
1. Hs. fol. 191. - II Boek, vs. 10963 vlgg. 2. Hs. fol. 340. - III Boek, vs. 4963 vlgg.

3. Hs. fol. 9. - II Boek, vs. 238 vlgg.
In 1897, juist zes eeuwen na Willem van Afflighem's verscheiden, vond ik op de Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen het handschrift van het tweede en het derde boek eener berijmde dietsche levensbeschrijving van Sinte Lutgart. Dadelijk rees bij mij het vermoeden dat ik de hand gelegd had op een deel van het tot dusverre verscholen gebleven werk van den alouden Brabantschen dichter. Na oppervlakkig kennis van den inhoud genomen te hebben, stelde ik inderhaast eene beknopte verhandeling op over het onderwerp in verband met de gedane ontdekking en zond ze, van enkele staaltjes vergezeld, aan de Académie royale de Belgique in, die het stuk in hare Bulletins liet opnemen1. De zorg, welke ik aan het afschrijven van het omvangrijk gedicht moest besteden, verhinderde mij destijds de met den tekst verbonden vraagpunten te doorgronden; ik beloofde echter dit ten spoedigste te doen en de uitkomsten van mijn onderzoek in de inleiding tot de uitgave van het werk mede te deelen. Deze belofte wordt in de volgende bladzijden vervuld.
Dat, na een rijp onderzoek, mijne eerste zienswijze in sommige opzichten eenigszins is gewijzigd geworden, zal wel niemand bevreemden; dat ik niet alles op afdoende wijze heb weten op te lossen, zal men mij, hoop ik, niet misduiden: noch aan goeden wil, noch aan ijver heeft het mij gefaald; doch in enkele gevallen ontbraken mij de noodige bewijsgronden.
Het is mij intusschen een groot genoegen geweest een vrij belangrijke bijdrage tot de geschiedenis onzer dietsche taal- en letterkunde te mogen leveren, en ik houd er mij van overtuigd dat hare beoefenaars op hunne beurt in dit genoegen zullen deelen.
Ongeveer drie uren van Luik, in de richting van Hoei, tusschen de heuvels van den linker oever der Maas, ligt het dorpje Awirs of liever Les Awirs. Daar kwam omstreeks 1202 een klooster van Benedictijner-nonnen tot stand, dat na eenigen tijd den regel der orde van Oîteaux aannam. Door eene bul van den 14en Juli 1206 keurde paus Innocentius III dezen overgang goed. Enkele jaren later, hoogst waarschijnlijk in 1210, verlieten de kloosterzusters het Land van Luik en trokken naar Waalsch-Brabant, waar zij zich eerst te Lillois, benoorden Nijvel, vestigden. Daar immers waren haar gronden afgestaan geworden door Iwain de Rèves, proost van Nijvel, en Hendrik I, hertog van Brabant, had haar hulp en bescherming in zijne staten beloofd.
Lang echter verbleven zij ook hier niet. Reeds in 1214 waren haar door Godevaart, kastelein van Brussel, goederen geschonken op het grondgebied der huidige gemeente Couture-Saint-Germain, tusschen Waver en Nijvel, en in 1217 vinden wij onze Cisterciënser-nonnen gevestigd in haar nieuw verblijf op de oevers der Lasne, tusschen Couture-Saint-Germain en Maransart.
Aangaande de datums harer achtereenvolgende verhuizingen, ook aangaande de redenen, welke er aanleiding toe gaven, heerscht onzekerheid. Naar onze meening trokken de kloosterzusters daarheen, waar zulks haar het voordeeligst scheen.
Het gesticht behield in Brabant zijn oorspronkelijken naam Awirs of Abdij van Awirs, in 't Latijn Aquiria en later ook Awiria, ter herinnering aan zijne bakermat. Doch de Fransche of Waalsche benaming er van, evenals de dietsche vorm, werd naar de plaatselijke uitspraak gewijzigd, vaak verhaspeld en misspeld, tot dat zij eindelijk Aywières of Aywiers werd en bleef.
Tijdens zijn bestaan in het Land van Luik had het klooster tot beschermheilige Sint Steven; in Brabant stond de abdij onder de bescherming der H. Maagd. Sedert 1235 had de abt der beroemde Cisterciënser-abdij van Aulne, in Henegouwen, het geestelijk gezag over Aywières. Voor het tijdelijke was de abdij onderworpen aan de kasteleinen van Brussel en hield van hen hare rechtsmacht over Couture en Maransart. Het klooster evenals deze beide parochiën behoorden tot het bisdom van Luik tot het jaar 1559.
De eerste halve eeuw van het bestaan der abdij was ook het tijdperk van haar hoogsten bloei en tot dit tijdperk behooren de zaken en de personen, die wij naderhand zullen aantreffen. Aywières werd op het einde der vorige eeuw, tijdens den inval der Franschen, verwoest en opgeheven (1796)1.
Het is in de abdij van Aywières dat de vrome Lutgart, pia Lutgardis, den 16en Juni 1246, omtrent vespertijd, overleed, na er volgens de gewone overlevering omstreeks veertig jaren doorgebracht te hebben. Dit latere deel van haar leven vormt den inhoud van het gedicht dat wij thans uitgeven. Een woord over haar vroegere lotgevallen zal dus hier niet overbodig wezen.
Sinte Lutgart werd ten jare 1182 te Tongeren, in de straat thans ‘de Koolkuil’ genoemd, geboren. Haar vader was een aanzienlijk poorter dier stad en hare moeder behoorde tot een adellijk geslacht. In 1194, toen Lutgart ongeveer twaalf jaar oud was, werd zij in het Benedictijner-klooster van Ste-Katharina, te Sint-Truiden, geplaatst, wellicht slechts om er hare opvoeding te voltooien. Hier ontwikkelde zich weldra bij haar een buitengewone aandrift naar mysticisme en ascetisme, die tot wonderbare visioenen en geestverschijningen leidde. Alhoewel zij in haar prilste jeugd de wereldsche vermaken en ijdelheden aankleefde, zou zij de wereld verzaken en den sluier aannemen. Bij het einde van haar noviciaat, deed zij hare plechtige gelofte en werd ‘geprofest.’ Wat later, in welk jaar weten wij niet, werd zij tot priores van het klooster verkozen. Doch de zorg, aan deze waardigheid verbonden, schijnt met hare neiging tot het beschouwend leven weinig gestrookt te hebben1. Om er zich aan te onttrekken, nam zij het besluit van klooster te veranderen en naar een strengere orde over te gaan. Eerst dacht zij er aan, zich naar het Vlaamsche Cisterciënserklooster van Herkenrode, bij Hasselt, te begeven; doch, vooral op raad van Meester Jan van Lier, een beroemden geestelijke uit het bisdom van Luik, trok zij naar het Waalsche Cisterciënserklooster van Awirs. Dezen stap deed zij in 1205 of 1206. Zij was alsdan 24 jaar oud en had, volgens de overlevering, twaalf jaar in het Ste-Katharina-klooster doorgebracht.
De geschiedenis van hare jeugd en haar verblijf in het Ste-Katharina-klooster te Sint-Truiden maakt, zooals wij naderhand zullen zien, het eerste boek of deel harer levensbeschrijving uit. Al het wonderbare, dat er in voorkomt, hebben wij opzettelijk ter zijde gelaten en ons enkel en alleen tot de hoofdzaken beperkt. Wat wij er uit wenschen af te leiden bepaalt zich hiertoe: Sinte Lutgart verliet het Ste-Katharina-klooster voor dat van Awirs in 1205 of 1206; zij is dus nooit te Mielen of Nonnen-Mielen geweest, waar de Benedictijner-nonnen van Sint-Truiden zich eerst in 1231 vestigden. Anderzijds trok Sinte Lutgart niet rechtstreeks naar Brabant, maar wel naar Awirs, in het Land van Luik. Dit zal des te natuurlijker schijnen als wij er bijvoegen dat haar raadsman in dezen, Jan van Lier, Awirs zeer goed kende en dat zelfs zijn naam in eene akte van 1202, dit klooster betreffende, voorkomt.
Later heeft Sinte Lutgart de Cisterciënsernonnen van Awirs naar Lillois en Couture-Saint-Germain gevolgd. Hoe haar leven, als eenvoudige kloosterzuster, in de abdij van Aywières was, zal het thans uitgegeven gedicht breedvoerig
verhalen. Het was het leven eener kluizenares, een leven van gebeden en geestelijke bespiegelingen, van oefeningen van boetvaardigheid, van lijden en versterving, van zelfkastijding en zelfopoffering voor het zondige menschdom, dat onze dichter ergens schetst als volgt:
Reeds bij haar leven was Sinte Lutgart vermaard om hare godsvrucht en de wonderen welke men haar toeschreef. Hooger steeg haar roem onmiddellijk na haren dood en dit had zij vooral te danken aan haren levensbeschrijver, den Brabantschen hagiograaf, Thomas van Cantimpré, haren biechtvader en leidsman.
Voor de beoefenaars onzer middelnederlandsche letterkunde is hij geen nieuweling. Maerlant's Naturen Bloeme, Dat Biënboec, de levensbeschrijvingen van Christina de Wonderbare en van Sinte Lutgart, die alle op zijn latijnsche werken gegrond zijn, hebben zijnen naam zekeren luister bijgezet. En toch kennen wij tot dusverre slechts gebrekkig en oppervlakkig zijnen persoon; eenen geschiedschrijver heeft hij zelfs nog niet gevonden. Alles wat wij van
hem weten is uit enkele korte berichten te putten, die zelf 's mans werken, vooral zijn Bonum Universale de Apibus, tot grondslag hebben.
Vatten wij beknopt alles samen volgens de jongste verhandeling van E. Berger, dan komen wij nagenoeg tot de volgende slotsom.
Volgens algemeene overlevering werd Thomas van Cantimpré omstreeks het jaar 1200 te St. Pieters-Leeuw, tusschen Brussel en Halle, geboren. Zijn vader diende onder den Engelschen koning Richard Leeuwenhart en ondernam met hem den kruistocht naar Palestina.
Toen Thomas nauwelijks vijf of zes jaar oud was, werd hij naar eene school, hetzij te Luik, hetzij te Kamerijk gezonden, waar hij elf jaren bleef. Uit die jaren dagteekent zijne kennismaking met en tevens zijne vereering voor Jacob van Vitry. Zekere schrijvers beweren zelfs dat het op diens raad is dat hij besloot het geestelijke kleed aan te nemen.
Wat hier van zij, in 1217 werd Thomas regulier kanunnik van de orde van St. Augustinus, naar men beweert, in de abdij te Cantimpré, bij Kamerijk, waaraan hij zijnen naam, Cantipratensis, Cantipratanus, ontleende. Aldaar bracht hij ongeveer vijftien jaren door, en schreef er, drie en twintig jaar oud, zijn eerste werk, het Leven van Jan, den eersten abt van Cantimpré. Toen reeds werd hij vaak met het afnemen der biecht belast, eene taak die hem, volgens eigen getuigenis, zwaar en moeilijk viel en waarbij hij door Sinte Lutgart getroost en opgebeurd werd.
In 1232 trad hij naar een strengere orde over; hij ging naar Leuven, waar hij zich onder de Predikheeren liet opnemen. Van toen af bleef hij aan dit klooster verbonden; hij werd er zelfs onderprior1 en bracht er zijne laatste levensjaren door.
Bestendig verbleef hij er echter niet. Kort na zijne aankomst te Leuven, werd hij naar Keulen gezonden om er de lessen van Albertus Magnus bij te wonen. Na zijne terugkomst trok hij naar Parijs, waar hij van 1238 tot 1240 vertoefde, waarschijnlijk om er zijne studiën te voltooien.
Te Leuven, in zijn klooster, nam hij de betrekking van lector waar. Doch als prediker en biechtvader was hij vaak op reis en doorkruiste in deze hoedanigheid een groot deel van België en de aanpalende streken van Duitschland en Frankrijk.
Voegen wij hierbij dat hij volgens zekere schrijvers op het einde van zijn leven suffragaan-bisschop of ambtshelper van den bisschop van Kamerijk zou geweest zijn. Dit is echter onwaarschijnlijk.
Hij stierf in hoogen ouderdom, doch de juiste dagteekening van zijnen dood is onbekend gebleven. Wij hebben er 1261, 1263, 1270, 1272, 1280, zelfs 1293 voor aangetroffen. Wij zijn geneigd om met Berger 1270 of 1272 als den waarschijnlijksten datum aan te nemen2.
Ook aangaande het jaar waarin hij zijne werken opstelde heerscht onzekerheid.
Dit is in hoofdzaak nagenoeg al wat wij van Cantimpré's leven weten. Hoe gering ook, is het toch niet zonder belangrijkheid voor zijne Vita Lutgardis en het thans uitgegeven gedicht. Cantimpré's Brabantsche herkomst, zijn verblijf in dit hertogdom, zijne reizen daar en in de omliggende streken, zijne betrekkingen als biechtvader met tijdgenooten van allerlei aard en stand, werpen een eigenaardig licht op de personen en feiten, welke er in voorkomen. Zoo zagen wij b.v. dat Thomas, toen hij nog als knaap te Luik of te Kamerijk ter school ging, aldaar Jacob van Vitry (+ 1240) als prediker gehoord en een groote vereering voor hem opgevat had. Daaraan is het wellicht voor een deel toe te schrijven dat ook in de Vita Lutgardis herhaaldelijk van dezen prediker en geschiedschrijver sprake is. Anderzijds bevindt zich Cantimpré van 1238 tot 1240 te Parijs om er zijne studiën te voltooien. Nu, van Willem van Afflighem en van zijn vriend Jan van Edingen, bisschop van Luik, weten wij dat zij insgelijks te Parijs gestudeerd hebben. Het is dus niet onmogelijk dat zij er Cantimpré hebben gekend.
Als man van kennis en ondervinding, die hij vooral in zijne hoedanigheid van biechtvader opgedaan had, als godgeleerde en redenaar, niet minder om zijn ijver en zijne deugden, stond Cantimpré bij zijne tijdgenooten hoog in aanzien. Zijne talrijke geschriften zullen wel het hunne daartoe bijgedragen hebben. Doch met het oog op de thans uitgegeven Sinte Lutgart, meenen wij over 's mans verdiensten in 't algemeen noch over zijne andere werken te moeten uitweiden1.
Ook de dichter onzer Sinte Lutgart spreekt steeds van hem met den diepsten eerbied. Hij noemt hem die vroede man, die goede man, die Iacobijn, die Iacobite, die wise predekare, die welgerakde predekare, enz. Soms vermeldt bij hem als Dant Thomas (III, 676, 997, 4768),) meest met vormverandering van het woord, als Bruder Damaes. Eens zelfs vernemen wij o. i. zijnen naam volledig: Die Iacobite, bruder Damaes van Bellenghem. Zoo weten wij eindelijk tot welk adellijk geslacht hij behoorde. Bellenghem, thans Bellinghen, is immers eene Brabantsche gemeente op korten afstand ten zuid-westen van Sint Pieters-Leeuw gelegen; zijn geslacht zal er zijn naam aan ontleend hebben2.
Hoe Cantimpré er toe gebracht werd het leven van Sinte Lutgart te beschrijven, heeft hij zelf verhaald1 en in ons gedicht vindt men hetzelfde verhaal breedvoerig en met enkele geringe wijzigingen weergegeven2. Hij was lange jaren haar boezemvriend, familiarissimus ejus, geweest en, zoo zij vóór hem stierf, hadde hij gaarne van haar eenige reliquie, bij voorkeur hare hand, bekomen. Snapachtige nonnen, wien hij zijn verlangen had medegedeeld, verwittigden er Sinte Lutgart van. Zekeren dag gispte deze hem hierover half in ernst, half schertsend en gaf hem ter zelfder tijd te kennen dat hij zich met haren rechter pink als reliquie zou moeten tevreden stellen. Na Sinte Lutgart's verscheiden werd inderdaad bedoelde pink door twee leekebroeders afgesneden en aan Hadewich, de abdis van Aywières, overhandigd. Toen Cantimpré, het afsterven der Heilige vernomen hebbende, naar de abdij snelde, werd hem deze reliquie halsstarrig geweigerd. Slechts bij later aandringen stemde de abdis er in toe hem den pink af te staan onder plechtige belofte dat hij Sinte Lutgart's leven zou beschrijven.
Zoo vatte Cantimpré de pen ter eere van Sinte Lutgart op en verhaalde hij haar wonderbaar leven in een latijnsch werk, dat hij in drie deelen of boeken splitste volgens de drie trappen of graden van het ascetisch leven: het begin, den voortgang en de volmaaktheid3. Hij deelde er mede wat hij over haar wist, en wat hij uit haar eigen mond en uit dien van geloofwaardige personen vernomen had4. Het eerste boek behelst het leven der Heilige in het Sinte Katharina-klooster te Sint-Truiden, het tweede hare negen-en-twintig eerste jaren bij de Oisterciënsernonnen en het derde hare elf laatste levensjaren. Deze Vita Lutgardis is ons behouden gebleven in talrijke handschriften; zij is ook door de Bollandisten in de Acta Sanctorum opgenomen5.
Hagiographische werken als dit zijn gewoonlijk van bijzonderen aard; de godsdienstige strekking komt er op den voorgrond; de schrijver is er steeds angstvallig op uit om aan deze strekking al het overige op te offeren, het wereldlijke, het echt menschelijke naar den achtergrond te bannen of het met volkomen stilzwijgen voorbij te gaan. Dit is ook het geval met de Vita Lutgardis: voor Cantimpré was het hoofdzaak de genade te beschrijven waarmede de Heilige begunstigd werd, niet de uiterlijke daden of omstandigheden van haar leven. Wat hij uiteenzette, behandelde hij uit zijn eigenaardig godsdienstig oogpunt, zonder zich om eene strenge chronologische volgorde der gebeurtenissen te bekreunen. Dat naderhand zijne vertalers en omwerkers hem hierin gevolgd zijn, spreekt vanzelf.
Wanneer werd deze Vita Lutgardis geschreven? Reeds uit het gering getal mirakelen die Cantimpré na Sinte Lutgart's verscheiden vermeldt, heeft men
gemeend te mogen opmaken dat de Vita kort na het overlijden der Heilige opgesteld werd. Het verhaal der omstandigheid welke er aanleiding toe gaf bevestigt dit. Doch er is meer: Cantimpré's Vita Lutgardis wordt aan Hadewich, abdis van Aywières, opgedragen en in zijne opdracht spreekt. Cantimpré haar aan als nog in leven zijnde. Nu, volgens de lijst der abdissen van Aywières, zorgvuldig door Tarlier en Wauters opgesteld, stierf Hadewich den eersten Juni 1248, dus ongeveer twee jaren na Sinte Lutgart1. Vóór den eersten Juni 1248 had dus Cantimpré zijne levensbeschrijving der Heilige voltooid. De eerste, de oudere tekst van Cantimpré's Vita Lutgardis dagteekent bijgevolg van vóór den eersten Juni 1248.
Wij zeggen uitdrukkelijk den ouderen tekst, want er bestaat ook een andere, een jongere. Immers Cantimpré had niet alles neergeschreven wat hij over Sinte Lutgart wist; hij had, zegt hij zelf2, veel verzwegen dat hij voor ongeletterde lieden onverstaanbaar achtte of waarvoor hij geen afdoend bewijs gevonden had. Daarenboven was hij niet de éénige vertrouweling der Heilige geweest; ook aan anderen had zij een en ander van haar geheimen en van haar wedervaren medegedeeld. Onder hen bevond zich de predikheer Broeder Bernart, penitentiaris van Paus Innocentius IV3. Aan dezen Bernardus stelde Cantimpré omstreeks 1254, volgens de Bollandisten, dus acht jaren na Sinte Lutgart's dood en zes na dien van Hadewich, zijne Vita Lutgardis ter hand4, en Bernardus laschte enkele nieuwe bijzonderheden in het leven der Heilige in; ter zelfder tijd bracht Cantimpré eenige geringe wijzigingen aan in de bewoordingen en de wendingen van zijn werk. Wat Broeder Bernardus er aan toevoegde komt in de uitgave der Vita Lutgardis door de Bollandisten tusschen haakjes voor.
De handschriften der Vita Lutgardis zijn dus van twee soorten: die welke den tekst van 1248 volgen en die welke den nieuweren van 1254 tot grondslag hebben. Voor eene grondige vergelijking der middelnederlandsche vertalingen van het werk met het latijnsch origineel is dit onderscheid van zeker gewicht5.
Dat de latijnsche levensbeschrijving eener Vlaamsche heilige weldra in het Dietsch zou vertaald of omgewerkt worden, kan niet bevreemden; dit strookt volkomen met den vromen, godsdienstigen zin onzer voorouders dier dagen. Zelfs vreemde heiligen vonden destijds Vlaamsche dichters om hun leven en hunne wonderen te bezingen; met des te inniger welbehagen zou de eene of andere geestelijke zanger onzer gewesten de pen ter eere van Sinte Lutgart opvatten en haar in het Dietsch verheerlijken. En daar in de dertiende en veertiende eeuw voor dergelijk werk in de volkstaal de ongebonden stijl zelden of nooit aangewend werd, zou de dietsche levensbeschrijving onzer heilige in versmaat opgesteld worden.
Tot dusverre haalt de geschiedenis onzer letterkunde slechts twee berijmde levensbeschrijvingen van Sinte Lutgart aan: die van Willem van Afflighem, uit de dertiende eeuw, en die van Brueder Geraert, waarschijnlijk uit het laatst der veertiende of het begin der vijftiende.
Bij beide deze werken of liever bij hunne opstellers wenschen wij even stil te staan, want dit vraagpunt heeft tot allerlei gissingen en veel verwarring aanleiding gegeven.
Nagenoeg al wat wij van Willem van Afflighem's leven weten, zijn wij aan de kroniek der vermaarde Benedictijner-abdij van Sint-Truiden verschuldigd. Het is ook uit deze bron dat hoofdzakelijk voor de volgende schets geput is.
Willem werd omstreeks 1210 te Mechelen geboren en was een onwettig kind. Zijn vader behoorde tot het adellijk en aanzienlijk geslacht der Berthouts1. Op jeugdigen leeftijd trok hij naar Parijs om er zijne studies te voltooien en na zijne terugkomst in het vaderland nam hij het kleed van de Sint-Benedictus orde aan in de beroemde abdij van Afflighem bij Aalst; in welk jaar, is onbekend. Eenige jaren later werd hij er tot prior verheven en daarna bekleedde hij dezelfde waardigheid in de van Afflighem afhangende priorij van Waver. Van hier werd hij naar Sint-Truiden geroepen, om er als abt de vermaarde Benedictijner-abdij te besturen.
Immers in 1272 legde abt Hendrik van Vaelbeke zijne waardigheid neder en de kloostergemeente vertrouwde aan Jan van Edingen (Jean d'Enghien), Prins-Bisschop van Luik, de zorg toe tot het kiezen en aanstellen van een nieuwen abt. Zijne keus viel op Willem van Afflighem, dien hij tijdens zijne
studies te Parijs gekend en met wien hij in nauwe vriendschap geleefd had.
Doch wegens zijne onwettige geboorte kon deze niet aan het hoofd der abdij geplaatst worden. Daarom wendde zich de Luiksche prelaat dadelijk tot het hof van Rome ten einde de vereischte toestemming of dispensatie te erlangen. Deze bekomen hebbende, liet hij aan de kloosterlingen weten dat hij voor hen een waardigen overste gekozen had en bepaalde den dag waarop deze, volgens het gebruik, zou ingehaald en ingewijd worden. De monniken echter weigerden Willem te erkennen wegens de smet die op zijne geboorte kleefde. De Bisschop, van zijn kant, betoogde, om de kloosterlingen tot andere gedachten te brengen, dat ieder wettig was, dien het hoofd der Kerk, de paus zelf, tot die waardigheid aangewezen had. Op den bepaalden dag voerde hij Willem onder een aanzienlijk geleide naar Sint-Truiden en eischte op dringenden toon dat de kloosterlingen hun nieuwen overste in een feestelijken optocht zouden inhalen. Zij volhardden nochtans in hun weigering en weerstand. Hierop vatte de prelaat een stok1, en dwong hen allen hunne alben aan te trekken om den nieuwen abt in plechtigen stoet naar het klooster te brengen. Dit geschiedde dan ook en de inwijding volgde.
De monniken moesten weldra erkennen dat zij in Willem een alleszins waardig hoofd bezaten, een schranderen bestuurder, die het tijdelijke zoowel als het geestelijke met de uiterste zorg behartigde. ‘Deze abt’, zegt de kroniek, ‘was een man van buitengemeene godsvruchtigheid, vol ijver voor den godsdienst, nederig, voorzichtig, minzaam in zijne betrekkingen met geestelijken en leeken, inschikkelijk tegenover de kloosterbroeders en dienstboden, een hartstochtelijk beminnaar en beoefenaar der H. Schrift, bedreven in het canoniek recht en vaardig in de dichtkunst. Onder zijn bestuur leed de abdij, wat het tijdelijke betreft, geen de minste schade. Willem had een achtbaren gastmeester, die op gepaste tijden over de markt der stad wandelde, de deftige vreemdelingen, welke in de plaatselijke herbergen verbeidden, aansprak en ze tot de tafel zijns meesters, den heer abt, uitnoodigde, waar zij minzaam en gulhartig onthaald werden en vaak de genoten herbergzaamheid rijkelijk vergoedden2’.
De kroniek stipt verder3 een paar feiten van zijn bestuur aan, die wij met stilzwijgen voorbijgaan, daar zij voor onze studie geen belang opleveren, en vermeldt tevens, onder het jaar 12914 dat er in de abdij, ten tijde van Willem, onder de monniken en heeren zich verscheidene aanzienlijke en gelet-
terde mannen bevonden bedreven in het Dietsch, het Fransch en het Latijn.
Eindelijk vernemen wij nog uit dezelfde bron dat Willem, na gedurende twintig jaren zijn klooster bestuurd te hebben, allervroomst - inter devotos devotior -, gestorven is den achttienden der kalenden van Mei, dus den 14en April 1297, en in den middelbeuk der abdijkerk begraven werd1.
Zoo hij, als E. Van Even beweert, omstreeks 1210 geboren werd, dan heeft hij den hoogen ouderdom van ongeveer 87 jaren bereikt.
Om alle verwarring te voorkomen, wijzen wij er hier dadelijk op dat Willem, die als abt gewoonlijk eenvoudig Wilhelmus Secundus genoemd wordt (er was vroeger reeds een andere abt Willem geweest, namelijk Wilhelmus de Ryckel 1248-1272 o. s.), twee namen gedragen heeft. Nu eens heet hij Wilhelmus de Mechlinia, Willem van Mechelen, naar zijne geboorteplaats, dan weer Guilielmus Affligeniensis of Guilielmus de Affligenio (sic), Willem van Afflighem, naar de abdij waar hij eerst verbleef. Dat met beide namen stellig dezelfde persoon bedoeld wordt, leert ons reeds de kroniek zelve, waar wij (t. I.) op de lijst der abten onder nommer 42 aantreffen: ‘Wilhelmus de Mechlinia, abbas, obiit 14 Aprilis 1297’. Verder, aan het hoofd zijner Vita venerabilis Beatricis quondam priorisse de Nazareth, in handschrift ter Koninklijke Bibliotheek te Brussel berustende2, leest men vóór het opschrift van den proloog: ‘Hanc vitam conscripsit dominus Wilhelmus de mechlinia, monachus haffligensis, quondam prior in wavria, post abbas sancti trudonis.’ Wij denken dat deze laatste naam, Willem van Afflighem, hem bij voorkeur gegeven werd na zijne aanstelling als abt te Sint-Truiden. Hij herinnerde immers aan de abdij, waar hij het eerste deel van zijn monniksleven op eervolle wijze had doorgebracht en wierp in zekere mate een sluier over het netelige punt zijner onwettige afkomst, die den monniken van Sint-Truiden in den beginne tot aanstoot geweest was.
Spreekt de aangehaalde kroniek van Willem van Afflighem als van een man van grondige wetenschap en uitgebreide belezenheid, vir magne literature, noemt zij hem uitdrukkelijk bedreven in de verskunst, bonus metricus, zijne letterkundige nalatenschap gaat zij nochtans met stilzwijgen voorbij. Doch een tijdgenoot en een nakomeling hebben dit verzuim gedeeltelijk goedgemaakt.
Die tijdgenoot is de vermaarde Hendrik Goethals (1217-1293), meer en beter bekend onder zijn latijnschen naam Henricus Gandavensis of Henricus de Gandavo en zijn bijnaam Doctor Solemnis. In zijn werk De Viris Illustribus3 zegt hij van onzen Willem: ‘Wilhelmus, Monachus Affligeniensis et ibidem aliquando Prior, vitam Dominae Lutgardis, a Fratre Thoma Latine scriptam convertit in theutonicum Rithmice, duobus sibi semper Rithmis consonantibus. Dictavit etiam Latine quandam materiam satis eleganter, de quadam moniali Cisterciensis ordinis, quae theutonice multa satis mirabilia scripserat de seipsa.’
Hieruit leeren wij dus twee zijner werken kennen: zijne berijmde dietsche vertaling van Cantimpré's Vita Lutgardis en eene latijnsche van het dietsche geschrift eener Cisterciënsernon.
De nakomeling is de abt van Sponheim, Jan van Trittenheim (1462-1516), gewoonlijk Johannes Trithemius genoemd, die in zijn werk1 De Scriptoribus Ecclesiasticis, in 1494 opgesteld, Willem van Afflighem als geleerde, als prozaschrijver en als dichter roemt, en drie werken van hem vermeldt: een bundel Sermoenen, de Visioenen van zekere non en het Leven van Sinte Lutgart. De hier vermelde Visioenen zijn die van Beatrix van Tienen, priorin van Nazareth (bij Lier), de Cisterciënsernon ook door Hendrik Goethals vermeld. Den titel der overige werken van Willem van Afflighem had Trithemius, naar eigen getuigenis, niet weten op te sporen.
Van Willem van Afflighem's letterkundige nalatenschap kennen wij dus slechts: 1o een bundel Sermoenen, thans verloren of zoek geraakt; 2o zijne latijnsche vertaling der Visioenen van Beatrix van Tienen, in handschrift ter Koninklijke Bibliotheek te Brussel, doch reeds in de zeventiende eeuw uitgegeven door J. Ch. Henriquez in zijn werk: Quinque prudentes Virgines, Antw. 1630 en onlangs in 't Fransch vertaald door H. Nimal in zijn: Fleurs Cisterciennes en Belgique, Béatrice de Nazareth, pp. 97-142; 3o zijn berijmde dietsche vertaling van Cantimprè's Vita Lutgardis. Deze is tot nu toe slechts bij name, uit het door Goethals en Trittenheim medegedeelde, bekend. Al wat men er met stelligheid van kan beweren, is dat dit gedicht vóór 1280 moet opgesteld zijn, daar Hendrik Goethals de lijst der schrijvers, scriptorum Ecclesiasticorum series, waarop het voorkomt, op dat jaar 1280 afbreekt2.
Veel minder weten wij van den opsteller van het Leven van Sinte Lutgardis in 1840 door wijlen professor Johannes Bormans in hetzelfde handschrift als het Leven van Sinte Christina terug gevonden. De achtbare geleerde besprak dit gedicht eerst in den Middelaer1 en later in de Inleiding tot zijne Christina de Wonderbare2, en gaf het met eene beknopte voorrede in de Dietsche Warande uit3. Daar het eerste der drie boeken, waaruit het bestaat, erg verminkt is en het begin er van te eenen male ontbreekt, weet men niet stellig wie er de schrijver van is.
Doch de opsteller van Sinte Christina noemt zich (vs. 65):
Hieruit en uit enkele andere verzen, alsmede uit eigenaardigheden van taal en handschrift meende de uitgever te mogen afleiden dat deze Franciskanermonnik wellicht de biechtvader was van het Sinte Katharina-klooster te Mielen, bij Sint-Truiden, voor welk klooster hij zijn werk schreef, God biddende (vs. 61-62)
Verder dacht de uitgever ook dat de opsteller der in hetzelfde handschrift voorkomende Sinte Lutgardis dezelfde Broeder Geraert was. Alhoewel dit zeer waarschijnlijk is en weinig er tegen kan ingebracht worden, is het toch niet boven allen twijfel verheven; het is slechts eene gissing. Ook de tijd van het opstellen van het gedicht is niet met zekerheid te bepalen; volgens den uitgever klimt dit werk op tot het einde der veertiende of het begin der vijftiende eeuw.
Nemen wij de zienswijze van J. Bormans aan, dan hebben wij in den schrijver van het gedicht een man, die in de streek leefde waar Sinte Lutgart geboren werd en hare vier en twintig eerste levensjaren had doorgebracht, en die in de eene of andere hoedanigheid verbonden was aan het klooster, waar zij den sluier aangenomen had.
Bij den eersten oogopslag ligt hier iets in dat bevreemdt. Immers dat Willem van Afflighem bij zijn vertrek uit Waver naar Sint-Truiden zijne Sinte
Lutgart zal medegenomen hebben, zoo zij reeds voltooid was, of te Sint-Truiden zelf onmiddellijk na zijne aankomst zal afgewerkt hebben, is een punt dat niet in twijfel kan worden getrokken, vooral blijkens Hendrik Goethals' mededeelingen. Vervolgens, dat zijn gedicht in de streek, waar Sinte Lutgart geboren was en hare jeugd had doorgebracht moest bekend zijn en blijven, vooral aan kloosterlingen en allermeest aan Benedictijner kloosterlingen, is een ander punt dat men ons gereedelijk zal toegeven. Hoe is het dan te verklaren dat in of bij hetzelfde Sint-Truiden ongeveer anderhalve eeuw na Willem van Afflighem's verscheiden een ander kloosterling met een ander Leven van Sinte Lutgart optreedt?
Indien de proloog van het eerste boek van Broeder Geraert's gedicht ware behouden gebleven, dan zouden wij er wellicht de oplossing der vraag in gevonden hebben; daar immers hebben de middeleeuwsche schrijvers de gewoonte om van zichzelf te spreken en de redenen, welke hen tot het opvatten van hun arbeid hebben geleid, mede te deelen. Maar die proloog ontbreekt en langs deze zijde is het raadsel dus niet op te lossen. Veel gissingen zijn hier mogelijk; wij onthouden er ons liefst van, des te liever, daar de zaak ons niet buitengemeen verwondert: wel meer is eene zelfde stof, in alle letterkunden, meer dan eens behandeld, en de jongere Lutgart-litteratuur zelf, die wij hooger, in nota, opgaven, noopt ons over dit verschijnsel ons niet te verbazen; sedert Broeckaert in 1874 zijn werkje over Sinte Lutgart in 't licht zond, is er wel een half dozijn dergelijke Levens van de Heilige gedrukt.
Over de letter- en taalkundige waarde van Broeder Geraert's gedicht meenen wij niet te moeten uitweiden. Sedert omstreeks een halve eeuw heeft het zijne plaats, een bescheiden plaatsje, in de geschiedenis onzer taal en letterkunde ingenomen en wij zouden gedwongen zijn te herhalen wat anderen er reeds vóór ons over gezegd hebben. Doch welke de verhouding is van Broeder Geraert's werk tot Cantimpré's Vita Lutgardis, wenschen wij wat omstandiger te bespreken, wanneer wij hetzelfde doen voor het thans uitgegeven Leven van Sinte Lutgart.
Vatten wij nu beknopt samen wat wij tot hiertoe over de dietsche vertalingen van Cantimpré's Vita Lutgardis gezegd hebben, dan behoeven wij slechts te vermelden het nog niet teruggevonden gedicht van Willem van Afflighem en een ander, behouden doch deerlijk verminkt, toegeschreven aan Broeder Geraert.
Omtrent het laatste is men het echter niet eens; veel gissingen zijn aangaande het gedicht, dat voor Broeder Geraert's werk doorgaat, in omloop en enkele personen denken in dit werk het vroegere gedicht van Willem van Afflighem, hetzij gewijzigd, hetzij ongewijzigd te mogen zien. Gaan wij thans na of de hier uitgegeven Sinte Lutgart den nevel kan verdrijven, die het vraagstuk omsluiert. Wij zijn evenwel verplicht, eer wij daartoe overgaan, de zaak wat hooger op te halen.
Op den catalogus der handschriften, ter Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen berustende, komt onder de rubriek Letterkunde de volgende aanteekening voor: Ny kongelige Samling, 4o, Nr. 168. Poema idiomate Belgico de vita Sanctae Lutgardis, Lib. II et III. Codex membran. c. 3 picturis.
Dit is het handschrift van het gedicht dat wij thans uitgeven. Wij troffen het er met verrassing in September 1897 aan, tijdens nasporingen welke wij op gemelde bibliotheek naar dietsche handschriften deden. Door de vriendelijke bemiddeling van den heer A. Delmer, bibliothecaris der Luiksche hoogeschool, en de bereidwillige toestemming van den bestuurder der Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen, den heer Christian Bruun, werden wij in de gelegenheid gesteld den codex te Luik te mogen gebruiken. Laat ons er eerst eene omstandige en nauwkeurige beschrijving van geven.
De zooeven genoemde heer Bruun heeft, van 1876 tot 1890, bij zijn jaarlijksch verslag over den toestand der boekerij eene verhandeling gevoegd over de handschriften met miniaturen, welke zij bevat. Men vindt er de volgende schets van ons handschrift, welke wij getracht hebben, voor zoover het mogelijk was, woordelijk te vertalen1:
Gedicht op de heilige Lutgardis in het Hollandsch, XIVde eeuw. Nieuwe Koninklijke verzameling, 4o, Nr. 168.
‘Het exemplaar van dit gedicht, dat zich in de groote koninklijke bibliotheek bevindt, bevat slechts het tweede en derde boek; het is zeer net geschreven. Het handschrift telt 356 bladen, die 19 centimeter hoog en 13 centimeter breed zijn. Men vindt in dit boek drie miniaturen, welke 0,125 m. hoog, 0,081 m. breed zijn. Het eerste blad 1 b stelt eenen monnik voor in een zwart ordegewaad, staande in een gothisch portaal; in de eene hand houdt hij eene strook perkament, doch zonder schrift er op. Op blad 254 b ziet men Lutgardis op haar sterfbed († 1246), omringd van treurende nonnen; twee dezer houden de Heilige Schrift voor haar. De gewaden zijn alle donkergrauw, de keuvels
zwart, hoofd en hals zijn met wit linnen omsluierd; Lutgardis heeft hare heiligenglorie. Op blad 255 a ziet men Lutgardis in den hemel; zij vertoont zich in een vensterraam, waarvan de luiken door twee engelen opengehouden worden, en plaatst eene kroon op (het hoofd van) een knielenden monnik, die biddend de handen naar haar opheft. Deze twee afbeeldingen zijn ook van een portaal in gothisch-romaanschen stijl omgeven. De afbeeldingen zijn alle (drie) op goudgrond geschilderd. De behandeling der aangezichten wijst op duidelijke navolging der Fransche kunst. Verrassend is de breedte der wangen en de rondte der kin. Initialen in gewonen stijl, in blauwe en roode kleur, versieren het boek.’
Volledigheidshalve voegen wij aan deze schets eenige trekken toe.
Miniaturen. - De monnik, welke op de eerste en de derde miniatuur voorkomt, stelt, meenen wij, den schrijver van het dietsche gedicht voor. De titel van zijn werk moest op de strook perkament, die hij in de hand houdt, staan, doch is uitgebleven. Kleed en kap van den monnik zijn geheel zwart, dus die der orde van Sint Benedictus. Zijne kruin is geschoren; slechts een randje haar is boven het voorhoofd behouden. Op de eerste miniatuur schijnt ook een randje baard het benedendeel der rechter wang, die alleen zichtbaar is, te omringen; doch op de derde, waar wij de linker wang te zien krijgen, is dit het geval niet. De monnik der eerste miniatuur ziet er nog jong en jeugdig uit, met blozende wang, met iets goedigs, iets zachtzinnigs en tevens statigs op het gelaat. Op de derde miniatuur is het aangezicht wat dikker, wat voller en heeft het een andere uitdrukking, namelijk die van iemand die bidt, die in zich zelf gekeerd is. De engelen, die de luiken voor Sinte Lutgart open houden, zijn in 't blauw; blauw is hier ook de glorie, die haar hoofd omringt.
De tweede miniatuur, Sinte Lutgart op haar sterfbed, is een echt lief tafereeltje. De Heilige rust op haar ledekant met open oogen (III, hoofdstuk 18, vs. 3959 vlgg.) en gevouwen handen, den glans en glimlach der gelukzaligheid op het gelaat, dat de kunstenaar ons vrij jeugdig voorstelt; een roode glorie omringt haar hoofd en naast haar linker arm bevindt zich de kroon der gelukzaligen. Achter de legerstede staan twee rijen kloosterzusters elke van vier, zich op hare beurt rechts en links in twee groepen, ook elk van vier, afscheidende. Verrassend is hier de afwisseling in de uitdrukking en de gelaatstrekken: dat der abdis, met haren staf, is plechtig en statig; dat der zuster naast haar ingetrokken en weemoedig; de volgende, die een kruisstaf in de linker hand houdt, is vooral ernstig en de laatste non der voorste rij schijnt eerder nieuwsgierig. De vier nonnen der tweede rij staan grootendeels verborgen achter die der eerste; van twee krijgen wij slechts de oogen te zien; haar blik drukt verbazing en schrik uit; van de twee laatste ontwaren wij slechts voorhoofd en keuvel. De linker groep is van de rechter gescheiden door de H. Schrift, die de twee middelste zusters voor de stervende open houden. Wat hooger, in 't midden, tusschen de bogen, bespeurt men het satersgezicht van den boozen geest.
Inrichting, formaat en schrift. - Het handschrift bestaat uit
katernen van twaalf bladen die elk gewoonlijk, niet altijd, hun nommer in romeinsche cijfers aan den voet der eerste en der laatste bladzijde dragen. De een en twintig eerste bevatten den tekst van het tweede boek plus de inhoudsopgave en den proloog van het derde, tot en met fo. 257. De acht volgende, afzonderlijk genommerd, bevatten het derde boek, tot en met fo. 355. Katern VIII, de laatste dezer reeks, telt, bij uitzondering, veertien bladen. Daarbij komen afzonderlijk de drie eerste bladen, ff. 1, 2, 3, met de eerste miniatuur en de inhoudstafel van het tweede boek, de twee met de andere miniaturen, ff. 254 en 255, en het laatste blad, f. 356. F. 1 en f. 356 dienden aanvankelijk als schutblad; thans is het handschrift ingebonden.
Zooals de Kopenhaagsche catalogus kortelijk vermeldt, vormt het werk een perkamenten kwartijn van 356 bladen of 712 bladzijden. Aan de randen van nagenoeg al de beschreven bladen ziet men, even als op het Luiksche handschrift van het Leven van Jezus, de gaatjes die gediend hebben om de lijnen te trekken en deze lijnen komen ook op de meeste bladzijden naast en onder het schrift nog te voorschijn.
Behalve dat het nu en dan niet licht valt de c en t1, de n en u van elkaar te onderscheiden, is alles sierlijk en duidelijk, in een fraaie, regelmatige hand, met de rechtstaande gothische letter van het einde der dertiende of de eerste helft der veertiende eeuw geschreven; de twee inhoudstafels alleen-zijn in het loopend schrift dier dagen. De bladen zijn aan weerszijden beschreven.
Wellicht is het handschrift niet het werk van een enkelen kopiist. De twaalf bladen van de eerste katern (ff. 4-15) kunnen van een andere hand zijn dan de volgende; de inkt is hier en daar bleeker, het schrift grooter, wat hoekiger, wat stijver en, vergeleken met het overige, biedt het eenig, alhoewel gering, verschil aan in de hoofdletters en enkele kleine letters. Doch van fol. 16 ro. tot het einde toe is het handschrift blijkbaar van eene en dezelfde hand. Bij het slot schijnt het een weinigje minder verzorgd of heeft het wat meer geleden. Dit voor zooverre den tekst betreft. Immers de opschriften der hoofdstukken, de woorden dander boech, derde boech aan 't hoofd der bladzijden, evenals de initialen en hare versiersels zijn het werk van iemand anders; vandaar de zonderlinge, het geheele handschrift door voorkomende vorm boech; van daar ook bijzondere vormen van andere woorden en zelfs opmerkelijke vergissingen in de titels der hoofdstukken. Voor deze titels was zekere ruimte open gelaten en zij werden, eerst na het afschrijven van den berijmden tekst, met rooden inkt aangevuld. Soms was de opengelaten ruimte wat te groot en dan nam onze rubricator zijne toevlucht tot streepjes en krulletjes om de neerhalen van enkele letters gescheiden en toch verbonden te houden en de overtollige ruimte aldus te beslaan. Hoogst waarschijnlijk is hij ook de afschrijver der twee inhoudsopgaven. De man komt ons voor als meer bedreven in zijn eigen kunstvak
dan in het Dietsch; wellicht was hij een vreemdeling, een Duitscher of iemand uit het oostelijk gedeelte van Limburg.
De bladzijden tellen van f. 4 vo. tot f. 15 vo. slechts 24 versregels (f. 4 ro. heeft er, bij uitzondering, maar 23), van daar af tot het einde toe 30. Deze getallen echter worden nu en dan geringer tengevolge van de groote initialen en de titels der hoofdstukken. Zij zijn verder ook soms gewijzigd door het uitschrappen of toevoegen van enkele verzen.
Zooals uit het voorafgaande licht op te maken is, heeft elk hoofdstuk zijn opschrift in roode letters en begint met een grootere of kleinere rood en blauw gekleurde initiaal, die op hare beurt van roode en blauwe kronkels en versieringen voorzien is. Elk vers vangt met een zwarte hoofdletter aan, die steeds een weinig van den regel is verwijderd. Aan het hoofd der bladen van het tweede boek leest men in roode letters verso dander en recto boech, aan het hoofd van die van 't derde derde boech. Bij den aanvang of in de nabijheid van den aanvang van elk hoofdstuk komt in margine het nommer van dit hoofdstuk in roode romeinsche cijfers voor.
Wat eindelijk de beide inhoudsopgaven betreft, deze zijn, zooals reeds aangestipt, in loopend schrift en de titel van elk hoofdstuk begint er met eene beurtelings roode of blauwe hoofdletter.
Glossen. - Op enkele bladzijden komen, in margine, Latijnsche of Nederlandsche glossen en aanteekeningen voor. Deze zijn vijf en twintig in getal. Achttien zijn van de hand van den afschrijver van het handschrift en deelen den Latijnschen tekst mede, hetzij van Cantimpré, hetzij van de Heilige Schrift of de gewijde schrijvers, waarop de verzen, waarbij zij staan, betrekking hebben. De zeven overige, in loopend schrift van eene latere hand, bevatten, in het Dietsch, overwegingen of ophelderingen van een lezer of bezitter van het handschrift aangaande de plaatsen waarbij zij gevoegd zijn. Wij deelen alle de glossen aan den voet der bladzijden mede.
Verbeteringen en wijzigingen. - Verbeteringen, doorhalingen, uitkrassingen of wijzigingen komen in het handschrift slechts in gering getal voor, wat op eene wel verzorgde kopie, althans uit een calligraphisch oogpunt, wijst. De belangrijkste laten zich samenvatten als volgt.
Overgeslagen verzen worden aangegeven: 1o in margine, soms ter zijde van de plaats waar zij moeten ingelascht worden (ff. 153 ro., 214 vo., 221 ro., 247 vo., enz.); een + ofwel ” staat dan, en waar het toegevoegde vers of de toegevoegde verzen moeten komen, en voor het vers of die verzen zelf; 2o aan den voet der bladzijde (ff. 127 vo., 167 vo., 220 ro., enz.); in dit geval zijn de toe te voegen verzen voorafgegaan van a en het vers waarvóór zij moeten komen, voorafgegaan van b; of wel, a bevindt zich vóór het vers waarna de inlassching moet geschieden en b bij de in te lasschen verzen.
Moet een vers vóór een ander komen, dan wordt de ware volgorde door a en b aangewezen (ff. 101 ro., 144 vo., 204 vo., 355 ro., enz.).
Een overgeslagen woord wordt in margine aangegeven met een soort van haakje v er vóór en een ander haakje op de plaats waar het in te voegen is (f. 124 vo. om); ook dient ” weleens in dit geval (f. 126 ro. dat; f. 180 vo. dijn
paradijse). Het overgeslagen woord komt soms ook boven zijne plaats, tusschen de regels, met een soort van komma onderaan (f. 81 ro. tin tiden dat die, dinc also).
Eene overgeslagen letter wordt boven het woord geplaatst met een soort van komma onderaan, tusschen de letters waar zij moet ingelascht worden (vervull,et, f. 124 ro.).
Moet een woord na een ander gelezen worden, dan heeft men || vóór beide woorden: (f. 51 ro. || noch || al; f. 274 vo. al||den||dor pant).
Woorden aaneengeschreven, doch die afgescheiden moeten worden, hebben ter plaatse waar dit noodig is, een schuinsch streepje of komma boven en onder de lijn.
Vergissingen of woorden die moeten wegvallen zijn doorgeschrapt (ff. 42 vo., 49 ro., enz.). Soms is het woord doorgehaald en tevens voorzien van puntjes onder elke letter (f. 174 vo.). Soms heeft men alleen de puntjes onder elke letter (ff. 50 ro., 99 vo., enz.). Voor de wijzigingen van een latere hand, vaak nutteloos, vaak vergissingen b.v. II, 7052 g(e)noch; 7090 marti(li)re, 7096 ontploc(ken), zie verder in den tekst.
Eene enkele letter, die moet wegvallen, heeft een puntje onderaan.
Afkortingen. - De afkortingen behooren tot de gewone der dertiende en veertiende eeuw.
| 1o. Woorden niet voluit geschreven of door enkele letters voorgesteld: |
| ih'c = ihesus, meest afgekort, soms voluit; |
| xp'c = kerst, kerste, christus, slechts een paar maal voluit, kerst, kerste; |
| ap', apl's, = apostolus (in de glossen); |
| Eẘ = ewangelium, ewangelie (in de glossen); |
| Sap̂. = Sapiens (in de glossen); |
| p' = pri: p'oraet; p'se (prise); |
| p̳ = pro, p̳pheciën; p̳ces (III, 5389); |
| q' = que (glosse II, vs. 6861). |
| 2o. Afkortingsteekens: |
Het meest en vaak voorkomende is -, dat ook de vormen
,
,
vertoont en niet alleen bovenaan, maar
ook soms naast, ter zijde gteplaatst is.
Het vervangt:
| n: comē, vā, harē, wāt, stōt, mōt, ī, ōtploec, begōnen, gewīnen, enz.; |
| m: ōme, ēmere, quā, hē, cōmer; eā, quidā, enz.; |
| en: com̄, vrom̄; |
| de: en̄ = ende. |
Dan hebben wij nog ', een soort van accent, nagenoeg het bovenste lid van het huidige vraagteeken; het staat voor er, of bij Latijnsche woorden voor us.
De andere, niet zeer talrijk en zich tot de gewone bepalende, vindt men onder 1o.
Leesteekens. - Ons handschrift kent er slechts weinig; men vindt er zelden aan het einde der verzen. Eene punt vervangt onze komma of kommapunt en duidt een korte rust aan. Een langere rust wordt door eene soort van kommapunt aangewezen. Hetzelfde teeken omgekeerd, met het benedenste deel naar boven, dat aldus min of meer het voorkomen van ons vraagteeken aan-
neemt, komt nu en dan als echt vraagteeken voor, doch ook in plaats van de punt en de dubbele punt, zelfs wel eens van de komma. Soms gebeurt ook dat het bovenste gedeelte van dit teeken verdubbeld is; gewoonlijk geldt het dan voor het vraagteeken.
Op vaste wijze worden deze leesteekens niet aangewend; het tweede en het derde inzonderheid wisselen vaak met elkaar af. Bevreemden kan zulks ons niet; men weet immers dat in de handschriften der dertiende en der veertiende eeuw de punctuatie sterk verwaarloosd werd.
Ouderdom en Geschiedenis. - De ouderdom van ons handschrift kan niet met voldoende zekerheid bepaald worden: niets doet eenige vingerwijzing aan de hand om den tijd van het afschrijven nauwkeurig aan te duiden, en op het schrift af alleen is het heel moeilijk den ouderdom van een handschrift vast te stellen. De catalogus der Kopenhaagsche Bibliotheek brengt het tot de veertiende eeuw terug. Na het vergeleken te hebben met de facsimile's, welke voorkomen bij A. Chassant1, M. Prou2, N. De Wailly3, in het Recueil des Fac-Similés à l'usage de l'Ecole des Chartes en in J. ten Brink's Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, kwam ik tot de overtuiging dat het tot de tweede helft der dertiende eeuw moest opklimmen. Na een verdere vergelijking met een honderdtal handschriften uit de dertiende en veertiende eeuw, op de bibliotheek der Luiksche hoogeschool berustende, ontstond dienaangaande twijfel bij mij: het handschrift kan ook wel tot het begin der veertiende eeuw behooren. Om de zaak verder na te gaan zou men o.a. moeten weten waar het afgeschreven werd en dit weten wij niet. Daar onze uitgave van facsimile's voorzien is, laten wij aan den lezer de oplossing der vraag over. Naar mijne meening dagteekent het handschrift uit de laatste jaren der dertiende of de allereerste der veertiende eeuw.
Wie onze afschrijver (of afschrijfster?) was, is ook te eenen male onbekend. Doch alhoewel wij hem niet kennen, mogen wij hem noch onze bewondering noch onzen lof onthouden: het handschrift is het werk van een echt kunstenaar in zijn vak, van een wezenlijk talent in het schoonschrijven.
Van de lotgevallen van onzen kwartijn weten wij zeer weinig. Folio 1 recto leest men in schrift der vijftiende eeuw: dit boec hoert den brueders van den roeden cloestere toe, te sente pauwels in zonien. Het handschrift is dus eens het eigendom geweest der vermaarde priorij Roode-Klooster, in Soniënbosch, op het grondgebied der gemeente Auderghem, bij Brussel4. Of men uit deze aanteekening ook mag opmaken dat de priorij slechts dezen codex en niet tevens dien van het eerste boek zou bezeten hebben, durven wij niet beweren. Evenwel, het is mogelijk. Op een lijstje van dietsche werken in deze priorij gedurende de veertiende eeuw bewaard, is ons handschrift niet vermeld5; ook niet op de
lijst medegedeeld door K. van Swygenhoven1, en noch Sanderus2, noch Valerius Andreas hebben iets over de boekerij van het Roode-Klooster medegedeeld. Evenmin vindt men er sporen van in eene opgave van boeken die het Roode-Klooster omstreeks het midden der zestiende eeuw bezat. Deze opgave komt voor in een soort van register dat thans ter K.K. Bibliotheek te Weenen berust. Uit eene aanteekening aldaar schijnt slechts te blijken dat destijds ook het klooster te Groenendael, of een ander wiens Latijnsche naam met V aanvangt, een afschrift van Willem van Afflighem's werk bezat3.
Wanneer is het gedicht uit het Roode-Klooster verdwenen? Wij vermoeden tijdens de beroerten der zestiende eeuw. Hoe en wanneer is het naar de Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen overgegaan? ‘Van de herkomst van dit handschrift weet ik niets’, berichtte ons in 1897 de bestuurder der Bibliotheek, de heer C. Bruun; ‘al wat ik met zekerheid kan betuigen’, voegde hij er bij, ‘is dat het sedert zeventig jaren ter Koninklijke Bibliotheek alhier berust’. Wij denken dat het eens op eene veiling geweest is; immers folio 1 recto, onder de aangehaalde aanteekening, is een strookje papier, met nommer 25 er op, geplakt.
| Inhoud. - Wat den inhoud betreft, deze is, beknopt samengevat, in volgorde: |
| F. 1 recto: Onbeschreven. Eene aanteekening van eene latere hand. |
| F. 1 verso: Miniatuur. |
| F. 2 recto - f. 3 recto: Inhoudstafel van ‘dander partie’. |
| F. 3 verso: Onbeschreven. |
| F. 4 recto - f. 252 recto: ‘Dander partie’ van het leven van Sinte Lutgart, vervat in 43 hoofdstukken met 14,544 verzen. |
| F. 252 verso - f. 253 recto: Inhoudstafel van ‘der derder partien.’ |
| F. 253 verso: Onbeschreven. |
| F. 254 recto: Onbeschreven. |
| F. 254 verso: Miniatuur. |
| F. 255 recto: Miniatuur. |
| F. 255 verso: Onbeschreven. |
| F. 256 recto - f. 355 verso: ‘Die derde partie’, met proloog en epiloog, vervat in 28 hoofdstukken met 5,862 verzen. |
| F. 356 recto: Onbeschreven. |
| F. 356 verso: Onbeschreven. Eene aanteekening. |
Een ieder zal het met ons diep betreuren dat het teruggevonden gedicht niet volledig is, dat de eerste ‘partie’ er aan ontbreekt. Dit gemis gevoelen wij des te levendiger, daar wij waarschijnlijk in den proloog van die ‘partie’ enkele bijzonderheden hadden gevonden nopens het ontstaan van het werk en den schrijver zelven, en wij alsdan zekerheid aangaande eenige punten hadden bekomen, waar wij ons thans met gissing of waarschijnlijkheid moeten tevreden stellen.
Het eerste dier punten betreft den tijd der samenstelling van het gedicht. Is deze met zekerheid te bepalen?
Vooreerst komt hierbij in aanmerking de aanteekening, welke men f. 356 verso vindt. Zij is van dezelfde hand en met denzelfden inkt geschreven als de tekst van het handschrift en dus, meenen wij, van den kopiist.
..... Lutgardis XVI kl.' Julii. Et sunt elapsi anni XXVIII. Vóór Lutgardis is een woordje uitgesleten en onleesbaar geworden; enkele stipjes alleen zijn er van overgebleven. Welk was dit woordje? Na de ruimte afgemeten en de stipjes onderzocht en berekend te hebben, denken wij dat het Obiit was. Hiermede krijgen wij een volledigen zin en eene kostbare opheldering. Lutgart stierf den zestienden der kalenden van Juli en sinds zijn 28 jaren verloopen. Daar nu Sinte Lutgart den 16 Juni 1246 overleed, bekomen wij hier het jaar 1274, dat wel het jaar der voltooiing van het gedicht kan geweest zijn. Wij veronderstellen althans dat de aangehaalde zin zich ook in het origineel bevond; anders zouden die woorden op het afschrijven toe te passen zijn en zou ons handschrift van 1274 dagteekenen.
Raadplegen wij thans het gedicht zelf. Hier en daar hebben wij er uitdrukkingen en wendingen, berichten of mededeelingen, soms ook historische feiten, welke ons eene vingerwijzing verstrekken om den tijd van het samenstellen er van bij benadering te bepalen. Wij bedoelen natuurlijk slechts die, welke bij Cantimpré niet voorkomen, die welke dus den dietschen dichter enkel en alleen eigen zijn. Want alhoewel onze schrijver de volgorde van zijn origineel in acht neemt, gaat hij bij zijne paraphrase geenszins slaafsch te werk; steeds volgt hij zijn eigen weg, op eigenaardige wijze verhalende en aan het verhaal vaak bijzonderheden toevoegende.
Sinte Lutgart, zijne geestelijke moeder, heeft onze dichter met eigen oogen niet beschouwd; hij betreurt het diep1:
Doch, heeft hij Sinte Lutgart zelve niet gekend, hij is in betrekking ge-
weest met allerlei personen, die in hare dagen leefden, haar gekend en hem van haar gesproken hebben. Ook vele feiten door Cantimpré in zijne Vita Lutgardis medegedeeld, heeft hij zelf van ooggetuigen vernomen. Dus, van Thimere sprekende, zegt hij1:
En wat verder2:
In zijn tijd spreekt men nog van Sybilie van Gages, die steeds Sinte Lutgart's trouwe verpleegster geweest was3:
Later vernemen wij hoe Sinte Lutgart ‘sekeren elijt troestte te varne dar hi abt gekoren was’4:
De Iotgevallen van den kordelier, den broeder van Beatrix van Dendermonde, wier buitengewone deugd onze dichter had hooren prijzen5
heeft hij uit haar eigen mond vernomen; zij leefde dus nog in zijn tijd6:
Ook7:
En8:
Kort na Sinte Lutgart's dood zag Izabel, eene zuster van Aywières, haar in een visioen; hiervan betuigt onze schrijver9:
Bij het einde van hetzelfde hoofdstuk roept hij, nopens Machtelt's verscheiden, de getuigenis in van kloosterzusters, die reeds destijds te Aywières waren10:
Enkele regels verder zegt hij nogmaals aangaande dit wonder1:
Ook de sterfte, die kort na Sinte Lutgart's dood onder de nonnen te Aywières plaats had, heeft hij niet alleen bij Cantimpré verhaald gevonden; hij heeft zelf de ramp van eene tijdgenoote vernomen2:
Sinte Lutgart had deze ‘wrake’ voorspeld, en in het verhaal dezer voorspelling zegt onze dichter ook3:
Uit de aangehaalde plaatsen meenen wij gerust te mogen afleiden dat de schrijver van ons gedicht niet heel lang na het verscheiden der Heilige de pen te harer eer zal opgevat hebben. Enkele historische feiten komen dit bevestigen en leiden tot dezelfde gevolgtrekking.
Hier hebben wij eerst de episode van het overlijden der hertogin van Brabant, Marie de France, volgens A. Wauters, in 1224 gestorven. Onze dichter beroept zich op de getuigenis van personen die de hertogin gekend hebben en nog in leven zijn4:
Sprekende van Broeder Jordan, die, volgens de Bollandisten, den 13en Februari 1237 verdronk, zegt hij5:
Eenige hoofdstukken verder hebben wij in het verhaal van den inval der Tartaren in Europa (1236-1243) de volgende verzen6:
Waaruit wij terloops mogen opmaken dat 's dichters gehoor uit ouderen en jongeren bestond, welke laatsten wellicht ten tijde van den inval der Tartaren nog niet geboren waren.
Opmerking verdient ook de plaats waar Cantimpré van zekeren vijand der H. Kerk gewaagt, die, volgens eene voorzegging van Sinte Lutgart zou vernederd worden of sterven. In de Vita Lutgardis (III, c. 4) betuigt Cantimpré
van deze voorspelling: ‘Nondum vidimus quae praedixit’. Onze dichter zegt integendeel1:
De voorzegging was dus uitgekomen. Jammer maar dat wij niet juist weten welke vijand der H. Kerk hier bedoeld wordt. De Bollandisten hebben het niet verklaard; Broeckaert2 denkt dat het niemand anders is dan Frederik II, keizer van Duitschland, die onvoorziens in 1250 stierf.
Van Beatrijs van Raevie (Rèves), die abdis van Aywières werd en volgens Tarlier en Wauters in 1263 overleed, zegt onze schrijver3:
En enkele regels verder4:
Wat later komt hij er nogmaals op terug in dezer voege5:
Uit de verzen III, 5374-6 inzonderheid meenen wij te mogen opmaken dat ons gedicht na 1263 opgesteld is, daar de schrijver van deze Beatrijs als van eene overledene gewaagt.
Andere plaatsen bevestigen dit vermoeden.
De Osanna-episode, die Cantimpré in bedekte termen verhaald had, beweert onze schrijver tot 's mans eigen ervaringen te behooren. Het is te betreuren dat wij Cantimpré's sterfjaar niet kennen; want in dit hoofdstuk6, evenals elders, waar van hem sprake is, schijnt hij hem als een afgestorvene te vermelden. Nu, als sterfjaar worden voor hem 1261 en inzonderheid 1263 aangegeven. Dat onze dichter Cantimpré zeer goed kende blijkt uit menig vers en o.a. uit dat, waar7 hij hem bij zijnen geslachtsnaam noemt.
Het belangrijkst van al is echter wat onze dichter op een paar plaatsen van Jan I, abt van Afflighem, verhaalt. Deze had Sinte Lutgart weinige dagen vóór haren dood bezocht en met haar over zaken gesproken, die hij niet mocht openbaren. Dit heeft hij zelf onzen dichter verklaard8:
Dezen abt Jan I heeft dus de schrijver van ons gedicht vertrouwelijk gekend.
Ook in het tweede boek is sprake van denzelfden abt. Hier vernemen wij9 o.a. met welk wijs beleid hij de abdij bestuurde en na twee en twintig jaren
den ‘crommen staf’ neerlegde. Onze dichter schreef dit dus na 's mans dood. Volgens-Sanderus en de Bollandisten, werd deze Jan in 1242 tot abt van Afflighem gekozen en overleed hij in 1261. Dom Bernard1 geeft als zijn sterfjaar 1262 op. Dat de duur van zijn bewind in onzen tekst met eenig gering verschil aangegeven wordt, doet weinig ter zake; wie weet of onze schrijver niet nauwkeuriger is dan Sanderus en zijne volgelingen? Wij bekomen hier het jaar 1261 of 1262, nagenoeg hetzelfde als voor Beatrijs van Raevie. Ons gedicht werd dus na dit jaar opgesteld. Doch niet heel veel later; want voor de echtheid van zijn beweren, beroept de dichter zich op de getuigenis van personen die den abt gekend hebben:
Uit al deze, vrij talrijke, bewijsplaatsen vloeit voort dat ons gedicht na de jaren 1262-1263 geschreven werd. Niet lang daarna evenwel, daar er herhaaldelijk sprake is van personen die Sinte Lutgart gekend hadden of van de verhaalde feiten en wonderen tijdgenooten geweest waren en ze aan onzen dichter hadden medegedeeld, vooral daar hij zich vaak op hunne getuigenis, als op die van nog levende personen, beroept.
Dat dit alles nog niet stellig bewijst dat het jaar 1274, dat wij bij gissing voor dat der voltooiing van het werk aannamen, het ware is, erkennen wij gereedelijk; doch dat het er sterk voor pleit, zal men ons wel willen toegeven.
Laten de zooeven aangehaalde plaatsen ons toe bij benadering den tijd van het samenstellen van ons gedicht te berekenen, ook op den persoon van den dichter zelven werpen zij zeker licht. Men zal immers wel met ons willen aannemen dat een man, die zóó innig met het wonderbare leven van Sinte Lutgart in Brabant bekend is dat hij er allerlei bijzonderheden aan toevoegt, welke in Cantimpré's Vita Lutgardis niet voorkomen, of het Latijnsche verhaal durft wijzigen5, een man die zich zoo vaak op de getuigenis beroept van lieden die de Heilige gekend en met haar in betrekking gestaan hadden, zelf in Brabant moet geleefd hebben. Dit valt nog meer in 't oog als wij eenige der besproken feiten wat nader en uit dit nieuw oogpunt beschouwen.
Het verhaal betreffende den broeder van Beatrix van Dendermonde, den kordelier die zijn klooster ontvlucht was, wordt door Cantimpré6 van den broeder eener ongenoemde kloosterzuster der Vrouwen-Perk-abdij, te Rotselaer, bij Leuven, verteld. Onze dichter wijzigt het en past het op den broeder toe eener non van het Zwijveke-klooster, bij Dendermonde, van welke non hij het voorval uit eigen mond beweert vernomen te hebben7. Hij was
dus haar vertrouweling. Is zoo iets niet eenvoudig en natuurlijk van een monnik der abdij van Afflighem? Deze abdij was immers op geringen afstand van Dendermonde gelegen en bezat zelfs een klein klooster of refuge in die stad.
Met de abdij van Afflighem is onze dichter vurig ingenomen en geene gelegenheid laat hij ontslippen om haren lof te verkondigen en te vermelden wat haar tot eer strekt. Zoo laat hij niet na bij het verhaal van den dood der hertogin van Brabant, Marie de France, te doen uitkomen dat zij in de abdij van Afflighem begraven werd, iets dat bij Cantimpré niet te vinden is1.
Een paar malen bekomen wij een echte lofrede op de abdij2, welke wij hier wegens hare lengte niet kunnen aanhalen. Dergelijke lofrede kan bezwaarlijk uit de pen gevloeid zijn van iemand, die niet tot die abdij zou behoord hebben. Op de eerst bedoelde plaats weidt Cantimpré over de abdij van Afflighem niet uit en begint zijn verhaal van het in dit hoofdstuk vermelde voorval eenvoudig met: ‘Venerabilis Joannis, Abbas Affligemiensis, cum secum quemdam virum ad piam Lutgardim duxisset ...’3. Men zal toegeven, met deze weinige, ongekunstelde woorden is men verre van het honderdtal verzen, waarmede onze dichter de abdij in 't algemeen roemt en inzonderheid de tucht die er heerscht en de herbergzaamheid die er beoefend wordt, verheft. Slechts de grondgedachte er van zou men bij Cantimpré, in een ander hoofdstuk4, kunnen weervinden. Deze schrijft immers, bij gelegenheid der Thimeer-episode: ‘In Affligemio, omnium illius ordinis ordinatissimo coenobio.’
Wat de tweede lofrede betreft, ook daarvan is bij Cantimpré niets te vinden. Bij hem komt het verhaal aangaande den ‘elijt’ midden in een hoofdstuk voor5, en vangt in dezer voege aan: ‘Simili modo cum quidam monachus Affligemii in parochiam dissolutissimam mitteretur....’. Onze dichter, integendeel, wijdt weer ongeveer honderd verzen aan den lof der abdij en doet met welbehagen uitkomen hoe van wijd en zijd monniken er toestroomen om er ‘den wech van ordenliken daden’ te leeren en hoe er sommige broeders wegens hunne deugden gekozen worden om andere kloosters en abdijen te gaan besturen.
En daarna voegt hij er nadrukkelijk bij6:
Hij spreekt dus uit eigen ondervinding. Kan wel iemand, die tot de abdij niet zou behoord hebben, zoo uit eigen ervaring spreken?
Cantimpré noemt slechts twee driemaal ter loops Abt Jan van Afflighem. Onze dichter integendeel wijst herhaaldelijk op zijn wijs bestuur der abdij en treedt hier weer in omstandige bijzonderheden7. Hij heeft over hem veel van anderen vernomen en hij heeft ook, zooals wij reeds zagen, met hem gesproken8 en van hem het verhaal van zijn laatste onderhoud met Sinte Lutgart bekomen9. Pleit ook dit niet ten gunste onzer stelling? Ligt het niet voor de hand zulke stipte opgaven aan een lid dier abdij toe te schrijven?
Weliswaar is dit alles niet met onomstootelijke bewijzen te staven, maar bij gebrek aan rechtstreeksche, afdoende bewijsgronden, moeten wij ons wel met gissingen tevreden stellen. Aangaande den schrijver van het gedicht, leert ons stellig en overtuigend de Sinte Lutgart slechts twee feiten1. Die leekebroeder van Afflighem, Willem, die Sinte Lutgart enkele dagen vóór haar verscheiden bezocht, dien Cantimpré bij name noemt2 en wiens naam Broeder Geraert in zijn werk verzwegen heeft3, is de opsteller van ons gedicht niet. Onze schrijver verhaalt dat bezoek, naar Cantimpré, als volgt4:
Van zich zelf zon, naar onze meening, onze dichter zóó niet gesproken hebben. Overigens verklaart hij op eene andere plaats5, zooals reeds is opgemerkt, dat hij Sinte Lutgart ‘met ogen noit en sach.’ Dit maakt de zaak uit.
Anderzijds is het onbetwistbaar zeker dat de dichter van ons werk een Benedictijner-monnik was; de eerste en de derde miniatuur, welke hem voorstellen, vertoonen hem ons ten duidelijkste in het zwarte kleed met zwarte kap der orde van Sint Benedictus.
Vatten wij hier ons hetoog samen, dan komen wij tot deze slotsom: de maker van ons gedicht was een Benedictijner-monnik; allerlei bijzonderheden die hij alleen mededeelt nopen er ons toe in hem een man te erkennen die in Brabant kort na Sinte Lutgart's dood geleefd, ja tot de abdij van Afflighem behoord heeft.
Gewaagd is het dus ook niet te vermoeden dat wij hier het door Henricus Gandavensis vermelde Leven van Sinte Lutgart voor ons hebben, de Sinte Lutgart van Willem van Afflighem, die deze vóór zijne aanstelling als abt te Sint-Truiden, wellicht tijdens zijn priorschap te Waver, in de nabijheid van Aywières, zal voltooid hebben.
Wij zouden onvoorwaardelijk hiertoe besluiten, indien een voornaam element, de taal zelve van het gedicht, ons niet tot omzichtigheid aanspoorde, ons niet belette in dezen een eindoordeel te vellen. Deze is immers, zooals wij naderhand zullen zien, geen zuiver Dietsch, ook geen zuiver Brabantsch. Weliswaar bevat zij talrijke bestanddeelen, die men als Brabantsch beschouwen kan; doch, afgezien aan den eenen kant van hetgeen verschrijvingen kunnen zijn, afgezien aan de andere zijde van de wisselvormen die uit het verwaarloozen van eenvormigheid van spelling voortvloeien, is die taal, in 't algemeen beschouwd, nagenoeg dezelfde als die van het Leven van Jezus6 en biedt zij ook in vele punten merkwaardige
overeenkomst aan met die der Limburgsche Sermoenen1. Zij is sterk Limburgsch gekleurd, veel sterker dan die van Broeder Geraert's Christina en Lutgardis.
Hoe dit nu met het voorafgaande in verband gebracht? Naar onze meening kan de zaak zich op de volgende wijze toegedragen hebben: Willem van Afflighem's Sinte Lutgart is tijdens zijn prelaatschap te Sint-Truiden of kort daarna aldaar door een Limburger afgeschreven geworden, die, zooals meermalen voor andere dietsche werken gebeurd is, het gedicht in zijn eigen tongval afschreef; dit zou verder het vlotte, het onvaste der spelling helpen verklaren. Dat Willem zelf, vóór 1280, de Limburgsche gouwspraak zich zou eigen gemaakt hebben, komt ons onwaarschijnlijk, zoo niet ondenkbaar voor. Of wel onze Sinte Lutgart is het werk, niet van Willem van Afflighem, maar van een anderen dichter, van een Limburger, die er zijne landgenoote mede wilde vereeren en verheerlijken. Doch hiertegen strijden de meeste der plaatsen die wij aanhaalden om den persoon des schrijvers te kenschetsen, tenzij die Limburger in Brabant geleefd hebbe.
Bij gebrek aan afdoende bewijsgronden moeten wij het wel bij dit dilemma laten; misschien zal een latere, nieuwe ontdekking het geheim komen ontsluieren en de vraag ten volle oplossen.
Bezaten wij den proloog van het geheele werk, wij zouden er waarschijnlijk de redenen leeren kennen waarom onze dichter zijn arbeid op touw zette. Doch, ofschoon wij deze mededeeling thans missen2, uit menig vers blijkt ten stelligste waarom hij de pen ter eere van Sinte Lutgart opvatte: hij was met haar wonderbaar leven hoogst ingenomen, hij minde haar hartstochtelijk, en wenschte haar voor zijne Dietsche taalgenooten te verheerlijken. Nadrukkelijk geeft hij dit te kennen:
zegt hij ergens (II, 13411 vlgg.) en in den proloog van het derde boek betuigt hij3:
Ook in het laatste hoofdstuk van hetzelfde boek herhaalt hij deze verklaring4:
Uitdrukkelijkst van al en, naar onze meening, afdoend, is de aanvang van een hoofdstuk uit het tweede boek1:
Het is dus wel de ‘minne,’ die hem de pen in de hand gaf. Dat deze liefde voor eene heilige hier en daar naar de liefde tot God zelven overhelt en zelfs zich er soms in oplost, is geen ongewoon verschijnsel en daaraan zijn wij wellicht de tirade verschuldigd, waar onze dichter de kracht en de uitwerkselen der goddelijke minne breedvoerig uiteenzet2.
Doch, was het de ‘minne’ die hem de verheerlijking van Sinte Lutgart deed ondernemen, met die verheerlijking wenschte hij tevens een ander doel te bereiken, een doel overeenkomstig het steeds practische, nuchtere karakter van den Vlaming: hij wilde ook stichten en zijne toehoorders en lezers tot godsvrucht en zedelijkheid stemmen3:
Aan deze zucht, of liever aan deze bedoeling, zijn voor een groot deel toe te schrijven de uitweidingen en beschouwingen over deugd en ondeugd, de raadgevingen en vermaningen, de uitvallen tegen zedeloosheid of verslapte kloostertucht, die op menige plaats het verhaal onderbreken of uitrekken. Daaraan is ook te wijten 's mans innige afkeer voor de romans, voor die ‘oude ijeesten4’,
een afkeer, waaraan hij zoo onbewimpeld o.a. in den proloog van het tweede boek lucht geeft.
Nochtans, in weervil van dien afkeer, is het aan de ‘menestrele’, aan hun romans dat hij, behalve in zekere mate ten opzichte van den versbouw, den vorm ontleende, waarin hij zijn verhaal gegoten heeft. Zijn gedicht is immers geschreven om voorgelezen of voorgedragen te worden, of liever hij stelt zich zelf voor als zijne verzen voordragende. Van daar het vaak voorkomende
Die ‘heren ende vrowen’ zijn een bonte schaar oude en jonge ‘closter-
liede’1, die hem omringen om de wonderen van Sinte Lutgart aan te hooren2. Hij heeft hen trouwens daartoe meer dan eens uitgenoodigd en aangespoord3:
En zij hebben zijne uitnoodiging beantwoord; zij zijn in grooten getale opgedaagd en vormen, staande of zittende, een kring om hem heen4:
Herhaaldelijk richt hij rechtstreeks het woord tot zijne toehoorders5:
Zijn gedicht is, zooals wij reeds zagen, in drie partiën of boeken gesplitst en elk boek is verondersteld op een afzonderlijken dag voorgelezen te worden, eene bijzonderheid die bij Cantimpré niet gevonden wordt. In den epiloog der tweede partie hebben wij immers6:
Ook in den proloog der derde partie vinden wij dezelfde aanwijzing7:
en wat verder lezen wij nog8:
Of de hedendaagsche lezer, zelfs die welke in het Middelnederlandsch geheel thuis is, in staat zou zijn in een paar dagen de twee teruggevonden boeken te lezen, betwijfelen wij ten zeerste. Want, zoo er iets is dat onzen dichter kenmerkt, dan is het stellig zijne wijdloopigheid. De verzen vloeien hem zoo glad uit de pen, dat er soms geen eind aan schijnt te zullen komen; men waant een voorklank van het rijmgekeuvel van Cats en zijne volgelingen te hooren. Indien men ergens de woorden epische breedvoerigheid met recht heeft kunnen toepassen, dan is dit het geval - si parva licet componere magnis - met het omslachtig verhaal van Sinte Lutgart's wonderbaar leven. Behoeven wij dit met voorbeelden te staven? Wij meenen van niet. Enkele opmerkingen kunnen hier volstaan. De episode van den zondigen broeder van Afflighem, die Sinte Lutgart niet aanschouwen kon, telt bij Cantimpré (II, c. 27) 14 korte regels,
bij Broeder Geraert (II, c. 27) 22 verzen en in ons gedicht (II, c. 24) 472; aan de geschiedenis van Thimeer wijdt Cantimpré (II, c. 24) 39½ korte regels, Broeder Geraert (II, c. 24). 56 verzen en onze dichter (II, c. 25) 604; het relaas betreffende de kloosterzuster, die door Sinte Lutgart's tusschenkomst van bekoringen verlost werd, beslaat bij Cantimpré (II, c. 25) 49½ regels, bij Broeder Geraert (II, c. 25) 54 verzen en in ons gedicht (II, c. 26) 628; het verhaal van den Afflighemschen monnik, die op Sinte Lutgart's raad ergens het prelaatschap aannam, is bij Cantimpré (II, c. 33) slechts 9 regels lang, bij Broeder Geraert (II, c. 34) 16 verzen en in ons werk (II, c. 34) 356. Hadden wij dus het recht niet het woord wijdloopig op onzen dichter toe te passen?
Deze wijdloopigheid wordt verder in de hand gewerkt door het aanwenden van zekere vaststaande uitdrukkingen en zegswijzen, zekere formules, welke herhaaldelijk, nagenoeg in elk hoofdstuk voorkomen en op onderscheiden plaatsen met den naam van stoplappen zouden kunnen bestempeld worden. Als staaltjes mogen de volgende dienen, die wij terloops aanteekenen: Got, die coninc van den trone; Gol, die die werelt al geboet; want Got, die alles heft gewout; den hogsten coninc van darboven; wetti warumme ic dit bedide; wildi noch weten wat geschide; wildi oc weten wat ic las; mar watter sider na geschide; nu hort in welkerhande wise; nu hort wat ikker ave las; hoert dan, ic sal u seggen hoe; nu hoert wis si dar selen plegen; wel recht es dat ic u ontbinde. Dit lijstje is voor aanzienlijke uitbreiding vatbaar. Men zou er ook de zoogenoemde epitheta homerica aan kunnen toevoegen als: Lutgart die fine, Lutgart die maget wel gedegen, Lutgart die welgerakde maget, Bruder Damaes die goede man, die vroede man, die wise predekare, die welgerakde predekare, en tal van andere, die als trouwe gezellen bij de eigennamen steeds voorkomen. Doch zulke eigenaardigheden, - zulke gebreken zullen wellicht strenge