
argelist is te verklaren uit den pl. argeliste (p. 278) enz., is van Statb. laat zich niet overeenbrengen met es van de oork.
't Nieuwmaastr. weifelt tusschen e, é (Franq.) en ì, maar de opgaven zijn onvolledig.
i voor r werd altijd e, behalve in een paar gevallen vóór eertijds volgende i of j, waar i door den drang van 't systeem bewaard bleef;
i bleef vóór alle andere medeklinkers, indien de volgende lettergreep eene i of j bevatte;
i neigde in alle overige gevallen min of meet naar é.
Uit wi ontstond u in sulc (sulg), tusschen. u vermoedelijk = ǜ, ongeveer als in ndl. zulk, tusschen.
i in eene open lettergreep is ē geworden, indien de volgende syllabe geen i of j heeft bevat. Wordt de lettergreep door syn- of apocope gesloten, dan vindt men naast het gewone e ook ee; § 13.
3. s. beft (onfr. bivôt), dese (hic) enz., heme (ei), lede (let, membra), leueren (tradere), neder (bijw.), negen (novem), onlede, rese (gigas), sede (mos), seder, seker, seuen, spelen, vele, verdelewen, vrede, vretsam, weder (contra, iterum), wedewe - pl. pt. ind. en part. pt. bleuen, cregen; bleuen, gegrepen, enz.; part. gesmeet, enz.
Eéns ei: verleidenre (praeteritae) 191b; z. § 50, 2, b.
i herhaaldelijk in wider (contra), vgl. wieder (iterum) 4 maal in de oork. van 1349. Eéns vritsam 63c, 2 maal widewere 100c (bis). Waarschijnlijk zijn dat germanismen.
Verkorting in wet (lex), enz.; z. § 14, a.
Indien de volgende lettergreep eene i of j heeft bevat, is i zeer gewoon, maar ook e.
Bijna uitsluitend i in himel, himelrike, himels(ch) enz.; hemel 166c, 206d.
i predomineert verder in: bilde, bilden (formare) enz., geuideren (pennas acquirere) 45c, geuiderte 127b, hiden (hodie)1, kitelen 176c, (lilie), mide (bijw.), nideren (humiliare), nider (nidre 225d, humilis), superl. niderste 75c, sigel (sigillum), besigelt, versikeren 70c, sigeloes (vgl. ohd. sigilôs en and. samenst. met sigi-, got. sigis);
daarnaast: belde (beelde) enz., heden, mede, nederen, neder 111b, 187d, nederste 3 maal.
Uitsl. e in begerde, gerde (naar begeren, geren), bete (beet), omelie (homilia) 36c, ongewedere 176c (bis), ret (d.i. rēt, fissura), wenstere (ohd. winistra) 19c; bijna uitsluitend in den opt. pt. der ww. bliuen, enz.: bleue(n), lede(n), enz., ééns ride 116c. Invloed van den pl. ind. pt. is hier duidelijk.
Over den 3. s. list (liset), sprict (spriket) enz. naast le(e)st (leset), sprect (spreket), enz. zie men de st. ww.
Dat wij te doen hebben met eene geslotene, lange i blijkt uit hymelsch 223b, hyden 38a, lylie, sygeloes, en vooral uit bijt (rogat) 109c, biet (id.) 75b, li|egt (jacet) 96a, siet (sedet) 100c, voorts uit de maastr. oorkonden, die ie spellen.
De i in een open lettergreep is dus bijzonder dikwijls bewaard. Ongelukkig zijn de oude maastr. stukken te klein om ons veel te helpen.
De oork. van 1349 vertoont: bielde p. 426, sieghel 426, 427, maar ghebreeclec 424 (vgl. gebreec, gebreke ald.), daarenboven: diesen (hisce) 426, 427, dyeser (horum) 426, wieder (iterum) 4 maal.
Statb. heeft e(e) waar de volgende lettergreep geen i of j bevatte, b.v. altijd dese of deese, seker, weder, behalve lieveren (tradere) p. 273, naast leveren 294, 329 (bis), anders: gebrieclic 276, besiegelt 271, 325 (ter), sieghelen 317, sigel 325, sigelen 317, versie(c)kert 309 (bis), naast gebreclic 294, seeghel 284 - opt. rete (laceraret) 282 (ter). In den 3. sg. heeft Statb. nagenoeg altijd ie; z. bij de st. ww.
Nieuwmaastr. î in hîmĕl, stîvĕl (ontleend?), ĭ̀ in den 3. sg.: brìkt, gìft enz.
De Serm. laten geen twijfel, of i was in hun dialect onder invloed eener volgende i of j ook in open lettergreep meestal gebleven, resp. gerekt en gesloten geworden. Zoover men kan nagaan, week het dialect hierin weinig of niet van 't Maastr. af. Een geheel zuiver beeld is echter noch bij de Serm. (door de mogelijkheid van westmndl. invloed), noch bij de maastr. stukken (door hunne geringe grootte) te verkrijgen.
Opm. In 't Roerm. schijnt i ook voor gedekte r te zijn gebleven: hìrt (cervus), kìrk (ecclesia), wìrkĕ (laborare), enz.; vgl. ook bìljt (imago), lìllī (lilia), mìt (cum), šlichtĕ (ndl. slechten), enz., maar eveneens: smìltĕ (liquefieri).
LvJ. kent alleen ē, evenzoo Veldeke, naar het schijnt.
Uit ēë ontstond ē in vee (pecus), velike.
Aan 't slot vindt men i in de woordjes bi (apud), di (tibi, te), hi (is), mi (mihi, me), si (ea etc.). Onder den klemtoon werd i verlengd an gesloten, vandaar de spellingen bie 104a, die 76b, metty 162c, hi|et (= hi et) 55c, hijt (id.) 136a.
bi en si werden buiten den klemtoon verzwakt tot bĕ, sĕ: bedin, bewilen, dasse, enz. si als acc. sg. of pl. is altijd zonder accent en luidt daarom in die gevallen steeds se1.
Over he enz. zie men 't pers. vnw.
De ē, die in open letergreep uit i was ontstaan, is ā geworden in hare, har (verschillende vormen van 't pers. vnw.) en in hare (huc) 130b (bis), daarnaast: here (suum) 7d, here (huc) 88a, 133c (bis), 171d, her (pass.).
o vindt men in wordet (id fit) 180c, naast werdet (pass.), en in hore (eorum) 127a. In Statb. geregeld wort (woirt, fit) en hoire, hoir, horen (a.s.m. pron. poss.), enz., maar ook home (ei) enz., z. de pronn. In de oork. van 1349 staat noegen (novem), in Statb. voel (multum).
Limb. Serm. i in open en gesloten lettergrepen: amis, idel, gelic, gi (vos)2, gireg3, lif (corpus), crig, pine (dolor), sig pinen, ric (rike, dives), rike (ric, regnum) enz., riue (largus) 189c, riuelike 183a, sit (estis, sitis) enz., stripe (mhd. strîfe) 174c, tit (tempus), vif (quinque) enz., vrithof (atrium), wi (nos), wig (bellum), wichhus (propugnaculum) 31b - bliuen, criten, en dgl. ww., enz.
In gesloten lettergreep niet zelden ie, minder ij, y, ii.
ie: blieft (manet), drieft (agit), geliec, geliect (comparat), lief (corpus), lieflic (corporeus), riec, rieckelike (quasi-gesloten syll.) 91a, sien (sunt, sint), schient (lucet) 119a, sci|ent (videamini) 28d, uerbliet sig 130a, verswient (mhd. verswînet) 41d, enz.; in open syll.: siedi (estis) 106d, en doorgaans aan 't slot, in sie (sim, sis), naast si.
ie is tweelettergrepig (= îjĕ) in bie (apis), ertsetrie, lien (fateri, maar 3. s. lit, liit, lijt, liet), vertien (renegare), vrie (libera etc.), vrien (liberare, maar part. pt. geurit 83d), evenzoo in vient (inimicus), waar î onder invloed der volgende j ontstaan is uit ĭ.
ij in: abijt (fra. habit) 134c, benijt (invidet) 44d, gebenedijt 177c (sexies), lijf 93d, nijt (invidia), sijt (estis, sitis), tijt (tempus), vertijt (renegat) 145b, 3. s. wijst (indicat) 207b, wijt (= wi-et) 161b, enz.
y in: nyt, tyt (tempus), vygboem; in open syll. in: yser, nyde (invidiae), nydeg, tyde (tempori) 167c.
ii in: liit (fatetur) 84d.
Eénmaal ei: ble|ift 87c vlg., maar misschien is hier het pt. (= bleif-et) bedoeld, niettegenstaande het praes. van den mhd. tekst.
Volgens de spellingen en de nieuwe tongvallen was de uitspraak gesloten, lange î, en onderscheidde zich weinig van die van ie, i enz. uit onfr. ia of io.
Verkorting z. § 15, b en f; î vóór w § 63, e.
De qualiteit der i in enclitisch wi (nos), -i (vos) bleef meest onveranderd, de quantiteit echter zeker niet. Vgl. drincdie (bibitis) 16a, side (videtis) 89a, mudde (debetis) 106c.
In lensots (seminis lini) 163c en penwert 213a schijnt î verkort te zijn.
Limb. Serm. in gesloten lettergrepen o: boc, dogter, dorfte (indiguit etc.), dorn (spina), gebot (mandatum), lof (laus), locken, mogte (potuit), morgen, nortwint, ort (apex), ordene (orde), porte (porta), roc, stoc, vort (porro), wolle (lana), wort (verbum) - part. pt. geholpen, verlosschen, worden en dgl., enz. bucke (hircos) 165b kan ‘umlaut’ zijn.
Hoogst zelden u of ů: dul 195b, dup (mhd. topf) 218bc, (on)gehůlpen 200b, 201a, verlusschen 145d.
Daar in de laatste 4 gevallen het Nndl. de ‘zachtkorte’ o1 heeft (of zou hebben), en u of ů in de Serm. werkelijk ter aanduiding van een dergelijken klank wordt gebruikt2, mogen we ook hier en bij eenige andere woorden, als boc, wolle, dezelfde uitspraak onderstellen, tegenover de ‘scherpkorte’ å van andere woorden.
Rekking z. § 16, 1, a, d, en 2.
o vóór ld of lt z. § 78 vlg.
Indien de lettergr. door syn- of apocope weêr is gesloten, meestal eveneens o: g.s. gots, 3. s. loft (laudat), enz., soms oe; z. § 13, en verder: boetscap 125a, hoept (speratis) 204a, verdoert (dementatus) 184d, enz. Zelden oe in open lettergreep: part. geboeden 140a, 158c, verhoelentlike 225a.
Rekking had vermoedelijk ook plaats in koren 44b, 163c, toren (ira), *doren en in den d.s. korne, torne, *dorne (d. pl. dornen) enz.; vgl. ndl. kōrĕn, tōrĕn (geschreven: toorn), dōrĕn, pl. dōrnĕn (doornen).
De rekking der o in gesl. lettergrepen blijkt uit de spelling oe; het Nieuwmaastr. heeft meest ō (vgl. Statb. oe, oo), zelden ao, het Roerm. daarentegen altijd korte å (Simons).
Dezelfde uitspraak ō had misschien de o (oe) in de vreemde woorden crone (gecronet, gecroent), g(e)lose (glossa), gelosen (glossare), part. geloest, d.s. persone, rose (rosa), enz.; z. echter § 60.
Limb. Serm. gewoonlijk u: almus(s)ene, blume, blut, buc, du (quum, tunc), dun (facere), dun (tunc) 38a, g(e)nug, genugde, grune, grute, gruten, gut, huden, kune, muten, numen, plug, ruren, suken (quaerere), sune, sunen, tu, wedermut (wedermude), wedersput, wrugen, wustine - ind. pt. drug, opt. druge en dgl., ook stunt, stunde, enz. - upere (operarius)1.
Zeer gewoon in gesloten lettergrepen en aan 't slot, anders zeldzaam is ue: bluet, buec, duen, guet, muet (debet), muetheit (lassitudo), otmuet, stuel, vuet (nutrit), vuetscemel - scuep, vuere en dgl., ook stuent, stuende, enz.; d.s. bueke, ruepe 145d, vuete (pedi) 139d, enz.; due en tue, meer gewoon dan du en tu. Eéns uwe: tuwe 168c.
Eene derde spelling, die zich zoowel in open als in gesloten lettergrepen dikwijls vertoont, is ů: blůme, důt (facit), geuůrt (ductus), grůne, můde (fessus), můste (debuit), můt (debet), můten, nůmen, rům, sechtmůdeg, wůstine, enz.
Zeldzaam is ůe: blůet 56d, gevůert (ductus) 84b, můet (debet) 48c, vůerde (ducebat) 48b - vůer (ivit) 103a.
Behoudens de gewone beperking, dat de spelling met e voornl. in gesloten lettergrepen of aan 't slot voorkomt (vgl. ae, ee enz.), worden
dus al deze spellingen volkomen dooreen gebruikt, de eene wat meer; de andere wat minder.
Om de verwarring te vergrooten, komen bovendien de westmndl. spellingen voor, maar toch betrekkelijk zeldzaam, behalve vóór j.
o: mote (utinam) 77cd, vogen (infigere etc.), vorde (duxit) 125d, voren (ducere) 45d, vote (pedi) 144a, op erstont (surrexit) 205b.
oe: geuoet (nutritus), ontmoet (part.) 61d, d.s. voetstappe 83a, d. pl. voeten 82d - voer (ivi, ivit) pass.
Vóór j is o regel, daarnaast evenwel ook u en ů: bloyen (bloien), 3. s. bloit of bloyt, pt. bloyde, part. pt. bloyt of gebloyt (gebloit), 3. s. geloit (fervet), groien (groyen) enz., royen (remigare) 208b, vloyen, pt. vloyde (uloide); daarnaast: bluyen, 3. s. bluyt, bluyt (flos)1, g(e)luien, vluyen, en blůyen, 3. s. blůyt, grůien.
Waarom de spelling o vóór j zoo gewoon is, vermag ik niet in te zien, en we zullen wel met eene grillige schrijfwijze hebben te doen. Er is m.i. geen reden om aan te nemen, dat o in bloyen eene andere uitspraak had dan u in grune, huden. Maastr. bl
jĕ als g
rn, h
jĕ.
De oork. van 1349 heeft geregeld ùe of ue: dùen (facere), gùeder, guet, behuefde, verhùeden, mùeste (deberet), geprùeven, versuecht, versùechten (versuechten), vorsùeken, vùeghen (d.s.); oe naast ùe in roeprùeden (d.s.); geregeld oe in doe (quum, tunc), toe.
Statb. vertoont:
gewoonlijk oe: doen (facere), geroepen, gnoech, goeder (d.s.f.), soene, ww. soenen, proeven enz., opt. sloeghe, toe, versoecken, enz.
niet zelden oue: mouet (debet) 272, mouede (animo) 282, goueden (bono) enz. (pass.);
zelden o: genogh 294, 318 (korte o?), moten (debere) 316 (tit.), gestonde 308 (bis), 308 (tit.);
betrekkelijk zelden ue (meest ‘umlaut’): gueden (bonis) enz., geprueven 272, bueck (pl.?) 318 (bis), hueden (3. pl.) 320, rueck(e)loos 328 (tit.), 329;
vaker eu (meest ‘umlaut’): veut (pedi) 282, steunde (staret) 291, voort veure (progrederetur) 313, beseuck 329, gebeusemste2 325, seucken enz. (pass.), beuck (liber, libri) pass.;
zelden ou: bouve (latroni) 292 (tit.), geprouft, onthouwe (opt. pt.) 334;
zelden oi, in gesoint (pass.), ééns ui: gebuisemste 325, zelden u: gestunde 266 (bis), 308 (tit.), bevrught (persuasus) 320 (quater).
Dit wijkt to eenen male af, niet alleen van de spellingen der Serm., maar ook van die der oork. De Gulpensche oork. van 1375 heeft u of ue: bruder, guet, tubehorende.
LvJ. gwl. u of ue waar in de volg. syll. eene i of j heeft gestaan, anders o of oe. Verwarringen der twee spellingen zijn echter lang niet ongewoon. Evenzoo in Kerst. en Lutg., maar hier ook wel ů.
Het Maastr., Heerlsch, Roerm. en Venloosch vertoonen in 't algemeen ô naast
, met dien verstande, dat
‘umlaut’ van ô is: gôt (bonus), bôk (liber), enz., maar k
l (ohd. kuoli), r
mĕ (ags. hrêman), gr
jĕ, bl
jĕ, z
t (ohd. suozzi), enz. De Westelijk-Limburgsche hebben û1 met ‘umlaut’
, b.v. Helchteren gût - h
jĕ (pascere), St. Truien gût, dûn (facere), -?
Aan 't slot daarentegen is in 't Maastr. ou ontstaan, in 't Truiensch au: tou - tau, kau (vacca), enz.
Het is onmogelijk, dat het Maastr. c. s. met hun ô de oudere uitspraak hebben bewaard, want in de eerste plaats ware het vreemd, dat alleen deze dialecten ô hadden behouden, terwijl alle omliggende er uo, later û van maakten; ten tweede neigde de germ. ô reeds sterk naar û, en was zij niet de ô van 't Maastr., zooals alle germ. dialecten aantoonen; ten derde blijkt uit de oude stukken, dat de uitspraak in de Middeleeuwen anders was.
Maastr. ô is uit ue uit nfr. uo uit germ. ô ontstaan. Wat de uitspraak der Maastrichtenaars van de 14e eeuw was, laat zich niet nauwkeurig bepalen. De verschillende spellingen van Statb., waarover ik hier niet kan uitweiden, maken eene, wellicht eenigszins diphthongische, uitspraak û(e) waarschijnlijk, met eene û die 't midden hield tusschen de ô = au en de û = û. De oork. van 1349 spreekt dat niet tegen.
De rijmen bij Veldeke wijzen eveneens op een klank tusschen ô = au en û = û; zie Behaghel t.a.p., s. LV.
De schrijfwijze onzer Sermoenen leidt tot dezelfde slotsom, want u enz. duiden er ook de lange û = germ. û aan; z. ben. § 48. De spellingen o en oe, die blijkbaar uit het Westen zijn gekomen, bewijzen, dat germ. ô niet met germ. û was samengevallen.
In 't algemeen was, naar het schijnt, in 't Oosten van Limburg de spelling ue (u) voor germ. ô inheemsch; later werd zij gaandeweg verdrongen
door de westmndl., oe (o). De Serm. sluiten zich hierbij gedeeltelijk aan, de ů komt ook in Lutg. en 't Gloss. Bern. voor; vgl. ook ùe in de oork. van 1349. ů wordt echter ook in alle andere gevallen gebruikt waar u wordt aangewend.
Aan 't slot had de germ. ô in 't Maastr. der 14e eeuw reeds eene andere uitspraak, blijkens de standvastige oe der oork. van 1349 (ook Statb.); welke, is niet te zeggen. Vgl. Serm. tuwe 168c naast due, tue, du, tu.
Nemen we nu in aanmerking, dat LvJ. en Kerst. verschillend spellen, al naarmate oorspronkelijk eene i of j volgde of niet (z. § 43), dat in Statb. eenige spellingen (eu, oi, u, ui, ue) bij voorkeur of alleen worden gebruikt waar oorspronkelijk eene i of j volgde, en, hetgeen den doorslag geeft, dat alle nieuwe dialecten ‘umlaut’ hebben, dan kunnen we niet twijfelen, of die ‘umlaut’ was ook in den tongval der Serm. doorgedrongen. De klank van dien ‘umlaut’ kwam vermoedelijk nabij aan den klank van den ‘umlaut’ van germ. û, en was wellicht eenigermate diphthongisch, dus tusschen
(e) en
(e) in1.
De omvang van 't verschijnsel is uit de Serm. niet te bepalen. ‘Umlaut’ is, naar 't Maastr. c. s., aan te nemen b.v. in: bedrufde, grune, huden, numen, ouervludeg, pruuen, ruren, sute, verdumen, vuden, vugen, vulen, vuren - bloyen, g(e)loien, enz., Maastr. bĕdr
vĕ (ww.), gr
n, enz.2. Vermoedelijk ook in den opt. pt.: druge, stunde, enz.
a. De volgende lettergreep heeft geen i of j bevat. Gewoonlijk o: domp (stultus), donckel, gesont, getonst, gront (ook afgront), hont, hondert, honger, ionc, commer, const (ars), logt (aer), mont, onder (sub), ons (nobis, nos) enz., ont (usque), ontspronc (ortus), op, ront, sonder (sine, nisi), sonne, stont of stonde, togt, tonge, vrogt (fructus), wont (saucius),
wonde (vulnus), worm - pl. pt. ind. bonden, worpen, part. gebonden en dgl., ook droncken (potus) - connen (posse), dorren (audent etc.), doruen (egent etc.), pt. begonde - colombe (columna), enz.
Daarnaast dikwijls u: dump, gesunt, hundert, hunger, iunc, kumber, lugt, unse (vnse, noster) enz., sunder, sunne, stunt, tunge, tukunst (adventus), vrugt - sungen (canuerunt), gebunden, druncken - pt. begunde, enz. - columbe.
Zeldzamer ů: gesůnt, můnt, sůnne, stůnde, tukůnst 113a, vrůgt - part. berůnnen, ontgůnnen - pt. begůnde, enz.
Blijkbaar hebben we hier met een anderen klank te doen dan in 't algemeen bij o = onfr. ŏ, en wel met een die neigt naar u en dus ongeveer overeenstemt met de ndl. ‘zachtkorte’ ŏ, maar waarschijnlijk nog meer u-kleur heeft. m.a.w. de ronding der lippen was vermoedelijk sterker dan bij de ndl. ‘zachtkorte’ o. Zoo is het b.v. nog in 't Roermondsch (Simons).
Over eene dgl. uitspraak bij o zie men § 39.
Rekking schijnbaar in toentfermecheide (ad misericordiam) 35d, dat wel eene schrijffout zal zijn voor te ontfermecheide.
b. De volgende lettergreep bevatte oorspronkelijk eene i of j. Gewoonlijk u, maar ook zeer vaak o. In de volgende dikwijls voorkomende woorden meestal of altoos u: burste(n) (mamillae), duncken, dunne (tenuis), gelucke, hungerch, hungeren, iunger (junior, discipulus), iuncste, kurtelike, lusteg, lustelike, lusten, nut (utilitas), nutte (utilis), rughe, stubbe (pulvis), *stuc, plur. tugte enz.; daarnaast: borste(n), doncken, ionger, ioncste, cortelike, losten, not, togte, enz. u is ook het gewone vóór ld; z. § 77.
Voorts vindt men naast elkaâr u en o, of in één of weinige voorbeelden één van beide in: busselken 107a, geburde (nativitas), grunden (penetrare) enz., iungelinc, kunden (condire), kunsteg, cussen (osculari) 133c, 199a, eenlugteg 100c, mucge (osa. muggia), orkussen 176a, tuchteglike, verdrucken, vulleglike, vullen enz., naast: geborde, mogge, monte (ohd. munizza), onstelike, onbedroct 121c, tortelduue, volleglike, vollen enz., e.a.
o is meer gewoon of alleen gebruikelijk in: bordene (onus), logter (laeva), morwe, ombe (omb, om, onfr. umbi), ongewormte, orconde, rosten, sonde (peccatum) enz., sig tornen (irasci) - in den opt. pt., als bonde, storue, naast: burdene, lugter, umbe, orkunde, sunde (dikw.) enz. - hulpe, enz.
Naast u, als altijd, ů: eruůllen, iůnger, kůnne (possim) 144b, nůt (utilitas), nůtten (consumere), sůnde, tůnge, enz.
We hebben hier zeker ‘umlaut’; dat blijkt uit de spelling en de
nieuwe tongvallen, al laat de omvang zich niet nauwkeurig bepalen, omdat u ook voor ongewijzigde o en u wordt geschreven.
De nieuwe dialecten vertoonen meest iets als de ndl. u in dun, gul, kunst; een dergelijken klank moet ook deze u (ů) of o der Serm. hebben gehad.
Dezelfde ǜ is te onderstellen in sulc (sulg), suster, tusschen; z. § 26 en 32. Ook in (al)dus, (al)sus?
In plaats van ü vinden we è in antwerden (respondere) pass. (ééns antworden: 109c); zie § 19, 27 en 47:
Rekking zie § 16, 1, c, e en f.
a. De volgende lettergreep heeft geen i of j bevat. Altijd o (oe): son(e) - pt. ind. boden enz.; misschien ook: somer (ohd. sumar) en brudegom (g.s. brudegomen).
oe in geopende syllabe (zeldz.): brudegoem, soen 123b.
b. De volgende lettergreep heeft i of j bevat. Serm. meestal o (oe), maar in sommige woorden gewoonlijk u. Zoo vindt men: doget (uit *dugid), dogelic, dogetlic, dogentlic en -like, dore (janua), drogen (siccare), hofsch, d.s. invlote, jode (Judaeus), jogt (uit *jugid, vgl. onfr. ps. d.s. iuginde), coninc enz., *logene (mendacium), mogelic enz., ouel, ouele, roke (odor), vloch (d.s. vloge), vlogel, vore (pro) enz., wilkore 168c - opt. pt. bedroge, bode, enz., moge, sole (zelden), enz.
oe z. § 13, bovendien in open lettergreep in droege (siccus) 100d.
u in: dure (janua) enz., huuel, huuelech, iude (jude), mugelic, -like enz. - muge (possit) 104c, 146c, sule, sulen (debeant, debent1) etc. sexcenties).
ů in: geuůgelte 42d (bis), můge (possit) 48d, 148a.
Dat u (ů) uitsluitend voorkomt in gevallen waar oorspronkelijk i of j volgde, toont aan, dat we tenminste voor die gevallen ‘umlaut’ hebben aan te nemen. De uitspraak was dan vermoedelijk ȫ.
In eenige gevallen was de ȫ nog verder gegaan en had hare ronding verloren, zoodat zij tot ē werd. Het zijn euel (malus, malum), euele (male), de gewone vormen, naast vaak voorkomend ouel, ouele; verwert (porro) 185c, naast vorwert. Hetzelfde is mogelijk bij vere euel nemen 152b, vergut nemen 210a, verwaer weten 54c (bis), d, 148b, 150b,
154b, 155a, maar waarschijnlijker is, dat de e van vere, ver hier ĕ, niet ē bedoelt, m.a.w. vere, ver proclitisch is.
De vorm selen (debeant etc., LvJ.) komt in de Serm. niet voor.
Opm. Statb. spelt in 't algemeen de u vrij wel gelijk de Serm., maar met nog grooter voorkeur voor o (oe).
Serm. gewoonlijk u: brut, brudego(e)m, bruden, brulogt, buten(e), du (tu), duren, dusent(eg), duue (columba), druf (uva), gebruken, hus, hut (cutis), kume (vix), kusch (ohd. kûski) enz., crut enz., mur (murus), nu (nunc), runinge, -stu (tu), tun, ut(e) (vt(e), ex), vtfuseg (foris) 73d, vulheit, vulecheit, enz. - crupen, ontpluken, opluken, sculen, sluten, suken (ags. sûcan, roerm. zûkĕ) - flume, creature, nature enz., pur enz., ure (hora).
Veel zeldzamer is ů: dů (tu), cůme, růninge 218b, tůn - natůre; gewoon alleen bij nů (nunc).
Hier en daar ue: 3. s. gebruect 71b, gecru|etden (condito) 111b, huet (cutis) 103a (bis), 148d, muer 217a, 3. s. muert 96b, tuen 173cd - murmueringe 209c, natueren (naturae) 41a.
ui en uy in 't leenwoord conduyt 74b (ter) of conduit 74b.
De nieuwe tongvallen bewijzen, 1o. dat û door eene volgende i of j was gewijzigd en dan
werd uitgesproken, 2o. dat de ongewijzigde klank û luidde. Vgl. b.v. maastr. gĕbr
kĕ (roerm. brûkĕ als hd. brauchen), kr
s, roerm. k
mĕ (osa. kûmian), r
mĕ (osa. rûmian), Heerlsch br
degom (hd. gekleurde bijvorm br
digam), enz., tegenover: bûk (venter), brût (sponsa), bûtĕ (foris), dûf1, hûs, ût (ex), enz.
De uitspraak der u in flume, creature, nature, pur, ure is onzeker; vgl. hd. creatur enz.
Verkorting (z. § 15, a, b) in luttel, lutter, sugten (uit *sûftjôn), vtterste. Uitspraak: ǜ; alleen lutter is twijfelachtig.
Tot ĕ geworden is û in -te, -ste, enclitische vormen van du.
h: ontlenen (uit *ontlêhnen); r: er (prius), ere (honos) enz., erste (primus), here (uit *hêrre uit *hêriro), hereheit (d.i. herecheit) 38a, herscapheit, keren (vertere) enz., me, mer (plus), mere (merre, maior), sere, sereg (tristis), wanner; w: eweg enz., lewerke 173b, sele (uit *sêwle), we (dolor, dolorosus), enz.
ee b.v. in: 3. s. ontleent, vleen 220d; eer, eerlic enz., eeren (aestimare), heerch 210a, heersam, mee (plus), wanneer; zee (mare), wee, enz.
Evenzoo oork. van 1349 e of ee; Statb. naast ee: ei vóór r, maar ei staat vóór r ook i. pl. v. ê (= germ. â) of ē (openbeirlic 295, gecleirt 287 en eld., weirdt 262, enz.) en duidt eenvoudig lange e aan.
Meer gewoon dan e(e)rste is in de Serm. irste (d.i. ierste), dat in allerlei mndl. hss. veel wordt gevonden, maar toch oorspronkelijk in Limburg thuis hoorde, en wel bijzonder in Belgisch Limburg en 't Zuiden van ndl. Limburg, vgl. maastr. îr, îrste (î als in lîver, mîr, formica), Statb. ierste, p. 333, naast eerste, eirste. 't Maastr. heeft geregeld î: lîren, îw (saeculum), enz.
Over sile (anima), dat meer gebruikelijk is dan sele, zie men § 59.
2. Vóór andere medeklinkers en aan 't slot.
a. De volgende lettergreep heeft geen i of j bevat. Hd. ei, ags. â, ndl. ee.
Serm. e of ee, en ei. Uitsluitend e of ee1 in: bleec (vandaar ook geblect 200a), breden (latis) 175a (bis), leec (laïcus), meste (meeste)2, neen, stene (lapidi etc.) enz., teken (vandaar ook tekenen of teken enz.), vrese (periculum), weec (mollis), wret (crudelis).
Weifeling tusschen e (ee) en ei, met voorkeur voor het eerste, in: been, bereet, gereet, deel, delagteg, e(e)n, e(e)ne enz., allene, enge(e)n, engene, eenke (ullam), eenboren, eens (semel), geselen, geel (luxuriosus) 102a, ge(e)st, heel (totus, integer) enz., heet (fervidus), cleet, pl. cledere enz., leet (bnw., znw.), mester (meester, magister) enz., twe(e) (duo), vlesch3, weet (wet, novi, novit), we(e)st (nosti) - ind. pt. blef (bleef) en dgl., naast: bein (ossa) 148d, bereit (dikwijls, part. pt.?), deil, deilagt 35b, ein (hoogst zelden, evenzoo eineg, unicus), eimer (situla) 109c, einboren, eino(e)de, einueldecheit 66c, geiselen, geist 206a, heil(?)4, heit (fervidus), cleit (vestis) 86c, leit (bnw., znw.), leilike 149d, meister enz. (dikwijls), entwei 160d, vleisch 223b, weit, weist (zelden) - ind. pt. erschein 74d, leit 167b (titel), 207b, seich 149c, schein 220a.
ei is meer gebruikelijk dan e of ee in: beiden (*baidôn), bescheiden
(prudens) enz., heisch (raucus) enz., heiten (vocare etc.), leider (ontleend? ohd. leidôr), onderscheit, seil (seel Gloss. Bern.), scheiden, dat. pl. speikelt(e)ren (spekeltre, saljua, Gloss. Bern.) 97b, 145d, sweit (ags. swât), verscheit, weide (ags. wâđ), weinen (ohd. weinôn), naast: beden, bescheden enz., he|esch 232b, heten, leder, onderscheet, sche(e)den, d.s. swete, wenen. De vormen met e(e) zijn alle betrekkelijk gewoon. Uitsluitend ei in: keiser (imperator).
b. De volgende lettergreep heeft eertijds eene i of j bevat. Hd. ei, ags. aê, ndl. ei.
Serm. gewoonlijk ei (ey), zeldzamer e (ee). ei is alleen gebruikelijk of meer gewoon in: arbeit, breitde (breide, latitudo), breiden (expandere etc.), deilen (dividere) enz., dreigen, ey (ovum; d.s. eie), eigen (proprius) enz., gebeinte, gemeinde, gemeine enz., gereiden, gereidenisse, gesteinte, halscheide(?) 160d (bis), (-heit, zie § 66), heiden (paganus), heil (ags. haêl), heileg1, heilen (sanare), heimelic enz., (h)eischen (postulare) uit *aiskjan of *aiskjôn? cleiden, cleine (parvus) enz., cleino(e)de, creiten 194a, leiden (ducere), leitsman 147c, mei (d.s. meye; Majus), meinen (putare) enz., neigen (flectere), reine (purus) enz., screien2, spreiden, steinen (lapidare), sweiten (ags. swaêtan), veile, vereininge, vreislike enz., weiden (pascere) uit *waidjan? - 3. s. heit, scheit. eie in kusheiet 33b.
Daarnaast: delen enz., part. pt. gedeelt (dikwijls), egenscap 66b, gemende, gemene (niet zelden)3, geredenisse, helgen (santificare) 146a, hemelicheit 89b, cleden, part. pt. gecleet (niet zelden), clene (veelal)3, clenode 80c, leden (ducere), meninge, negen, rene, renegen, spreden 117d, steende (lapidaret) 10c, sweeten 199b, verenegen - 3. s. heet (vocat) 77a, scheet.
Bijna altijd e in eneg (ullus), daarnaast eineg 39a, 55d.
Uitsluitend e of ee in: gehe(e)l(l)ike (naar geheel), ledere (ags. hlaêd(d)er), lesten (got. laistjan) 5b, schedele (ohd. sceitila), vle(e)schelic, -like.
i in gebrit (expansus) 72c en gedilt (divisus) 18d, ie in hiet (nomen habet) 170d. Wegens do zeldzaamheid dezer spellingen mag men er geen waarde aan hechten.
't Limb. en Brabantsch, ee vóór eene lettergreep mét i of j in 't Westvlaamsch thuis.
Hiermede stemt echter de verhouding van ei en e(e) in de Sermoenen op 't eerste gezicht niet overeen.
De nieuwe oost-limb. dialecten vertoonen overal ei1: bleik, ein, geist, zeip; alleen het Heerlsch heeft nu êë, maar vroeger ei. Het Maastr. kent alleen ê in 't onbepaalde lidwoord (meest verkort nĕ, nĕn) en in ênĕg, waar e secundair is ontstaan onder invloed van den proclitischen vorm (zoo ook Behagel, V.-En., s. LVI).
Veldeke en de omwerker van den Serv. kennen alleen ei; de oork. van 1349 evenzeer, behalve in twe (duo) en vollest (verzwakking door gemis van sterk accent).
Statb. heeft doorgaans ei, daarnaast nog al eens e(e) in e(e)n en zijne afleiding eenigh, verder: deel 312, eedt (jusjurandum) 309, geestelyck 333, naast de meer gewone ein, einigh, deil, ei(d)t, geistelyck; altijd: leliken (d. pl.) 278, 283, twee. Voor ‘leelijk’ en ‘twee’ heeft ook 't Nieuwmaastr. î: lîlĕk, twî (evenzoo in gĕhîl, hîl (totus))2.
LvJ. staat nagenoeg op het standpunt van het westelijk Mndl. (niet van het Westvlaamsch): deel, enge(e)n, heeten, cleet, sche(e)den enz., maar: cleine, leiden, meinen, enz.
De opgaven uit de tegenwoordige Belgisch-limb. dialecten zijn schraal; naar het schijnt, is de toestand aldus: Helchteren êë vóór i, j in de volgende syllabe: dêëlĕ, anders î: dîl, hîl, twî, tîkĕ; Hasselt î: dîl, vĕrdîldžĕ (pt.), bĕtîn (bijeen), hîl; St. Truien îe (of î): dîel, dîelĕ, îel (totus), klîer (vestimenta), twî (proclit.); Zuurbeemden: deilĕ, maar gedîeltĕ, twîe.
Volgens het Helchterensch en het dialect van Zuurbeemden bestond dus in Westelijk Limburg een verschil tusschen ei en ê (waaruit later î of îe) en LvJ. bevestigt dat.
De Serm. stemmen dus noch met het West-, noch met het Oost-Limburgsch geheel overeen. De ei in deil, ein, heit, cleit, weit, enz. wijst evenwel overtuigend naar het Oosten. De schrijver moet dan echter vormen gebruikt hebben die niet in zijn dialect thuis behoorden. Dit nu is zeer begrijpelijk, daar ons herhaaldelijk blijkt, dat hij de mndl. schrijftaal tracht te volgen. We zagen het bij den ‘umlaut’ der lange â, en we zullen het nog vaak kunnen opmerken.
De e(e) vóór eene lettergreep met i of j is in geen enkel oud Lim-
burgsch dialect mogelijk; als zij er voorkomt, moet zij zijn overgenomen, en dit, met het vorige gecombineerd, dwingt ons bij onzen schrijver invloed van 't Westen aan te nemen.
Dat in de 14e eeuw in zijn dialect een verschil bestond tusschen de twee ei's (vóór volgonde i, j, of niet), is mogelijk.
Men bedenke voorts, dat de uitspraak der ei niet zooveel van ê behoeft te hebben verschild als tegenwoordig het geval is, en vergelijke tein voor teen (z. § 27) en verleidenre (praeteritae) 191b.
ai in aan 't Fransch ontleende woorden wordt ai of ay geschreven. Week deze ai in de uitspraak van ei af? fontaine 185c, fornaise 187d, fornayse 229a, maisnide, palais, plain (campus) 132a. ay ook in ay (tusschenw.).
Opmerking. Eigenaardig is de a in antweder (aut....) 38d, 78a, 79a, naast entweder 12d. In 't Mndl. (Holl.) vindt men antwer, anter, enter enz. (Mndl. Wdb. I, kol. 422). Al deze vormen zijn afstammelingen eener aan ohd. eindeweder (uit *ein-dih-wëdar) beantwoordende samenstelling. entweder, *entwer, enter laten zich daaruit gemakkelijk afleiden (uitval van ĕ, verkorting der ei vóór nt, sterke inkrimping der laatste, weinig geaccentueerde lettergrepen), daar het accent op de eerste syllabe viel (vgl. hd. éntweder). Door deze laatste omstandigheid werd ook de overgang van ent- in ant- veroorzaakt, daar men dacht aan den sterken vorm van een bekend voorvoegsel, nl. ant- (and-) en het voor ent- in de plaats stelde. De zwakke vorm van 't zelfde prefix werd ingevoerd b.v. in mndl. ontwee uit entwee (d.i. en twee, met accent op de laatste syllabe), Nieuwhasseltsch ontḗgĕ (obviam) uit *en-t(e)jegen (vgl. mhd. engegen).
Onfr. iu. Serm. u: bedutnisse 19c, dure, ondure, ongehure 67d, sig sturen (inclinari) 55d, 56b, onsturlike 184d, sucde 128c, 204c of suckede 159c (morbus), v (vobis), verdrutecheit 142c, vur (ignis), vureg - 2. s. imp. druch 210b, tuch 159c.
ů: vůr 3b.
ue: vuer, d. pl. vueren.
Daarnaast vinden we evenwel ie of i (ij), d.w.z. de vertegenwoordigers van onfr. io (ie), in de volgende woorden: bediden, bedidenisse, part. bedijt 171b, dire 190a, vir, vier, vi|ir 119a vlg., vijr 119a.
Uitsluitend i (ie), nooit u, in difde, dipde (naar dip), ditsch (z. § 6), kiken 104d (bis), lide (homines), lifde (naar lif) - 3. s. biet, verdrit en
dgl., 2. s. vlies (= *vliets) 212d, en dgl. Over de verhouding van ie tot iu zie men beneden.
iu vóór w z. § 63, c.
De uitspraak dezer u (ů, ue) was niet gelijk aan die der uit û of uit ô ontstane, maar aan den ‘umlaut’ der eerste, dus
. Dat bewijzen de hedendaagsche dialecten en het zou ook bevreemding wekken, dat de i zoo maar zou zijn uitgevallen, zonder eenigen invloed op den volgenden u-klank te hebben geoefend. Het Maastr. vertoont
, het Roerm.
: d
r, št
rĕ, v
, het Truiensch
(zoo niet î): d
vĕl.
Veldeke had ook
, niet û; vuere (iret): dure Serv. I, 2151, pl. brude (sponsae): lude 2595; II, 1282, 2339; sturden: ruerden En. 241, sturet: vueret 3037, vuere: dure 3103, sturden: vuerden 6015. Men vindt verder d.s. hude: lude1 En. 319; de d.s. zal nog ‘umlaut’ hebben gehad, vgl. stede, n.s. stat. Alleen u: nu. En. 8989 staat schijnbaar in den weg; aan 't einde is echter eene andere uitspraak mogelijk; vgl. holl. jou voor *ju.
De
is in de Serm. verkort vóór cht in lugten, erlugten (ohd. liuhten, irliuhten). In plaats daarvan vindt men echter gewoonlijk ligten, erligten, verligten, naar ligt (lux, clarus).
Uitspraak der verkorte
als in ndl. lucht?
Serm. i, daarnaast in gesloten lettergrepen en aan 't slot vaak, anders betrekkelijk zelden, ie.
i (j): dif (fur), dinen, dinst, dip enz., dir (animal), dirne (osa. thiorna), diuel2, gritken 7a, gudertiren, j (i) vóór comparatieven, kniden (genu flexerunt), lif (carus) enz., sig niden (operam dare), prister, sike (homo aeger), verdrit - kisen, schiten, vrisen en dgl. ww. - geschin, sin (videre) - vlin (fugere) - j (i; unquam), jdog of idog, igelic of jgelic, iman, jwet, niman, nit, niwet - vir (quattuor) - pt. lip, rip, stit.
ie (je): dief, 3. s. dient, diep enz., griet (arena) 7a, knien (genua), lief, 3. s. niet sig, siec, enz. - geschien, sien - vlien - ie (je; ye 107b), iet (jet), niet (non) - vier (quattuor) - liep, riep, stiet.
ij, ji: jit 81c, sijt (videt) 207d, vlijt (fluit) 80d, 208b en eld.
Eéns e: guderteren 174a.
Deze spellingen komen overeen met hetgeen we vinden bij ie uit onfr. ia (§ 28), waarmede de ie uit io ongetwijfeld geheel of nagenoeg was samengevallen. Verder bewijzen de bij beide meest gebruikelijke spelling i en de schrijfwijze ie voor lange î (§ 38), dat we niet meer met een tweeklank hebben te doen. Uit de nieuwe dialecten blijkt evenwel, dat î niet met io of ia was samengevallen.
î uit ie is tegenwoordig in 't algemeen ê geworden: dêf, dêp, vèrdrêt, enz. Eene neiging daartoe schijnt ook de hier en daar in de Serm. voorkomende spelling ei te verraden: ersceit (colorem mutat) 22d, gesc(h)eit (fit) 53b, 59a, gescheit (factus) 54c, 55c, 67c; heit (nomen habebat) 17a, l04a. - Verkorting z. § 15, b, c, d1.
Verhouding van ie tot u. Evenals bij ei stuiten we hier op iets dat we niet zouden verwachten.
LvJ. heeft altijd i (ie): bediden, didsch, dire (comp. dierre, dirre), onghehir (znw., hd. ungeheuer), stiren, vir, zelfs vóór w: hem schiwen (pt. schiwde hare, blz. 5). Hiermede schijnen het Hasseltsch en Truiensch overeen te stemmen. De eenige uitzondering in LvJ. is u (vobis), en daarnaar ook ure (vestrum), vgl. Helchterensch ûre (vester).
Daarentegen onderscheiden de Oostelijke dialecten, te beginnen met het Maastrichtsch, ten duidelijkste iu van io: maastr. d
vĕl, k
kĕ, enz., maar dêp, dêf, vĕrdrêt; roerm. d
vĕl, št
rĕ, D
tš, bĕd
jĕ, maar: dêp, bĕdrêgĕ, dênĕ, zêk; hrlsch: d
vĕl, d
stĕr, D
tš, k
kĕ, maar dêp, dênĕ, wêk (ellychnium).
De Oostelijke dialecten hebben ook bij de ww. met io in den inf. in den 2. 3. pers. sg. praes. ind. iu behouden: maastr. slêtĕ - slǜts, slǜt; šêtĕ - šǜts, šǜt; vĕrlêrĕ - vĕrluis, vĕrluis; roerm. bĕdrêgĕ - bĕdrǜgs, bĕdrǜg, enz.
Statb. stemt m. m. met het Maastr. overeen. Voor io schrijft het ie, voor iu: ui (uy) of oui: luyden of luiden (homines), duifde (furtum) 311 of douifde 290, maar dief, gebieden, genieten, gewiecken (obligare), spiet, enz.; ééns e: verlesen (perdere) 287. Alleen in den 3. sg. staat merkwaardiger wijze bijna altijd ie: kiest, gebiedt, éénmaal oui: bouidt 309.
Ook Veldeke en de bewerker van den Servaes kennen het onderscheid: Serv. dienst, siec, maar: lude, beduden, Dutsch, vuyrigh, duysternisse, 3. s. echter gewoonlijk ie: ontbiet (pass.); ontbuyt I, 397.
Onze vertaler kende voor iu naast de vormen met u die met ie. Men kan niet aannemen, dat in zijn dialect beide gebruikelijk waren, behalve in den 2. 3. s., waar invloed van den inf. enz. voor de hand ligt en ook Statb. ie-vormen heeft1. Dat zijn dialect u had, blijkt uit verdrutecheit, druch, tuch en dgl. De vormen met i(e)=onfr. iu, die hij voornamelijk gebruikt in zulke bekende woorden als ditsch, lide, moet hij aan de schrijftaal hebben ontleend.
De wijze van ontstaan van sile (anima; naast sele) uit *siola uit *seola uit *sêwla uit *sêwala is bekend. Ook de onfr. psalmen hebben sîla naast sêla, gelijk de Sermoenen. Maastr. zîl kan uit beide zijn ontstaan.
Eene î die in uitspraak overeenstemde met die uit ia of io, heeft men ook te zoeken in den basterduitgang -iren (gewoonlijk -eren), waarbij hd. invloed niet onwaarschijnlijk is: disputiren 83c, erriren 60d, geuisiren 110d, ordeniren, naast disputeren, erreren, formeren, hanteren, contempleren (d. inf. contempleerne 64d), ordeneren, enz.; vgl. errirnisse 60d.
Hierbij behoort ook kaniel (canalis) 31b, uit *kanêl; vgl. mhd. kanel, kenel, kener, eng. channel, en maastr. kanîl = ndl. kaneel (ofra. cannelle).
In bigte, uit *bijihte, enz. is i misschien verkort, als ook in vrint: Statb. vrindt; daarnaast ééns d. pl. vroenden 277, d.i. vrǜndĕn. Deze laatste vorm stemt overeen met hd. freund, maar de weifeling is vreemd. Daarbij komt dat in het andere geval waar iu niet gevolgd wordt door eene i of j, nl. den 1. s. praes. ind. der ww. bieden enz. de oude limb. stukken niet u, maar ie hebben: bi(e)de enz., ohd. biutu. De onfr. psalmen laten ons hier ongelukkig in den steek.
Onfr. ô Serm. o; daarnaast in geloten lettergrepen en aan 't einde gewoonlijk, anders betrekkelijk zelden: oe.
o: bedoyen (irrigare), bose, dot (mors), doyen (mori) enz., doyen (regelare) enz., einode, erlosen, gescot, grot, hoge enz., horen (audire) enz., cleinode, closter, lon, node (aegre), odeuare, ore (auris), rot (ruber), scone enz., storen (delere) enz., tidelose (mhd. zîtelôse) 115c, trost, trosten, vro, vrolike - ind. pt. gebot, verlos, vlo en dgl. - stoten, enz.
oe: boesheit, einoede, erloesen, pt. erloesde enz., gescoet1, groet, hoege enz., cloester, cloet 113b, loen, loet (sors) 10d1, oetmut, noet, oere, roet, scoen(e) enz., sloet (clausura)1, stoert (delet), troest, troesten, vroe - pt. geboet, verloes, vloe en dgl., enz.
oi: pt. uerlois 6d; z. ai § 21.