Literatuur. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Literatuur


bron: Literatuur. Jaargang 6. Amsterdam University Press, Amsterdam 1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 325]

Jonckbloet De grondlegger
F.P. van Oostrom

Het behoort voor Nederland stellig tot de meest gunstige gevolgen van de Belgische Opstand dat deze Willem Jozef Andries Jonckbloet voor de neerlandistiek behield. Juist toen de jonge Jonckbloet in 1831 in opleiding zou gaan bij de Koninklijke Militaire Akademie te Breda, werd deze wegens mobilisatie gesloten. ‘Vorst en volk met het zwaard te dienen, bleek alzoo niet voor hem weggelegd,’ zou Moltzer later schrijven; maar de ambitie grote daden te verrichten bleef in Jonckbloet wakker, en als men diens leven overziet, dan kan men niet anders dan erkennen dat hij op ten minste één terrein iets groots verricht heeft: dat van de Nederlandse literatuurgeschiedenis, en meer speciaal die van de middeleeuwen.

Ofschoon Jonckbloet maar liefst vier bewerkingen van een complete Nederlandse literatuurgeschiedenis heeft bezorgd - en in dit opzicht dus alleen door Knuvelder wordt overtroffen - mag hij toch bij uitstek gelden als degene die onze literatuurgeschiedenis van de middeleeuwen heeft vormgegeven. Voor de Nederlandse middeleeuwen te presteren wat Potgieter voor de Gouden Eeuw betekend had, dat was zijn streven; en reeds op 23-jarige leeftijd liet hij zijn (met een moderne term) afstudeerscriptie vergezeld gaan van de stelling dat ‘Huydecoper geen geloof moet worden geschonken als hij van onze oude dichters zegt “...van welken, buiten Jan van Heelu, het genoeg is eenige fragmenten te bewaren”.’

Het was de oertijd van het vak; en wie dat vak wilde beoefenen, moest zelf eerst nagaan wat ertoe behoorde. Gedreven door een hartstochtelijke passie om, zoals hij dat uitdrukte, ‘de wetenschap vooruit te sjouwen’, en blakend van liefde voor het vaderlands verleden, stroopte Jonckbloet binnen- en buitenlandse bibliotheken af, op zoek naar nieuwe oude teksten. Zo had hij dan van menige sindsdien beroemd geworden Middelnederlandse tekst de wetenschappelijke primeur: de Beatrijs, de Dietse doctrinael, de refreinen van Anna Bijns - maar eerst en vooral van ettelijke ridderteksten: de Walewein, de Karel ende Elegast, de Lorreinen en de Lancelotcompilatie. Het was vooral dit genre dat bij Jonckbloet in de smaak viel; en we psychologiseren vermoedelijk niet te veel wanneer we hierin iets zien terugkeren van wat hij op de k.m.a. was misgelopen.

Niet dat er per se naar buiten-wetenschappelijke motieven moet worden gezocht om Jonckbloets aandacht voor de ridderroman te kunnen verklaren; ook louter vakmatig was er alle reden om juist hierop het onderzoek te richten. Weliswaar waren ettelijke teksten in dit genre al ontdekt en vanwege hun evidente ouderdom in het oog gesprongen; maar de anonieme, weinig samenhangende, en vooral sterk fragmentarische overlevering had verhinderd om ze als genre literairhistorisch te waarderen. Zo kon het dan gebeuren dat in 1846 van de hand van de Groningse hoogleraar B.H. Lulofs een Handboek verscheen van den vroegsten bloei der Nederlandse letteren, waarin Jacob van Maerlant voluit als vader der Dietse dichtren algader werd geportretteerd, en de resten van de Middelnederlandse ridderepiek min of meer tussen de regels door werden afgedaan.

Dit Handboek van Lulofs is vooral onsterfelijk geworden omdat Jonckbloet het de grond in heeft geschreven. In De Gids van 1847 publiceerde de toen

illustratie

Willem Jozef Andries Jonckbloet werd op 6 juli 1817 geboren te 's-Gravenhage. Studeerde te Leiden, alwaar hij in 1840 afstudeerde. In 1848 benoemd tot hoogleraar in de vaderlandse geschiedenis en letterkunde aan het Athenaeum te Deventer; daarna hoogleraar te Groningen (als opvolger van zijn wetenschappelijke wapenbroeder M. de Vries) tot 1864; dan lid van de Tweede Kamer, maar dertien jaar later, in 1877, teruggekeerd naar de universiteit als bezetter van het eerste professoraat in de Nederlandse letterkunde, in casu de leerstoel voor ‘De geschiedenis der Nederlandsche letterkunde en hare critiek’ te Leiden. Daar om gezondheidsredenen in 1883 ontslag genomen; overleden op 19 oktober 1885 te Wiesbaden.


[p. 326]

dertigjarige, nauwelijks meer dan een nieuweling in het academische bedrijf, een vernietigende beschouwing over het Handboek van de gezaghebbende Lulofs. In Jonckbloets (stellig overtrokken, maar bepaald niet geheel misplaatste) voorstelling van zaken negeerde Lulofs' Handboek op schandelijke wijze wat hijzelf en de zijnen, in het voetspoor van recente ontwikkelingen in de Duitse en Franse literatuurgeschiedschrijving, juist in die jaren doende waren aan het licht te brengen omtrent de vroege Nederlandse ridderliteratuur. Jonckbloet presenteerde zijn kritiek als manifest, als afrekening van, zoals hij het niet zonder gevoel van eigenwaarde presenteerde, de Nieuwe School met de Oude, anders gezegd: van wetenschap met amateurisme. ‘Eens en voor altijd dus: neen, onze letterkunde vangt niet aan met de helft der dertiende eeuw; het is van dien tijd, dat haar verval dagteekent. Van 1150 tot 1270 heeft eene dichterlijke school gebloeid, rijk aan verbeelding, heerschende over eene zoetvloeijende, kernachtige taal, die in epischen of lyrischen vorm zich de heerlijkste monumenten gesticht heeft bij wie niet vooringenomen of anderszins onbevoegd wil oordelen.’

Zoals uit het citaat al blijkt, heeft Jonckbloets wetenschappelijke gedrevenheid ook een romantische en esthetische kant. Het is die kant die heden ten dage zijn werk het meest verouderd maakt, want afgezien daarvan had hij toen, en nu nog, wetenschappelijk gesproken groot gelijk. De wijze waarop hij, als eerste, in zijn literatuurgeschiedenis (sen) de evolutie van onze Middelnederlandse letterkunde schetste, als globaal verlopend via de stadia ridderepiek-Maerlant-late ridderliteratuur/ didactiek-rederijkerij heeft het stramien geleverd voor alle literatuurgeschiedenissen nadien, en zou ook heden ten dage moeilijk door iets beters vervangen kunnen worden. En ook binnen deze kaders is en blijft heel veel door Jonckbloet juist gezien, en dus de moeite van het lezen waard: voor zijn behandeling van Lodewijk van Velthem bijvoorbeeld is nog door geen literatuurhistoricus een beter alternatief geleverd.

Maar dat men Jonckbloets middeleeuwse literatuurgeschiedenis tegenwoordig toch enkel nog op (delen van) onderdelen naslaat, en in gemoede niet kan aanbevelen om zijn visie of totaalbeeld, komt vooral door de zeer gedateerde esthetische beschouwingswijze waarvan het werk van kaft tot kaft doortrokken is. Het maakt zelfs de gedeelten waar Jonckbloet op zijn best is, lastig verteerbaar. Zoals gezegd: het blijft zijn onvervreemdbare verdienste de eerste echte eeuw waarvoor zich onze literatuurgeschiedenis laat schrijven, de dertiende, te hebben opgedeeld in het hoofs-ridderlijke tijdvak en de periode-Maerlant, en te hebben ingezien dat met laatstgenoemde een krachtige ‘didactisering’ van de Middelnederlandse letterkunde doorzet. Doch de wijze waarop Jonckbloet deze ontwikkeling evalueert, maakt dat men zijn literatuurgeschiedenis een eeuw na dato enkel nog kan lezen als een getuigenis uit een voorbije tijd.

Spil, scharnier én breekpunt van Jonckbloets middeleeuwse literatuurgeschiedenis is, toch weer, Maerlant. Jonckbloets houding tegenover hem is er een van haatliefde, waarbij de liefde het moet hebben van het ‘feit’ dat in Jonckbloets visie, juist Maerlant de eerste letterkundige spreekbuis was van het Nederlandse volkskarakter (in Noord én Zuid!). Als zodanig verdiende hij een ereplaats; maar voor de wijze waarop zich dit volkskarakter uitte, namelijk in de vorm van didactiek, kon Jonckbloet moeilijk warm lopen. En dus wordt zijn beschrijving van de vroegste Nederlandse literatuurgeschiedenis er een van de verdrijving uit het paradijs: de bloeiende Franse akker van poëzie, hoofsheid, ridderschap en galanterie, wordt door Maerlant platgemaaid en ingezaaid met didactiek, die nu voor eeuwen vrucht zal dragen in literaire dominees en droogstoppels. Voor Jonckbloet heft de Nederlandse letterkunde spijtig genoeg veel vaker de vinger dan het zwaard. En waar zich al eens romantiek bespeuren laat, is het er meestal een die op latere leeftijd wordt betreurd: zie Maerlant, Anna Bijns en Betje Wolff. In de behandeling van zulke romantische intermezzi krijgt ook Jonckbloets toon warempel iets van passie, maar doorgaans is zijn literatuurgeschiedenis toch vooral vertoog, ons voorgeschoteld door een man bij wie de letterkunde van de Nederlanden de uiterst serieuze behandeling deelachtig wordt waarom die letterkunde en de wetenschap nu eenmaal vragen.

Zoniet volgens Busken Huet. Voor wie als neerlandicus-mediaevist is opgevoed met eerbied voor de hooggeleerde Jonckbloet, vormt het een even vreemde als leerrijke ervaring om kennis te nemen van het oordeel dat Huet en enkele geestverwanten over ditzelfde opus magnum velden. Wat voor ons, nazaten van de academische traditie waarvan Jonckbloet grondlegger is, de grootste kracht van deze literatuurgeschiedenis is, was voor hen een onoverkomelijke zwakte: het laatste dat zij van een literatuurgeschiedenis verwachtten was dat deze rekenschap zou geven van een wetenschappelijke stand van zaken! Met scherpe ironie hekelt Busken Huet hoe Jonckbloet zijn geliefde epische fragmenten de plaats geeft in de Nederlandse literatuurgeschiedenis waarop zij wetenschappelijk gesproken recht hadden:

De wetenschap onzer dagen eischte dat de geschiedenis der nederlandsche letterkunde geschreven werd. Het was een schandaal, dat de Duitschers onze middeneeuwen beter kenden dan wij. Konden wij Hoffmann von Fallersleben niet overtreffen, wij behoorden voor het minst blijk te geven na eene halve eeuw hem te kunnen evenaren. Die pligt is door dr. Jonckbloet vervuld. Indien er voortaan geleerde vreemdelingen gevonden worden die verlangen te weten op welke wijs de lappendeken onzer letteren ontstaan is, bij hem kunnen zij teregt. Van elk vodje afzonderlijk zal hij hun de geschiedenis verhalen. Uit welke snippermand, aan welken straathoek, het werd opgeraapt. Van welke uitheemsche kleding stukken of uitheemsche meubelgordijnen het een overblijfsel is. Hoe de knaap heette die er onze grenzen mede overkwam. Vanwaar het die kleur, dien snit, die rafels heeft. Om welke reden onze eenvoudige landgenooten

[p. 327]



illustratie

zich die vreemde ooren gaarne lieten aannaaijen. Hoe zij met het ding naar hunne wandsnijders of hunne lakenwaardijns liepen, of in hunnen saaihallen, welgenaamd, het van een nationaal loodje deden voorzien. Hoe zij de deken voor een statierok aanzagen en, als ware zij een mantel van eigen fabrikaat, haar zich om de leden plooiden. Hoe zij, in hunne ogen heel wat heers, in die der wereld voor opgeschikte boeren doorgingen. In al deze kleine verborgenheden zullen de buitenlandsche geleerden door onzen landgenoot ingewijd worden; en zij zullen die gewigtig vinden.

Door Nederlandse literatuurgeschiedschrijving tot wetenschap te verheffen, heeft Jonckbloet tevens een scheiding der geesten teweeggebracht die nog heden ten dage merkbaar is: die tussen literatuurgeleerden en literatuurliefhebbers. Zijn literatuurgeschiedenis was de eerste van geleerden voor geleerden; voor mannen als Busken Huet een reden om zich ervan af te keren. Zo deed ook Potgieter, die in kleine kring liet weten zich weinig gevleid te voelen door Jonckbloets zo openlijk beleden bewondering; en zo deed nog Van Deyssel, die sprak van ‘W.J.A. Jonckbloet, een extra suf schoolmeestertje’. Maar treffendst van allen toch weer Busken Huet:

Doorgaans woont gij in deze Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde de openbare zamenkomst eener geleerde Debating-Society onder het voorzitterschap van Dr. Jonckbloet bij. De bekwame president verleent aan oudere en jongere medegeleerden beurtelings het woord. Hebben al de anderen uitgepraat, dan geeft hij zijne persoonlijke meening ten beste, en vat in notulenstijl, met vermelding van ieders aandeel in de gewonnen slotsom, het gesprokene omstandig zamen. [...] Vroeger dacht hij er dus over; thans doet hij het zoo. Dr. A. sloeg indertijd den bal deerlijk mis. Nuttige lichten werden

illustratie

sedert opgestoken door Dr. B. Er is reden om te gelooven dat een volgend geslacht zich zal nederleggen bij de uitkomst onlangs verkregen door Dr. C. Gij, onderwijl, zit op heete kolen en roept om la pièce!

Veel warmer was het onthaal dat Jonckbloets literatuurgeschiedenis ten deel viel in de eigen universitaire kring. ‘Als student dweepte ik met het boek,’ bekende Moltzer; en ook toen hij toch geacht mocht worden de jaren der dweepziekte te boven te zijn, sprak hij in zijn dissertatie nog over ‘het epos van den genialen Jonckbloet’. Wel vormde Johannes van Vloten een hinderlijke dissonant, met zijn schotschrift over Dr. Jonckbloet en zijn zoogenaamde Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde; maar als verklaard vijand van heel de gevestigde neerlandistiek was zijn tegenstem al te voorspelbaar om indruk te kunnen maken. Zelfs Busken Huet was bereid te getuigen van zijn respect voor Jonckbloets wetenschappelijke verdiensten voor de Nederlandse literatuurgeschiedenis: ‘Hare toekomstige historieschrijvers zullen valsche getuigen wezen, zoo zij, in eene eventueele voortzetting van zijn werk, hem niet eene eereplaats toekennen. [...] Over honderd jaren zal het boek nog even bruikbaar zijn als nu.’

Maar hier vergist Huet zich toch. We zijn inmiddels honderd jaar later: en er zal geen student gevonden kunnen worden die nog met Jonckbloet dweept, noch een geleerde die zijn literatuurgeschiedenis nog onverminderd bruikbaar noemt. Zelfs de delen middeleeuwen, in hun tijd staaltjes van superieure eruditie, vallen bij herlezing tegen. Jonckbloets reputatie gedijt het best als men zijn werk eclectisch tot zich neemt, en is slecht bestand tegen volledige lectuur. Daarvoor is er veel te veel dat hindert, zoals de voortdurende ahistorische esthetiek waarmee zijn literatuurgeschiedenis doorspekt is, of dat men mist, zoals het Middelnederlandse proza

[p. 328]

en in feite heel de geestelijke cultuur, die voor de vurig liberale, anticlericale Jonckbloet zelfs in de middeleeuwen beter genegeerd kon worden. In zijn middeleeuwen wemelt het van ridders en kastelen; kloosters en Ruusbroec lijken nauwelijks te bestaan. Als Beatrijs niet zo hoofs en zo verliefd geweest was, had ook zij vermoedelijk op het appel ontbroken.

En zo zijn er voor Jonckbloet weinig aanhangers over, is in een eeuw het leger van zijn critici enkel gegroeid, en is hij in feite al het stadium voorbij dat men nog op hoofdzaken met hem in debat zou willen gaan. De eersten die zich van hem afkeerden, waren de pure literatuurliefhebbers: zij vonden hem te veel historicus, en veel te weinig estheticus. Jonckbloets wetenschappelijke leerlingen zijn hem veel langer trouw gebleven, en zijn hem nog altijd hun respect als grondlegger en leermeester verschuldigd. Maar als goede leerlingen zijn ze in zijn voetspoor voortgegaan, en hebben daarbij Jonckbloet zozeer leren nuanceren dat zij, en zeker de leerlingen van hun leerlingen, zich niet meer echt bij Jonckbloet thuisvoelen. Ironisch genoeg is hij hún weer te weinig historicus, en te veel estheticus. Het is ook nooit goed met die literatuurgeschiedenis. Ook nu niet.

Literatuuropgave

Een biografie van Jonckbloet zou een prachtboek kunnen zijn. Voorlopig moeten we het stellen met zijn levensbericht door H.E. Moltzer in het Jaarboek van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen 1886, p. 1-70 en de venijnige behandeling door Brom in diens Geschiedschrijvers, hoofdstuk iv. Van aanvullend belang zijn nog H. de Buck, De studie van het Middelnederlandsch sinds het begin der negentiende eeuw (1930), p. 214-217, G. Karsten, Honderd jaar Nederlandsche philologie. M. de Vries en zijn school (Leiden, 1949), p. 12 en 70-76 en J. te Winkel, Ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde, dl. vii (2de dr. 1927), p. 460-465.

Jonckbloets filippica tegen Lulofs verscheen in De Gids 10 (1846), p. 1-56; de kritiek van Busken Huet in dl. xxii van de Litterarische fantasieen en kritieken, p. 102-116; het pamflet van J. van Vloten is Jonckbloet's zoogenoemde geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, ten dienste van haar lezers getoetst en toegelicht (Arnhem, 1876).

 

Is de Nederlandse letterkunde er alleen voor neerlandici?
Zie p. 361