Gek van het licht zeilen ze door het open raam naar binnen. Hun achterpoten slierten slap achter hun lichamen aan, willoos laten ze zich meevoeren. Maar hun voorpoten zwemmen begerig door de ruimte, omarmen schokkend het licht. Dan tuimelen ze verblind omlaag en blijven trillend op de grond zitten tot ze weer omhoog kunnen vliegen om in een laatste waanzin het gloeiende glas van de lamp te omhelzen. Met verbrande poten en vleugels vallen ze als een dor reepje boombast naar beneden.
- Ik moet het raam sluiten, mompelt hij.
Hij loopt naar het raam en sluit het.
Het zijn schepselen Gods, denkt hij. Ik mag ze niet willens en wetens door het executiepeloton van 150 Watt laten ombrengen. Jeltsma, ja, die vuilak. Die stak, op de verjaardag van Mies nog wel, de stekker van het elektrisch straalkacheltje in het stopkontakt. En maar op zijn dronken poten door de kamer waggelen. In de ene hand het brandende kacheltje en in de andere een stoel. En overal waar er een zat ging hij op de stoel staan en drukte het gloeiende deksel tegen het plafond. Het leek wel of er menselijk geluid uit die hete kabine kwam. Een deernis-wekkend gefluister dat overging in gesis van pijn. Ik moest ineens kotsen. Met samengeklemde kaken rende ik naar de W.C., maar terwijl ik de bril omhoog klapte zag ik dat er een motvisje in de pot liep. Ik kon niet op dat beestje kotsen en het met mijn bedorven eten doortrekken. Ik kotste naast de W.C. en met het maagzuur druipend van mijn kin zei ik tegen dat diertje:
- Ben jij zo laat nog aan de wandel, klein druppeltje kwik, voortschuivend traantje. Je kan hier niet meer uit, hè. Ik zal je helpen. Voordat die goorling komt en je boven op je kop schijt.
En ik pakte een W.C.-papiertje en liet hem er op lopen en zette hem
op de grond.
- Ga maar gauw naar je moeder toe, zei ik.
Maar toen kwam Mies en die zei:
- Hoe heb ik het nou met je Johan, je zit naast de W.C. te kotsen. Je ziet alles dubbel.
Er was maar één motvisje, zei ik.
Ach, jij, je bent hartstikke teut, zei ze.
Ze trok me overeind en veegde in de keuken mijn gezicht af met een natte punt van de handdoek.
Toen ik de kamer weer binnenkwam had Jeltsma een krant op de tafel uitgespreid en daarboven keerde hij het straalkacheltje om. De krant lag vol afgebrande lucifers, kromgetrokken door de hitte.
- Willem Jeltsma, zei ik langzaam en nadrukkelijk, dat had je niet mogen doen. Je kan zelf nog geen spijker in de muur slaan, laat staan een langpootmug maken. God is duizenden jaren bezig geweest met die beesten. Ontwerpen... ontwerpen en nog eens helemaal opnieuw beginnen. Tot hij zag dat het goed was. Je kan het zien aan de vleugeltjes. Ze zijn van allemaal kleine stukjes aan elkaar gezet. Tot ze groot genoeg waren om te vliegen. En toen zei God:
Gaat heen en vermenigvuldigt u!
Maar die Jeltsma begint me straal in mijn gezicht uit te lachen.
- Weet je wat jij moet doen, zegt hij tegen Bets.
En die trut die zegt:
- Nou?
Ze zegt niet, houd je kop en luister naar wat Johan je zegt, want je bent een groot zondaar. Nee, die kouwe kip, ze zegt gewoon:
- Nou?
- Je moet die vent van jou zijn bijbel afpakken, zegt Jeltsma. Dan grijp je een hamer en een grote spijker, die kan niet lang genoeg wezen. En dan sla je die bijbel aan de vloer vast.
- Ach, laat hem maar, hij kan niet tegen drank, zegt Bets. Hij wordt altijd ongezellig.
- Hij is zo dronken als een kanon, zegt Jeltsma.
- Ik ben niet dronken, zeg ik. Maar in jouw kop staat de jenever zo hoog dat je trommelvliezen onder komen, anders had je dat schreeuwen van die beesten wel gehoord. En het zal eens opgevangen worden. Misschien duurt het wel miljard jaren, maar het zal gebeuren. En als dan de grote dag aangebroken is en je staat voor Gods troon, zal hij een paar bandjes voor je afdraaien, waarvan je zal kronkelen van ellende.
En God zal zeggen:
Zo Willem Jeltsma, jij hebt tien miljoen langpootmuggen verbrand. Ga jij maar tien miljoen jaar in de reparatieinrichting voor langpootmuggen werken.
- Ja, ja, zo zal het gaan, zegt hij hardop. Hij loopt achter een langpootmug aan die van het raam naar de muur zweeft en daar zoemend op de reproduktie van Willem van Oranje gaat zitten. Precies op zijn neus. Voorzichtig blaast hij hem weg.
- Vader des Vaderlands, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze zoemen, fluistert hij, en grinnikt luid.
Behoedzaam aan zijn sigaar trekkend loopt hij naar de crapaud terug en gaat zitten. Hij tikt de as van zijn sigaar en wrijft die met zijn zool in het vast tapijt. Uitdagend kijkt hij naar de divan voor zich, naar het vormeloze kussen er op, waaruit het bleke hoofd van Bets groeit met het vettige aureool er rond van haar grijze haren in krulspelden. Ze zit daar als Medusa maar hij versteent niet. Arrogant tuit hij zijn lippen naar voren en lacht smalend. Maar als haar bleke armen uit het kussen schieten en ze bestraffend met haar wijsvinger naar de asvlek op de vloer prikt, laat hij bedremmeld het hoofd zakken. De lach trekt van zijn gezicht, blijft nog even bij zijn mondhoeken natrillen. Dan slikt hij hem, met het op en neer gaan van zijn adamsappel, in.
- Nou ben ik nog niet eens veertien dagen begraven en je maakt er al een zwijneboel van, roept ze bits. Sta op, en haal ogenblikkelijk veger en blik!
Hij staat op en loopt naar de keuken.
- Ik houd je in de gaten, roept ze hem schel na.
Hij duikt in elkaar als verwacht hij een schot in de rug te krijgen. Sukkelt dan verder. Als hij terugkomt zit Bets er nog, maar vager, minder dreigend. Haar hoofd zakt langzaam in de muur weg, zodat hij, met de asvlek tussen veger en blik, aarzelt.
- Je moet de jeneverfles op tafel zetten, straks schop je hem om en dan hebben we nog meer vlekken.
Heftig gaat hij met de veger heen en weer.
We, we, denkt hij. Kom ik dan verdomme nooit van dat kreng af. En jenever maakt niet eens vlekken. Zelfs water maakt nog vlekken, maar jenever niet. Jenever en tranen maken geen vlekken. Het zijn de enige zuivere vloeistoffen.
Precies op de plaats waar de asvlek gezeten heeft spuwt hij de inhoud van zijn maag uit. Met tranen in zijn ogen komt hij overeind en veegt
zijn mond en zijn kin aan zijn mouwen af.
- Smeerpijp, roept ze. Je moet je op de badkamer gaan reinigen. En dan ga je die rommel van de grond opruimen. Een emmer met ruim water en de dweil. En drie maal schoon water halen.
- Nee, Bets, nee, dat zal ik niet doen. Om de verdommenis, dat doe ik niet.
Geschrokken van zijn tegenspraak gaat hij zitten, pakt zijn glas en reikt naar de fles.
- Laat die fles staan, je hebt al genoeg gedronken! Het loopt je mond uit.
Hij pakt de fles en schenkt zijn glas tot de rand toe vol.
- Dit is het eerste glas, zegt hij, terwijl hij zijn achterhoofd in zijn nek werpt. Dat is om de vieze smaak van het kotsen weg te spoelen. En dit het tweede, dat ik vergezeld doe gaan van de kleine wens dat je nooit meer die krulspelden uit je haar kan krijgen. En dat die stalen kop van je zo spoedig mogelijk de bliksem aan mag trekken. En dit het derde! Het vierde glas valt uit zijn vingers. Het rolt tot vlak bij haar voeten die ze met een snelle beweging achteruit trekt alsof het een glibberig amphibie is. De jenever zakt in zijn stropdas weg.
- Zo gaat het niet langer met jou, Johan, zegt ze.
- Het gaat zo nog best met mij, zegt hij hikkend. Maar erg overtuigend klinkt het niet.
- Spreek me niet tegen, Johan. Het gaat zo niet langer. Je hebt al in geen dagen de afwas gedaan. Je zuigt 's ochtends niet meer en je gooit zo maar je bed achter je dicht. Ik heb mijn hielen nog niet gelicht of je verwaarloost de hele boel. Ik had het kunnen verwachten, je bent altijd een slappeling geweest die niet op eigen benen kon staan. En jij maar altijd op me mopperen dat ik steeds op je liep te vitten. Maar je had het nodig, dat zie je nu. Ik zou hier niemand kunnen, ontvangen.
- Ach mens, waar maak je je zorgen over. Je hoeft hier toch niemand meer te ontvangen. Je bent morsdood. Zo dood als een pier.
- Dat neem ik je nog het meest kwalijk. Nou lig ik er al veertien dagen onder, en je hebt me nog geen een keer opgezocht. Je hebt nog geen bloemetje gebracht. Ik lig daar maar onder dat kale zand te wachten. Geen plantje op me, niets.
- Ik zal morgen naar de bloemist gaan en een grote zak brandnetelzaad kopen. Maar denk niet dat ik het zelf kom zaaien. O nee, denk dat niet. Daar heb ik mijn mannetjes voor.
Hij lacht luid maar zijn lach verzandt halverwege in een hoestbui. Hij
zet zijn broekriem op de vreethaak en kruipt dan op handen en voeten naar het glas. Net als hij het grijpen wil schopt Bets het met een vinnige beweging van haar voet weg. Bijna raakt haar schoenpunt zijn gezicht. Het glas vliegt tegen de tafelpoot in tweeën. Het kelkje blijft met de punt omhoog liggen als een kleine ijskegel. Het voetje met de steel cirkelt traag op het tapijt uit. Hij kruipt er heen en raapt het op. Dan steekt hij het steeltje vast op een kurk en zet het voor Bets op de lage ronde tafel.
- Kijk Bets, je dacht dat je mij had hè. Maar zelfs jij kan de wonderen der natuur te voorschijn toveren. Ja, ja, voegt hij er smalend aan toe, maar je moet wel eerst dood zijn. Een kleine glazen paddestoel. Zie je, dat kan jij. Die tover je zo maar uit het tapijt. Jouw dode vlees zet zich als mycelium onder de vloer voort. Overal schieten kristallen paddestoelen omhoog.
Hij pakt de fles en brengt die naar zijn mond. Hij houdt hem zo stevig in het midden vast dat hij hem indrukt, zodat het is of hij een kleine, een heel kleine vrouw haar taille met één hand omspant.
- Je dacht dat je mij had, hè. Maar ik lebber die hele fles zó leeg. Ik heb geen glas meer nodig om te drinken. En geen bord meer voor mijn ontbijt. En ik schenk mijn thee 's ochtends gewoon in het kopje van de vorige dag. Ik doe niet meer hetzelfde als dertig, veertig mannen hier in de straat. Dit moest ik doen omdat Berg het ook deed en dat kon ik niet doen omdat Jeltsma het niet deed. Vind je dat eigenlijk niet treurig, Bets? Vind je dat nou niet zielig? Ik weet wel hoe het komt, ik weet het heus wel. Jij dacht natuurlijk, die Johan, die loopt aardig in het gareel. Als die zijn natje en zijn droogje maar op tijd krijgt heb je geen mens aan hem. Maar ik dacht na. Ondertussen ging er heel wat om in dat hoofd van me. En ik weet nu hoe het komt. Kijk!
Hij zet de fles neer, loopt naar de piano en pakt de twee gipsen koppen er af. Hij schudt er mee of het rumbaballen zijn terwijl hij naar de crapaud loopt en gaat zitten. Hij houdt ze beiden voor Bets op.
- Kijk, dit is het geheim. Hierdoor ben je helemaal in de war geraakt. Je hebt ze altijd gezien. Als kind al. Iedere dag zat je uren achter de piano met niets dan die twee bij je. Kijk, ze zijn allebei gelijk. Precies eender. Hoe scherp je ook kijkt, je kan geen verschil ontdekken. En weet je hoe dat komt? Omdat ze allebei in dezelfde mal gegoten zijn. Toch staat er onder de ene op het voetstuk Beethoven en onder de andere Mozart. En nu zal ik je iets eigenaardigs laten zien.
Hij staat op en terwijl hij met de rug naar Bets staat verwisselt hij de
koppen een paar keer. Daarna bedekt hij de namen door ze bij het voetstuk vast te grijpen en draait zich om.
- Vertel jij me eens, wie is nou Mozart?
Bets kijkt hem star aan. Even bewegen haar lippen, maar ze blijft zwijgen.
- Je weet het niet, zie je wel. Zal ik het je zeggen? In mijn rechterhand heb ik Mozart.
Hij gaat zitten, zet de gipsafgietsels op zijn knieën en houdt ze staande door zijn handen op hun vlokkige lokken te leggen.
- Zie je wel, Mozart rechts. Nu vraag je je natuurlijk af of er dan toch verschil is omdat ik niet naar de namen gekeken heb toen ik ze verwisselde. Dat is er niet. Met de binnenkant van mijn vingers voelde ik het aan de verzonken letters. Begrijp je, dat is er nou met jou gebeurd. Je zat daar maar te spelen en je keek naar die koppen. Je dacht alle mannen zijn gelijk. Ze zijn allemaal in dezelfde mal gegoten. Ze hebben alleen verschillende namen. Maar zo is het niet. Want terwijl Beethoven met een elektrisch straalkacheltje achter langpootmuggen aanjaagde haalde Mozart een motvisje uit het toilet. En er zijn nog veel meer verschillen. Wel duizenden. Het leven maakt alles verschillend. Het slaat de mensen met de koppen tegen elkaar.
Hij grijpt de koppen bij het voetstuk vast en slaat ze woest tegen elkaar.
- Zie je, nu zijn ze verschillend. Mozart met lupus en een barst van hier tot ginder. Beethoven met een in de soep gedraaid oog en een hazelip. Wat heb je daarop te zeggen, Bets?
- Je daast, Johan, je praat met een dikke tong, zegt ze terwijl ze even met haar ogen knippert, die uitdrukkingsloos blijven als van een poes in de zon.
- Maar niet met een dubbele tong, zegt hij. Ik spreek de waarheid, dal zal je toe moeten geven. Kinderen en dronken mensen hé, je weet het.
- Ja Johan, ik weet het, ik weet het. Je moest maar niet meer zoveel praten. Ik denk dat je erg moe bent. Je moest maar bij me komen, je moet maar mee gaan naar het kerkhof. Er is nog plaats voor je. Het is een familiegraf.
- Dat laat ik morgen meteen annuleren. Ik ben geen familie van je.
- Maar er is op je gerekend. Je kan er nog net bij.
- Dan laat ik je rechtop zetten. Dan kan ik er niet meer bij. Nee, ik laat me verbranden. En dan laat ik een aardrijkskundige komen en die laat ik berekenen wat het plekje op aarde is dat het verst van jouw graf is verwijderd. En daar laat ik mijn as uitstrooien. Mocht die plaats in de
zee zijn dan zal ik de zeestromen bestuderen, want ik ben als de dood dat mijn as misschien over tien miljoen jaren aan een kust aan zal spoelen waar je na honderden kilometers sporen jouw graf zou kunnen bereiken. Nee, meiske, het is helemaal uit tussen ons.
- Man en vrouw is één vlees, beste Johan. Dat schijn je te vergeten. Als ik verdwijn, als mijn vlees wegrot, hoor jij automatisch te volgen. Kom maar, wees maar niet bang!
Ze maakt aanstalten om op te staan.
Verschrikt heft hij zijn handen omhoog. Mozart en Beethoven vallen rechts en links langs zijn benen op de grond. Hij probeert zijn mond te openen, maar het is of zijn wijd opengesperde ogen alle kracht uit zijn kaakspieren hebben opgezogen. Zonder zijn ogen van Bets af te wenden tast zijn hand naar de jeneverfles, die hij boven zijn hoofd brengt en met kracht naar haar toewerpt. Vlak boven haar slaat hij tegen de muur aan scherven. De vloeistof slaat een grillige ster achter haar hoofd op het behang zodat het is of haar haren uit de krulspelden springen en alle kanten opsteken. Maar tegelijkertijd wordt zij door de jenever opgelost, vervaagt en verdwijnt dan helemaal. Druppels trekken vertikale strepen naar het vormeloze kussen dat het dessin van haar bloemetjesjapon heeft prijsgegeven. Als hij opstaat merkt hij hoe de drank zijn lichaam tot een vermolmd stuk hout heeft gemaakt dat hij met moeite de kamer uit kan krijgen. Geleund tegen de post van de keukendeur blijft hij staan en knipt het licht aan. Met een mengeling van verwondering en afschuw kijkt hij naar het aanrecht vol vuil vaatwerk. Er zijn borden met etenswaren bij waar een groen maanlandschap van schimmel over ligt.
Ze heeft het allemaal gezien, denkt hij. Er blijft niets voor haar verborgen. Zelfs niet nu ze dood is. Ze komt iedere dag op bezoek. Misschien is ze wel voorgoed uit haar graf gekomen en houdt ze zich hier schuil. Een panische angst maakt zich van hem meester. Wild gaat hij door het huis rennen, opent alle kasten en kijkt onder de bedden. Zelfs de smalste laden trekt hij open.
Ik moet naar haar graf toe, denkt hij. Dan pas weet ik zeker dat ze zich hier niet schuilhoudt.
Hij duwt de serredeuren open en rent zonder zijn jas aan te doen de koude herfstnacht in. Woest baant hij zich een weg door de struiken achter in de tuin. Lichtgevende bladeren dwarrelen rond zijn hoofd. Door de brandgang rent hij naar de straatweg. Hij wil schreeuwen, maar hij kan zijn lippen niet van elkaar krijgen. Het is of de herfstdraden die
langs zijn gezicht slierten hem muilkorven. Pas als hij de grote autoweg die de polder inloopt heeft bereikt komt hij tot rust. Naast het rijwielpad gaat hij in het natte gras lopen. Er hangt een dikke mist die de auto's in melkwitte kegels traag voor zich uitduwen.
Ik heb het niet verdiend om door iemand achtervolgd te worden die dood is, denkt hij. Ik heb een motvisje uit de W.C. gered. Een motvisje is een schepsel Gods. Het geringste schepsel van God misschien, want het is een wandelend stukje stof. Wat ge aan de minste mijner schepselen hebt gedaan dat hebt ge aan mij gedaan staat er geschreven. Ik heb God als een motvisje uit de W.C. gehaald. Ik laat God niet door de plee spoelen. Door niemand!
In de verte nadert een auto met groot licht. Even blijft hij staan en knippert met zijn ogen. Dan steekt hij het rijwielpad over en rent het asfalt op. Hij loopt zo snel dat het is of hij zich met zijn voor zich uit maaiende armen aan de mist naar voren trekt en zijn benen slap en willoos achter hem aanzweven. Zijn armen vooruit om het te omhelzen stormt hij het licht tegemoet.