In het begin van de veertiende eeuw heeft een Toskaanse dichter, die in de oorkonden wordt aangeduid als Giacomo, zoon van Michele uit San Gimignano en die zichzelf glorieus Folgore pleegt te noemen, een soort Semaine de Paris in sonnetvorm opgedragen aan de jonge condotterie Carlo di Guerra Cavicciuli, van wie wij weten dat hij in 1308 het Sangimignaanse leger heeft aangevoerd in de oorlog tegen het naburige Volterra en van wie Folgore elders getuigt dat hij zijn geld niet tegen rente placht uit te zetten, maar zijn florijnen nog vlotter liet rollen dan de beruchte verkwister Azzo VIII d'Este.
Deze reeks van zeven gedichten geeft ons een bijzonder levendig beeld van de wijze waarop destijds de Toskaanse jongelui van goeden huize hun overvloed aan vrije tijd besteedden. Geld speelde in deze kringen kennelijk geen rol. En door de wolken, die zich aan de vooravond van Siena's verval boven hun geboortgrond samenpakten, lieten zij hun animo om van het leven te genieten niet in het mist bederven. Men krijgt veeleer de indruk dat hun onverzadelijke levenslust daardoor juist nog werd gestimuleerd.
De cyclus is zeer zorgvuldig en evenwichtig gecomponeerd. Het eerste kwatrijn van de Maandag vormt als het ware de prelude. Met de terzinen van de Zondag wordt de reeks als met een coda afgesloten. In deze omlijsting zijn de zeven dagen gevat, elk met zijn eigen specifiek onderwerp en zijn eigen sfeer, met dien verstande dat de eerste en de laatste dag van de week beide aan de liefde gewijd zijn. De Maandag bevat voorts een toespeling op de maan, de domenica op de Heer. Ook is het niet toevallig dat op Dinsdag, martedi, de dag van Mars, oorlog wordt gevoerd en dat op Vrijdag, venerdi, de arts venatoria, de jacht, hoogtij viert.1 En om dezelfde reden vindt op Donderdag, giovedi, door associatie met het Italiaanse woord ‘giostrar’ een steekspel plaats. De ver-
taler is al erg blij dat de Nederlandse taal het hem mogelijk maakt althans een paar van deze woordspelingen over het voetlicht te brengen. Folgore's stijl is in sommige opzichten merkwaardig modern. Aan orthodoxe zinsbouw laat hij zich niets gelegen liggen. Hij heeft een voorkeur voor zinnen met niets dan werkwoorden in de onbepaalde wijs. In lapidaire nevenschikkingen en schijnbaar onsamenhangende ellipsen flitsen de jacht- en liefdestafrelen, de tournooien en feestmaaltijden aan ons oog voorbij. De evocatieve kracht van deze stijl is verbluffend. Het beeld van het slagveld na de overwinning aan het slot van de Dinsdag en de typering van de kameraadschappelijke sfeer na de jacht op Vrijdag zijn hiervan treffende staaltjes. Folgore's scènes zijn zo mogelijk nog frisser en kleuriger dan de miniaturen die vele handschriften uit deze en later tijd verluchten.
De verheven ideeënvlucht en de ernstige levensbeschouwing van hun tijdgenoot Dante zijn Folgore en de zijnen volmaakt vreemd. Hun belangstelling is uitsluitend gericht op de aardse genietingen. Op Zondag, de Dag des Heren, is bij Folgore van kerk en geloof in het geheel geen sprake. Integendeel, op krasse wijze geeft hij in zijn desbetreffend sonnet te kennen dat dit bij uitstek de dag is om aan de zinnelijke liefde te wijden en dat alle wegen niet naar Rome voeren maar naar Florence.
Zijn vermaardheid heeft Folgore voornamelijk te danken aan een andere sonnettenkrans waarin hij beschrijft hoe men de twaalf maanden van het jaar op de meest plezierige manier door kan brengen, een ensemble dat reeds eerder door Dolf Verspoor in het Nederlands werd vertaald. De Zeven Dagen hebben een ander tempo, een andere toonaard, en ook een andere toonhoogte. Zij zijn minder snel, wat weker en iets lager van timbre. Daardoor missen zij wellicht hier en daar het tintelende brio van de Twaalf Maanden, maar daartegenover doen zij Folgore weer van een andere kant kennen doordat hier ook de meer geestelijke genoegens van het hoofse verkeer met vrouwen, van de muziek en van de verpleging door zachte vrouwenhanden aan het woord komen. Ik deel dan ook de mening van degenen die van oordeel zijn dat Folgore's weekagenda teveel door zijn jaarkalender in de schaduw is gesteld2.