1d. i. uitgedroogd, uitgeteerd. Eig. gezegd van den grond, ZVl. Bijdr. 5, 322, 267; Rincl. 352; bij uitbr. ook van den mensch, Teest. 2157, juist in denzelfden zin als hier, en met verdroocht verbonden.
2d. i. melaatsch. Zoo ook Sp. I7, 65, 227; I7, 69, 24; Hs. Serr. 14, 42 (‘dese olie es goet jegen laserse of pakers of scuerfde’; ald. ook pakersch). De oorsprong is niet bekend.
3De woorden uut chelkine zijn niet duidelijk; de bedoeling is wel: ‘hare kleeren waren met oude lappen versteld’. Het Lat. heeft slechts: Pauperculam quamdam indigentem valde conspiciens, ad benefaciendum ei miro compassionis spiritu monebatur, et mox in spiritu dixit illi Dominus......
1d. i. beginnen, als mhd. ûzslân. Eig. gezegd van ruiters, die op weg gaan., ndl. met een ander beeld van wal steken; vgl. uteslaen ook 11733, 11859, 12065, 12759, en aenslaen, vs. 11556.