Limburgse sermoenen


auteur: anoniem Limburgse sermoenen


editeur: J.H. Kern


bron: De Limburgse sermoenen (ed. J.H. Kern). A.W. Sijthoff, Leiden 1895  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 691]

Verbeteringen en toevoegsels.

Blz.
5, r. 5 vlgg. v. b. Eenige onnauwkeurigheden in de aanhalingen uit S.-G. en Z. kunnen verbeterd worden naar de noten onder den tekst, blz. 444-452.
5 na r. 7 v. o. Voeg bij: H. 25 met Z. 38 (ald. s. 150 flgg.);
6, r. 12 v. o., 1e kol. vraghinghe Lees: vraginge
6, r. 18 vlgg. v. o., 2e kol. Verbeteringen aan te brengen naar de noot onder den tekst op blz. 375, XVIII.
8, r. 20 v. b. Over de taal der hd. hss. zie men Wackernagel (Weinhold), t.a.p.s. 462 ff.
8 r. 7 v. o. driuzehen Lees: drivzehin
12, r. 9 v. b. 13e eeuw Lees: 12e eeuw
12, r. 20 v. o. Willem, prior van Afflighem, Lees: zekeren brueder Gheraert, 't laatste misschien naar een oudere bewerking van Willem, prior van Afflighem,
22, r. 17 v. b. Voeg bij: logen (insidiarum) 102b,
22, r. 19 v. b. (venas?) Lees: (nervos)
22, r. 21 v. b. Voeg bij: we|enwoers (aptus seduci) 210c.
22, r. 16 v. o. 22 Lees: 24
22, r. 12 v. o. zes Lees: acht
23, r. 19 vlg. v. b. Schrap: onweragteg - 50b,
24, r. 11 v. o. als LvJ. Lees: wat meer e dan LvJ.
25, r. 19 v. b. Voeg bij: Serv. M. heeft: genedege (pius) 2, 2086, 't Leipziger fragment van den Serv. (Zs. f. d. Alt. 34, 218 ff.): salde (saluti) 1, 455; name (sumeret): getame (deceret) 482 vlg.; geue (daret) 486; mare (fama) 487; neme (optat· pt.) 499.
26, r. 11 v. b. Schrap: ook - 193c;
26, r. 16 v. b. Schrap: en eld
26, r. 20 v. b. moet geschrapt worden.
27, r. 12 v. b. sig - facere), Lees: sig rigten (dirigere se) 30b, sig gerigten (rectum fieri),
27, r. 14 v. b. Schrap:, sig - 30b
27, r. 16 v. o. hilpt Lees: gilt, hilpt
27, r. 10 v. o. Schrap: gilt,
29, r. 2 v. b. Over blenden, enz. zie men de Woordl. op erblenden.
29, r. 3,6 v. b. (de) Lees: (deinde, postquam cet.)
29, r. 5 v. b. (4 maal) Lees: (7 maal)

[p. 692]

Blz.
30, r. 2 vlg. v. o. heden - ten daege. Lees: hiden ook in 't Gl. Bern.; Aiol 288 hůde; Serv. 1, 2101 hude[n], e. dgl.; Limb. Wijsd. huyden, huden, huiden; LvJ., Kerst., Lutg. heden.
31, r. 3 v. b. gerde. Ééns vindt men girde: 209c.
32, r. 1 v. o. Voeg na *gîrîg bij: (of *gĭrîg?)
33, r. 16 v. b. Schrap: en penwert 213a
33, r. 15 v. o. Schrap: dup - c,
33, r. 13 v. o. 4 Lees: 3
35, r. 18 v. o. oe naast ùe Lees: oe = â naast ùe = ô
39, r. 8 vlg. v. b. Schrap: (ééns - 109c)
39, r. 18 v. o. Schrap: *logene (mendacium),
40, r. 3 v. b. voor. Lees: voor, behalve in seldi (debetis) 205a.
40, r. 18 v. b. Schrap:, natueren - 41a
41, r. 17 v. b. sile : sele = 18 : 17.
42, r. 4 v. b. Schrap: verscheit,
44, r. 6 v. o. Schrap:, d. pl. vueren
45, r. 1 v. b. dgl. Lees: dgl., vlijt (fluit) 80d, 208b e. e.
46, r. 1 v. b. Schrap:, vlijt - eld
46, r. 2 v. b. moet geschrapt worden.
47, r. 15 vlgg. v. b. Over -iren zie men Franck, Mndl. Gramm., § 125, en over kaniel de noot bij blz. 242, r. 8.
49, r. 5 v. b. moet, met de daarbij behoorende noot, geschrapt worden.
49, r. 3 v. o. 184b. Lees: 184b, ééns u: vruden (gaudio) 207d en ééns ů: vrůde (gaudium) ald.
51, r. 9 v. b. 97d. Lees: 97b (zie echter § 201, Opm.).
51, r. 13 vlg. v. b. (imp. schu 105d) Lees: (imp. pl. + -se: schuse 105d)
53, r. 5 vlg. v. b. Schrap: tweuoldig 107c,
53, r. 4 vlg. v. o. Schrap: Blijkbaar - jonger.
54, r. 8 v. b. Schrap: dinre 117d,
54, r. 19 vlg. v. b. Ook de uitspraak gēdêrsĕ enz. is mogelijk: vgl. nwmstr. nêjêrsĕ, Public. 27, p. 348 oigsteersen (a. pl.).
55, r. 20 v. b. *ondet Lees: *ontet
56, r. 19 v. o. schamede, Lees: schamede,
56, r. 18 vlgg. v. o. Zie blz. 131, noot 2).
59, r. 9 vlg. v. b. Over rigde zie men de noot op blz. 631, r. 10.
59, r. 11 v. o. rosenvarwe enz. Lees: *rosenvarwe enz., waarvoor rosenvarwen
60, r. 16 v. o. tweuoldig Lees: tweuoldeg
65, noot.       Zie over gesogt ook de Woordenlijst op soeken.
65, r. 1 v. o. 3262 Lees: 3264
66, r. 21 v. b. Voeg bij: en viermaal volcke 143d, 150d, 151c en 169c.
67, r. 9 vlgg. v. o. Zie over de k en de ch bij Veldeke ook Literaturblatt 13 (1892), sp. 404.
69, r. 14 v. o. sch vóór een medeklinker alleen in geschreuen 143d.
70, r. 8 v. b. vlîzegen Lees: vlîzec

[p. 693]

Blz.
70, r. 13 v. b. ch, Lees: chs,
70, r. 14 vlg. v. b. Schrap: ongekust 191d,
71, r. 19 v. b. 37 Lees: 36
71, r. 20 v. b. Voeg bij: lecgen 13c, en lees voor 26: 28
71, r. 21 v. b. 6 Lees: 7
71, r. 22 v. b. Schrap: legen 13c, en lees voor 4: 3
72, r. 15 v. o. 48d Lees: 52b
73, r. 2 v. b. Schrap:; ééns - 95c.
73, r. 15 v. o. Schrap:, geseit
74, r. 14 vlgg. v. o. Over de h aan 't einde zie men thans v. Helten in Tijdschr. Lettk. 12, 191 vlgg.
77, r. 12 v. b. Schrap: geregtegheid 63b,
81, r. 15 vlg. v. b. Schrap: Dit - hoorden. en zie blz. 156, noot.
83, r. 4 v. o. d.s. - 128a, Lees: ute vannen 138d?
85, r. 14 vlg. v. b. Schrap: minnentlike (minnetlike), en: willentlic (mhd. willentlîche);
85, r. 19 v. b. te|empt 201d behoort bij een ander ww. dan getempt, nl. bij temmen.
87, r. 11 v. b. liuer niet = lif + ĕr, maar = liue + (ĕ)r.
88, na r. 9 v. b. Voeg bij: De Latijnsche genitief wordt vaak door van met den datief uitgedrukt.
89, r. 17 v. b. Voeg bij: hus 153c, 168a, thus (domum), waarover men P.-Br. Beitr. 12, 553 vergelijke.
90, r. 15 vlg. v. o. telg heeft zijn meervoudsuitgang -ere blijkbaar te danken aan ris, blat en *loef.
92, r. 16 v. o. Schrap: getelde, Immers de nom. sg. is getelt.
93, r. 21 v. b. dinre, Lees: dinere,
95, r. 9 v. b. Schrap: notdorft - enz.),
96, r. 5 vlg. v. o. hare - zijn. Lees: Vgl. ook eenrehande (erehande), eingerhande, enz., oudere, verstijfde vormen.
97, r. 12 vlg. v. b. Schrap: te stade - testade),
99, r. 1 v. b. schime, Lees: *schime,
99, r. 11 v. b. 108b, 113d; Lees: 113d, 218d;
99, r. 15 v. o. Schrap:, zelfs - 70c
99, r. 8 v. o. (ter) Lees: (quinquies)
100, r. 15 v. b. in den n.s. Lees: in den n. en instr. s.
100, r. 15 v. o. Schrap: wil dat 65c,
100, r. 4 v. o. *logene - 102b), Lees: ordene,
101, r. 7 v. b. Schrap:, der - 47a
101, r. 13 vlg. v. b. Schrap: sine - 100b,
101, r. 10 v. o. logen 102b. Lees: D. pl. versen 145c, 149c.
103, r. 19 v. b. moet geschrapt worden.
105, r. 17 v. b. Schrap: een - 209d,
106, r. 12 v. o. heileg gest Lees: heilege gest
106, r. 3 v. o. gebedide Lees: gebenedide

[p. 694]

blz.
115, r. 6 v. b. nasalen Lees: n
119, r. 19 v. o. Schrap: (sine 59a)
119 r. 16 v. o. Schrap:, 103a
119, r. 7 v. o. vg. Lees: g.
123, r. 1 v. o. Voeg bij: deser 143b
124, r. 9 v. o. de sterke vorm Lees: meestal de sterke vorm
130, r. 13 v. b. (uit *vliets, fluis) Zie echter de noot op blz. 609, r. 14.
137, r. 17 v. o. beuaen, Lees: gesin (visus); beuaen,
137, r. 7 v. o. Voeg na 10a, bij: n. pl. m. dus dan 168c, g.s.m. sus dans 135a,
138, r. 18 v. b. XI, Lees: IX,
141, r. 13 v. o. Voeg bij: slipen, dat vier regels verder moet geschrapt worden. Vgl. verslepen 131c.
143, r. 13 v. o. vliten Lees: vlien
144, r. 8 v. b. Voeg bij: duwen is zwak: geduwet 179d; van beruwen komt geen praeteritale vorm voor.
145, r. 9 v. o. Voeg bij: *-drengen (vgl. dordrongen 185c),
146, r. 2 v. b. wennen Lees: winnen
146, r. 3 v. o. Voeg na 150d. bij: Alleen 167d 3. sg. pt. ind. began. Ook in Serv. began (alleen in 't rijm), naast begonde, begonste; osa. bigan.
148, r. 17 v. b. Schrap: te|empt 201d,
148, r. 9 v. o. Voeg na (genesen), bij: *sneuen (3. sg. sneft 188b),
149, r. 3 v. b. stict 4ab kan ook bij *sticken (z. de Wdl.) behooren.
152, r. 2 v. b. Voeg na verhauen bij: (verheuen 189d)
153, § 210.     Voeg bij: Opm. malen (pingere) is zwak: partic. gemaelt 92a e. e.
154, r. 6 v. b. *houwen, Lees: houwen 165b,
155, r. 15 v. b. Voeg vóór hets in: heefter (habet eorum) 229b,
155, r. 14 v. o. legen Lees: lecgen
157, r. 11 v. o. Schrap:, bekanden 83c
160, r. 5 v. o. Als 2. sg. ind. pr. vindt men ook sals 180b.
161, r. 20 vlg. v. o. Vgl. ook sout 172d, soudi 175b en de noten op blz. 538, r. 21, en blz. 543, r. 4.
161, r. 9 v. o. (moget - 100c); Lees: (moget 42a, 164b, mogedi 100c e. e.);
161, r. 7 v. o. 2. pl. mogt Voeg bij: (moget 138b)
161, r. 4 v. o. Plaats (vgl. - 128a) na: vermocht 166b
162, r. 8 v. o. Voeg na 31d bij: siet 104ab, 163c
164, r. 15 v. b. Voeg na daden bij: (deden [naar 't Wmndl.] 168b)
164, r. 18 v. b. Voeg na dun bij:, behalve in mesdue 178a
175, r. 4 v. o. Voeg bij: qua enz., ra (ar) enz., -ur(-).
175, r. 3 v. o. sal ic Lees: sal ic, ant cruce en an tcruce, en in bi lode en bilode
176, r. 3 v. o. Voeg na spi bij:, Spi

[p. 695]

Blz.
176, r. 3 v. o. Voeg daaronder bij: spa = sprac, en eenige gewone afkortingen van Latijnsche woorden, zooals: dn̄s = Dominus, d's = Deus, urā = uestra.
185, r. 3 v. o. welf. Lees: twelf.
192, r. 6 v. o. Voeg vóór 21. in: 20. B'.
196, r. 20 vlgg.   Een anderen mndl. tekst van deze 3e preek vindt men in hs. K. 49, f. 126 r. - 139 v. van de Koninklijke Bibliotheek in den Haag.
218, r. 7 v. o. Bijaldien Lees: Omdat
223, r. 11 vlgg. v. o. Ik - ‘gedrenkt’ beteekent. Zie de Woordl. op soeken.
232, r. 3 v. o. 17. Lees: 17. B'. -
235, r. 7 v. o. archwenich Lees: archwenech
246, r. 23.     f. 33 Lees: f. 33b.
252, r. 17 vlg.   ver|scheide Lees: versc|heide of wel: verschei|de
267, r. 6 v. o. 15. Lees: 13.
269, r. 22.     tarwenkoren Wellicht beter, met het hs.: tarwen koren Vgl. Gl. Bern. tarwen, triticeus. Dgl. r. 24 en 25.
285, r. 22.     hoeftsonde Lees: hoeftsonde
297, r. 9, 14, noot. Het is niet uit te maken of scrine een verbetering is naar 't oude hs. of niet. Over scrinen zie men de Woordl.; scrinen in r. 12 kan dat. sg. zijn.
317, r. 1 v. o. 3 Lees: 32.
347, r. 15.     ouer stigt, Lees: ouerstigt,
365, r. 19, vlgg.   Zie over 't zeventiende sermoen ook Tijdschr. Lettk. 13, 144-150.
382, r. 1 v. o. Schrap: Misschien - 30. en zie de Wdl. op tue leggen.
407, r. 13.     Ewangeliste, Lees: Ewangelisten,
407, r. 10 v. o. niet Lees: f. 203a
422, r. 7 v. o. sin Lees: Sin
429, r. 26.     Misericorda Lees: Misericordia
437, r. 4 v. o. Voeg vóór 20. in: 18, 23, 27. Jez. 9, 5.
438, r. 17 v. o. Voeg vóór 3. bij: 1, 20. Jez. 9, 5.
439, r. 12 v. o. Voeg vóór 6. bij: 3. Jez. 9, 5.
440, r. 12.     ouer Lees: ouer-
450, r. 18 vlg. v. o. bat gerast - komt. Andere voorbeelden van gerast in dergelijke beteekenis vindt men bij Verdam i.v.
452, r. 16.     ouer climt Lees: ouerclimt
470, r. 11.     starker was, Lees: starker: was,
470, r. 31.     he[e]ft, Lees: heeft,
470, r. 2 vlg. v. o. De - was. Lees: Ééns komt in de Serm. de spelling met ee voor: heefter f. 229b.
475, r. 6.     he[e]ft Lees: heeft
499, r. 4.     herten anxts. Lees: hertenanxts.
510, r. 8.     inder Lees: in der

[p. 696]

Blz.
519, r. 11.     ouer Of: ouer- Vgl. ouerstigen (Wdl.).
558, r. 25.     lisliken Zie de Wdl. op lislike.
564, r. 4.     ouer liden Of: ouerliden Vgl. ouerstigen (Wdl.).
584, r. 2.     arbeide Lees: arbeide;
595, r. 12.     ombe sien; Lees: ombesien; en dergelijk in r. 32.
657, 1e kol., r. 1 v.b. liefde), Lees: liefde) 113b,