8581 l. Sijn wesen. Vgl II, 8589.
8584 vermorwt te lezen als vermoruut.
8590 weder te lezen als weer.
8595 l. der dochter.
8609 Ende zooals meermalen te lezen als end of en.
1d. i. Weldaden, goede werken, verdiensten. Misschien is het het mw. van het deelw. weldaen van weldoen. De vorm is mogelijk, evenals onderdaen van onderdoen, (Vgl. ook Mnl. Wdb. 2, 239) doch is elders nog niet gevonden.
1d. i. verhard, vijandig eig. hardnekkig(?). zeer zeldzanm woord en in dezen vorm, die vreemd is, nog niet in het Mnl. gevonden. Stiborich vindt men Denkm. 3, 116, 60. Vgl. eng. stubborn. Van een last gezegd, in den zin van niet meegevend, moeilijk te dragen, of ook hard, staat het woord Boeth. 294 c: ‘als die eene zware stiborighe burdine draeght up den hals.’
2d. i. ooi. Vgl. mnl. ouwe, ohd. ou, hd. aue, en ndl. oonen, lammeren.
1d. i. geseilt; vgl. mhd. sigelen. De uitdr. in den gront seilen komt ook voor Sp. d. Sonden 6454 en in het Mnd., doch nog niet in de ruimere opvatting verderven, doen verloren gaan, zooals hier.