[p. 335]

Aantekeningen



[p. 337]

1.

Zoals bekend werd de meimaand algemeen als de beste tijd aangezien om medicinale kruiden te verzamelen. Als een middel tegen ‘hete’ lever, komt de plant ‘scaerleye’ ook in 651 voor.

2.

Dit recept blijkt onvolledig te zijn. Het woord ‘teersten’ laat immers vermoeden dat er ten minste ook een ‘ten tweede’ zou volgen. Naar welk boek in ‘des boecs leeringhe’ verwezen wordt, is mij niet bekend.

5.

Dit recept stemt bijna woordelijk overeen met De Vreese 85:

Die wille zweeten, die sal nemen venkelwortele ende stampense ende siedense in wine, ende drincke dat nuchtren, ende decke hem wel: hi sal wel zweeten.

In 5 wordt echter geen melding gemaakt van het koken in wijn noch van de noodzaak het brouwsel ‘nuchtren’ te drinken.

6.

‘alsoe vele wilts lijnzaets’: zoveel lijnzaad als ge wilt.

7.

‘polioen’ wordt hier niet alleen als een aftreksel in de neusgaten gegoten doch tevens in de vorm van een periapt rond het hoofd gebonden. In deze laatste toepassing is het middel duidelijk magisch.

9.

Vgl. De Vreese 420:

Item jeghen vernoy van den hoevede, nem rute ende venkel ende zied wel in watere, ende dwater mede toevet.

10.

Vgl. De Vreese 421:

Item jeghen verruut van den hoevede, nem avroenesap met hoeneghe ende met aysile, ende drinct dicken nuchterne.

11.

Vgl. De Vreese 422:

Item stamp rute met olien ende smerter mede den slaep.

12.

Vgl. De Vreese 423:

Item stampe die galle van den haze ende honech even vele te gader sere, soe dat scijnt van ere vaerwe; ende smeert thoevet ende den slaep. alt vernoy van den hovede sal vergaen, want het es arde precieuse zalve.

13.

Vgl. De Vreese 424:

Item polioen met siere bloeme stampt, ende drinct nuchtere met waermen watere, ende hout u van etene toeter noene iof over noene.


[p. 338]

14.

Vgl. De Vreese 425:

Item criflesaxele arde stamp met soute ende met honeghe, ende daer af .i. plaester gheleit op thovet helpt wel.

Uit de vergelijking met 14 blijkt dat ‘criflesaxele arde’ in De Vreeses recept hetzelfde zou moeten aanduiden als ‘rute’.

15.

Vgl. De Vreese 427:

Item si dat sake dat u hoeft es inghevallen, dat u dinct een pit, ziet aggremonieblade met honeghe, ende maect .i. plaester ende legghet op thovet.

Uit de vergelijking blijkt dat het niet onwaarschijnlijk kan genoemd worden dat ‘baerde’ een verschrijving zou zijn van ‘blaede’.

16.

Vgl. De Vreese 430:

Jeghen alle evele van den hovede, stamp rute wel, ende lechse wel in staerken aysine, ende smert thovet boven.

17.

Vgl. De Vreese 431:

Item nem roede bete, ende stampse wel met den sape, ende smert thovet ende den slaep.

18.

Vgl. De Vreese 433:

Item nem betonie, vervaine, alsene, celidonie, plantayn, radec, rute, scrutse van vliederen, honech, achte peperscoren, stampse te gadere ende siet wel in wine, ende drinct alle daghe nuchterne; ende onthout u van etene toeter noene.

19.

Vgl. De Vreese 434:

Item ten vernoye van den hovede, doet sceren thovet ende maect .i. plaester van comine, ende van masticke, van cattinensmere, ende siet betonie in stellen biere, drinct ende maect loeghe van betonien, ende dwaeter mede thovet dicken.

Interessant is dat bij De Vreese i.p.v. ‘tettinen smeere’ het woord ‘cattinensmere’ voorkomt. Beide versies geven een aanvaardbare betekenis, hoewel het ook duidelijk is dat een van beide woorden corrupt kan zijn voor het andere.

21.

Bedoeld is dat men beide aderen even veel dient te laten.

29.

Vgl. De Vreese 520 en 521:

Die heft die hersenen verkeert, wrive senie, abrotanum, met wine ende met pepere ende met .i. lettel honechs, ende drinct nuchtens ende navons.


[p. 339]

Item die sijn ontkent van sinne, drinke .vii. daghe goet cruut abrotanum, saelie met wine ghestampt.

32.

Vgl. De Vreese 483:

Te purgerne die borst, jeghen alle evele van der borst medicine gheprouvet: leest petenelen van den bussche enegue ende stampse wel. ende nemt bier alse saen alst es ghedaen, ende minghet met den pulvere ende doet in enen niewen pot, ende graeftene onder die eerde, ende laetten daer .ix. daghe, daer na drinkets in een napkin smorghins cout ende navens heet. dit doet des ghi sijt ghenesen.

33.

Vgl. De Vreese 484:

Dits vraye medicine ter hoeste ende ter ziekede van der longhere: nem saet van esschen ende van anise, ende minghet te gadere; ende daer toe honech, ende .i. groet deel wijns. ende siedet te gader des si sijn wel dicke, ende doet in enen bos ende eets nuchtens ende navens.

Uit de vergelijking blijkt dat ‘esschen’ in De Vreeses recept corrupt is voor ‘achen’ dat trouwens een veel betere zin oplevert.

34.

Vgl. De Vreese 485:

Drie crude salmen nutten jeghen die borst: alsene, witte materne, ysope.

37.

Vgl. 387 , 389 , 934 , 994 en 1072 . Zie ook de aantekening bij het eerstgenoemde nummer.

38.

Vgl. De Vreese 277 waar ‘witte malubladere’ voorkomen als een van de ingrediënten in een pleister ‘om alle ghezwelle huut te doen brekene’.

40.

In recept 22 bij R. Peeters (p. 169) komt ook ‘adic’ voor in een recept ‘jeghen gheswel’.

41.

Het woord ‘ghestan’ kan ofwel het voltooid deelwoord zijn van staan of corrupt zijn voor ‘ghestampt’. Beide mogelijkheden geven een aanvaardbare zin doch m.i. is ‘ghestampt’ wel te verkiezen.

47.

Dit recept stemt bijna woordelijk overeen met 969 .

49.

‘wulheit’ is wellicht corrupt voor ‘vuulheit’ (vvulheit): vuiligheid. Het recept vertoont enige gelijkenis met De Vreese 309.



[p. 340]

58.

Dit recept komt bij De Vreese voor als een deel van 505. Het woord ‘tghasere’ komt er echter niet in voor. Zie hieronder.

59.

Vgl. De Vreese 505:

Jeghen die pocken, nem morelle ende drincse; daer na baet. ghi sult ghenesen. ende alsi beghinnen te wassene, nem sap van polioene ende van reinevane enen nap vul, ende ghevet hem drinken. ende oft es te staerch, soe temperet met wine.

63.

Vertoont enige gelijkenis met het recept om alsemwijn te bereiden in De Vreese 57.

81.

Het lijkt mij waarschijnlijk dat het ontbrekende woord na ‘vander’ wel ‘blase’ zal geweest zijn. Dit woord past zeer goed in het verband.

82.

Men vergelijke 1309 en De Vreese 131, doch vooral 179 in De Vreeses collectie:

Omme den steen te doen brekene .j. mensche in sijn blaese, neemt blader van hijft, ende pedercelle van alexander, ende kervele, van elken even vele; ende stampt dese crude in een mortier ende dat sap ghef drinken .9. daghe achter een. of die dit wilt prouven of het waer sij, so nem .j. glasin vat ende doere in .j. steen ende wijn ende sap van desen cruden vorseit, ende laetene eenen nacht derin ligghen: du saltene nuchtens moghen breken ghelijc sande of savele. dit es dickent gheprouft.

83.

Men vergelijke De Vreese 94:

Jeghen den graveel: neemt gremilsaet, gheinstsaet, pedercellesaet, van elcs sondre ten pedercellesaet, bevenellesaet, anijs, ende kernen van kriekesteene, ende van kersensteenen; ende dese sade salmen te gader stampen; ende dan suldijse sieden met wine ende drincken daer of .iij. of iiij. werven sdachs.

85.

Zie de aantekening hierboven.

87.

Men vergelijke met dit recept ook De Vreeses 134 waar as van een haas het hoofdbestanddeel vormt van een recept tegen de steen.

90.

Vgl. G. Keil, Die ‘Cirurgia’ Peters von Ulm, p. 237 en de aanvullingen van W.L. Wardale in Niederdt. Mitt. XVI-XVII (1960-62), 206. Men vergelijke echter vooral De Vreese 157:

Omme de graveel of de steen te ghenesene, neemt eene crevetse of twee of drie, ende ziedense in rijnschen wijn ende dan zuldise


[p. 341]

al in sticken stampen, ende doense weder in den wijn; ende stoppen de pot wel vaste datter geen lucht huut en ga, ende siet dat up de twee deel of up derde, ende laet staen claeren; ende drinc nuchtens en savens: ghi sulter met ghenesen.

92.

Het pers. vnw. ‘hij(s)’ doelt natuurlijk niet op de bok maar op de zieke. Vgl. De Vreese 132:

Jegen den steen, ghevet eenen orine van eenen buc eenen lepel vul te drinken, dat hijs niet en weet, of het een man es; ende eist een wijf, gheeft haer van eene gheet.

103.

Vgl. 547 .

104.

De gewichtsaanduiding is denarius, d.i. een hoeveelheid ter waarde van een penning, het achtste deel van een ons.

121.

De passage ‘ende zaluer v metten sape’ is wellicht ontstaan uit contaminatie van ‘ende zalue v metten sape’ en ‘ende zaluer v mede’ (vgl. ook het einde van 122 ).

126.

De vorm ‘lijsaet’ voor ‘lijnsaet’, lijnzaad, moet niet geëmendeerd worden tot ‘lijnsaet’ daar tot op onze dagen de vorm ‘lijzaad’ in sommige Vlaamse dialecten voorkomt.

128.

De materia medica ‘dyapenidium’ komt ook voor in een recept ‘jegen den hust’ in het goederenregister te Oudenbiezen waar het ‘dyapemidion’ geschreven staat (cf. J. Buntinx en M. Gysseling, o.c., p. 145).

129.

Het opschrift van dit recept dient als volgt verstaan te worden: tegen kinderen die hoesten en geen eetlust hebben (wegens pijnlijke keel).

132.

Vgl. L.J. Vandewiele, Pharm. Ts. voor België XLI (1964), 71:

Ende wildi maken water dat goet si ter borst, so doet der toe dyadragantum ende peniden ende witte marobie.

134.

‘reine’ d.i. regene, een dialectische eigenaardigheid van het kustwestvlaams.

137.

De vermelding dat men dank zij dit middeltje zal ‘singhen claer’, wijst erop dat dit recept ooit in kloostergemeenschappen neergeschreven werd.

140.

Vgl. 1038 en De Vreese 489:

Item andren dranc, of ghine ebd: drinc polioen met aysile.


[p. 342]

145.

Vgl. Fr. Pfeiffer, Sitzungsberichte Wien (1863), 120:

Contra sanguinem de naribus fluentem. Stôz die rûtun dur diu naseloch.

en de Düdesche Arstedie (Norrbom, p. 85):

Jtem eyn ander. Nym vnde berne ruden myt den wortelen to assche vnde puste em de in de nusterken.

Vgl. ook De Vreese 178:

Om bloet te stremmene van der nuese, riect dickent die rute ter nuese: het doet stremmen vorwaer.

146.

Bedoeld is neemt ‘mes’ van een ‘zwijn dat gras weedet’.

147.

Vgl. De Vreese 490:

Jeghen verloren spraeke: die sine sprake heft verloren in ziekeden, neme aloen ende temperse in watere ende ghietse in sinen mont.

149.

Vgl. De Vreese 491:

Item neme die wortele van roeden netelen, ende sap van plantaine, ende morelle, ende doet hem drinken.

150.

Pinksteren en vooral de vooravond van 24 juni, ‘tsente Jansauende’, zijn twee bijzondere dagen. De op die dagen geplukte kruiden werden algemeen beschouwd als van veel groter kracht dan die welke op andere dagen geplukt werden.

151.

Vgl. De Vreese 170 en 492. Dit laatste recept luidt:

Item jeghen stommede die es comen van siekeden; nem pollioen te sticken ghewreven .ii. nap vul met lawen aysine, ende .i. linijn cleet, ende audent den sieken vor die neseghate. hi sal staphans spreken.

152.

Vgl. De Vreese 493:

Jeghen acallen, tempere averone in wine, ende drincse.

Uit de vergelijking van beide recepten zou men kunnen besluiten dat ‘acallen’ betekent luidop dromen. Toch is dit niet zeker daar het woord veeleer sprakeloosheid lijkt te moeten betekenen (a-callen, niet-spreken).

153.

Vgl. De Vreese 494:

Die slapende vertelt dat hi wakende hevet ghesien, drinke .iii. nachte cruut rosaet in wiwatere met myrren, ende drinke alun scanium met asyle of amacillam.

Interessant is dat wat in het hierboven staande recept ‘alun scanium’ geheten wordt, in 153 voorkomt als ‘anbustannium’.



[p. 343]

157.

Vgl. 158 en De Vreese 495:

Jeghen walghinghe: dien walgt van enechere spise, drinke centauream .iii. daghe met couden watere, of betonie met waermen ende met .i. lettel wijns, ende tsap van diosius drinke alse hi in die maghe iet quaets heft. Dits gheprouvede medicine, alsict verstont.

158.

Vgl. 157 en De Vreese 62:

Omme dlijm van der herten (te) doen schedene, neemt sentorie ende sietse wel in wine of in stellen bierre, ende dan stampet de sentorie ende lechse weder int sop, ende sietse noch ende stemse dor een cleet; ende dan neemt de .ij. deel van der sentorie ende een deel zeems, dat siet wel ende scumt, tote dat dicke si; ende dan doet in eene bosse, ende hier af salmen de zieken gheven tetene .iij. lepel vul sdages: .i. nuchtens, .i. noenens, .i. savens, tote hi ghenesen sij. dit sal hem doen dlijm van der herten scieten ende het sal hem gheven apetijt van eten ende van drinkene.

159.

Vgl. De Vreese 496:

Jeghen therteevel ende alle ziekeden van der herte, es goet pollioen met wine ende met honeghe ghedronken.

De vergelijking van beide recepten maakt het waarschijnlijk dat in 159 na het voorlaatste woord ‘met honeghe’ weggevallen is.

160.

Vgl. De Vreese 497:

Die onsachte heft in den buuch, of in de maghe, of elre in sinen lechame, neme venekel ende ziet langhe in watere; ende drinke langhe, soe hi heetst mach.

161.

Vgl. De Vreese 501:

Item jeghen spuwen, dat die mensche niet ne mach onthauden sine spise, nem twedeel van venkelsape ende van wine, ende terdendeel honech, ende siedet tuschen hier ende et es wel dicke. ende ghevet hem drinken navens ende nuchtens.

162.

Vgl. De Vreese 502:

Jeghen dbloet spuwen, drinke saffine nuchterne, ghesoeden in wine.

Het woord ‘saffine’ in het bovenstaand recept is blijkbaar corrupt voor ‘saluine’.

163.

Vgl. De Vreese 503:

Omme (te) doen spuwen, nem die scrutse van der rute ende van den groeten noteboem, van den vlieder, van verbena, ende doet af duterste scrutse ende nem de middelste of de naeste,


[p. 344]

ende stampse wel ende siedse in wine, ende dan dect wel den pot ende latene staen .i. nacht. sander daghes ghevet hem drinken die wille spuwen: hi sal ghenoech spuwen. ende alse hi nomee spuwen wille, soe ete van roden kervele. Dat dit ghevalt dat coemt dicken van coude van den lechame of van humueren. Siet hier medicine daer jeghen: nemt aschen van de velle van den serpente.

164.

Vgl. De Vreese 378:

Om haer huut (te) doen vallen, neemt een once operment, ende .ij. deel ongheblust calc; maect der af pulver ende tempert met water of met esin, dat also dicke si als honich. ende salvet daer mede de stede; dan laetet droghen ende derna scuddet of.

Dit recept komt veelvuldig in middeleeuwse verzamelingen voor. Men vergelijke de volgende voorbeelden:

 

Uit de Düdesche Arstedie:

Wultu haer enwech bringhen, alze Galigenus spreket, so nym vngelusscheden kalk er he nat geworden sy, vnde droghe den ene nacht ouer in deme vure vnde nym denne auripigment vnde olye vnde j lot salisgemme, dat vindestu in der apoteken, stot dyt altomale vnde do dar denne to stoten wynsteyn vnde rore yt wol tosamende vmme vp deme vure vnde beholt yt in enen bliggen vate. War du dusse salue strikest, dar geit dat haer deger enwech.
(S. Norrbom, p. 182).
Ein meister hiez Johannes Furia, des schrieb sîner friundinne, diu hiez Cheopatre, dise erzenie. Er sprach: welle daz hâr ûz gên, sô nim newen chalch unde derre in vlîzechlîchen in dem fiure unde nim auripigmentum (daz ist gelwe varwe) unde ole unde nim den chalch in einem niwen haven unde luzel wazers unde oles auripigmentum unde lâ daz under einander wallen ...
(Fr. Pfeiffer, Sitzungsberichte Wien (1863), 143).
Vildi u haer af doen ende sachte maken u huut ende sonder sorge ... Nemt calc der noyt water op en quam .6. lepel vol. of also vele als ghi wilt ende temperet met couden watere. ende ziedet oft ware wellinge. Ende der na nemt orphiment tfijftedeel. ende doet daer met sieden ...
(L.J. Vandewiele, Pharm. Ts. voor België XLI (1964), 78).

167.

Komt bijna letterlijk overeen met 1195 . Zie ook Fr. Pfeiffer, Sitzungsberichte Wien (1863), 118:

Ad capillos cadentes. Diu genûwene agrimonia mit der geizzînum milche machôt, daz daz hâr wahset.

172.

De woorden ‘bliken als of’ betekenen m.i.: die de indruk geven van.



[p. 345]

175.

Men vergelijke de bereiding en de medicinale eigenschappen van alsemwijn (De Vreese, 57).

177.

De gewichtsaanduiding ‘.j. ø’ betekent 1 obulus d.i. een halve denarius of penning, d.i. (als gewichtseenheid) het achtste deel van een ons.

179.

Dit recept hangt nauw samen met het volgende en vertoont sterke overeenkomst met 1161 .

180.

Zie de voorgaande aantekening.

181.

Vgl. L.J. Vandewiele, Pharm. Ts. voor België XLI (1964), 78-79:

Nemt griex pec ende colofonie. armoniacum. ende mastic ende smeltet al tegadere. ende giet daer op cout water ende bouwet wel metter hant ende so ghijt meer bouwet soet witter wert. want van iersten eist swart. Ende maecter af .1. plaester. ende legget daer ghi thaer af wilt hebben ...

182.

Men vergelijke 1225 en De Vreese 300:

Jeghen tranende oeghen: salfse metten sape van betonien; si sal claeren ende scerpen die sie.

Zie ook 317 en 411 in De Vreeses uitgave.

183.

Men vergelijke 1333 en 1355 . Men vergelijke ook de Düdesche Arstedie:

Jtem nym bathonien, vennekelswortelen, ruden, schellewort, ouerruden, apene, sede dyt in water vnde dwage de ogen darmede: dat vordrift den schemen.
(S. Norrbom, p. 74).

184-185.

Deze twee nummers maken deel uit van eenzelfde geheel.

186.

Vgl. 899 , 914 en vooral De Vreese 281:

Jeghen de tantsweere: stampt hertshorne al te pulvre; ziet met wine of in watere ende zupet also heet als ghi ghedoghen moght; ende haudet in uwen mont tote dat vercout es, ende danne spuwet huut, ende supes noch. ditte doet dicken tote dat ghi ghenesen sijt.

194.

Vgl. de bereiding en het gebruik van ‘aqua betonie’ (De Vreese 412).

201.

De afkorting betekent libra: 1 pond (12 onsen); het teken .S. is de eerste letter van semis: een half.

202.

Vgl. 637 en 1173 en R. Peeters 23 (pp. 169-170):

Jeghen apostonien (lees: apostemen) ziedet geerste in wyne


[p. 346]

ende legtse daer op, al heet. Ende ne ghesitse daer mede niet, soe nemt spaens uuelster ende breyt daer op treyt met dy auteyte; dappostonie sal ute breken ende ghenesen.

208.

Stemt naar de inhoud volledig overeen met 667 .

215.

Vgl. 1199 en R. Peeters, 6 (p. 166):

Jeghen die gestoten es ende dyser steket inde wonde. Om dat uut te gecrighene, nempt dyptanne diemen in vleemsche heet witte worte ende legtse in wine ende stampse ende dan gheeftse metten wine drincken ende dyser sal uitgaen sonder twivel altehant.

219.

Vgl. De Vreese 305 waar ‘de virtuut van den crude gheheten in latine brionie’ opgesomd wordt. Hier wordt vermeld: ‘men nemet sop van al desen crude ende dat supende ghedronken es goet ende gheneest alle wonden...’.

228.

Vgl. 234 .

229.

Vgl. 235 . De twee recepten spreken elkaar echter tegen zodat één van beide corrupt moet zijn.

235.

Vgl. 229 en de aantekening daarbij.

238.

Vgl. 485 , 486 , 599 , 841 en De Vreese 12, 65, 190, 194 en 404. Al deze nummers handelen over populierzalf doch geen enkel recept is zeer nauw verwant qua inhoud noch qua vorm met 238 . Men vergelijke ook R. Peeters 11 (p. 167):

Zalve te makene van botten van papelieren, die sal men stampen al ontwee ende doense in enen erdenen pot ende latense vortten ende ripen. Ende alsmen popelioen hebben wille, so salmen nemen meysche botere ende van van dien ripen botten ende ziedense over een ende wringhense doer een linne cleet. Dese salve es goet daer een mensche heeft wee inde lede ende die huut niet ontkeert en es ende algheheel eest van fledercyne oft van anderen dinghen oft oec ieghen tquade vier ende ieghen quade gate inde been.

240.

Vgl. 992 en De Vreese 525 en 540:

525. Jeghen bete van onden, nem tsap van ruten ende doeter op.
540. Die es ghebeten van .i. verwoedden hont, legghet tsap van der ruten op die wonde.

243.

Vgl. 1140 .

244.

Vgl. 564 , 1010 en 1193 .

269.

‘te gorten’ is misschien corrupt voor ‘te gaten’ d.i. voor gaten.



[p. 347]

271.

Vgl. De Vreese 204:

Pouder te makene jeghen alle gate, neemt betonie, agremonie, verbene, elcx even vele. ende drocht wel ende maecter af poeder wel cleene, ende doet dat up die gate: het sal ghenesen ende droghen ende weren tquade vleesch.

274.

Daar het recept aangeeft dat slechts vijf kruiden genoemd worden, is ‘radix satureya’ wellicht te verklaren als een synoniem van ‘viautima’.

281.

Vgl. het bijna letterlijk overeenstemmend recept 1160 .

282.

Vgl. De Vreese 82 en 445:

82. Jeghen gheluwede, stampt celidonie ende drinket tsap .ix. daghen, smorghens .i. toeghe: ghi sult genesen.
445. Jeghen ghele weede, stamp celidonie ende drinct tsap .ix. daghe, elx daghes enen tueghe.

285.

Vgl. De Vreese 450:

Jeghen den derden dach curts, nem .iii. planten van plantayen, achter de scijnte van der zonne, ende sech .i. pater noster ende drinct alse ghi bevet.

286.

Vgl. De Vreese 454:

Item siet .xx. hantvul ruten in een suster van wine, dest es gheseten toete .iii. stopen; ende alse die curts coemt, ghevet hem drinken.

287.

Vgl. De Vreese 453:

Jeghen den vierden, nem sap van hartemesien, ziet ende maect laeu met olien, ende smerter mede uwen lechame.

288.

Vgl. De Vreese 456:

Item maerch van den hert ghetimpert in waermen watere ghedronken.

De Vreese recept 457 begint ‘Curts alse ypocras seghet’: uit de vergelijking met 288 blijkt dat deze woorden behoren tot het voorgaande recept (456).

289.

Vgl. De Vreese 459:

Item stamp wilde letuwe, ende wrinct ute tsap. ende siedet toten derde deele ende zihet doer .i. linijn cleet, ende drinct. dits sekerlike gheproevet.

290.

Vgl. De Vreese 460:

Jeghen alle manieren van curtse, nem die herte van den hase ende berrense te pulvere, ende temperse met watere ende drincse.


[p. 348]

293.

Vgl. 609 .

306.

Vgl. 601 .

313.

Voor ‘lijzaet’, zie de aantekening bij 126 .

314.

Vgl. 600 .

317.

Dit recept vertoont enige gelijkenis met De Vreese 79.

323.

Komt bijna woordelijk overeen met 1070 , 1094 en 1163 en De Vreese 499:

Item nem gheruwe ghestampt met honeghe of met wine.

324.

Vgl. 1158 .

326.

Vgl. 554 .

327.

Vgl. 575 .

328.

Vgl. De Vreese 416 waar de bereiding en eigenschappen van ‘water van termentille, of cremorse (lees tremorse)’ opgesomd worden.

329.

Over de magnetische kracht die aan bepaalde kruiden toegeschreven werd, handelt G. Eis in Vor und nach Paracelsus (Stuttgart, 1965), pp. 168-176.

331.

Vgl. 1003 en 1004 .

333.

Komt bijna letterlijk overeen met 556 . Vgl. ook R. Peeters, 28 (pp. 170-171):

Jeghen den wolf ende cancker mede nemt een pont ghersten ende een pont honichs ende een hantvol canepincs werc. Ende bernet al dit te pulvere in enen nyeuwen eerdenen pot ende leggent tweewerven des daghes dat pulvere daer op, oft tymmet pulver met azyle ende tierst dwaer drael met tsercken aysile ende doet daer op aldus. Soe doetment daer op des wolf ende den cancker.

336.

Vgl. 559 en 1194 . Uit de vergelijking blijkt dat ‘inwardt’ corrupt is voor ‘in wercke’.

338.

Vgl. 645 en De Vreese 27 en het ermee overeenstemmende 336. Nummer 27 luidt in De Vreeses verzameling:

Jeghen de spenen, badet devel in lauwen watre, ende dan zalvet met barghine overjaersche smeere, ende dan wrivet met atermente; ende dan sal men nemen .i. hantvul ghaerwen, ende stampent ende leggent derup.

339.

Vgl. 981 en 1012 .



[p. 349]

341-346.

Het geloof dat in een bepaalde maand, naast goede en voordeel brengende dagen, er ook zijn die men als ‘kwade’ dagen dient te beschouwen, wortelt in het sterrengeloof dat in het nabije Oosten in de oudheid ontstaan is. Naast de verschillende tekenen van de dierenriem is het vooral de maan die op het menselijke en aardse leven gedacht werd een sterke invloed uit te oefenen. Van cultuurhistorisch standpunt uit gezien, zijn het vooral de tot in de moderne tijd voortlevende lekeastrologieën die om hun uitzonderlijk grote en langdurige invloed van belang zijn. Zeer sterk verschillende versies waren gedurende vele eeuwen in omloop van de zg. Lunaria, dit zijn boeken waarin bij elke maan-maand (onveranderlijk 30 dagen tellend) voor iedere dag allerlei voorspellingen gedaan worden, hetzij alleen op het gebied van dromen, aderlaten, geboorte of het aanvatten van een werk, of dit alles samen in wat men gewoonlijk dan ‘Sammellunare’ noemt. Alleen deze laatste groep werd tot op heden grondig bestudeerd, wat gezien het ingewikkeld karakter van deze astrologische gegevens ook te begrijpen is.

Voor verdere studie raadplege men: Fr. Boll, C. Bezold en W. Gundel, Sternglaube und Sterndeutung (Berlin, 19314), M. Förster, ‘Vom Fortleben antiker Sammellunare im Englischen und anderen Volkssprachen’, Anglia LXVII-LXVIII (1944), 1-171, G. Hellmann, Die Bauernpraktik (Berlin, 1896) en E. Wistrand, Lunariastudien (Göteborg, 1942). Verder raadplege men ook: H. Webster, Best Days (London, 1916), pp. 272-301, C. Meyer, Der Aberglaube des Mittelalters (Basel, 1884), pp. 205-215 en L. Thorndike, A History of Magic and Experimental Science (London, 1923), 1e deel.

343.

Vgl. 344 en 1067 .

344.

Vgl. 343 , 1067 en de volgende passage uit Hs. 844 van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, aangehaald naar R. Foncke:

Beda seit, dat drie daghen sijn int jaer, eist dat een mensche bloet of dat hi visch heet, hi sal sterven binnen vj daghen oft emmer binnen xl daghen. Ende werdt yement ghequetst(t) dat hi bloet, hi salder of sterven; dats te wetene: den achtersten dach van aprulle, den eersten maendach van oexte ende den achtersten dach van decembre. Ende die gansenvleesch heet binnen dese daghen, hi salder of sterven.
(R. Foncke, ‘Folklore van de Maandag’, in: Feestbundel R. Foncke, 1950, p. 119.)


[p. 350]

Het geloof dat sommige dagen bijzonder geluk- of ongelukbrengend zijn, is zeer oud. Het bestond reeds in Babylonië, en in de Bijbel zijn er sporen van terug te vinden. Nog voor de derde eeuw van onze tijdrekening werd een selectieve lijst ervan bekend onder de naam dies aegyptiaci. In vroege kalenders worden 25 dagen in het jaar aldus genoemd (vgl. 345 ). Vooral in verband met het aderlaten werden deze dagen als gevaarlijk beschouwd.

Gewoonlijk wordt Beda's naam genoemd in verband met deze dagen (Cf. zijn De minutio sanguine (J.P. Migne, Patrologia latina. Bedae Opera Omnia, vol. I, col. 961). De taboe voor ganzevlees komt er ook in voor. Daar deze taboe van Keltische oorsprong is, wordt het niet onwaarschijnlijk geacht dat deze verboden dagen bij ons langs de Ierse missionarissen bekend geworden is. (Cf. J.H.G. Grattan en Ch. Singer, Anglo-Saxon Magic and Medicine (Oxford, 1951), pp. 42-43. Men vergelijke ook het Utrechtse Artsenijboek (J.H. Gallée, Jb. des Ver. f. ndt. Sprachforsch. XV (1889), 145:

In allen manen scal men groten ware nemen der dage, de dar hetent dies egiptyaci, de vorworpenen dage. Wente de hedenen lude eren touer, unde ere vorgiffnisse to semene temperden, wente se denne wisten den duvel weldiger, den to ener anderen tyt. So ne scal men den nin blot laten noch drenken nemen noch werken beginnen. Disse dage holdet, alse se hir bescreven stat, dat is di nutte. In iewelikeme iare sint ene unde dertich dage scedelich, also de mestere van paris geprovet hebbet in den planeten. So wat en mensche beginnet in den dagen, dat get eme ovele. Januarius de hevet der dage sesse, den ersten, den anderen, den viften, den sevenden, den achten, den viftenden. Februarius hevet er dre, den sesten, den sevenden, den negenden. Martius hevet vere, den viftenden, den sestenden, den seventenden, den achtenden. Aprilis hevet dre, den sesten, den sevenden, den viftenden. Maius hevet dre, den sevenden, den viftenden, den seventenden. Junius hevet enen, den sevenden. Julius hevet tve, den viftenden, den seventenden. Augustus hevet tve, den negentenden, den tvintegesten. September hevet tve, den sestenden, den achtenden. October hevet enen, den sesten. November hevet tve, den sestenden, den seventenden. December hevet er dre, den sesten, den sevenden, den viftenden. In dessen dagen scal sic en mensche bewaren, dat he nen blut late in deme achten dage des Aprilis, efte des ersten in Decembri, de stervet binnen vertich dagen. We des sevendes efte des achten dages des Aprilis blot let, de wirt blind. We up den lesten dach in Martio efte des viften dages b. lot latet, deme wirt in deme iare dat colde ovel in dissen dagen. Beware dic wol, dat rade ic dic.


[p. 351]

345.

De verboden dagen in elke maand die in dit recept aangegeven worden, benaderen de vijfentwintig die als dusdanig meestal in kalenders genoemd worden (zie echter de aantekening bij het voorgaande nummer). De maand november werd door de scribent overgeslagen. Vgl. ook nog ‘Die altenglischen Verzeichnisse von Glücks- und Unglückstagen’, in: Studies in English Philology. A Miscellany in Honor of F. Klaeber (Minneapolis, 1919), pp. 258-277.

346.

Vgl. de passage die door R. Foncke wordt aangehaald uit Hs. 844 van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel (15e E):

Drie maendaghe syn int jaer, worde .j. kint gheboren, het soude verber(n)en of verdrincken of sterven haesteger doot. Item, beghint men dan eenighe huuse, si sullen binnen vij jaren syn ghestrueert. Ende heet men vleesch van gansen, binnen zeven jaren wert men zwarelike gheplaecht. Ende alle wercken syn quaet begonnen op dese daghe.
(Feestbundel R. Foncke, pp. 119-120).

347-377.

Deze groep recepten met sterk alchemistische inslag komt ook nog in een ander Mnl. handschrift voor: Hs. 76 E 4 van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag (fols. 25v-26v). Hier komt de groep voor midden in een traktaat over astrologie. De in sommige gevallen belangrijke varianten in dit eveneens uit de 15e eeuw daterende manuscript helpen duistere plaatsen in deze recepten te verklaren. Deze recepten maken de indruk samen een geheel gevormd te hebben en het voorkomen van Latijnse woorden in de tekst wekt het vermoeden dat men hier te doen heeft met een vertaling van een van de talloze Latijnse traktaatjes over ‘waters’. Ik schrijf de Haagse versie van ieder recept dan ook over, met toevoeging van enkele leestekens.

347.

In het Haagse Hs. luidt dit recept (fol. 25v):

Die dat onghemac wille ghenesen So datmense nemmermee geporre van welker maniere het si of wilker complexie, al ware dat sake dat een mensche hadde ghedraghen Eweliken, hi soude ghenesen binnen ix daghen. Nem ysope ende poleye ente grofliaet ende lecore euen vele te samen ghedaen ouer Tfier in eene clocke der vte salmen sublimeren ende ontfaen. Dat water salmen heten aqua phylosophorum Ende heuet ouer him menighe verhoolne virtuut Die mach worden gheopenbaert mit examisasen (sic) van hem seluen ende van andren commixtieren.


[p. 352]

348.

Dit luidt in de Haagse versie:

Beuenelle, rute, petercelie van alexandrien, zedwaer, aloe, calmie, van elken euen vele swaers, dat salmen ontwee wriuen ende siedent al tsamen in aqua phylosophorum also langhe dat terdendeel versoden es. Daer na salment vut doen Ende wringet doer enen sconen doec ende houdent in een glasin vat vaste ix daghe. Daer na salment drincken gheuen elx morghens nuchtre diet tfallende euel hebben tot ix daghen. Dits die warachtichste medicine die oit gheuonden was ieghen sulke saken.

349.

De Haagse versie is:

Aqua phylosophorum nuchtren ghedroncken doet alrehande vledersijn vergaen uten leden ende conforteert den mensche bouen alle dinc.

350.

Haagse versie:

Aqua philosophorum mit castorien ghesoden ende elx morghens nuchtren ghedronken dats rechte medicine ieghens alrehande iucht in dien datsi niet en si verstoruen in den mensche ende doet alrehande fledersijn ghenesen. Ende alre rude.

351.

Haagse versie:

Jeghen die tfistel heuet saltu een plaester maken van wercke ende nettent in aqua philosophorum Ende netten dat euel der mede ende legghen dat plaester daer vp Ende vermakent twee werf des daghes, so sal hi haestelike ghenesen.

De uitdrukking bis in die is Lat. voor tweemaal daags, zoals trouwens ook uit de hierboven staande versie blijkt.

352.

Haagse versie:

Aqua philosophorum es goet ieghens alrehande gheuenijnde wonden diemen der mede wasschet. Diet oec nuchtren drinket ix morghenstonden het verdrijft die die gheele zucht ende elken rede so wanen hi comt of van wat naturen hi is vp dat ment iij warf drinket vp dien acces.

Het woord altenijnde betekent wellicht oude, vergiftigde. In het Gentse Hs. is het toch misschien corrupt voor alrehande.

353.

Haagse versie:

Agrimonia, mandragora manibus et testiculis, celidonia mit suker Ende calmie te gader gheureuen Ende in ene clocke ouer tfier ghedaen daer vut salmen water sublimeren ende ontfaen. Dal water heeft grote craft in hem want en es gheenrehande euel so fel noch so quaet dat den ogen deren mach ten sal sijn gherechte medicine In dien dat sulc euel si datment ghenesen mach mit enichrande medicine ende heet (fol. 26r) aqua dulcedinis.


[p. 353]

354.

Haagse versie:

Aqua dulcedinis nuchtren ghedronken iaghet alrehande venijn vut des menschen lichaem al ware dat hijt gheten hadde of ghedroncken het soude hem tot sinen monde vut comen.

355.

Haagse versie:

Dit water nuchtren ghedronken suuert den lichaem entie maghe van allen quaden wormen die in sine ribben versament sijn.

356.

Haagse versie:

Dit water nuchtren ghedronken, maect den mensche gans ende quijte vanden witten watren ende vanden roden.

357.

Haagse versie:

Aqua dulcedinis blusch dat elsche vier jnden derden daghe alsmen enen plaester daer in nettet Ende legghen der up in dien dat es van swarter varwe ende al omme blaeuwe ende waert in die middewaert heet ende al omme root sone soude mens niet daer vp legghen.

358.

Haagse versie:

Het aqua doeten cranken (sic) ende ghenesen die mit aloe minghen Ende net een plaester daer in van werke ende legghent 1   daer op ende vermakent ij. werf des daghes.

‘Bis in die’: Lat. voor tweemaal daags.

 1  Na legghent staat ij werf doorstreept.

359.

Haagse versie:

Beuenelle zaet, zempsaet (sic), petercelie saet, eppe saet, glofiaten (sic) saet, clessen saet ende mastich Elx euen uele ontwee ghewreuen mit box bloede ende luttel asijns dat salmen in ene clocke doen ouer tfier; daer vut salmen water sublimeren ende ontfaen; dat es harde nuttelic ende es geheten aqua petralis.

Het voorkomen van dezelfde schrijffout zemp (voor kemp) in beide versies wijst op een direct verband tussen beide.

360.

Haagse versie:

So wie onderhauich es vanden stene, hi si wit, root, ruch of slecht of hi is (sic) drincket hijs elx morghens nuchtre, hi breket ende sceidet van dien mensche alse sant oft graueel.

361.

Haagse versie:

Aqua petralis nuchtren ghedronken het doet den boem bloeien die verdorret es ende die dicken bloet doet si staen stille.


[p. 354]

362.

Haagse versie:

Die mit den watre scorefde hoofde dwaet ene weruen des daghes, hi gheneset ende hem soude meers hars wassen. Aqua petralis doet binden derden daghe alrehande rude ghenesen diese daer mede dwaet.

‘semel in die’: eens per dag; ‘curantur’: ze worden genezen.

363.

Haagse versie:

Aqua petralis nuchtren ghedroncken maket dat beste bloet ende scone varwe anden mensche.

In het Gentse hs. staat dit recept in het Latijn.

364.

Haagse versie:

Aqua petralis mit castorie gesoden ende ene warf des daghes nuchtren ghedronken, dat doet alrehande jucht vten mensche vlien ist dat si niet verstoruen en si ende het conforteert de senewen Ende temperse wel bouen allen specien Daeromme verdrijft si die iucht ende alrehande gheswel Ende sonderlinghe dat euel daermen af ualt.

365.

Haagse versie:

Jonghe erundines te puluere ghebarrent ende mit castorien ghemenghet ende een luttel asijns in ere clocken ghedaen ouer tfier daer vut salmen water sublimeren ende ontfaen Dat water salmen heten aqua erundinea want het heuet menighe goede virtuut in hem seluen.

‘modica’: Lat. een weinig.

366.

Haagse versie:

Aqua erundinea nuchtren ghedronken dats gherechte medicine ieghen tfallende euel van welker naturen datsi al had i mensche ghedraghen c iaer, dronke hijt ix daghe ten bestoede hem nemmermeer.

367.

Haagse versie:

Aqua erundinea verdriuet frenesie nuchtren ghedronken of die tisicus is gheneset binnen ix daghen. Ende het maect bouen (fol. 26v) alle dinc goede hersene Ende het suuert die maghe ende die borst ende het recht die senewen ende het grauet vte allen wortelen die jucht Ende nettet die nature die heet 1   sijn ende vercout die verhit sijn van naturen.
 1  Na heet staat in het Hs. nog die vercout.

368.

Haagse versie:

Aqua erundinea nuchteren ghedronken mit ysopen verdrijft dat witte water enten dageliken rede. Maer elke vrouwe die kint


[p. 355]

draecht moet haer wachten dat sijs niet en drinke want hare vrucht soude verderuen.

369.

Haagse versie:

Aqua erundine mit ysope nuchtren ghedronken doet wel slapen ende wel eten ende wel verduwen.

370.

Zie ook 374 en 376 . Haagse versie:

Aqua erundinea mit ysopen nuchteren ghenomen doet thaer af gaen daer hem die mensche wriuet.

371.

Haagse versie:

Seuenboem, ysope, gladie ende auerone te gader ghestampt euen uele ende ouer tfier ghedaen in ene clocke daer vut salmen water sublimeren ende ontfaen dat vtermaten starken naturen is; dat water salmen heten aqua lasida. Ende het verdrijft alrehande hoeftsware diet ene warf daghelix nuttet. Ende het verdrijft den rede van wilker naturen hi si weder heet of cout.

‘semel in die’: eens per dag.

372.

Haagse versie:

Aqua lasida nuchtren ghedronken des daghes ene warf ende dat es goet iegen twitte water ende trode.

Op te merken valt dat in het Haagse Hs. 372 en 373 in omgekeerde volgorde voorkomen.

373.

Haagse versie:

Aqua lasida ij warf ghedronken des daghes stempet dat rode menisoen ende dat witte ende et is rechte medicine ieghens die bloet sucht.

374-376.

Zie ook 370 .

374.

In het Haagse Hs. komt aqua draca niet voor. Dezelfde geneeskracht wordt er toegeschreven aan aqua lasida:

Aqua lasida doet die vrouwen bloeden die verdorret sijn ende verdroghet op dat sis iij warf drinke ende wachte datsi gheene vrucht en draghe want si souder of bederuen.

Het Gentse Hs. is wellicht corrupt, daar er in dit Hs. geen bereidingswijze wordt opgegeven voor aqua draca, dit in tegenstelling tot al de overige soorten water. In dezelfde richting wijst ook het feit dat 377 opnieuw over aqua lasida handelt.

375.

Haagse versie:

Aqua lasida es goet nuchtren ghedronken ieghens dat buuceuel


[p. 356]

ende het suuert de maghe van quaden humoren diese binnen heuet ende doet het alrehande worme inden lichame steruen.

Zie ook de voorgaande aantekening.

376.

Haagse versie:

Wie dat elxs morghens drinct nuchtren, het houten ghesont ende gans van lichame.

377.

Haagse versie:

Aqua lasida mit castorien ghesoden ende ghedronken verdriuet alrehande fledersijn binnen derden daghen Drinket hijt heet.

‘expellit’: Lat. voor ‘verdriuet’.

380.

‘bis in die’: Lat. voor tweemaal daags.

386.

Dit recept vormt met 387 een enkel geheel. Vgl. De Vreese 234 en 413 (zie hieronder).

387.

Zie hierboven en vgl. 37 , 389 , 934 , 994 , 1072 en De Vreese 234 en het bijna woordelijk ermee overeenstemmende 413. het eerste van beide luidt:

Om te maken een water, heet aqua salvea, neemt saelge ende polioen, ende stampt te gader, ende doet in de panne. die dit water drinct met castorien ghesoden. als menich werf als hijt drinct, als menich dach licht sin leven. hine mochte niet so vercout wesen, dronke hijt elc sdaghes nuchtren, hine soude ghenesen.

388.

Vgl. De Vreese 414:

Aqua salvie nuchtren ghedronken, verdrift die gheelusucht, de maselsucht, de lancsucht, ende alrande buuchevel, al drope van rudicheit. et maect goet bloetvarwe int ansicte. die dit water alle daghe .ii. warf dronke, alle cortse souden van hem vlien, ende (hi) soude binnen twen daghen ghenesen.

389.

Vgl. 37 , 387 , 934 , 994 , 1072 en vooral het einde van De Vreese 414 (zie voorgaande aantekening).

400.

Vgl. 402 en 1316 .

402.

Vgl. de voorgaande aantekening.

410.

‘mane’: Lat. voor dagelijks.

412.

‘ter in accessu’: driemaal gedurende de koortsaanval.

414.

‘quoslibet dies’: gelijk welke dag, iedere dag.



[p. 357]

420.

De afkortingen in dit recept betekenen:

= 1 drachme (60 grein)

= 1 once (490 grein).

421.

Het teken β betekent hetzelfde als S: een half; marca is een synoniem voor een half pond.

431.

Vgl. Fr. Pfeiffer, Sitzungsberichte Wien (1863), 120:

Contra sanguinem fluentem. Bint in die nezzelunwurcun an das houbet older funfblat.

441.

Het ontbrekende woord is misschien ‘wercke’ of een andere soort verbandstof.

453.

Vgl. De Vreese 301:

Jeghen donker oeghen van den hersenen: nem rute, ende doet in een vat met dauwe in meye .ix. daghe; dan salve elkes daghes dijn oeghen.

457.

De uitweiding van de scribent over het gebruik dat edellieden maakten van ‘folgen’ vóór ze aan een tornooi of aan een feest deelnamen, is een interessant detail dat erop wijst dat in de middeleeuwen blijkbaar ook middeltjes in omloop waren om op een kunstmatige wijze moed op te wekken.

460.

Seksuele impotentie werd dikwijls aan de macht van tovenaars en toveressen toegeschreven. Ook de vermelding van de bij uitstek magische getallen 3 en het veelvoud 9, verdienen in dit verband onze aandacht.

461.

Het gebruik dat in de kerk van zout gemaakt werd, heeft er zeker toe bijgedragen om aan deze stof allerlei wonderlijke machten toe te schrijven.

470.

Zowel het stilzwijgend verrichten van een handeling als het ‘loepende water’ zijn elementen die in magische praktijken welbekend zijn. Tegen welke kwaal men de plant om de pols diende te binden, wordt jammer genoeg niet vermeld.

472.

Vgl. R. Peeters 16 (p. 169):

Om treyt te makene. Nemt was, scepen roet ende harst (Peeters leest ‘haest’) elcs even vele ende ziedent te gadere ende wringhent doer een cleet op claer watere, dus hebdy goet treyt.

473.

Vgl. 1071 .

480.

Dit recept vertoont enige gelijkenis met De Vreese 434.



[p. 358]

483.

Dit zijn in feite twee verschillende recepten ‘ter borst’. Het eerste ervan komt overeen met 659 , 1001 en 1108 .

484.

Vgl. de beknopte versie van dit recept in 629 . Het is zeer waarschijnlijk dat het onvolledig overgeleverde recept 1 in R. Peeters' uitgave een deel is van een versie van 484 . Bij Peeters luidt deze tekst (p. 165):

......
coelblat ende van desen drancke salmen drincken tnuchteren teleke et savons spade en telken twee lepele vol ofte drie ende den crop van desen vorscreven cruden es dbeste. Maer die meede moet syn die wortele; die mentyne soude wel ghenesen die wonden en droncke men el niet tote ghenesen waere.

485.

Vgl. 238 , 486 , 599 , 841 en De Vreese 12, 65, 190, 194, 404 en 408. Woordelijk komt echter geen van de zoëven genoemde recepten overeen met 485 .

486.

Zie de voorgaande aantekening.

487.

De in dit recept opgesomde ingrediënten vertonen grote gelijkenis met die welke in twee op elkaar volgende recepten in de Düdesche Arstedie (S. Norrbom, p. 112) opgesomd worden:

Weme de maghe vorkoldet ys, deme gif to deme ersten wat dar he moghe van verlaten, vnde holt ene so wy dar sulues hirvor geleret hebben, vnde gif em yo des nicht vele. Wen he denne gespiet heft, so bese des anderen dages de nette; ys se claer vnde schumet nicht, so is he gesunt, mer is dar schume vp, so make ene to stole ghande, alzo wy hirna leren.
Weme de maghe vorkolden wil, so ys de nette claer alzo water. So gif em dat eximel dre dage vmme drinken, also wy leret hebben. Darna make ene to stole gande, so wy hirna leren. Darna nym sedduer, negelken, peper, gallian, muscatenblomen, paradyskorne, muscaten, lorberen, cobeben, cardamomen, engeuer jewelkes j lot, annys, vennekelsaet, lacrissen jewelkes j lot, pors j lot, benedicten, vnde wormeden j lot; puluere desse krude kleyne vnde sichte dor eyn seue, vnde make denne veer lepel vul wynes het vp deme vure vnde do dar so vele krudes in alzo du gripen machst in dren vingeren edder in veren, vnde drink dat. Dyt do negen dage vmme, so wert dy de mage wedder heet ...

490.

Vgl. 884 en 1081 .



[p. 359]

492.

Vgl. 1049 en de groep recepten in De Vreese 158-167. Ook in L.J. Vandewiele, Herbarys, pp. 204-205 wordt look ‘dorpers triacle’ geheten:

Ende somege meesters heetent dorpers triacle.

497.

De anecdote over de ‘hinde’ die als ze door jagers gewond zijn, de pijl met ‘witworte’ uit de wonden trekken, wordt reeds door Plinius verteld.

514.

De woorden ‘ieghen quaet ghespaente’ komen in de tekst tweemaal voor. Wellicht is dit een dittografie van de scribent, alhoewel het ook mogelijk is dat het tweede ‘ghespaente’ alleen een vergissing van de scribent zou zijn. Voor de anti-diabolische krachten van ‘biuoet’ zie Is. Teirlinck, Flora Diabolica (Antwerpen, s.d.), pp. 133, 225, 227 en 228.

522.

Vgl. 588 .

523.

Vgl. 589 .

532.

Vgl. 951 ; ‘duwent vte’ is misschien corrupt voor ‘spuwent vte’.

536.

Vgl. 949 en Vreese 263:

Die haere memorien verloren hebben, men ghevem drinken .v. daghe gaudbloemen, averone, ende saelge, gestampt te gader; ende ghetempert met wine. si sullen derbi ghenesen.

540.

Vgl. 1091 en 1286 .

543.

Vgl. 870 en de Düdesche Arstedie:

Jtem nym ener wytten duuen vorderen vlogel vnde steck daryn myt enen messe, dat he blode: des blodes do vp dat mael.
(S. Norrbom, p. 76).

545.

Vgl. 871 .

547.

Vgl. 103 .

551.

Vgl. De Vreese 20 en 40. Het eerste van beide nummers luidt:

Jeghen sproeten int aensichte, neemt .j. niewen erdenen pot, ende vultene met den sande ende blade van roesen ende neemt claere fonteine; ende siedet up tvier ghelijc zalve; dan doet in een ghelas ende dwaet daermede.

Bij L.J. Vandewiele, Pharm. Ts. voor België XLI (1964), 73 komt een ‘water van aplompen’ voor dat ‘goet te vele dingen’

[p. 360]

genoemd wordt, doch waarbij geen sprake is van de mogelijkheid ermee de gelaatskleur te verbeteren.

553.

Vgl. 1011 , ook 1013 en De Vreese 37, 200 en 403. De Vreeses no 37 luidt als volgt:

Salve te makene jeghen alrande quetsinghen: men sal nemen .j. hantvul nasschaden; .j. hantvul apien; .j. hantvul seniclen; .j. hantvul bladeren van der glorifielaten ende .j. hantvul violettencruuts; ende stampet al over een; ende .3. virrendel was; ende een alf lib. barghinssmouts; dit siet men langhe oft waere wermoes, ende wringet doer .j. scoen cleet. dats hutermaten goede salve.

554.

Vgl. 326 .

556.

Vgl. 333 .

557.

Vertoont gedeeltelijke gelijkenis met 1138 en 1146 .

559.

Vgl. 336 en 1194 .

560.

Vgl. 1150 .

562.

Vgl. 1149 .

564.

Vgl. 244 , 1010 en 1193 .

565.

Vgl. De Vreese 36 en 400:

36. Salve te maken jeghen wonden: men sal nemen de botten van den popelierbome, ghelesen in den mey, ende ghesoden in botre, so langhe dat so wert groene; dat es goede salve.
400. Om te makene goede salve jeghen alrande wonde, suldi nemen popellierbotten niet te clene no te groet, ende doet in elken stoep botten .i. lib. meiscer boteren, ende siet over en so langhe, dat groene es, ende sin scumen laet; dan so wringhet doer een clet. dat es goet in wonde.

567.

Het geleidelijk verminderen van het aantal ‘wormkine’ in een kuur die negen dagen duurt, is een werkwijze die in de magie veel voorkomt. Vgl. ook 625 .

569.

‘siet al in .j. ...’: na .j. ontbreekt een gewichtsaanduiding.

571.

Vgl. 1172 .

575.

Vgl. 327 en 576 .

576.

Zie hierboven.



[p. 361]

579.

Dit recept is wellicht onvolledig. De aanvang ‘Eest .j. man’, laat verwachten dat verder in het recept ook nog ‘eest .j. wiue’ zal volgen. Vgl. De Vreese 34:

Jeghen beven met den leden, neemt sap van bivoete, ende minghet met olien van roesen; ende salvet dermede die leden die beven.

586.

Vgl. De Vreese 406:

Om te makene droech treite, voeren suldi nemen wieroec, ende comin, ende tarpentine, ende galbanum, ende dit al ghestamp over en; ende was ende scapinroet smelt, ende olie van oliven; doet dat voerseide pulver daer in.

587.

Vgl. De Vreese 407:

Om te makene treitdouken, ghi sult nemen wieroec ende comin al ghestamp; en nemt scapinroet, ende was, ende ars ende olie van oliven, ende siedet te ghadere. ende alst ghesoden es, so latet en lettel coelen; ende alst beghint te sturken, so nem douchke en stekese daerin, ende drucse ut ende latse colen ende stiven. so hebdi goede treitdouke.

588.

Vgl. 522 .

589.

Vgl. 523 .

595.

Vgl. De Vreese 394:

Item jeghen den kancker in den mont, soe seldi nemen een goet deel weghebrede, ende stampense esticken ende vringhet uut met watere uute enen smeebacke. ende dit seldi stampen ende uutvringhen met versschen watere voerscreven, alsoe langhe als daer groen uutloept. ende als daer niet meer groen uut en loept, soe seldijt doen te viere, ende in den stoep waters soe seldi doen alluen, een hoendereney groet. ende als ghijs hebt .iij. vierendeel, soe seldijt sieden op een vierendeel; ende alst ghesoden es, soe seldijt laten coelen. ende alst coel es, soe seldijt den mensche doen in sinen mont houden alsoe langhe als hi mach; ende als hijt niet langher houden en mach, soe spuwt uut, ende neem daer veersch in. ende dit sal hi doen enen dach lanc, ofte .ij. daghe lanc, toot het es ghenesen. ende dat sal sijn op een kort.

596.

Vgl. 691 , 1084 , 1248 , 1249 en De Vreese 77; dit laatste recept luidt:

Omme harde zweeren te doen sittene, neemt meele van tarwen, ghesoden met olie ende wijfsmelc, ghebonden daerup.

Zie ook R. Peeters, 21 (p. 169):

Jeghen harde sweeren, ziedet meel van terwen met olyen ende bindet daer op, si sullen vergaen alte hant sonder twivele.


[p. 362]

599.

Vgl. de aantekening bij 238 .

600.

Vgl. 314 .

601.

Vgl. 306 .

609.

Vgl. 293 .

619.

Vgl. 1024 .

625.

Vgl. de aantekening bij 567 .

629.

Vgl. 484 .

633.

Vgl. 634 en De Vreese 84:

Wildi maken plaesteren ten zweeren of ten wonden, so neemt linsaet, ende stampet wel cleene; ende neemt venigriec ende olie van oliven, ende siet over een, ende lechter up plaesterwijs; ende hets nutte ten clapporen ende sachte te doen sweren alle dinc.

634.

Vgl. de vorige aantekening.

635.

Vgl. De Vreese 343:

Maluwe ghestampt ende gheleit up heete zweren es goet in beghin vander zweringhe.

637.

Zie ook 202 en 1173 .

638.

Vgl. 642 , 925 en De Vreese 2 en 107:

2. Jeghen menisoen, ziet wel langhe sleen ende drinct dat sop; probatum.
107. Jeghen tmenisoen, nem ghesoden sleen in regewater ende eetse; ghi sult ghenesen.

641.

Vgl. 911 .

642.

Vgl. 638 en de aantekening bij dit nummer.

644.

Vgl. 1009 .

645.

Vgl. 338 en de aantekening bij dit nummer.

646.

Vgl. 1365 en De Vreese 370:

Die met pinen orine maect, neemt de blaese van de gheeten ende barrense te pulvre, ende drinct dat met wine of borne. Oec es goet die hersene van den hase, ende wrijfse te sticken, ende dan drinc met wine.


[p. 363]

651.

Vgl. 1 .

655.

Vgl. 1008 , 1063 , 1186 en De Vreese 482 en 485:

482. Ten vernoye van der borst, vander hoeste, vander herte, hoert hier goede medicine ende vraye. nem marroes, ysope, ende sietse wel in stellen biere ende versche botere, ende stampt wel te gader. ende drinct elx daghes nuchterne. nemt .iii. baren ende sietse in wine ende in honeghe. ende drinct alse ghi gaet slapen.
485. Drie crude salmen nutten jeghen die borst: alsene, witte materne, ysope.

657.

Vgl. 999 en 1289 .

659.

Vgl. 483 , 1001 en 1108 .

660.

Vgl. 1111 .

661.

Vgl. 1107 en 1284 .

667.

Vgl. 208 .

668.

‘dat ghewichte van een vlaemschen’: het gewicht van een Vlaamse munt.

673.

Vgl. 1293 .

691.

Vgl. 596 , 1084 , 1248 , 1249 en De Vreese 77.

692.

Vgl. 1251 .

694-695.

Deze twee nummers maken deel uit van hetzelfde geheel.

696.

Vgl. 1253 .

698.-699

Deze twee nummers maken deel uit van hetzelfde geheel.

703.

Vgl. 1256 .

704.

Vgl. 1258 en De Vreese 577:

Item nem wit saet van macoppine, ende melc van vrouwen, ende witte van den eye; hier af mac .i. plaester ende bind op den slaep: dat doet wel slapen.

Vgl. ook W. Braekman, VMKVA (1963), p. 302:

Om eenen te doen slaepen. Neemt een groet toyrnoyse ghewichte wit macopisaet ende also vele ghewichte caenpsaet ende een alf groets tornoyse ghewichte belsaet ende poedert ende gheeft hem drincken.

Zie ook no 55 in dezelfde uitgave.

707.

Vgl. 1259 .



[p. 364]

708.

Vgl. 1261 .

709.

Vgl. 1262 .

711.

Vgl. 1264 .

712.

Vgl. 1266 .

713.

Vgl. 1267 .

714.

Vgl. 1268 .

719.

Vgl. 1271 .

723-724.

Vgl. 1273 en 1274 ; ‘stille’ betekent: stilstaand water.

725-727.

Vgl. 1059 en 1275 .

729.

‘groenre’: verser.

730.

‘van heeten ende van naten’: van hitte en van natheid.

731.

‘ganser’: gezonder.

732.

‘hen si’: tenzij.

733.

Vgl. 1309 .

736.

Vgl. 1307 .

737b.

Dit recept is goed tegen ‘haesticheijt’, dat hier wel met het in de rand toegevoegde ‘pestelensie’ te vereenzelvigen is.

737g.

De laatste drie (of vier?) woorden van dit niet zeer duidelijk recept, geven wellicht het doel aan waartoe de ingrediënten bestemd zijn. De betekenis van rooesel en gestoft is mij niet duidelijk.

738.

‘wiet heit’: wie het (het kwaad) heeft.

739.

‘.S. loet’: een half lood, d.i. een bepaald gewicht.

741.

‘teyen’: tegen.

743-744.

‘vir’: uir, d.i. uur; ‘langet’: verlengd, langer geworden.

745.

De woorden ‘al root’ horen bij ‘colen’: gloeiend rode kolen.

746.

Voor ‘bernende wyn’, zie G. Keil, ‘Der deutsche Branntweintraktat des Mittelalters’, Centaurus VII (1960-61), 53-100, en L.J. Vandewiele ‘De eerste Publikatie in het Nederlands over

[p. 365]

Alkohol’, Pharm. Ts. voor België XLI (1964), 65-80, waar men eveneens een opsomming van de eigenschappen van brandewijn vindt.

750.

‘isset soe anders’: is het zoals zojuist gezegd is of ook indien het een andere vorm vertoont.

753.

‘in sterften’: in tijden waarin een epidemie (b.v. pest) heerst.

754.

Vgl. 798 .

756.

Vgl. 1003 en 1175 .

758.

Vgl. De Vreese 286:

Jeghen de hoeftzwere neemt de wortel van weghebrede ende hancten an uwen hals, dat verjaecht de hoeftzweere.

761.

Voor ‘barnenden wiin’ zie 746 en de aantekening daarbij, en ook 771 .

771.

Vgl. de aantekeningen bij 761 .

776.

Vgl. 964 .

778.

Vgl. 868 en De Vreese 311:

Ten oeghen, neemt de galle vanden haese of van eenen paeldinghe, gheminct met honeghe; doet dat in doeghen die verdonkert sin .ix. daghe. dan soude men die sterren te middaghe (zien), hoe cranc die zie te voren hadde gheweest.

Men vergelijke ook de Düdesche Arstedie (S. Norrbom, p. 76):

Jtem nym enes hazen gallen vnde enes ales gallen vnde enes hanen gallen vnde menghe de dree gallen tohope vnde menge dar so vele honnyges to alzo van den dren gallen wert vnde laet dat tohope wol warm werden vp deme vure vnde drope des wat in de ogen: dat vordrifft dat mael.

785.

Vgl. De Vreese 230 en 231:

230. Pillen apestelensia maect men van alewe, ende van merre ende van sofferaen.
231. Pulvis pestilencialis: neemt aloes, cicotrini, mirre β; croci orten .iiij. missianum efiat pulvis.

787.

Dit recept werd gedeeltelijk gedrukt door W.F. Daems, Boec van Medicinen, p. 85.

798.

Vgl. 754 .



[p. 366]

803-805.

Vgl. 943 en 944 . De tekenen van komend vriesweer die in dit recept opgesomd worden, leven nog tot op onze dagen voort in de volksmond.

809.

Vgl. 1000 , 1121 en 1208 .

811.

‘daer’ is wel te verklaren als ‘der (wise)’ d.i. als volgt, aldus.

816.

‘et ut £’ d.i. tot men in totaal een hoeveelheid van een pond bekomt.

820.

Vgl. 1010 .

841.

Vgl. 238 , 485 , 599 en de aantekening bij 238 .

847.

Voor de samenstelling van de ‘plaester van iherusalem’ verwijzen we naar L.J. Vandewiele, Pharm. Ts. voor België XL (1963), 38 en dezelfde, Liber Avicenne, p. 130.

848.

‘daer in ghesoden grof ende comijn’: het woord ‘grof’ is wellicht corrupt voor ‘glorifilaet’. Uit de kontekst blijkt in alle geval dat hier een plant bedoeld wordt.

849.

‘sweer te gader’: de betekenis is duidelijk: samen gemengd, doch het woord ‘sweer’ is duister. Misschien corrupt voor ‘smeer’?

850.

Vgl. De Vreese 59, 81 en vooral 67. Dit laatste recept luidt:

Om clieren te ghenesene ende te doen verdwinene, neemt huemst, ende zietene met roden coelen ende lecht dat up die clieren.

851.

Vgl. De Vreese 447:

Item nem witte van eyeren in .i. quaet cledekin, ende maecter of pulver ende legter op.

852.

De betekenis van het eerste woord in ‘elcken oueriarich smeer’ is duister.

855.

‘die wortel van rite’: het laatste woord is misschien corrupt voor ‘rute’. Onder de steensoorten die, naar middeleeuwse voorstelling, een uittrekkende kracht hadden, vermeldt G. Eis, Vor und nach Paracelsus, pp. 171-172 er twee: de ‘lagapis’ en de aetitis of arendsteen. Het is dan ook waarschijnlijk dat een van deze twee in aanmerking komt in de passage ‘nem een steen ende hiet ...’.

856.

Vgl. 563 en De Vreese 447 (zie aantekening bij 851 ).



[p. 367]

865.

Het gebruik van het woord ‘machabeus’ in magische middedelen ‘jeghen de tantzweere’, komt ook voor bij W. Braekman, VMKVA (1964), no 32 (p. 298 en p. 342).

De woorden ‘Job torsan mubia cerobentes Job’ worden eveneens in andere middeleeuwse magische formulieren aangetroffen. Zo b.v. in het 13e-eeuwse handschrift Görres 109 van de Preussische Staatsbibliothek, vroeger te Berlijn, nu te Tübingen bewaard. Op fol. 198v van dit handschrift leest men:

Contra vermes equorum.
+ Iob + Tronsu + Conubia + Zorobontis + Iob +

Een nauw verwante tekst, eveneens tegen wormen gericht, komt voor in een versie van Meester Albrants Rossarzneibuch, die uit de 2e helft van de 14e eeuw dateert:

Wiltu den wurm seyn sprechyn, so sprich.
Der wrme woryn dr, dy sente Job bissyn. der eyne der was ws, der andir swarcz, der dritte rot. herre sente Jop, lege der wrme tot!
+ obtrayson + magula + Job connubia malagula + zarabuntis + in nomine patris + et filij + et spiritus sancti + amen.

In een latere versie (2e helft 15e eeuw) van hetzelfde traktaat luiden de zonderlinge woorden:

connubia + Job + albana + trayson + connubia + Job + zaribantur + amen

en in de inkunabel van dit beroemde Rossarzneibuch, gedrukt te Erfurt in 1500, ten slotte, leest men:

Jobt reison conobia Zarabantis.

In deze inkunabel moeten de woorden op een wassen tafeltje geschreven worden en aan de hals van het paard gehangen worden; in de 15e-eeuwse Hs.-versie dienen ze op een stuk lood geschreven en eveneens aan de hals gehangen te worden. (G. Eis, Meister Albrants Rossarzneibuch im deutschen Osten (Schriften der deutschen wissenschaftlichen Gesellschaft in Reichenberg, Heft 9, Reichenberg, 1939), pp. 114, 136 en p. 95 nota.)

Ten slotte dient er ook op gewezen te worden dat in het Utrechtse Artsenijboek (J.H. Gallée, Jb. d. Ver. f. ndt. Sprachforschung XV (1889), 122) een gelijkaardige formule eveneens voorkomt, ook hier gericht tegen de wormen:

+ Job + trayson + conobia + zatraga + zorabantin + Job + Scrif dit in blye unde scrif des minschen namen dar in, unde bind eme umme den hals. Dat bedvinghet alle worme.

In verband met het opvallend verschijnsel dat in al de zojuist

[p. 368]

aangehaalde parallelen dezelfde, min of meer vervormde, woorden tegen de wormen gebruikt worden, dient eraan herinnerd te worden dat wormen als de verwekkers van tandpijn aangezien werden.

866.

Venkel en ruit komen ook samen voor in het volgend recept:

Noch .1. water dat es herde gesont. wonderlike goet jegen alle smetten van ogen ende iegen dat witte ende om claer te siene. Nemt venkel. rute. yserne. eufrasie. endivie. betonie. rosen ende surmonteine. elx .1. hantvol. ende legse in witten wine ...
(L.J. Vandewiele, Pharm. Ts. voor België XLI (1964), 72).

868.

Vgl. 778 en de aantekening hierbij.

869.

Vgl. De Vreese 143:

Eufragia es .j. cleene crudekin, ende wast .j. spanne lanc ende draghet witte bloumen als muer; hets cout ende dro in den .j. graet; het conforteert de oghen.

Over ‘affrasia’, zie ook de aantekening bij 866 .

870.

Vgl. 543 .

871.

Vgl. 545 .

874.

Vgl. 1152 .

877.

Vgl. De Vreese 289:

Om den camerganc te stoppen, braet .iiij. of .vj. eyer al hert, ende neemt daer af die doren ende leghse in goeden eysine.

882.

Vgl. gedeeltelijk met 996 en met 1287 .

884.

Vgl. 490 .

890.

Vgl. 937 .

896.

Als ingrediënt komt ‘portellen’, gespeld als ‘partelle’, ook voor in een recept van rond 1282 tegen ‘crouen’ in het goederenregister van Oudenbiezen:

Dats guet jegen crouen.
Met desen crude est guet stouen jegent crouen. Ten irsten partelle. Item grise. Item ossenmůl. Item metsute. Item wechbride. Item honstunge. Item elsene. Det sel mer siden en einen ketel ende sal der mide stouen en eine droege cupe.
(J. Buntinx en M. Gysseling, o.c., p. 145.)

899.

Vgl. 186 en 914 .



[p. 369]

904.

Vgl. De Vreese 510:

Men doet .i. mensche slapen: nem de galle van den hase, ende ghevetse in biere of in mede te drinkene: hi sal slapen. ende alsi wille ontwaken, soe neemt aysijl ende ghietet hem in de neseghate of in doere: hi sal ontwaken.

In no 45 van W. Braekmans uitgave (VMKVA (1963), 302) komt ‘leuere van den hase’ voor in een slaapmiddel. Vgl. met no 52 in dezelfde uitgave (p. 303):

Om te doen slapen .iij. daghen. Ghef hem drinken die galle van eenen haese.

911.

Vgl. 641 en De Vreese 213:

Die sijn orine niet ghehouden en mach, hi neme latuwensaet ende stoetet in sticken, ende minghen met wine ende drincke dat nuchteren.

914.

Vgl. 186 en 899 .

917.

Vgl. De Vreese 490:

Jeghen verloren spraeke: die sine sprake heft verloren in ziekeden, neme aloen ende temperse in watere ende ghietse in sinen mont.

919.

Vgl. 1157 .

921.

Vgl. 1068 en De Vreese 469. Dit laatste recept luidt:

Ware dat enighe vrucht doet ware in swives lechame, ende hare niet bet en mochte werden, dronke ysope met waermen borne, hare worde stappans bet.

922.

Na ‘willeghen bloemen’ dient zonder twijfel te volgen ‘nut met wiwatere’. Dit kan men opmaken uit L.J. Vandewiele, Herbarys, p. 453, waar men leest:

Ende jeronimus seit dat meesters seggen die scriven van naturen &de van cruden. So wie die bloemen nut met wiwatere. alle hitte van luxurien vercoelt in hem &de hine wint nemmermeer kint.

Men vergelijke ook G. Brodin, Agnus Castus. A Middle English Herbal (Essays and Studies on English Language and Literature VI, Ypsala, 1950), p. 119:

Agnus castus ... þe vertu of þis herbe is þis þat he wylle gladly kepe men and women chast.

923.

Vgl. 1098 .



[p. 370]

925.

Vgl. 638 , 642 en De Vreese 2 en het ermee ongeveer overeenstemmende 107:

2. Jeghen menisoen, ziet wel langhe sleen ende drinct dat sop; probatum.

932.

Vgl. 1062 en 1191 .

934.

Vgl. 37 , 387 , 389 , 994 , 1072 en De Vreese 234 en 413.

936.

Vgl. De Vreese 314:

Jeghen de worten an de handen of in daensichte, neemt een roede slecke, die men int hout vint, ende doese in eenen niewen erdennen pot ende sprincse met soute. ende als so es ghesmolten, so salvet daer mede die worten: si sullen vergaen.

937.

Vgl. 890 .

938.

Vgl. 1007 .

939.

Vgl. 1007 en De Vreese 328:

Jeghen alle hoeftzwere: neemt witte mente, of mente die in devene wast, ghestampt met den eysile; ende lecht up thoeft, up de hersene, ende up den necke: hi sal ghenesen. ende diet dronke, het waere beter.

943.

Vgl. 803 , 805 en 944 .

944.

Zie de voorgaande aantekening.

948.

Vgl. 1032 .

949.

Vgl. 536 en De Vreese 263:

Die haere memorien verloren hebben, men ghevem drinken .v. daghe gaudbloemen, averone, ende saelge, gestampt te gader; ende ghetempert met wine. si sullen derbi ghenesen.

951.

Vgl. 532 .

954.

Vgl. 181 en De Vreese 57, 470 en 476.

960.

Vgl. 1294 .

964.

Vgl. 776 .

969.

Vgl. 47 .

972.

Vgl. 655 , 1008 , 1063 , 1186 en De Vreese 482 en 485.

974.

Vgl. 1196 .



[p. 371]

979.

Vgl. De Vreese 211:

Netelen also ghemaect ende ghedaen, oec in de wonde ghedaen ende entrent gheleit, gheneest oec seer haestelijc.

981.

Vgl. 339 en 1012 .

982.

Vgl. 1148 .

989.

Vgl. De Vreese 156:

Om ghescuerde te ghenesene sonder snijden: Al waer de quetsinghe harde haut, neemt elna campana ende stampse, ende maect dan een plaestere van werke ende netse in dit watere, ende legse up die scuere. Ende doet den zieken ligghen; dit etet binnen af onbehoerlic vleesch van der wonden ende maect de wonde weder versch ende niewe gheheelre huut van buten. binnen derden daghe daer naer neemt osmonde, valeriaene, senicle, confelie de greine, ende stampt dese .iiij. cruden ende maect weder een plaester van werke, ende netse wel int sop ende legse van buten up de wonde .ix. daghe lanc duerende: sij sal ghenesen ende toe gaen. dit es gheprouft.

990.

Als ingrediënt komt ‘grise’ ook voor in het recept tegen ‘crouen’ uit het goederenregister van Oudenbiezen. Zie de aantekening bij 896 . Het gebruik van ‘grisen’ komt eveneens voor bij L.J. Vandewiele, Pharm. Ts. voor België XLI (1964), 71. Zie de aantekening bij 132 .

992.

Vgl. 211 en de aantekening daarbij.

994.

Vgl. de aantekening bij 37 .

996.

Stemt gedeeltelijk overeen met 882 .

997.

Vgl. De Vreese 161 en 343:

161. Loec ende maluwe even vele, ghesoden in wine ende ghedronken, ontstopt aestelike orine die bestopt es.
343. Maluwe ghestampt ende gheleit up heete zweren es goet in beghin vander zweringhe.

998.

Vgl. De Vreese 344 en 590:

344. Dille ghesoden met vleesche, of ghedronken, staerct de hersene ende de maghe, ende gheeft den vrauwen vele melke, ende doet wel slapen.
590. Dilsaet es goed jeghen den gravel, ghesoden ende ghedronken. Ende jeghen quade hersenen salment sieden ende kuwen, ende inswelghen. ende dat sop drinken, ende het verdriv(et) ...

999.

Vgl. 657 en 1289 .



[p. 372]

1000.

Vgl. 809 , 1121 en 1208 .

1001.

Vgl. 483 , 659 en 1108 .

1003.

Vgl. 331 , 756 , 1004 en 1175 .

1004.

Vgl. 331 en de aantekening daarbij.

1007.

Vgl. 939 en de aantekening bij dat nummer.

1008.

Vgl. 655 , 1063 , 1186 en de aantekening bij 655 .

1009.

Vgl. 644 .

1010.

Vgl. 244 , 564 , 820 en 1193 .

1011.

Vgl. 553 en de aantekening bij dit nummer.

1012.

Vgl. 339 en 981 .

1013.

Vgl. 553 en de aantekening bij dit nummer.

1024.

Vgl. 619 .

1038.

Vgl. 140 en de aantekening bij dit nummer.

1039.

Vgl. De Vreese 548:

Dadelsteen ghescavet in wine ende ghedronken jeghen tbloet, .ii. stickelkine met cottoene ghewonden met polliden, ende in atrement, ende met alle int elc neseghat ghesteken.

1042.

Vgl. G. Keil, Die ‘Cirurgia’ Peters van Ulm, no 250:

Wem die sir an den henden sint.
Der zwach sich mit mintzen-saft. Oder nym pilsen-saumen, den lege auff prynnende kol - vnd zwach vor die hend mit kaltem wasser, dornach heb sie über den rauch, so wirffstu die sir auss vnd sichst sie in dem wasser ligen. Vnd schelwurtzsaft mit hönig gemyst, dy macht gesunt hend.

en de bespreking van dit werk door W.L. Wardale in Niederdeutsche Mitteilungen XVI-XVIII (1960-62), 207.

1046.

Vgl. 1080 , 1298 en 1375 .

1049.

Vgl. 492 en De Vreese 159:

Loec ende zeem te gader ghestampt es goet gheleit ende gheplaestert up hontsbeete.

1052.

Vgl. 992 .

1056.

Vgl. 1250 .



[p. 373]

1059.

Vgl. 727 .

1062.

Vgl. 932 en 1191 .

1063.

Vgl. 1186 .

1064.

Vgl. 1089 , 1110 en 1317 .

1065.

Vgl. 1182 .

1066.

Zie ook de aantekening bij 1126 .

1067.

Vgl. 343 en 344 .

1068.

Vgl. 921 en de aantekening daarbij.

1070.

Vgl. 323 en de aantekening daarbij.

1071.

Vgl. 474 .

1072.

Vgl. 37 en de aantekening daarbij.

1074.

Vgl. De Vreese 353:

Coppeghespin heelt wonden.

1080.

Vgl. 1046 , 1298 en 1375 .

1081.

Vgl. 490 .

1084.

Vgl. 596 en de aantekening daarbij.

1089.

Vgl. 1064 , 1110 en 1317 .

1091.

Vgl. 540 en 1286 .

1093.

Vgl. De Vreese 85:

Die wille zweeten, die sal nemen venkelwortele ende stampense ende siedense in wine, ende drincke dat nuchtren, ende decke hem wel: hi sal wel zweeten.

1094.

Vgl. 323 en de aantekening daarbij.

1097.

Vgl. De Vreese 417:

Omme te ghenesen een hondtsbete, neempt een ey ghestampt metter schale, ende daer inne thaer vanden honde gheminghelt met Canarye suycker, ende met tsop van gherruwe, mitgaders met zalve van roosen ghestreken rontsom daert tghebeten ghat is, omme den brandt te vertrecken. ghoede medecijne.

1098.

Vgl. 923 .



[p. 374]

1100.

Vgl. 994 .

1103.

Vgl. 1159 .

1107.

Vgl. 661 en 1284 .

1108.

Vgl. 483 , 659 en 1001 .

1109.

Vgl. 1221 .

1110.

Vgl. 1064 , 1089 en 1317 .

1111.

Vgl. 660 .

1112.

Vgl. 1233 en 1326 . Urinetraktaten komen in Mnl. handschriften veelvuldig voor. Men zie de beschrijving van de manuscripten en de daar gegeven bibliografie.

1113.

Vgl. Utrechts Artsenijboek (J.H. Gallée, 112-113):

Van deme sweren in deme live.
So welich minsche deme eyn svere wasset in sineme live, dat kumt van deme vresme; so licht he an groter uncracht. So wan du ene besust in deme glase, is sin nette blek, unde hevet se bovene eynen roden manen, is he open unde gele sprenkelachtich so muchst tu eme helpen. Is de mane besloten so en sculttu dic nicht underwinden, so scal he sic vorevenen mit unseme heren gode ...

1114.

Vgl. 1335 en het Utrechts Artsenijboek (J.H. Gallée, 114):

Van deme sweren in deme live.
......
Peper sculttu vormiden; versch swinenvleys, junghe honre sintti gut; visch, erweten, loc, rintvleysch, droge vleisch, soltvleysch, beten unde rove, gense, enede, note unde plumen, berin unde honich unde sote appelle, grof brot scult tu vormiden ...

1116.

Vgl. De Vreese 462 en 524:

462. Die vreset van bladeren, neme doderen van eyeren al rou, doese scumen, danne neme werc ende net daer in, ende bind daer op.
524. Die vreest te hebbene die bladeren, neme doederen van eyeren al rou ende doese scumen; dan neme werc ende netter mede, ende doeter op.

1121.

Vgl. 809 , 1000 en 1208 .

1123.

Vgl. 1328 .



[p. 375]

1126.

Zie ook 1066 . De tekenen van de naderende dood komen ook voor in Hs. 15624-41 van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, in een tekstje, getiteld ‘Dit siin .24. tekene der doot die Ypocras met hem dede graven’ (fols. 72v-73r) en een andere tekst, incip. ‘Die mensce die leget in ziecheiden ...’ Beide werden herhaaldelijk uitgegeven, de eerste door K. Sudhoff, ‘Die pseudohippokratische Krankheitsprognostik nach dem Auftreten von Hautausschlägen, “Secreta Hippocratis” oder “Capsula eburnea” benannt’, Archiv f. Gesch. der Med. IX (1916), 113-115, de tweede door J.F. Willems, ‘Brokken uit een oud Geneesboek der XIVe eeuw’, Belg. Mus. VI (1842), 105-108. Beide teksten werden enkele jaren geleden opnieuw uitgegeven door L.J. Vandewiele, ‘Dit siin .24. tekene der doot die Ypocras met hem dede graven. Een Middelnederlands traktaat uit de XIVe eeuw’, Biologisch Jaarboek Dodonaea XXXII (1964), 393-401.

Een cultuurhistorisch belangrijk berijmd fragment van een andere ziekteprognose (de cirkel van Pythagoras) werd uit een Hs. van het Gemeentearchief te Aardenburg (‘het Boek met den knoop’) uitgegeven door E. Cramer-Peeters, W. Braekman en M. Gysseling, ‘Een Middelnederlandse Ziekte- en Jaarprognose uit AardenburgVMKVA (1966), 355-374.

Men vergelijke ook L.J. Vandewiele, Pharm. Ts. voor België XLI (1964), 80:

Nem broot ende wrijf siin voete der met ende gevet enen hont. eet hijt dats goet. ende laet hijt dats vrese.

en ook:

Nem sinen orine ende gietse savons op netelen. siin se smorgens valu dats vrese. Mer blivense groene dats goet.

1138.

Stemt gedeeltelijk overeen met 557 .

1140.

Vgl. 243 .

1146.

Stemt gedeeltelijk overeen met 557 .

1147.

Over clareyt raadplege men W.F. Daems, ‘Die Clareit- und Ypocrasrezepte in Thomas van der Noots' Notabel Boecxken van Cokeryen (um 1510)’, in Fachliteratur des Mittelalters. Festschrift für Gerhard Eis (Stuttgart, 1968), 205-224.

1148.

Vgl. 982 .

1149.

Vgl. 562 .



[p. 376]

1150.

Vgl. 560 .

1152.

Vgl. 874 .

1153.

Vgl. R. Peeters 10 (p. 167):

Jeghen des verwoets honts bete, men sal nemen betonie ende wrivense te stucken ende legghense op die wonde het sal ghenesen.

1157.

Vgl. 919 .

1158.

Vgl. 324 .

1159.

Vgl. 1103 .

1160.

Vgl. 281 .

1161.

Vgl. 179 en 180 .

1162.

Vgl. De Vreese 504:

Jeghen naghelswere ende jeghen zere nagle die vallen: nem tarewe corne te sticken ghewreven ende twitte van den eye, ende doet der op. si sullen vallen.

1163.

Vgl. 323 en de aantekening daarbij.

1169.

Vgl. 1229 .

1172.

Vgl. 571 .

1173.

Vgl. 202 en 637 .

1175.

Vgl. 756 en 1003 .

1182.

Vgl. 1065 .

1186.

Vgl. 655 en de aantekening daarbij.

1187.

Vgl. 159 .

1190.

Zie ook 866 en de aantekening daarbij.

1191.

Vgl. 932 en 1062 .

1193.

Vgl. 244 , 564 en 1010 .

1194.

Vgl. 336 en 559 .

1195.

Vgl. 167 .

1196.

Vgl. 974 .

1199.

Vgl. 215 .



[p. 377]

1202.

Het gebruik van de edelsteen, de ‘soffier’ tegen een gezwel, vindt men ook bij Van Maerlant vermeld. Over de ‘saphirus’ heet het daar (Nat. Bloeme XI (ed. E. Verwijs, vv. 1002 en 1007-8)):

 Hitte van binnen hi verjaghet
 ......
 Dat swaer evel gheneest hi, dats mere,
 Dat heet Noli me tangere;

1208.

Vgl. 809 , 1000 en 1121 .

1221.

Vgl. 1109 .

1225.

Vgl. 182 en de aantekening daarbij, ook De Vreese 317, 411 en 412.

1129.

Vgl. 1169 .

1239.

Vgl. 673 .

1248.

Vgl. 596 , 691 , 1084 en 1249 .

1249.

Zie de voorgaande aantekening.

1250.

Vgl. 1056 .

1251.

Vgl. 692 .

1253.

Vgl. 696 .

1256.

Vgl. 703 .

1257.

Vgl. 704 .

1258.

Vgl. 704 en De Vreese 577:

Item nem wit saet van macoppine, ende melc van vrouwen, ende witte van den eye; hier af mac .i. plaester ende bind op den slaep: dat doet wel slapen.

1259.

Vgl. 707 .

1261.

Vgl. 708 .

1262.

Vgl. 709 .

1264.

Vgl. 711 .

1266.

Vgl. 712 ; ‘dorsten’ is misschien corrupt voor ‘hoesten’.

1267.

Vgl. 713 .

1268.

Vgl. 714 .



[p. 378]

1269.

Vgl. 718 .

1271.

Vgl. 719 .

1275.

Vgl. 725 en 727 .

1276.

Vgl. 1375 .

1277.

Vgl. De Vreese 242 en 577:

242. Om slaepdranc te maken, neemt opii tebaici, sap van bellen, sap van mecoppen, sap van den ijfte, sap van den murbesien, latuwesaet, wit van mecoppin te samen; dus salment conficiren: men saelt altegader minghen in een coprin scone vat, ende laetent droghen in de sonne. ende als men daer mede wille werken, sa salment temperen met rosewater ende netten eene sponse daer in, ende houdet hem vor de noesegate.

Voor 577 zie de aantekening bij 1258 .

1284.

Vgl. 661 en 1107 .

1285.

Zie ook 596 , 691 , 1084 en 1248 .

1286.

Vgl. 540 en 1091 .

1287.

Stemt gedeeltelijk overeen met 882 .

1289.

Vgl. 657 en 999 .

1294.

Vgl. 960 .

1298.

Vgl. 1046 , 1080 en 1375 . Zie ook 704 .

1299.

Vgl. Utrechts Artsenijboek (J.H. Gallée, 129):

Muschate is het unde droghe se maket gŏt den bosen adme, se sterken den maghen, se stoppet dat lif, se vordrift de bosen winde van den leveren, se is gůt weder den ioken, weder den ruden weder der leveren sericheyt.

1300.

Vgl. Utrechts Artsenijboek (J.H. Gallée, 129):

Muschaten blomen is het unde droghe, se sterket de leveren unde de milten unde den maghen unde vordrift ere vulnisse.

1301.

Vgl. Utrechts Artsenijboek (J.H. Gallée, 129):

Negheleken sint het unde droghe, se sterket den maghen, de leveren unde alle de dinck, de an deme minschen sint. De spise dowet se, unde maket sachte roringhe.

1302.

Vgl. Utrechts Artsenijboek (J.H. Gallée, 129):

Cobeben sint gůt, se maket bliden mŏt, se gift gŏde lucht deme munde unde deme maghen, se stoppet dat weke lif, se helpet


[p. 379]

to allen dinghen, de an deme minschen sint, se breket ok den sten.

1303.

Vgl. Utrechts Artsenijboek (J.H. Gallée, 129):

Cardemomen sterket den maghen, se dowet de spise, se bewaret dat weder ghevent de se menghet mit rosen watere unde drincket dat (Randglosse: gedrunken beweret se dat wedergheuent dat de minsche heuet van deme bosen flecma). Se droget de bosen vuchtigheit des halses, der borst unde der lunghen.

1304.

Vgl. Utrechts Artsenijboek (J.H. Gallée, 129):

Galigan is het unde droge, se reyneghet den maghen van den bosen flecma, he dowet wol de spise, he vordrift de losen winden unde den kolre.

1305.

Vgl. Utrechts Artsenijboek (J.H. Gallée, 129):

Lacriscie is ghetemperet; se en is weder het noch kolt, se is gut weder den husten (Randglosse: Ofte men se sedet mit watere, mit ysopen, mit hertestungen, mit dragante, unde drinket dat water des morgenes unde des avendes. Se maket oc wuchtich unde reine den hals, de borst, unde de wege van der lungen ... verder afgesneden) unde maket reyne de borst, den hals unde de lunghen.

In de Mnl. versie komt de randglosse niet voor.

1306.

Vgl. Utrechts Artsenijboek (J.H. Gallée, 130):

Anis is het unde droge; he vordrift de grouen vuchticheit des minschen unde losen winde (in de kantlijn: et men se); he is gůt der bosen leveren unde der milten. Den vrowen oket he de melic. De blomen der vrowen, de netten unde de svet brinkt he gande. Des minschen lust erwecket he, he vordrift de bosen vuchticheit de den vrowen vletet van deme live to der moder. (Randglosse: he maket dat weke lif hart et men sin pulver). Deme sin hover we deyt van deme snuven de scal sinen roke