1d. i. mnl. heimelijc. Vgl. Duc. op specialissimus: ‘necessitudine et familiaritate conjunctissimus’, en Devoot B. 36, 98 r: ‘sijn speciael vrient.’ Vgl. vs. 14485, waar het woord als znw. gebruikt wordt in de bet. vertrouwde, bijzondere vriend.
1Een spreekwoord. Vgl. Troyen 11 400 en 24 703: ‘die vliet hy vint wel die hem jaghen.’
2Een onbekend en duister woord, dat in bet. met klein, gering, beperkt moet overeenkomen. Verwant met mhd. neisen (naast neizen), d. i. in het nauw brengen, kwellen, plagen (Lexer 2, 52)?
3d. i. tarten, uitdagen, eene uitdagende houding aanuemen. Vgl. torten ook Mar. v. Nijm. 32, 747, en tort, d i. in weerwil van, ten spijt van, trots (Teest. 2377; Velth. II, 48, 5).