1d. i. onderging, eene zeldzame, aan de oude epische poëzie herinnerende uitdrukking. Vgl. mhd. ze sedele gán, gezegd van de zon (Lexer 2, 843), en Mnl. Wdb. op gademe. Sedel beteekent hier rustplaats, legerstede; eig. zetel, zoo b.v. Vaderb. 147 d: ‘Eusemianus ghinck voor mit sijnen knapen om die sedelen te versieren’, en Proza-Serv. 61: ‘een stadt vol alre vrouden, in welcker stonden siedelen op alle sijden.’