terug  begin  verder
[p. 34]

[Gedichten van Leo Vroman en Lucebert]

Leo Vroman

Een liedje van toen, met handelingen
 
Toen ik pas zeven jaren was,
 
tra la, tra la, tra la,
 
zat ik zo zomers in het gras,
 
tra la, tra la, tra la,
 
en uit de brede weegbreeblaren
 
trok ik de weke witte haren
 
die noemdenik dan vlas tra la
 
die noemdenik dan vlas.
 
 
 
Hier moeten alle spelers met gebalde vuistjes
 
in een kring gaan zitten en proberen er na aan
 
toe te zijn om elkaar vreselijk zeer te doen.
 
 
 
De katjes van de populieren
 
hei twas in de mei
 
liet ik als dode rode dieren
 
tussen mijn hemd en mij;
 
dan hoordenik mijn hartje bonzen
 
en daaromheen de wespen gonzen
 
en dacht ach hoe dichtbij de mei
 
en dacht ach hoe dichtbij.
 
 
 
De leider, welke geheim moet blijven, moet hier
 
iets doodengs gaan voelen maar geen der spelers
 
mag dat merken opgepast hoor.
 
 
 
Vaak zat ik alle grote mensen
 
heicha heicha hopchacha
[p. 35]
 
stil maar hardgrondig te verwensen
 
en huilde zelfs bijna
 
wanneer hun onder het vriendelijk spreken
 
de groente uit de mond kwam steken,
 
vooral de verse sla chacha
 
vooral de verse sla.
 
 
 
Hier herinnert ieder zich, en zich alleen,
 
de vuilnisbak en wat nu onderin moet liggen.
 
Denk je in dat dit uit de mond van je vriendje
 
of vriendinnetje steekt! Wie proest verliest.
 
 
 
Wat laat men kinderen toe te voelen
 
olleke bolleke boer?
 
De onderkanten van de stoelen,
 
de spleten in de vloer,
 
al wat men niet meer op wil rapen
 
omdat het zo op apengapen
 
ligt, of op de loerkeboer
 
ligt, of op de loer.
 
 
 
Alle spelers, behalve de leider (welke geheim
 
blijft), wordt door het eerste geluid dat te
 
horen valt, het verstand ontnomen (gieren!).
 
 
 
Wie er al terug en klein wil zijn:
 
hopmaar janneke stroo...
 
valle op de grond, heb vreemde pijn,
 
kan niets maar wil toch zo
 
muziek uit de piano halen,
 
niet uit de toetsen, de pedalen
 
van je pie, van je ja, no!
[p. 36]

Leo Vroman

De muren
 
In de steeds hogere gebouwen wonen
 
geen geliefden en geen muizen meer;
 
kleiner en kleiner schijnende personen
 
vliegen buiten voor de glazen heen en weer,
 
kijken uit bezorgd verzakte konen
 
naar de met juffrouw volgeverfde vrouwen
 
opdat haar handen, tot de polsen in getallen,
 
geen verstoken stukjes baby samenballen
 
en keilen door de steeds glazere gebouwen
 
vol warmte zonder zon, wind zonder weer,
 
groen zonder gras, en water zonder meer.
 
 
 
Een man bukt, waar de geur der fundamenten
 
de uitgang nu nog niet gevonden heeft;
 
zijn schoen snuffelt iets weg dat eens een lente
 
in toen een kelderkamer had geleefd.
 
Hij schopt het stof op met opeens verdriet,
 
maar hij begrijpt zijn eigen schoenen niet.
 
Zelfs dat hoog boven hem het dolgeworden staal
 
voortspruit merkt hij niet meer helemaal.
 
 
 
En achter de onweerslucht schuilen reeds velden
 
gewassen vensters vol wit wazig licht;
 
waar eens de goden achterover helden
 
helt nu dit verticale vergezicht.
 
Het razen door de wolken, dat de maan
 
eens deed, wordt nu door vierkanten gedaan.
 
Toekijkers weten dat maar vallen toch
 
nog langzaam om door dit gezichtsbedrog,
[p. 37]
 
en roepen uit: ‘Genade, zijn dat huizen.’
 
Neen zeg ik dan, want ik heb nog niet verteld
 
waar de geliefden wonen en de muizen
 
welke in regel twee waren vermeld.
 
 
 
Zij wonen grimmig in de plekken gras
 
waar het straatcement is opgebarsten,
 
de ogen vreeslijk dicht; hun op elkaar
 
geknarste monden mompelen wat zopas nog
 
zacht als water, zonder zwaarte, zonder zonde,
 
ergens onder varenbladeren was.
 
Zij moeten in het water onder gaan
 
met een snuit of snorkel in de mond
 
om te paren op de vage lalse grond
 
van de nu nog stille oceaan.
 
 
 
Want waar is nog een horizon
 
die door geen mergel is versneden
 
tot op en neer drentelende treden,
 
waar is een onverkochte bron
 
zodat de zwerftocht zonder doel
 
er schaterend in uit kan lopen?
 
Iets om de vingers in te dopen
 
met het noodzakelijk gevoel:
 
dit is nog nooit, dit is nog nooit gedaan...
 
Alles doet vuil en moe van ons bestaan.
 
 
 
Smeer dus de ruiten dicht
 
met stroperige teer;
 
hoop op niets meer van buiten.
 
Het laatste uitzicht
 
vol vogelgefluit en
 
dennegeur
 
en regenlicht
 
bestaat pas met de deur
 
dicht en met het licht
 
uit en alle buren
 
vreemd weggegaan.
 
Stil, en op de blinde muren
 
komt het nu aan.
[p. 38]

Lucebert

Adieu tropenweelde
 
vliegen en schurken slopen rond het ontbijt
 
zo was het hier altijd
 
dit dorp had steeds een dik kind dat iets kwijt was
 
en alle versleten moeders zochten karton tegen de tocht
 
in alle kelders vielen onopvallend schoten
 
in alle palmen versprong een apekont
 
 
 
dat dorp was een gelukkig dorp
 
de grote race der zielen ten hemel
 
werd wekelijks door vettige filmbeelden vertolkt
 
kweeklust was overal aanwezig en onder de heerlijke
 
lampen in het raam van het hoofdkwartier
 
verscheen soms torenhoog een mortier van een man
 
 
 
dit dorp was een tevreden dorp
 
in het noorden onder gunstige winden precies
 
een dikke druppel
 
aan de kraan van het hart
 
 
 
ook een uitgelezen strand alle golfjes
 
allemaal meisjes
 
de zwartjes vinden wel hun weg
 
het bierschuim hangt wuivend aan een zeer zwarte schelp
[p. 39]

Lucebert

Noach
 
de leperd met een enorme regenjas
 
begeeft hij zich in de zontvloed
 
ook al staan de sterren verdwaald
 
hij weet de weg van gewervelden en wormen
 
 
 
zijn ogen zijn kurken en gelukkig
 
de lege fles van zijn herinnering dobbert
 
 
 
ten afscheid schrijft hij een lange witte brief
 
de woorden vallen als vliegen onder de lamp
 
ik ben als bangerd geboren maar ook
 
gered en de oude rivieren niet
 
ik heb pret...
 
 
 
naar hartelust vliegen de huizen her en der
 
als alles zich vermengt kunnen de mieren de mensen aan
 
de dikste boeken leggen hun ezelsoren in de nek
 
uit sneeuwwitte voeten ontsnapt het laatste gas
 
het gat in de levenswil wordt ontdekt
 
 
 
dit nu is hier moderne tijd
 
het is allemaal wel heel toevallig een mikrofoon
 
die een mikrofoon aflost een geheel zelfstandige toon
 
bewaakt bedorven afgerost een klef blad voor de mond
 
opgezet maar een land een land zo wijd
 
dat men toch zijn adem kwijt raakt o het einde het einde
 
zeg moeder ben je niet dol op je jongen
 
die dit allemaal meemaakt
[p. 40]

Lucebert

Communique
 
alle hongerlijders verruimen hun blik
 
het best aan een vetvlek
 
laat dat dan voorlopig genoeg zijn
 
 
 
de doorgewinterde duiven vinden
 
hun nesten ook in het donker
 
en een tong smaakt toch naar meer woorden
 
 
 
in het westen is het goed wonen
 
immers daar gaat de zon onder
 
daar is het warm dicht bij het vuur
 
 
 
met logika schiet men op
 
voor zijn plezier ratten wolven gespuis
 
god is een huisdier
 
 
 
wie een rilling wil of op de rug
 
van redeneren rijden laat hem dromen
 
als het zomert in het bed dat hem beweent
terug  begin  verder