|
|
|
| |
| | | |
Uitlegging van de Tytelplaat.
De wakk're Bruidegom, ontvonkt door ted're min,
Ontvangt de Rechterhand van zyne Hartvriendin,
Terwyl ze aandachtig naar de Huuwlykswetten hooren,
Die hen een Hemeltolk, vol Godtsvrucht leeft te vooren;
Opdat zy leeven, van het bloeijen hunner Jeugd
Tot hunnen Ouderdom, vol zuiv're liefde en deugd.
De Minnewichtjes, die we in 't Tafereel zien zweeven,
Beduiden 't nut des Echts in 't onbesproken leven;
Het nstrooijt uit zyn korf gebloemte en edel kruid,
Verbeeldende de Jeugd van Bruidegom en Bruid;
Dat met een Sleutel leert hoe zy met hart en zinnen
En door Getrouwigheid elkander moeten minnen;
Opdat, gelyk het Kind met zyn graanaatooft zegt,
Hun huis van Eendracht bloeije in Vruchten van hun Echt.
Dan treeden ze in een beemd die we in 't verschiet aanschouwen,
En proeven 't lieflyk zoet der Paradyslandsdouwen,
Waarin de minnevlam, door fakkelen verbeeld,
Hun beider hart en ziel met reine weelde streelt;
Zo gaa hunn' handel noch hun zegening verloren,
Verbeeldt door staf en hoed, en Amaltheaas hooren,
Bloeij van der Meulen, met uw Lief des Amorie;
Opdat uw stam de vrucht van uwe bruiloft zie;
Zo moet gy 't zilver feest en 't goude zien verschynen,
En namaals zweeven in den kring der Sarafynen.
|
|
|