Er zijn zoveel rondweg onbenullige critici, zelfs in onze grootste kranten, dat het om tactische redenen ongewenst lijkt, een intelligent man als Lehmann te kiezen als demonstratie-object van hoe het niet moet. Aan de andere kant kan juist het intellectuele peil van een recensent zijn tekorten duidelijker aan het licht brengen. In het geval van Lehmann houdt dat in, dat kokette grapjes en onzakelijke uitweidingen het meest substantiële deel van zijn artikelen vormen. Lehmann is - en daarin mag men hem representatief voor een hele groep achten - niet in staat, zich bij zijn onderwerp te houden; hij roert dat onderwerp vaak zelfs alleen maar terzijde aan.
Doorgaans heeft men de indruk, dat Lehmann dat zelf ook wel beseft, maar niet goed weet wat hij er aan doen moet. Zo herinner ik mij een bewonderend artikel over dat al zo vaak gemaltraiteerde De god denkbaar denkbaar de god, waarin Lehmann verklaart het boek aan het hart te koesteren, maar niet te weten waarom hij het eigenlijk zo mooi vindt. Dat mag natuurlijk, maar in het belang van Hermans had hij de mededeling van zijn onvermogen tot de kring van intieme vrienden kunnen beperken. Nu lijkt het of men even weinig redenen als Lehmann moet hebben, om het boek te kunnen waarderen.
Ik noemde Lehmann intelligent; het lijkt mij zelfs duidelijk dat al zijn slagen-om-de-arm, zijn omweggetjes (dat zou hij zelf in het Engels gezegd hebben), die hele demonstratie van een ongeneeslijke esprit d'escalier, uit intelligentie voortkomen - een remmende, alles steeds verder complicerende intelligentie die echter niet groot genoeg is om al die complicaties weer als betrekkelijk te zien. Een artikel van Lehmann zit vol vondstjes en zelfs vondsten, maar hij is nooit in staat om de ballast over boord te gooien. Schrijven gaat hem blijkbaar zo moeilijk af dat schrappen tot de onmogelijkheden behoort. De lezer krijgt daardoor de onaangename en hem niet toekomende taak opgelegd, uit een baaierd van noties het weinige te zoeken dat werkelijk ter zake is. Hij gaat, achter de schrijver aan, het struikgewas in, maar de hoofdweg moet hij op eigen kracht terug zoeken. Wanneer Lehmann iets meedeelt dat wij zonder meer geloven, is dat zelden over het door hem besproken werk, maar bijna steeds over de tics van Lehmann. Hij heeft blijkbaar, zodra hij de pen in de hand neemt, zoveel met zich zelf uit te vechten, dat hij aan zijn onderwerp niet toekomt.
Een fraai voorbeeld van zijn manier van schrijven is te lezen in Vrij Nederland van 1 september jl., Remco Campert: indringend spreken.
De eerste zin van het stuk luidt: ‘De poëzie van Remco Campert is een soort wonder en waarschuwing. Het wonder is
dat iemand die zo maar wat doodgewone woorden voor zich uit schijnt te mompelen, zonder zich druk te maken, zoveel kan zeggen en dat vele dan ook nog zo ‘poëtisch' zeggen’.
Daar staat zo het een en ander, maar wordt er wat gezegd, al of niet poëtisch? Campert schijnt doodgewone woorden te mompelen; hij doet het dus niet echt, maar wat hij dan wel doet blijft verzwegen. Campert ‘maakt zich niet druk’, ik had het al vermoed, maar wat begin ik met de mededeling wanneer ik in zijn poëzie wil doordringen? Campert ‘kan zoveel zeggen’ tijdens het mompelen van doodgewone woorden. Interessant, maar te vaak gezegd en over te veel dichters, om ons het gevoel te geven, dat wij getuige zijn van een echt wonder. En dat dat alles door Campert nog zo ‘poëtisch’ gezegd wordt ook, dat was zelfs voor Lehmann een slag in de lucht. Waarom anders die aanhalingstekens? Toch zeker om op flinke afstand van de eigen terminologie te blijven, door middel van de plattelanders-ironie waar Litterair Paspoort van gemaakt is, een ironie die niets anders is dan één van de goedkoopste middelen om een slag om de arm te houden. Wat het ‘soort (weer zon slag om de arm) wonder’ is dat in Camperts poëzie te vinden is, krijgt de lezer dus niet te horen. En de ‘waarschuwing’, die Camperts poëzie ook nog is (sic)?
‘De waarschuwing is, dat als men campertlezer is en zich gaat verlustigen in regels die bardisch gonzen, of in ingenieuze circumlocuties, men vaker dan anderen (misschien) aan Campert denkt en gaat vermoeden dat men zich aan bombast zit te bezatten.’
Een pagina Merlyn met een flink extra honorarium, voor degeen die mij nu weer bevrijden kan van het vermoeden dat de bombast hier van Lehmann en niet van Campert afkomstig is. In die pagina moet natuurlijk ook verklaard worden hoe de regels van Campert er uit zien, waarin hij zowel doodgewone woorden voor zich uit mompelt als bardisch gonst. Wat bardisch gonzen is hoef ik dan allang niet meer te weten.
Maar Lehman, ik heb het al gezegd, is niet dom. Juist zijn intelligentie drijft hem nu tot de volgende slag-om-de-arm, nieuwe traptrede. ‘Oef’, zegt hij namelijk, ‘Oef, dat was een zin waar ik moeilijk uitkwam en flarden ervan kleven nog wel aan me’. Het kan iedere criticus gebeuren dat hij met het verkeerde been begint, maar men mag van hem verwachten dat hij schrapt, zodra hij dat door heeft, en gewoon opnieuw begint. Wie dat niet doet, wie zo'n broddelzin laat staan, gaat er van uit, dat zijn lezers zich ook nog voor zijn kladblaadjes moeten interesseren, terwijl zij in werkelijkheid liever helemaal niet met hem maar met zijn slachtoffer te maken hebben.
In het Vrij Nederland-stuk van Lehmann krijgen wij te horen dat Lehmann best van circumlocutie houdt, maar niet wat dat is (want dat de polyglot Lehmann zelf geschreven heeft dat het een synoniem van ‘beeldspraak’ is, mag men niet aannemen; dat moet een streek van een duizelig geworden zetter geweest zijn); verder weten wij aan het eind van het stuk niet wat sonoor gonzende versregels zijn, maar wel dat Lehmann er geen bezwaar tegen heeft, ‘vooral wanneer hij in bed leest’, en zo horen wij nog heel wat over zijn horizontale en verticale gewoonten.
Weliswaar gaat het in de volgende 120 regels van het artikel minder spaans toe dan in de hier behandelde 20, maar één ding blijft het hele stuk door opvallen: de hardnekkigheid waarmee aandacht gevraagd wordt voor een meneer waar het helemaal niet om gaat. En op dat punt levert Lehmann ons een portret, en soms zowaar een parodie, van wat ons wekelijks als litteraire critiek opgedist wordt, - en hierbij heb ik niet speciaal Vrij Nederland op het oog, want dat brengt het er vaak niet slecht af.
Men kan de houding van dit soort critici karakteriseren met één zin uit het stuk van Lehmann over Campert: ‘Ik hoop dat wat ik wou zeggen duidelijk is, al is het natuurlijk niet waar’.
J.J.O.
Omdat Lunshof en Duyzings bij ‘Elsevier’ niet alles kunnen doen, hebben ze de romanschrijver Albert van der Hoogte maar met de bespreking van het Nederlandse proza belast. Van der Hoogte doet zijn werk zeer vlijtig, en de flater van de ene week verhindert hem niet, er de week daarop even joyeus weer een te slaan. Joyeus is Van der Hoogte; als zijn zinnen niet zo lang waren, zou hij de Praetvaer van de critici kunnen zijn. Maar behalve dat hij leutert, is Van der Hoogte ook erudiet; hij heeft nog een paar boeken meer gelezen dan die hij bespreekt en die gebruikt hij dan bij zijn bespreking net verkeerd. Denken kan Van der Hoogte niet, maar van iemand die èn romans èn kritieken schrijft, kun je dat ook nog niet verwachten.
Op 6 oktober werkte Van der Hoogte drie boeken uit zijn stapel recensie-exemplaren weg. Hij noemde zijn stuk ‘Degelijk en netjes’. Netjes was het wel. Het was de week van de kleinere talenten en zo kwamen aan de beurt: Jan Mens, Conny Sluysmans, Nederlands unieke auteur van gedecolleteerde dienstboden-romans, en C.J. Kelk en Wim Alings jr, die, omdat ze soms samen de ‘Groene’ onleesmaken, samen een roman hebben geschreven die ‘Twee uitslovers’ heet. Het woord is nu aan Van der Hoogte. De inzet is origineel. ‘De roman Judaspenningen en Pauweveren' van C.J. Kelk, die kort na de oorlog verscheen, beschouw ik nog steeds als één van de beste boeken van de laatste kwart eeuw’. ‘Hoe nou verder’, moet Van der Hoogte gedacht hebben. Waarna hij besloot, met een nieuwe alinea te beginnen. Laat ik het ook doen.
‘Kelk heeft nadien als romancier lange tijd gezwegen’, herademt Van der Hoogte, en hij vervolgt: ‘Daarom was het met een gevoel van blijdschap dat ik onlangs zijn naam weer op een titelblad zag prijken.’ Iedereen is natuurlijk blij met Van der Hoogtes gevoel van blijdschap, om over de blijdschap van Kelk maar niet te praten. Blij van hart komt de criticus nu in de buurt van het boek waarover hij iets moet zeggen. Hij wordt voor zijn oordeel en niet voor zijn pret betaald. En daarom vervolgt hij zijn middenstandsproza aldus: ‘Hij heeft de pen echter niet opgevat dan na samenspraak en in samenwerking met een jongere collega, te weten Wim Alings Jr. Het resultaat van hun gezamenlijk streven is een roman in brieven geworden.’ Dat gaat makkelijk: je praat samen, je werkt samen, je vat de pen weer op - alle drie ongetwijfeld edele zaken - en intussen streef je ook nog en maak je een roman. Hierna volgt een literair-historisch slippertje bij de dames Wolff en Deken, die, zoals Van der Hoogte weet, ook romans in brieven schreven, en wordt Vestdijk om duistere redenen een ‘alchimist’ genoemd. ‘Vergeet uw yoghurt niet’, had er ook nog kunnen staan. Dan kletst Van der Hoogte nog twee kleine alinea's over het boek bij elkaar. En hij besluit met een stuke detailkritiek, dat zijn buiten-literaire eruditie bewijst en daarom bescheiden tussen haakjes werd gezet: ‘A propos: waarom maakt Alings van de jonge ambtenaar wiens spreekbuis hij is, een legatiesecretaris bij de Ambassade in Napels? Hij weet toch wel, dat de Nederlandse vertegenwoordiging in die stad uitsluitend consulair wordt onderhouden?’ A propos, Wim, kijk voortaan in de Staatsalmanak. Toch is het boek ‘de moeite waard’. Er staat niet bij, waarvan.
Gauw naar Conny Sluysmans. Die heeft een nette roman over een Spaanse hoer geschreven, nogal onvakkundig, niet als schrijfster, maar als sociologe en psychopathologe, volgens Van der Hoogte dan, die van hoeren evenveel blijkt te weten als van de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland: ‘Wie, als Uw recensent, in zijn studententijd de twee delen van Iwan Bloch's Die Prostitution heeft moeten doorworstelen, vindt opvallend weinig raakpunten met de sociologische en psychopathologische factoren, die inhaerent zijn
aan de prostitutie’. Dat is een heel mooie zin. Onze recensent moet een goed student zijn geweest en toen al vlijtig: het boek was looiig, maar hij beet op zijn lippen, balde zijn vuistjes en haalde de laatste bladzijde van het tweede deel. Maar Van der Hoogte weet nòg meer en hij beseft ook nog meer. Want hij gaat na de zo juist geciteerde zin verder: ‘Nu weet ik wel dat Bloch een geleerde uit een noordelijk land was en Pepita een Spaans meisje; ook besef ik dat Conny Sluysmans een roman heeft willen schrijven en geen academisch geschrift’. Hier weet zelfs Van der Hoogte de zaak niet meer te redden, en hij maakt zijn zin daarom maar niet af. Hij had alleen nog kunnen schrijven: ‘En daarom is alles wat hier staat, overbodig’, maar dat doe je niet als je Blochs delen helemaal gelezen hebt. Toch is Van der Hoogte via de baan op de goede weg gekomen: hij beseft al, dat een romanschrijfster een roman geschreven heeft. Lang niet al zijn collega's hebben dat al ontdekt. Maar die zijn ook niet academisch gevormd.
Over Jan Mens wordt gezegd, dat hij vijfenzestig geworden is en dat hij ‘een welbesteed leven achter zich’ heeft. Geef me de vijf, Jan. Van der Hoogte vertelt, dat hij vroeger drie boeken van Mens heeft gelezen, schrijft dan een halve regel over Mens' jongste, waaruit blijkt dat hij niet de moeite heeft genomen, een vierde te lezen. Maar hij wenst Jan Mens nog veel jaren toe. ‘En op naar de twee miljoen’ is de juichende slotkreet van het stuk. Laten we elkaar nu maar omhelzen.
K.F.