terug  begin  verder
[p. 75]

Folgore da San Gimignano
De Zeven Dagen van de Week
W. van Elden

In het begin van de veertiende eeuw heeft een Toskaanse dichter, die in de oorkonden wordt aangeduid als Giacomo, zoon van Michele uit San Gimignano en die zichzelf glorieus Folgore pleegt te noemen, een soort Semaine de Paris in sonnetvorm opgedragen aan de jonge condotterie Carlo di Guerra Cavicciuli, van wie wij weten dat hij in 1308 het Sangimignaanse leger heeft aangevoerd in de oorlog tegen het naburige Volterra en van wie Folgore elders getuigt dat hij zijn geld niet tegen rente placht uit te zetten, maar zijn florijnen nog vlotter liet rollen dan de beruchte verkwister Azzo VIII d'Este.

Deze reeks van zeven gedichten geeft ons een bijzonder levendig beeld van de wijze waarop destijds de Toskaanse jongelui van goeden huize hun overvloed aan vrije tijd besteedden. Geld speelde in deze kringen kennelijk geen rol. En door de wolken, die zich aan de vooravond van Siena's verval boven hun geboortgrond samenpakten, lieten zij hun animo om van het leven te genieten niet in het mist bederven. Men krijgt veeleer de indruk dat hun onverzadelijke levenslust daardoor juist nog werd gestimuleerd.

De cyclus is zeer zorgvuldig en evenwichtig gecomponeerd. Het eerste kwatrijn van de Maandag vormt als het ware de prelude. Met de terzinen van de Zondag wordt de reeks als met een coda afgesloten. In deze omlijsting zijn de zeven dagen gevat, elk met zijn eigen specifiek onderwerp en zijn eigen sfeer, met dien verstande dat de eerste en de laatste dag van de week beide aan de liefde gewijd zijn. De Maandag bevat voorts een toespeling op de maan, de domenica op de Heer. Ook is het niet toevallig dat op Dinsdag, martedi, de dag van Mars, oorlog wordt gevoerd en dat op Vrijdag, venerdi, de arts venatoria, de jacht, hoogtij viert.1 En om dezelfde reden vindt op Donderdag, giovedi, door associatie met het Italiaanse woord ‘giostrar’ een steekspel plaats. De ver-

[p. 76]

taler is al erg blij dat de Nederlandse taal het hem mogelijk maakt althans een paar van deze woordspelingen over het voetlicht te brengen. Folgore's stijl is in sommige opzichten merkwaardig modern. Aan orthodoxe zinsbouw laat hij zich niets gelegen liggen. Hij heeft een voorkeur voor zinnen met niets dan werkwoorden in de onbepaalde wijs. In lapidaire nevenschikkingen en schijnbaar onsamenhangende ellipsen flitsen de jacht- en liefdestafrelen, de tournooien en feestmaaltijden aan ons oog voorbij. De evocatieve kracht van deze stijl is verbluffend. Het beeld van het slagveld na de overwinning aan het slot van de Dinsdag en de typering van de kameraadschappelijke sfeer na de jacht op Vrijdag zijn hiervan treffende staaltjes. Folgore's scènes zijn zo mogelijk nog frisser en kleuriger dan de miniaturen die vele handschriften uit deze en later tijd verluchten.

De verheven ideeënvlucht en de ernstige levensbeschouwing van hun tijdgenoot Dante zijn Folgore en de zijnen volmaakt vreemd. Hun belangstelling is uitsluitend gericht op de aardse genietingen. Op Zondag, de Dag des Heren, is bij Folgore van kerk en geloof in het geheel geen sprake. Integendeel, op krasse wijze geeft hij in zijn desbetreffend sonnet te kennen dat dit bij uitstek de dag is om aan de zinnelijke liefde te wijden en dat alle wegen niet naar Rome voeren maar naar Florence.

Zijn vermaardheid heeft Folgore voornamelijk te danken aan een andere sonnettenkrans waarin hij beschrijft hoe men de twaalf maanden van het jaar op de meest plezierige manier door kan brengen, een ensemble dat reeds eerder door Dolf Verspoor in het Nederlands werd vertaald. De Zeven Dagen hebben een ander tempo, een andere toonaard, en ook een andere toonhoogte. Zij zijn minder snel, wat weker en iets lager van timbre. Daardoor missen zij wellicht hier en daar het tintelende brio van de Twaalf Maanden, maar daartegenover doen zij Folgore weer van een andere kant kennen doordat hier ook de meer geestelijke genoegens van het hoofse verkeer met vrouwen, van de muziek en van de verpleging door zachte vrouwenhanden aan het woord komen. Ik deel dan ook de mening van degenen die van oordeel zijn dat Folgore's weekagenda teveel door zijn jaarkalender in de schaduw is gesteld2.

[p. 77]
Lunidie
 
Quando la luna e la stella dïana
 
e la notte si parte e 'l giorno appare,
 
vento leggero, per polire l'are
 
e far la gente star allegra e sana;
 
 
 
il lunedì, per capo di semana,
 
con instrumenti mattinata fare,
 
ed amorose donzelle cantare
 
e 'l sol ferire per la meridiana.
 
 
 
Lèvati sù, donzel, e non dormire,
 
ché l'amoroso giorno ti conforta
 
e vòl che vadi tua donn'a servire.
 
 
 
Palafren e distrier sian a la porta,
 
donzelli e servitor con bel vestire:
 
e po' far ciò ch'Amor comanda e porta.
Maandag
 
Wanneer de nacht, de sterren en de maan
 
Heengaan en 't zonlicht blij komt binnendringen,
 
Polijst een luchtig briesje alle dingen
 
Zodat elk fris en vrolijk op kan staan.
 
 
 
Op Maandag, om de week goed in te gaan,
 
Een mooie vrouw met vedelaars omringen
 
En de verliefde meisjes horen zingen
 
Al laait de zon in 't zenith van zijn baan.
 
 
 
Word wakker, jonge vriend, en uit de veren!
 
Dit is de dag om vrouwen te vereren,
 
Ga naar uw liefste en dien haar als 't behoort;
 
 
 
Paarden staan aan de poort en hakkemeien,
 
Pages en knechts in keurige livreien:
 
Rij naar haar toe, want Amor is aan 't woord.
[p. 78]
Martidie
 
E 'l martedì li do un nòvo mondo:
 
udir sonar trombetti e tamburelli,
 
armar pedon, cavalier e donzelli,
 
e campane a martello dicer ‘dón do’;
 
 
 
e lui primèro e li altri secondo,
 
armati de loriche e di cappelli,
 
veder nemici e percoter ad elli,
 
dando gran colpi e mettendoli a fondo;
 
 
 
destrier veder andar a voite selle,
 
tirando per lo campo lor segnori,
 
e strascinando fegati e budelle;
 
 
 
e sonar a raccolta trombatori
 
e sufoli, flaùti e ciramelle
 
e tornar a le schiere i feritori.
Dinsdag
 
Op Dinsdag laat ik u heel anders leven
 
En luisteren naar trommels en trompetten.
 
Voetvolk en ruiters gaan hun wapens wetten,
 
De klokketorens van 't gebimbam beven.
 
 
 
En hij voorop, door anderen omgeven,
 
Met helm en harnas, zwaard en ganteletten.
 
De vijand zien, aanvallen, korte metten:
 
Hak erop in en ze op de vlucht gedreven!
 
 
 
Met lege zadels paarden rond zien razen,
 
Die hun berijders over 't slagveld sleuren
 
En ingewanden her en der verscheuren;
 
 
 
Trompetters de overwinning horen blazen,
 
Gerochel, fluitsignalen, jubelkreten,
 
En naar uw tenten, trots te paard gezeten.
[p. 79]
Mercoredie
 
Ogni mercoredì corredo grande
 
di lepri, starne, fagian e paoni,
 
e cotte manze ed arrosti capponi
 
e quante son delicate vivande;
 
 
 
donn'e donzelle star per tutte bande,
 
figlie di re, di conti e di baroni,
 
e donzellett'e giovene garzoni
 
servir portando amorose ghirlande;
 
 
 
coppe, nappi, bacin d'oro e d'argento,
 
vin greco di rivèra e die vernaccia,
 
frutta, confetti quanti li è 'n talento,
 
 
 
e presentarvi uccellagioni e caccia:
 
e quanti son a suo ragionamento
 
sì sien allegri e con la chiara faccia.
Woensdag
 
En elke Woensdag gaat een feest beginnen:
 
Aan 't spit gebraden reerug wacht u thans,
 
Haas en fazant, patrijs, kalkoen en gans
 
En wat ge maar aan lekkers kunt verzinnen.
 
 
 
De schoonste vrouwen noden u ten dans,
 
Prinsessen, baronessen en gravinnen;
 
Jongens en meisjes torsen 't wildbraad binnen
 
Met in hun krullen elk een bloemenkrans.
 
 
 
De bekers zijn van zilver en van goud,
 
De wijnen naar de smaak van jong en oud,
 
Fruit en bonbons verlokken u op schalen;
 
 
 
En staat het wild en het gevogelt klaar,
 
Dan praten al uw gasten met elkaar
 
Met ogen die van vreugd en eetlust stralen.
[p. 80]
Giovedie
 
Ed ogni giovedì torneamento,
 
e giostrar cavalier ad uno ad uno,
 
e la battaglia sia 'n luogo comuno,
 
a cinquanta e cinquanta e cento e cento.
 
 
 
Arme, destrier e tutto guarnimento,
 
sien d'un paraggio addobbati ciascuno;
 
da terza a vespro, passato 'l digiuno,
 
allora si conosca chi ha vénto.
 
 
 
E po' tornar a casa a le lor vaghe,
 
ove serann' i fin letti soprani;
 
e' medici fasciar percosse e piaghe,
 
 
 
e le donne aitar con le lor mani:
 
e di vederle sì ciascun s'appaghe,
 
che la mattina sien guariti e sani.
Donderdag
 
Donderdags een tournooi: klaroenen schallen,
 
Het volk verdringt zich om het strijdperk heen.
 
De ridders in het krijt een tegen een
 
En dan bij vijftig- en bij honderdtallen.
 
 
 
Gelijke paarden hebben uw vazallen
 
En ook gelijke wapens heeft elkeen.
 
Het duurt van vroeg tot laat. Naar spijs taalt geen
 
Voordat men weet wie 't beste was van allen.
 
 
 
En dan naar huis toe gaan om rust te vinden
 
Waar elk een vorstelijke sponde wacht
 
En dokters alle wonden vlug verbinden;
 
 
 
Door vrouwenhanden wordt het leed verzacht
 
En enkel bij het zien van zijn beminden
 
Is ieder al genezen in één nacht.
[p. 81]
Venerdie
 
Ed ogni venerdì gran caccia e forte:
 
veltri, bracchetti, mastin e stivori,
 
e bosco basso miglia di staiori,
 
là 've si troven molte bestie accorte,
 
 
 
che possano veder, cacciando, scorte;
 
e rampognar ensieme i cacciatori,
 
cornando a caccia presa i cornatori:
 
ed allor vegnan molte bestie morte.
 
 
 
E po' recoglier i cani e la gente,
 
e dicer: - L'amor meo manda e cotale.
 
- A le guagnèle, serà bel presente!
 
 
 
- El par ch' i nostri cani avesser ale!
 
- Tè tè', Belluccia, Picciuolo e Serpente,
 
ché oggi è 'l dì de la caccia reale!
Vrijdag
 
En Vrijdags een geweldig grote jacht
 
Met hazewinden, brakken en wolfshonden;
 
Laag eikenhakhout mijlenver in 't ronde
 
Waar 't wemelt van het wild bij dag en nacht.
 
 
 
De meute er achteraan uit alle macht,
 
De jagers onderling kort aangebonden,
 
Totdat de horenblazers 't eind verkonden
 
En heel de buit naar u wordt toegebracht.
 
 
 
Zijn allen weer verzameld in uw woning,
 
Dan zeggen: - Doe de groeten aan mijn vrind -
 
- Bij de apostelen, een prachtbeloning! -
 
 
 
- 't Leek of hij vleugels had, mijn hazewind -
 
- Gejaagd heb ik vandaag gelijk een koning -
 
- Bravo Diana, Bello, Copperprint! -
[p. 82]
Sabato die
 
E 'l sabato diletto ed allegrezza
 
en uccellar e volar di falconi,
 
e percuotere grue, ed alghironi
 
iscendere e salire 'n grand'altezza;
 
 
 
ed a l'oche ferir per tal fortezza
 
che perdan l'ale, le cosce e' gropponi;
 
corsier e palafren mettere a sproni,
 
ed isgridar per gloria e per baldezza.
 
 
 
E po' tornar a casa e dir al cuoco:
 
- To' queste cose e acconcia per dimane,
 
e pela, taglia, assetta e metti a fòco;
 
 
 
ed abbie fino vino e bianco pane,
 
ch'e' s'apparecchia di far festa e giuoco;
 
fa che le tue cucine non sian vane! -
Zaterdag
 
En Zaterdags verheugd uw hart ophalen
 
Aan een joyeuse valkenjacht te paard;
 
Kraanvogels stoten, reigers naar hun aard
 
Hoog in de luchten zien stijgen en dalen;
 
 
 
Een koppel wilde ganzen achterhalen
 
En hun een poot uitpikken of een staart,
 
Volbloeds aansporen tot steeds groter vaart
 
En juichen van plezier en zegepralen.
 
 
 
En aan de kok thuis zeggen na de rit:
 
- Neem alles mee en maak het klaar voor morgen,
 
Pluk ze en braad ze boven 't vuur aan 't spit;
 
 
 
Haal wittebrood, kies een belegen wijn
 
En ga voor een uitbundig feestmaal zorgen,
 
Toon dat een kok een kunstenaar kan zijn! -
[p. 83]
Domenica die
 
A la domane, a l'apparér del giorno
 
venente, che domenica si chiama,
 
qual più li piace, damigella o dama,
 
abbiane molte che li sien da torno;
 
 
 
en un palazzo dipinto e adorno
 
ragionare con quella che più ama;
 
qualunche cosa che desia e brama,
 
vegna in presente senza far distorno.
 
 
 
Danzar donzelli, armeggiar cavalieri,
 
cercar Fierenze per ogni contrada,
 
per piazze, per giardin e per verzieri;
 
 
 
e gente molta per ciascuna strada,
 
e tutti quanti il veggian volontieri:
 
ed ogni dì de ben en meglio vada.
Zondag
 
En morgen bij het krieken van de dag
 
Als 't Zondag is ofwel de dag des Heren,
 
Een vrouw of meisje vurig gaan vereren,
 
De mooiste van de velen die je zag.
 
 
 
In een paleisje dat er wezen mag
 
Met haar die je het liefst is converseren,
 
En al wat zij mocht wensen of begeren
 
Verschijnt terstond en als bij toverslag.
 
 
 
De jonkers dansen en de ridders strijden,
 
En naar Florence leiden alle wegen
 
Door tuinen, over pleinen en langs weiden;
 
 
 
In elke straat kom je veel mensen tegen
 
Die je allen even gaarne mogen lijden
 
En zo brengt elke dag meer heil en zegen.
1Aan het slot van de Vrijdag heb ik de verleiding niet kunnen weerstaan mijn dierbare spaniel even om de hoek te laten kijken. Ik hoop dat de lezer aan dit modernisme geen aanstoot zal nemen.
2Literatuur: Ferdinando Neri, I Sonetti di Folgore da San Gimignano (Citta di Castello, 1914), Mario Marti, Poeti Giocosi del Tempo di Dante (Milano, 1956) en Dolf Verspoor, De Maanden onzer Jaren (Den Haag, 19602).
terug  begin  verder