2hetzelfde als feinen (Mnl. Wdb.) dat ook wederk. kon worden gebruikt, evenals hem vensen.
3d. i. het betalen van hetgeen men aan God schuldig is, m. a. w. het bidden. Gelege komt ook elders voor in de beteekenis van gelage; de eigenlijke bet. is wat men schuldig is voor gemaakte verteringen. Vgl. Mnl. Wdb. op gelage, en hier III, 2758:
Die Gods getiden, daer wi mede
Din hogsten wert betalen souden,
Wart dat wi wel vergelden wouden
Van onser werschap dat gelage.
en vlgg., vooral 2774:
roekelose in allen tiden
So ghelden si dat Gods gelage.
Vgl. vs. 2832:
‘die schout van den getiden
die gi leset.’
Zoo zal ook II, 6682 de uitdr. quiten har gelege moeten worden opgevat, nl. voor de zieke non heeft zij uit alle macht met hare gebeden hare plichten vervuld, d. i. ‘zij heeft voor haar de vurigste gebeden opgezonden.’ Vore schijnt aldaar adverbiaal te zijn gebruikt of alleen met al verbonden te moeten worden. Doch gelege hangt niet van vore af: in dezen zin moet de aanteekening aldaar worden gewijzigd. - 5247 l. magt.