terug  begin  prepost
[p. 205]

Lijst der verklaarde woorden en termen.

A.

Abanoyement, znw., genoegen, genot, III, 2081.
Aenslaen, ww., beginnen, II, 11556, 12604, 13073, Vgl. Uteslaen.
Aldoscerwijs, bw., aldus, II, 1712, 2590,5320, 7565, 7923, 11671, 12468, 12902. Vgl. Soscerwijs, II, 1094.
Alles, bw., in alle opzichten, II, 5785.
Alredagelike, bw., elken dag, dagelijks, III, 242.
Amper, bnw., zuur, wrang, scherp, bitter, III, 3875.
Antrace, antraes, znw., pestkool, III,5392,5442.
Arger, znw., leed, II, 9925.
Argere, znw., die -, de verderver, II, 12205.
Audi filia, psalm waarmede de tweede Nocturn van het ‘officium commune virginum’ geopend wordt, III, 3984.

B.

Baïment, znw., spel, II, 13843.
Beddevast, bnw., bedlegerig, III, 3359.
Bekeer, znw.; in bekeere hebben, onder zijne macht hebben, II, 9356.
Bekramen, ww., besluiten, II, 11794.
Berekken, ww., besturen, II, 11475. Zie Rekken.
Besteken, ww., prikkelen, drijven, II, 12373.
Brauwen (brawen), ww., (van een jachtvogel) de oogleden toenaaien, II, 7192; gebrauwet, roerloos.
Broeien (broien), ww., broeien, geroosterd worden, III, 5112.

C.

Chelkine(?), II, 11200.
Cherken, ww., rondgaan, II, 9945.

D.

Dant, znw., Dom, II, 973 en passim.
Deo gracias, een gebed, III, 3984.
Devise (divise), znw., vonnis, uitspraak, III, 2250.
Dienst (dinst), znw., dienaar, III, 3310.
Dosich (doesech), bnw., suf, II, 9446, 9542.

E.

Echtinge, znw., plan, voornemen, III, 4707, 4945.
Effens, voorz., nevens, neffens, III, 2077; II, 13743, 13756.
Elles, vnw., hetz, als els, anders, II, 14518.
Ende, znw., over -, ter zijde, II, 2363.
Evelbaren, znw., de Booze, II, 3330, 5105, 9026, 9121, 10791, 13447, 13855; III, 2987 en passim.
Evelschalc, znw., de Booze, II, 13441.

F.

Fainen (feinen), ww., veinzen, III, 5232.
Fenestriere, znw., non die op de draailade (rol) past, fra. tourière, II, 11846.
Frankise, znw., fra. franchise, II, 13885.

G.

Gebiden, ww., beleven, II, 12432; III, 1126, 3276.
Gebruden, ww., geheim of besloten houden, verbergen, III, 4869.
Gebruken, st. ww., (praet. gebrooc), gebruiken, II, 2846, 6540, 6545, 8910; III, 1885.
Gedades, bw., steeds, 11, 6519, 6576, 7461, 8101; III, 1254.
Gecroch, znw., gesteen, II, 6142.
Gelage (gelege), znw., maaltijd, III, 1215, 1236; wat men schuldig is voor gemaakte verteringen, II, 6682; III, 5234. Vgl. III, 2761, 2775.
Geloffast, bnw., door eene belofte verbonden, II, 11526.
Gelovesam, bnw., geloofelijk, geloofwaardig, II, 14076.
Geniedech, bnw., verlangend, II, 9852.
Genieden, ww., hem -, behagen scheppen, III, 1748, 2036.
Geperte (l. gesperte?), znw., troep, bende, II, 5163.
Gestaen, bnw., standvastig, volstandig, II, 12500.
Geswade, znw., troep, bende, II, 11036.
[p. 206]
Getrachte, znw., listig plan, laag, II, 3077, 3183, 3623.
Gewoorden (gewarden), ww., onder woorden brengen, uitdrukken, III, 4181, 5045.
Gheëchent (gheechent), deelw. van egenen, eigenen(echenen), aangewezen, verplicht, III, 2172, 2315, 3195, 3905, 3946, 4785, 4893, 5371. Vgl. II, 7358.
Ghehinde. Zie ghinde.
Ghelaf, znw., laafdrank, koeldrank, III, 3811.
Ghinde, bw., nabij, na, II, 5107, 7203, 10389, 12685; III, 30, 112. 131, 1930, 2312, 2479, 2560, 3345 en passim. Zie de aant. op II, 5107.
Ghinge, bnw., in trek, gezien, III, 1992; in vollen gang, III, 3797, 5692.
Got houde, begin eener zegenspreuk, God hoede (u), II, 12334.
Groenswaerde, znw., de aardkorst, de aarde, III, 2258.

H.

Heffen ende leggen, ww., oppassen (een zieke), II, 6525.
Heldekoppen, ww., knikkebollen, III, 15.
Heranderwerven, ww., herhalen, II, 9581.
Herna, bw. en tusschenw., hier, kom hier, III, 1805.
Hoveden, ww., gehoorzamen, II, 1946, 12630.

I.

In iubilo, begin van een responsorium of antiphona of hymne (?), III, 3984.
Itoe, bw., reeds, alreede, II, 10007, 10010, 10216, 10925 en passim.

I, J (IJ).

Jagen, ww., in een spreekwoord, II, 13545.
Iegedage, bw., dagelijks, II, 5375, 7438, 9452, 9886 en passim.
Ihesu, corona virginum, hymne, III, 3934.
Iogede (jogde), znw., jeugd, II, 1467, 3601.
Iu(w)eel, znw., kostbaarheid, III, 128.

K.

Kalande, znw., de eerste van de maand, II, 10422.
Kawarde (cawoerde), znw., pompoen, kalebas, II, 13902.
Kint, znw., no kint no kraet, kind noch kraai, II, 501, 5063; III, 1433.
Koop, znw., groten coep, in overvloed(?), II,6397.
Cont, bnw., enen wesen cont, getuigen, iemand iets verzekeren, II, 2736.
Kraet. Zie kint.
Kramen, ww., opkomen, zich uitbreiden, III, 5396, 5510, 5622.
Crijt, znw., (verb. nv. eride) strijdperk, II, 7151.
Crinc, znw. (sonder crinc), gebrek, II, 5322; III, 2199, 3560, 4070, 5781.

L.

Lanc, bnw. en bw., even lanc dat, wanneer, III, 38; terwijl, III, 170 e. e.
Leec, znw., lied, II, 2673.
Leggen, ww., nederleggen, staken; III, 3901, sprake leggen, de spraak verliezen.
Leggen (heffen ende -). Zie heffen.
Livechheit, znw., levenskracht, II, 7189; III, 4152, 4166, 5409.
Loke, znw., haarlok, haar(?), II, 3833.

M.

Meskiesen, ww., eene slechte keus doen, II, 9638.
Mikken, ww., hem -, zich schikken, zich neervlijen(?), II, 14338.
Moetgemeene, bnw. en bw., eensgezind, II, 6119; 2317, 4733, 7073, 8685, 13711; III, 1091, 4143.
Muniment, znw, versterking, II, 4554.

N.

Niewet, znw., niet; te niewete (niwte), te niet, passim; bi niwte ghinde, zoo dicht mogelijk, II, 7203.

O.

O Lutgardis, speculum, begin eener gewijzigde hymne, III, 3984.
Oit, bw., eenlettergrepig, III, 3171, elders overal tweelettergrepig. Vgl. Inl. bl. LX.
Occusoen (Okison), znw., reden van klagen, reden, II, 5436, 8346, 9152, 9158 (?), 9163, 10790, 13400; III, 540, 1283, 1427, en passim.
Onbestierich(omb.), bnw., teugelloos, toomeloos, dolzinnig, III, 5282.
Ontgroven (ongroven), ww., te grof, te gemeen zijn, III, 1572; te zwaar vallen, hetz. als mnl. ontfechten, III, 3118.
Ontgroten, ww., te groot, te moeielijk zijn, III, 2004.
Onthacht, deelw. van onthachten. verlost, bevrijd, III, 2722, 4227, 4283.
Ontpointen, ww., uit zijn verband brengen, aan iemand zijn rust en vrede benemen, III, 223.
Ontraden (onttreden), ww., vreezen, II, 3971; 2552, 4081, 4232, 5369, 5455, 5577, 5581, 5692, 9028, 10785, 12750; III, 1210, 1446, 2939, 5534.
Ontswaren (onsswaren), ww., te moeielijk zijn, III, 2004. Vgl. III, 1572.
Ontwaren, ww., berooven, II, 4714.
Onverstaert, bnw., niet verblind, III, 1899. Vgl. II, 13723 en III, 2048.
Oo, znw., ooi, II, 9059.
[p. 207]
Oppen. Zie uppen.
Orewoet, znw., vurigheid, drift, II, 6409, 7066, 7544, 7893, 8749, 13927, 14138.
Overswinge, bnw., grenzeloos, bovenmatig, II, 6401, 7046, 7892, 12619 e. e.
Overvesten,ww., vastmaken, bevestigen, II, 13897.

P.

Pakers, bnw., melaatsch, II, 11198.
Pooch, znw., streven, begeerte, III, 2942.
Porren, ww., vooruitkomen, III, 5453. Vgl. III, 5396.
Priken, ww., juichen, III, 2618.
Pulchra facie, sed pulchrior fide, een deel van een oud romeinsch officie ter eere der H. Maagd, III, 3984.

Q. R.

Refrotoor, znw., reefter, eetzaal in een klooster, II, 6421.
Regnum mundi, een responsorium, III, 3984.
Rekken, ww., besturen, regeeren, II, 12517. Vgl. II, 9931; III, 565.
Rekkere, znw., bestuurder, II, 8200; III, 2407.
Rewaert, znw., bestuurder, regent, III, 1715.
Rijs, znw., tak, palmtak, III, 5805.

S.

Sach, znw., gezag, II, 3391.
Suisine, znw., bezit, III, 1468.
Sapen, ww., vochtig worden van de oogen, II, 12080.
Scieten, ww., sinen sin scieten in, tot wanhoop vervallen, II, 10083.
Scriën, ww., jammeren, kermen; praet. scrouwen of schrowen, II, 12792, 13968; III, 3411, 3801, 4097, 4105.
Schrinken, ww., ten val brengen, II, 3643.
Sedele, znw., in sedele gaen, ondergaan van de zon, II, 14468.
Sege (ssege), znw., zetel, III, 5409, 5595.
Seilen (sielen), ww., in gront seilen, verderven, II, 9068.
Sipen, ww., zijpen, zijpelen, III, 3869.
Socht, znw., ziekte, zucht, III, 2160. Vgl. II, 4725; III, 5197, 5231.
Speciael, bnw. vertrouwd, hetz. als mnl. heimelijc, II, 13416, 14485.
Sperre, znw.; in sperre werden, in vijandschap komen, II, 9150, 9891.
Staie, znw., plaats, II, 6020.
Stampije, znw., geweld, kracht, III, 5434.
Stiborijs, bnw., hardnekkig, II, 3962.
Stoet, znw., hetz. als stonde(?), tijd, tijdruimte, II, 4922. Vgl. II, 12482.

T.

Tatolf, bnw., onnoozel, II, 3359.
Te Deum, eerste woorden eener hymne, II, 10976.
Tegeleden, deelw. van tegeliden of liever tegliden, achteruitgegaan, II, 11492.
Togenesse (toechgenesse), znw., terechtwijzing, onderrichting, II, 11589.
Torten, ww., tarten, uitdagen, II, 13559.
Trachten, ww., bedenken, uitdenken, verzinnen, II, 3054, 3179. Vgl. II, 131.
Tsare, bw., weldra, spoedig, III, 1631.

U.

Uppen, ww., beginnen, ter hand nemen, ondernemen, voor den dag brengen, III, 3268.
Utenemen, ww., uitsteken, uitmunten, III, 2284, 4047.
Uteslaen, ww., beginnen, II, 11365, 11733, 11859, 12065, 12363, 12759.
Utewaden, ww., uitstroomen, uitloopen, III, 1430.
Uus (us), znw., zede, gebruik, gewoonte, III, 3042.

V.

Venisponsa, eene antiphona, III, 3984.
Veranderwerven, ww., herhalen, II, 10741.
Verblischen, ww., verblijden, II, 11140.
Verdaren, ww., doenontstellen, verbijsteren, II, 8267.
Verduren, ww., beweenen, betreuren, III, 4572.
Verhouwen, deelw, van verhowen; een verhowen hout, een blok hout, III, 4718.
Vercruden, ww., verdrijven, II, 3292.
Verkuschen, ww., versmaden, verachten, III, 1965; ook II, 1263.
Verminkt, deelw. van verminken, verzwakt, uitgeput, III, 2054.
Verneeset, deelw. of bnw., klein, garing(?), II, 13555.
Verrompen (verrumpen), bnw., gerimpeld, II, 4945, 11195.
Verschieren, ww., verrassen(?), begoochelen (?), II, 5834.
Verschoeren, ww., zin onzeker, II, 6616, 14024.
Verschonen, ww., II, 7653, l. verschouen, (d. i. verschouwen, II, 8245)?
Verslagen, zw. ww., verslaan, II, 12766.
Verspaekt, deelw. en bnw., uitgedroogd, uitgeteerd, II, 11192.
Verstaen, ww., voldoen, II, 3235.
Verstaert, bnw., verblind, II, 13723; III, 1899, 2048.
Vertaken, ww., bereiken, komen bij, III, 363.
Vertuschen, ww. bedroeven, II, 1263. Zie echter Verkuschen.
Vervaen, ww., beschermen, II, 11238.
Vervanc, znw., steun, II, 8426, 11534.
Vervloten (eig. vervleten), deelw. van vervliten, verliefd, II, 6411, 6986; III, 4885.
Verweert, deelw. en bnw., zin onduidelijk, II, 13991.
[p. 208]
Verwerken, ww., insluiten, wegbergen, II, 11867, 12040, 12935.
Vighe, znw., boon, II, 694. Zie Mnl. Wdb. op fijt.

W.

Waden, ww., gaan, III, 5404. Vgl. III, 1430, 5275.
Waken, ww., geboren worden, III, 3589; ontwaken, opkomen, III, 4568.
Wallen, ww., koken, opbruischen, III, 5112.
Waloppen, ww., draven, II, 12591.
Wederkeren, ww., omkeeren, veranderen, II, 14083.
Wedernieden, ww., bestoken, zich verzetten tegen, II, 12444, 13406, 13449, 13560; III, 2985.
Weewite, znw., pijn, II, 3524, 10336; III, 5115, 5498, 5628.
Weldane, znw., weldaden(?), II, 8725.
Welverdich, bnw., welvarend, II, 10335.
Wenen, ww., wennen, II, 6290.
Werderen, ww., achten, II, 8223, 2494.
Werren, st. ww., in de war maken, II, 11643.
Wet, bnw., nat, II, 7171.
Wort (wart), znw., woord; wart weten, een woord, iets weten, III, 5743.

Besproken persoonsnamen.

Aubeiose, de Albigenzen, II, 493.
Beatrijs van Denremonde, kloosterzuster van Zwijveke, II, 12167.
Beatrijs van Raevie, Beatrix van Rèves, abdis van Aywières, III, 5357.
Bernart, predikheer, III, 1499.
Boudewijn van Barbenchon, Boudewijn van Barbençon (gemeente bij Beaumont, in Henegouwen), III, 1692.
Damaes van Bellenghem, Thomas van Cantimpré, II, 11765. Thomas, II, 11942; III, 676, 997, 4768.
Frederik II, keizer van Duitschland, III, 532.
Godevaert van Brakel, beschermer van Aywières, II, 12912.
Innocentius III; paus, II, 1827.
Iordaen, Jacobijn, III, 229.
Jacob van Vitry, prediker en geschiedschrijver, II, 752; III, 776, 4714 en passim. Eene tot dusverre onbekend gebleven autobiographie van den man zal wel III, 776 vlgg. bedoeld wezen.
Jan van Lier, geestelijke uit het bisdom van Luik, II, 2175.
Jan I, Abt van Affelghem, II, 8140; III, 3781.
Lutgart, Lutgart Limnos, kloosterzuster van Aywières, II, 7139.
Marie de France, Hertogin van Brabant, II, 12513.
Marie van Oignijs, Marie d'Oignies, heilige, II, 2881; III, 4714.
Ode van 's-Gravenbrakel, kloosterzuster van Aywières, III, 5509.
Onkelin (Johannes-), Abt van Aulne, III, 4413.
Sibilie, Sibylla van Gages, kloosterzuster van Aywières, II, 10583.
Symon, leekebroeder van Aulne, II, 3250.
Tatren, Tartarine, Tartaren, III, c. 8 opschrift, 1405, 1627.
Yolent, kloosterzuster van Aywières, II, 10583. Vgl. II, 3769 vlgg.
Ysabeel, Elisabeth de Wans, kloosterzuster van Aywières, III, 4990.

Besproken plaatsnamen.

Affelghem, zie Haffelghem.
Alne, Aulne, Cisterciënser-abdij, II, 3248.
Bellenghem, Bellinghen, gemeente in Brabant, II, 11765.
Flerus, Fleurus, gemeente in Henegouwen, III, 1699.
Foinni, Foigny, Cisterciënser-abdij, II, 970.
Gaijs, Gaies, Gages, gemeente in Henegouwen, II, 10583.
Haffelghem, vermaarde Benedictijner-abdij bij Aalst, II, 8059.
Haspengouw, landstreek in de provincie Luik, vroeger ook een deel van Belgisch-Limburg omvattende, II, 4366.
Jotrum, klooster op den oever der Marne, II, 11768.
Cort Saint Stevene, Court-St. Étienne, gemeente in Brabant, II, 12933.
Milen, Mielen of Nonnen-Mielen, gehucht bij St. Truiden, II, 15.
Monstris aan de Samber, Moustier-sur-Sambre, gemeente in de provincie Namen, II, 3769.
Raevie, Rèves, gemeente in Henegouwen, II, 1421.
Saint Didier, St. Désir (volgens H. Nimal), klooster bij Nogent-sur-Seine, III, 4990.
Swiveke, Zwijveke, Cisterciënser-abdij bij Dendermonde, II, 12157.

prepostterug  begin