Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman. Jaargang 20


auteur: [tijdschrift] Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman


bron: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman. Jaargang 20. Stichting Jacob Campo Weyerman, Amsterdam 1997


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 75]

In de geest van Lucianus
Frank van Lamoen

In 1765 publiceerde Voltaire een denkbeeldig gesprek in het hiernamaals tussen Lucianus, Erasmus en Rabelais. Lucianus constateert dat Erasmus in een barbaars land hetzelfde vak heeft uitgeoefend als hij destijds in het meest beschaafde land ter wereld, en vraagt aan zijn collega of deze met alles en iedereen heeft mogen spotten. Erasmus antwoordt:

Dat zou ik wel gewild hebben; het zou een grote troost zijn geweest voor een arme theoloog als ik; maar ik heb me niet de vrijheden kunnen veroorloven die jij je hebt toegeëigend... Jij had alleen maar te maken met goden die in het theater speelden, en met filosofen die nog minder krediet hadden dan de goden; maar ik, ik was omgeven door fanatici, en moest met grote omzichtigheid te werk gaan om niet te worden verbrand door de ene partij of vermoord door de andere.1.

Erasmus introduceert een man die naar zijn zeggen veel brutaler en grappiger was dan hij, iemand die zich veel meer vrijheden kon permitteren, aangezien hij priester was: Rabelais. Lucianus verbaast zich over het feit dat de mensen ongestraft konden spotten met hun meerderen; hij was immers wijs genoeg om met geen woord te reppen over de Romeinse keizers. Rabelais verklapt zijn ‘recept’: hij tast zijn lezers in hun zwakheid aan. Hij dient grote hoeveelheden drank op, gelardeerd met grove uitdrukkingen, waarin fijnbesnaarde geesten, ‘les gens d'esprit’, allerlei finesses zien, terwijl lomperiken ze rauw verorberen.

Het gesprek kabbelt voort; de heren lezen wat uit elkaars werk, lopen Swift tegen het lijf en gaan samen een hapje eten.

 

Voltaire borduurde voort op het stramien dat ontworpen was door een sofist uit de tweede eeuw, Lucianus van Samosata, die een gevarieerd satirisch oeuvre naliet (waarover verderop meer). Diens hedendaagse vertaler, Hein L. van Dolen, gaf aan dat deel van zijn werk waar het hier om gaat, de elegante titel: Doden in gesprek.2.

Erasmus en Rabelais waren grote bewonderaars van Lucianus. Het gezelschap van Swift is te verklaren uit de parodistische reisverhalen van Lucianus, waaronder een reis naar de maan. Laat in de achttiende eeuw is Swift overigens een vaak opgeroepen gesprekspartner.

 

Onlangs verscheen ‘Het dodengesprek in Nederland’ van de hand van René Veenman, een artikel bedoeld als een eerste inventarisatie van een genre.3. Enkele resultaten hiervan vat ik verderop samen. Eerst geef ik Veenmans definitie en gemaakte onderscheidingen weer. Hij omschrijft het dodengesprek als volgt:

Het is een fictief gesprek tussen twee of meer personen dat in het hiernamaals plaatsvindt. Met welke naam of details dat hiernamaals wordt aangeduid, maakt daarbij op zichzelf weinig uit. Meestal echter wordt de conversatie in de klassieke onderwereld gesitueerd, wat bijvoorbeeld kan blijken uit de aanwezigheid van Charon, Minos of Mercurius. Een enkele keer komt wel een variant voor, zoals het regelmatig
[p. 76]
opduikende gesprek tussen een dode en een levende, maar dat is strikt genomen geen echte dodendialoog. Binnen de formele grenzen van deze soort fictie is er echter veel inhoudelijke variatie mogelijk. Van oudsher is de dodendialoog een satirisch genre.4.

Buiten deze strikte omschrijving zijn natuurlijk allerlei varianten bedacht, die hun weg hebben gevonden naar de satire. Geesten kunnen worden opgeroepen: de plaats van handeling wordt de bovenwereld, bijvoorbeeld de bergtoppen van Parnassus; de gesprekken blijken gedroomd te zijn, eventueel in het kader van een reisverhaal.5. Het logische grensgeval lijkt me een in zichzelf pratende dode.

Wat de navolging van het genre aangaat, concentreert Veenman zich op de achttiende eeuw, de bloeiperiode van het dodengesprek. Hij onderscheidt daarin satirische (Fontenelle), moralistische (Fénelon) en overwegend informatieve dodengesprekken (Fassmann). Daarmee zijn we lichtjaren van Lucianus verwijderd: zijn dialogen trekken iedere moraal in twijfel, ze zijn sceptisch van inhoud en bovenal: kort.

Lucianus

De ‘Voltaire van de Klassieke Oudheid’, zoals Friedrich Engels hem noemde, werd rond 120 na Christus geboren in Samosata aan de Eufraat, hoofdstad van de Romeinse provincie Kommagene, tegenwoordig Samsat. Zijn moedertaal was Syrisch. Vermoedelijk werd hij pas later in zijn leven Lucianus genoemd, naar een beschermheer met de naam Lucius. In De Droom, waarmee zijn verzamelde werken in de regel beginnen, begint hij zijn ‘autobiografische’ schets met een kortstondige opleiding tot beeldhouwer; na één dag was het genoeg geweest. (Misschien sniert hij naar Socrates, die de zoon van een beeldhouwer was.) Vervolgens leerde hij voortreffelijk Grieks en trok rond als voordrachtskunstenaar. Een tijd lang werkte hij in Marseille, destijds een Griekse stad. In 165 was hij ooggetuige van de theatrale zelfverbranding van de cynicus Peregrinus Proteus, die hiermee zijn doodsverachting bewees. Rond diezelfde tijd verdiepte hij zich in de wijsbegeerte, zonder zich aan een bepaalde school te binden. Sofistische retorica en sceptische filosofie sloten een pact, met als resultaat de satirische dialogen.

In de jaren '70 was hij ambtenaar in dienst van de Romeinse overheid in Egypte. In 177 keerde hij terug naar Athene. Hij was in 180 nog in leven, toen Marcus Aurelius als god werd opgenomen temidden van de andere goden.

Het Suda-Lexicon vermeldt dat Lucianus door honden werd verscheurd, als straf voor zijn atheïsme (waarmee hem een zelfde lot ten deel viel als Euripides). Deze honden zijn ongetwijfeld de fanatici onder de cynische filosofen, zoals Peregrinus Proteus, die hij vanwege hun exhibitionisme belachelijk maakte. Voor Diogenes en Menippus had hij grote bewondering.

Dit vermeende atheïsme maakte Lucianus natuurlijk tot een geestverwant van allerlei radicalen: hij maakte ‘de goden’ belachelijk in een hiernamaals dat niet echt was, maar theater. Het was dan ook niet voor niets dat Voltaire bij monde van Lucianus aan Erasmus liet vragen hoe ver deze kon gaan in theologische kwesties, waarna Rabelais een uitweg zocht in dubbele bodems.

 

Maar, de scherpe kantjes kunnen ook slijten: in achttiende-eeuwse dodengesprekken die, zoals boven, gekwalificeerd worden als moralistisch of informatief, zijn de

[p. 77]

doden voorgoed onschadelijk gemaakt, en is Lucianus - voor zover nog zichtbaar aan de horizon - veranderd van een sofist in een komische of liever burleske auteur. Zo heeft ieder temperament zijn eigen Lucianus.

Dit blijkt ook uit het voorwoord van Steven Blankaert bij zijn vertaling van Alle de werken van Lucianus den Samosatenser uit 1679. Eerst doet Blankaert de Franse vertaling van Perrot d'Ablancourt (1654) af als incompleet en te vrij. Een juiste observatie; de Franse tekst was vertaald uit het Latijn, en ‘aan de tijd aangepast.’ Blankaert vervolgt:

Hier hebt gy dan, waarde Lezer, een Philosooph, de kluchtigste en vermakelykste byna van alle Griekse en Latynse Schryvers: 't Is een man die de waarheit in alles wil weten: hy stelt het quade en ongeregelt leven der Goden en menschen ten toon; hy bewyst op verscheide plaatsen dat 'er geen Goden zyn, gelyk die Heidense Natien sig inbeelden. Te onregt werd hy beschuldigt van Atheïstery, als of hy t'eenemaal de Godheit loochende, 't welk uit syn eigen schryven wel anders blykt: men soude daar uit kunnen oordeelen, dat hy een algemeene Godheit en Voorsienigheit heeft willen stellen, gelyk uit syn Ysvogel, en andere stukken, meer kan bewesen worden. Sommige zyn van gevoelen dat hy een Christen geweest, en daar na weder een Apostaat soude geworden zyn; doch sulks blykt niet: ook doet men daar nog by, dat hy tot syn straffe, door Gods believen, van de honden soude verscheurt zijn geworden.6.

De ironie van het lot wil dat filologen de Ysvogel niet meer aan Lucianus toeschrijven: ‘unbedeutendes, sicher unechtes Gespräch’, oordeelt Rudolf Helm;7. ‘Kein Spur lukianischen Geistes.’ Halcyon of de metamorphose gaat over de verandering van Alcyone in de vogel die haar naam draagt. De tekst heeft een stoïsche tendens. Voor Blankaert vormde het kennelijk geen probleem dat het bestaan van ‘een algemeene Godheit en Voorsienigheit’ werd gedemonstreerd aan de hand van een bevroren vogel zonder hoofd.

 

Duitse filologen veroorzaakten ook de dramatische val van Lucianus.8. Het kan niet vaak genoeg gezegd worden dat de plaatsbepaling van klassieke auteurs herzien werd in de negentiende eeuw, met het oog op historiciteit en oorspronkelijkheid. Voor die tijd werd Plato beschouwd door de bril van Plotinus, werd Pythagoras teruggevonden in Iamblichus, en hoorde Lucianus tot de canon. Ook Juvenalis verdween naar de tweede rang. Het zou nog lang duren voordat de opvatting ingang vond dat zelfs de goddelijke Plato voortborduurde op de ideeën van anderen.

De genadeslag voor Lucianus kwam in 1905 toen Ulrich von Wilamowitz-Moellendorff een nieuwe benadering van zijn werk formuleerde in Die griechische und lateinische Literatur und Sprache. Hij werd daarin gevolgd door de eerder al genoemde Rudolf Helm, in diens Lucian und Menipp (1906). Terwijl zijn fraaie Attische stijl unaniem geprezen werd, was iedereen het erover eens dat Lucianus een weinig oorspronkelijk denker was, feitelijk slechts een parasiet van de cynicus Menippus, van wie overigens zo goed als niets bewaard is gebleven. En als het erop aankwam werd Lucianus denigrerend betiteld als een journalist, of een op sensatie beluste columnist zonder verantwoordelijkheidsgevoel. Zijn Syrische afkomst pleitte niet voor Lucianus: Johannes Geffcken noemde hem ‘der ekelhafte Semit’; Helm

[p. 78]

zag de gelijkenis met Heinrich Heine, ‘der ihm nur an Charakterlosigkeit, an Genialität und Originalität, aber auch an Malice weit überlegen ist...’

Niklas Holzberg, die dit alles te berde brengt in zijn Lucian and the Germans, laat zien dat de opvattingen van Wilamowitz en zijn aanhangers terug te vinden zijn in Grundlagen des 19. Jahrhunderts (1899), het invloedrijke werk van de hand van Houston Stewart Chamberlain, de schoonzoon van Richard Wagner. Helm noemt het in het aan Lucianus gewijde lemma van Pauly-Wissowa (1927). Wilamowitz was in 1924 de mening toegedaan dat de geest van de laat-klassieke oudheid in de Oriënt wortelde, en beschouwde deze om die reden als ‘dem echten Hellenentum todfeind.’ Exit Lucianus.

Kurt Tucholsky zag in ‘de brutale hond uit Samosata’ een vriend, broer en strijdmakker: de linkervleugel oordeelde anders.

Werk

Het oeuvre waar zo wisselend over gedacht werd, bestaat uit tachtig teksten, waarvan enkele niet meer aan Lucianus worden toegeschreven9.. Het is overgeleverd in meer dan 160 handschriften. De editio princeps verscheen in 1496 te Florence.

Lucianus beheerste een groot aantal literaire vormen, waaronder retorische voordrachten, cynische diatriben, satirische pamfletten, parodieën, imaginaire reisverhalen, brieven en dromen. En niet in de laatste plaats: gesprekken, waarbij het gewoonlijk gemaakte onderscheid tussen satirische en filosofische danwel sofistische dialogen flinterdun blijkt te zijn. Hij lijkt te spotten om het spotten zelf, meer niet. Vaak wordt daarbij uit een veelheid van opinies geconcludeerd dat de waarheid zoek is. Agrippa doet eeuwen later hetzelfde in De vanitate scientiarum (1531) en publiceert daarnaast een magisch tekstboek. Zo'n tactiek ligt in de lijn van Lucianus: niets is zeker. Het beste is het raadsel te vergroten.

In Icaromenippus doet de door Lucianus bewonderde cynicus Menippus verslag van zijn reis door de lucht en zijn bezoek aan de goden. Hij doet een beetje denken aan Willem van Swaanenburg, wanneer deze afreist naar de zon. Menippus beklaagt zich ook over de tegenstrijdige leerstellingen van de filosofen wat het ontstaan van de wereld aangaat. In de dialoog Menippus reist de filosoof naar de onderwereld met een vergelijkbaar probleem: de elkaar tegensprekende oplossingen in ethische kwesties. Wanneer in 1618 de lutherse theoloog Johann Valentin Andreae ook een Menippus publiceert, dan weet iedereen bij voorbaat wat de opstelling van de auteur moet zijn, en is de inhoud tot op zekere hoogte bekend: eigentijdse ethische problemen rondom tolerantie. Dit werk kon in de achttiende eeuw opnieuw ter hand worden genomen in de uittreksels van Christian Thomasius (1715), of in de Zerstreuten Blättern van 1793, in een tekstkeuze van Herder.

In een pamflet Alexander of de leugenprofeet ontmaskert Lucianus een charlatan met een nep-orakel. Op diverse plaatsen in de tekst laat hij zich bewonderend uit over Epicurus als bestrijder van het bijgeloof (maar niet als materialist, wat Friedrich Engels van zijn tweede-eeuwse Voltaire verlangd zou hebben.) Het pamflet is gericht aan Celsus, in wie sommigen de beruchte heiden hebben willen zien die zich in geschrifte tegen het christendom richtte. Hij stak de draak met het mislukte leven van Jezus, een dwaas die godgeleerde spitsvondigheden uitkraamde en van dorp naar dorp trok, omringd door onguur gezelschap.

[p. 79]

Ook Lucianus vindt de christenen maar sukkels: ze geloven alles maar op gezag, zonder een spoor van bewijs. In De morte Peregrini schrijft hij dat de flessentrekker Peregrinus slechts aanhangers heeft ‘bij de onopgevoeden’ en door de wereld trekt ‘met de christenen als voldoende reisgeld onderweg.’10.

 

Marcus Aurelius, de keizer uit de tijd van Lucianus, stelde ‘de redelijke en waardige manier om keuzes te maken’ van de Stoa tegenover de ‘halsstarrige betweterij van de christenen.’ Lucianus wantrouwde ook deze opstelling, zeker wat de pretentie aangaat dat deze redelijkheid correspondeert met de oorspronkelijke kosmische Rede, zodat sprake kan zijn van handelen in overeenstemming met de natuur.

In Zeus tragoedus11. neemt hij de goddelijke voorzienigheid op de hak en in het verlengde daarvan de mogelijkheid om de toekomst te voorspellen. In samenhang daarmee komen vragen aan de orde waar eeuwen later Woutertje Pieterse nog mee zal worstelen. Is god almachtig? Gebeurt alles naar zijn wil? Is hij alwetend en kent hij dus de toekomst? Als god de wereld heeft geschapen, waarom is deze dan zo onvolmaakt? En: waarom gaat het de goeden slecht en de slechten goed? Wie zijn de ware goden: alle, of alleen de Griekse?

Volgens Lucianus zijn de goden machteloos en onderworpen aan de schikgodinnen, de blinde richtingloze wereldwil. Voor hun bestaan zijn ze volledig afhankelijk van de mensen die de godenbeelden maken. De godsdienst vindt haar bestaansgrond in een ‘voort wat hoort wat’ verwachting.

Naar literaire vorm is Zeus tragoedus een zogeheten ‘spoudaiogeloion’, een werk dat ‘serieuze gedachten’ (spoudaio-), combineert met gelach (-geloio). De argumentatie is veelal ontleend aan geschriften van anderen, in dit geval Cicero's De natura deorum en wellicht Lucretius' De rerum natura. In de loop van de tijd bleek dat bovenstaande thema's niet beperkt hoefden te blijven tot de heidense goden en hun wereld.

Lucianus en de Reformatie

De populariteit van Lucianus in de zestiende eeuw is nauwelijks te overschatten12.. Hij wordt gelezen op school, hetgeen betekent dat iedere intellectueel passages uit het hoofd kent. Zijn werk wordt vertaald in het Latijn door Erasmus en More, die hem presenteren als een moralist en ontmaskeraar van oplichters. Lucianus had immers Pythagoras als een bedrieger neergezet door een haan over zijn vorige leven als Pythagoras te laten vertellen. Ook aan de blasfemische reputatie van Lucianus weet Erasmus wel een draai te geven: het waren de bijgelovigen en de goddelozen zelf die de geliefde auteur de naam van atheïst hadden bezorgd. Bovendien: men kan toch moeilijk Cicero en andere sceptici op de brandstapel brengen. Maar helemaal probleemloos is het niet: de passage in Peregrinus Proteus waar sprake is van ‘de fameuze gekruisigde praatjesmaker’ brengt het werk op de index.

De Duitse editeurs van Lucianus zijn voor het grootste deel vrienden en leerlingen van Melanchthon. Eén ervan, een zekere Heldelinus, vertaalt Zeus tragoedus om de katholieke beeldenverering belachelijk te maken. Een ander, Georg Rollenhagen, vertelt van een reis door het vagevuur, waar naar schatting 14 à 15.000 jezuïeten worden aangetroffen die in een lithanie katholieke sluipmoordenaars en ander gespuis aanroepen. De imaginaire reisverhalen van Lucianus en St. Brandaan

[p. 80]

gaan aan deze danteske taferelen vooraf. Een Nederlandse vertaling verscheen in 1682 bij Timotheus ten Hoorn als: Wonderbaarlyke en ongeloofelyke reizen, door de lucht, water, land, hel, paradys, en hemel.13.

 

De publicatie van Erasmus De libero arbitrio (1524) was ook beslissend voor de reputatie van Lucianus in het gereformeerde kamp. Luther schreef met grote stelligheid dat Christus de beide spotters als atheïsten zou veroordelen, samen met Epicurus. Een vergelijkbaar oordeel velde Calvijn over Rabelais, nadat hij in grotesk gezelschap als ‘le démoniacle Calvin’ was verschenen in Le quart livre. In zijn Institutie schreef hij dat de katholieken slechts Lucianus als hun leermeester in het denken erkennen; in zijn commentaar op de Handelingen veroordeelt hij Epicureeërs samen met de ‘Lucianici’ omdat zij alleen maar lachen, en de hoop op het eeuwige leven als een fabeltje zien.

Er mocht niet meer gelachen worden. Wie zich realiseert dat er in het Latijn geen verschil is tussen de letters u en v, bespeurt een anagram in Lucianus: Calvinus.

 

Een intrigerende tekst, naar vorm en inhoud geheel in de stijl van Lucianus, draagt de titel Cymbalum mundi (1537). In vier korte dialogen wordt Luther, met het anagram Rhetulus, als een oplichter voorgesteld. Men vraagt zich af of Hermes een substituut is voor Jezus Christus, met als implicaties dat de heiland alle karaktereigenschappen van Hermes krijgt, en zijn woord, het Nieuwe Testament, hermetisch de steen der wijzen wordt genoemd. Het resultaat is een anti-evangelie waarvoor Celsus de argumenten levert. Deze tekst werd in 1732 uitgegeven door Prosper Marchand, natuurlijk met een commentaar van La Monnoye dat van de nodige reserves getuigt:

Si j'osois debiter ici mes soupçons, je dirois que Mercure jouë dans ces Dialogues un rolle bien odieux pour le Christianisme. Je dirois, par exemple, qu'on prétend ridiculiser celui qui nous apporta, descendant des Cieux, la Verité éternelle: verité qui, par les divisions qu'elle a causées, a (s'il est permis de le dire) bouleversé tout l'Univers [...].14.

Doordat de tekst een keer De tribus prophetis (Luther en de zijnen) werd genoemd, lag de verwarring met De tribus impostoribus voor de hand.

Zestiende-eeuws en doordrenkt van de geest van Lucianus zijn ook de ethische geschriften van Giordano Bruno. Het is de vraag of Lucianus meekijkt over de schouder van Toland wanneer deze Bruno's Spaccio della bestia trionfante. Or the expulsion of the triumphant beast publiceert in 1713, waarin de vloer wordt aangeveegd met het gehele christendom en al zijn varianten van reformatie.

Zou het toeval zijn dat Bruno heel even wordt genoemd in de dodengesprekken van Weyerman?

De achttiende eeuw

Wie Veenmans inventarisatie doorbladert, ontkomt niet aan de indruk dat het dodengesprek in de meeste gevallen is losgezongen van zijn schepper.15. Fénelon was een opvoeder, aartsbisschop en quiëtist, die de voorzienigheid niet in twijfel trok.

[p. 81]

Fassmanns Maandelyksche berichten uit de andere waerelt waren gezapig in de ogen van Weyerman. Bovendien kwam er geen eind aan: ze verschenen in vertaling van 1721 tot en met 1754 en werden voortgezet tussen 1755 en 1771.

Tysens vormde het genre om naar een leesdrama. Een van de problemen van De herboore oudheit (1724) is, dat het verre van duidelijk is waar Van Swaanenburgs satire ophoudt en diens spiritualisme begint, terwijl de burleske teneur in zijn gesprekken dezelfde blijft, ongeacht of ze gevoerd worden door Lucianus, Juvenalis, Boccalini of Rabelais. Van Lucianus atheïsme is bij de vrome Van Swaanenburg natuurlijk geen spoor.

Dichter bij de mentaliteit van Lucianus staan de Nouvelles dialogues (1683) van Fontenelle, gezien het enthousiasme dat Pieter Rabus ten toon spreidde in de Tweemaandelijke uittreksels van 1701 naar aanleiding van de editie, verschenen bij Mortier. Rabus vond dat vanwege Lucianus iedereen maar Grieks moest leren - hetgeen iets zegt over de gekuiste vertalingen - en schrijft over Fontenelles navolging:

Onvernuftige vieshoofden, die geen wijsheid onder de schorsse van aangename scherts konnen dulden, mogen de moeite wel sparen van Luciaan te doorneuzelen; en wisselijk zal onze Fontenelle hen ook niet bekooren.

Een vertaling onder de titel Samenspraken der dooden verscheen te Amsterdam bij Gerrit Kuyper in 1704. De vertaler duidt zich aan met de initialen A.B. (Abraham Bogaert?)

 

De volgende bijdragen gaan over Weyermans Maandelyksche 'tZamenspraaken tusschen de dooden en de leevenden (1726). Hierin wordt diens relatie tot Lucianus wellicht eerder geprofileerd door een vergelijkbare mentaliteit en een voorkeur voor maniërismen, dan door het reanimeren van een afgeleefd karkas als het dodengesprek.