1Bellenghem, thans Bellinghen, is een Brabantsch dorpje, 7 k. W. van Halle, 23 Z.W. van Brussel gelegen. Ongeveer 8 k. N.O. van daar ligt St. Pieters-Leeuw, waar, volgens de gewone opgave, Cantimpré zou geboren zijn. Bellinghen behoorde tot het rechtsgebied der abdij van Afflighem (A. Wauters:
Histoire des Environs de Bruxelles I, p. 498).
Reeds vóór 1182 kwam te Bellinghen eene priorij van regaliere kanunniken der orde van St. Augustinus tot stand. In dit jaar werd zij door Roger, bisschop van Kamerijk (tot wiens bisdom de streek behoorde), onder het beheer der abdij van Cantimpré geplaatst (L. Everaert:
L'Abbaye de Cantimpré à Bellinghen. Annales du cercle archéologique d'Enghien 1880,
I. pp. 198-221).
Dat de hagiograaf Cantimpré in de priorij van Bellinghen, in de nabijheid zijner geboorteplaats het habijt der orde van St. Augustinus zou aangenomen hebben en eerst later naar de abdij van Cantimpré zelve zou heengetrokken zijn, schijnt ons heel natuurlijk. Het is dus niet onmogelijk dat onze dichter
Bellenghem als synoniem van
Cantimpré opvat en er 's mans eerste klooster mede bedoelt.
Andere gegevens echter laten ons vermoeden dat wij hier stellig Cantimpré's geslachtsnaam leeren kennen.
Immers tot de aanzienlijkste geslachten welke te St. Pieters-Leeuw woonden en er goederen bezaten, behoorde dat der
de Monte of
du Mont, die ook den naam
van Bellenghem gevoerd hebben.
In 1234 schonk ridder
Jan du Mont tien bunder (boniers) grond te Bogaerden, ten zuiden van Bellinghen, aan de abdij van Cantimpré (L. Everaert:
L'Abbaye de C. etc. p. 200).
In 1235 werd te Lenniek, op geringen afstand N.W. van St. Pieters-Leeuw, een Cisterciënsernonnen klooster gesticht door toedoen van
G. van Bellengem of Bellinghen, priores der Bernardijner (= Cisterciënser) nonnen te Dendermonde, en
haar vader, ridder Jan de Monte, denzelfden dus, die 't vorige jaar zekere gronden aan de abdij van Cantimpré schonk (A. Wauters:
Histoire des En virons de Bruxelles, I, pp. 93, 94, 108).