terug  begin  verder
[p. 88]

Hoofdstuk III
De verschillende handschriften

1. Beschrijving

Enkele codices waren reeds, zij het dan niet zeer uitvoerig, beschreven, o.m. door Verwijs (Nat. Bl.) en van Leersum (Cyrurgie). Het was geen gebrek aan bescheidenheid deze beschrijvingen opnieuw te ondernemen, noch mijn bedoeling ze te verbeteren. Ik wilde ze op enkele verwaarloosde punten aanvullen, maar vooral wenste ik systematisch voor alle handschriften dezelfde werkwijze te volgen.

De dateringen die bij de titels worden opgegeven, (teneinde de hss. onmiddellijk te kunnen situeren in de tijd), worden in de alinea ‘Herkomst en geschiedenis’ verantwoord. Zo niet, dan werd de datum uit de Bouwstoffen overgenomen.

In de geciteerde Incipits en Explicits (alinea ‘Inhoud’) werden ontwijfelbare afkortingen zonder meer opgelost, daar zij t.a.p. nóch filologisch, nóch paleografisch belang hebben.

De bespreking van Schrift, Abbreviaturen, Formaat en Illustratie werd vooral afgestemd op het gedeelte dat de Natuurkunde-tekst bevat. Van ieder hs. wordt een fotocopie bijgevoegd, behalve van Ups (zie deel II).

Al de tien handschriften heb ik zelf in handen gehad; voor de beschrijving ervan heb ik slechts 'n enkele maal een beroep gedaan op de B.N.M., en dit t.g.t. nadrukkelijk vermeld.

Ups.: 1400-1429

Bewaarplaats en signatuur:

Upsala, Universitetsbiblioteket, MS De la Gardie 56.

[p. 89]

Herkomst en geschiedenis:

Het boek behoorde in 1429 toe aan een zekere Bertolomeus, filius Lauretis1, pastoor van de parochiekerk te Monster, volgens de tekst op fo 67r:

Notum sit universis tenore cum presenti quod ego bertolomeus filius Lauretis presbiter curatus ecclesie parrochialis in monster feci tres proclamaciones debitas et consuetas tribus diebus festivis a se invicem distantibus de matrimonis contracto inter ihohannem ysbrandi et Katherinam lamberti super quibus nullum repperi impedimentum quare dictum matrimonium legitime possit impedire In cuius rei testimonium sigillum meum presentibus est impressum.
datum anno domini M
oCCCCXXIX feria quarta post pasche.

Volgens Prof. G.I. Lieftinck, die mij met zeer veel bereidwilligheid in dit en ander verband hulp verleende, is het bovenstaande de gebruikelijke verklaring, die thans nog bij de Burgerlijke Stand in zwang is. Wij noemen dat ‘aantekenen’. De ouderwetse term is: ‘onder de geboden zijn’. D.w.z. het echtpaar heeft het voornemen te kennen gegeven in het huwelijk te treden. De pastoor heeft op drie niet opvolgende feestdagen, dus zo dat iedereen in de gelegenheid is geweest er kennis van te nemen, dit voornemen bekend gemaakt. Er is van geen enkele zijde bezwaar gemaakt in verband met huwelijksbeletselen en de pastoor geeft een sanctie aan het huwelijk door aan een stuk met deze inhoud zijn zegel te hechten.

De pastoor gebruikte wellicht de opengebleven plaatsen in het boek voor formulierteksten die hij nodig kon hebben. Welnu, ik ben ten zeerste geneigd om deze pastoor als de afschrijver te beschouwen. Het acteschrift van de formule op fo 67r is niet met volkomen zekerheid te identificeren met de hand van de Natuurkunde-tekst, maar toch is daar veel voor te zeggen. Het gebeurt heel vaak dat een afschrijver mét het genre ook van stijl verandert, daarmede een afstand scheppende tussen tekst en toevoegsel, of gewoonweg omdat hij zich veel meer toelegt op ‘schoonschrift’ voor het eigenlijke boek. De vorm van de

[p. 90]

p, b, l, g, d vooral lijken bedrieglijk veel op elkaar. Ook de data stemmen goed overeen: als Bartholomeus in 1460, - misschien al een paar jaartjes! - overleden was, kan hij best het boek in zijn jonge jaren hebben overgeschreven. Prof. Lieftinck was zo goed mij in een brief, dd. 29/11/1960, het volgende te schrijven: ‘Welnu, dit is ook duidelijk een boekje dat gemaakt moet zijn door een pastoor of in ieder geval door een wereldgeestelijke of klerk [...]’.

Op fo 38r staat eveneens, maar dan in een beslist andere hand, een Latijnse aantekening die vermoedelijk, ook al zijn alle details, zoals naam e.d., hier ingevuld, als mnemotechnisch formulier dienst deed:

Domine reverende rogo vos amicabiliter ut cytetis petrum dictum cuper ad feriam secundam proxime venturum in ecclesia[m] hagensi post summam missam precise, mihi super obicienti responsorum.

Zou dit wellicht ook op een ceremonie voorafgaand aan het huwelijk kunnen slaan? Het zou dan protocolair het briefje kunnen zijn dat de bruid zendt aan de pastoor, waarin zij hem vraagt op de gezette tijd, na de afkondigingen, haar bruidegom na de hoogmis in de Haagse kerk (Den Haag ligt vlak bij Monster in het Westland) te ontbieden, om haar plechtig te verzekeren dat hij haar tot vrouw zal nemen. Een kenner van het canonieke recht weet zeker wat deze tekst betekent.

Op fo 1r stond waarschijnlijk nog een andere, 17e-eeuwse bezitter vermeld. De formule is totaal onleesbaar op het eerste woord na:

Dit [...]’. E. Rooth (in een brief - aan De Vreese? - dd. 29/9/1927, die ik in een BNM-map vond) kon toen nog een paar woorden méér lezen: ‘Dit boec is [...]’. Onder ultraviolette belichting werd de tekst gedeeltelijk duidelijker: ‘Dit boeck hoort [+ één woord]’.

In 1669 werd de Codex aan de Universiteitsbibliotheek te Upsala geschonken door graaf Magnus Gabriel de La Gardie (samen met o.m. de Codex Argenteus). Misschien heeft de La Gardie dit handschrift op één van zijn talrijke reizen in Nederland gekocht. Rooth schrijft in de boven geciteerde brief het volgende: ‘Ueber die Provenienz weiss ich nichts ausser dass M. de la Gardie die Hs. wohl in Holland gekauft hat’.

[p. 91]

Materiaal:

Perkament en papier, regelmatig afwisselend. Wat de sexternen betreft:

buitendubbelblad1: perkament=bv.fo 1 en 12
2 volgende dubbelbladen: papier= fo 2, 3 en 10, 11
1 dubbelblad: perkament= fo 4 en 9
1 dubbelblad: papier= fo 5 en 8
binnendubbelblad: perkament= fo 6 en 7

of in de volgorde, bladgewijs:

1 perk., 2 pap., 1 perk., 1 pap., 2 perk., 1 pap., 1 perk., 2 pap., 1 perk.

 

Wat de quinternen betreft:

buitendubbelblad: perkament=bv.fo 1 en 10
4 binnendubbelbladen: papier= fo 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9

of in de volgorde, bladgewijs:

1 perk., 8 pap., 1 perk.

 

Het perkament is zeer goedkoop materiaal geweest: dik, ruw, gerimpeld, met gaten (bv. fo 9: aan onderkant gat van ± 3,5 cm illustratie). Wel lijkt het alsof de rimpels er oorspronkelijk niet allemaal in waren, want het schrift en de tekeningen lopen in de plooien vaak regelmatig verder, alsof er bij het schrijven geen hindernis ontmoet werd. Het papier is dik, soms ook ietwat gerimpeld, maar hier dan oorspronkelijk. Het zit vol grote bruine vocht- en watervlekken aan de drie buitenranden, en is tamelijk beduimeld.

 

5 verschillende watermerken komen voor:

1) plantenfiguur, niet verder te bepalen; ontbreekt in Briquet;

2) niet te herkennen tekening; misschien deel van een vogel (eend, zwaan?). Id. als voor 1).

3) Boog: dit merk is zo verspreid dat geen definitieve conclusie mogelijk is. Bij Briquet komt het niet voor, maar het kan als een variant beschouwd worden van de nummers 802 en 803, in dokumenten uit resp. 1404-1416 en 1419-1427. Dit papier is waarschijnlijk herkomstig uit Champagne.

[p. 92]

4) basiliscus: kan vergeleken worden met Briquet 2707, 2708 en 2709. Herkomstig uit Champagne. De zeer talrijke varianten dateren alle uit de periode tussen 1400 en 1429.

5) kroon of berg met kruis: dit merk ontbreekt in Briquet. Wel is er iets dat er vaag op lijkt (5645), uit het begin van de 15e e1.

 

De tekst is het hele handschrift door zeer goed leesbaar. Op fo 12v is er met de rode inkt een ongeluk gebeurd: een grote veeg maakt een of twee woorden onduidelijk.

Schrift:

Littera cursiva libraria, ongeveer in de manier van de administratieve stukken van omstreeks 1400. Op het einde der regels heeft de n nog een 14e-eeuws haaltje, maar aan de andere kant hebben v, w, b, d, toch bepaald geen vroeg karakter.

Het huwelijksformulier op fo 67r zou best van dezelfde hand kunnen zijn. Het formulier op 38r daarentegen, in een veel spichtigere schrijfstijl, is werkelijk van een andere hand.

Boven i en j staat meestal een dun schuin streepje; op y een kordate stip. De Romeinse cijfers staan tussen isoleringspunten, die in de meeste gevallen door de rubricator in het rood overgetekend werden, of ingevuld indien vergeten. De r is recht, behalve soms na o en v, en in de auslaut zelfs na andere, niet geronde letters (cf. o.m. vers 475). De t wordt meestal afgewerkt met een schuin sierstreepje; s schijnt regelmatig lang vooraan en in het midden, rond aan het einde; het woord Iaren, met varr., heeft bijna steeds een eerste letter, waarvan moeilijk uit te maken is of het om een hoofdletter I of J gaat. De verbinding ct en tt is niet makkelijk te onderscheiden, soms zelfs helemaal niet. In een voetnoot wordt twijfel aan een juiste interpretatie vermeld. Ook wens ik er op te wijzen dat het lastig is steeds zeker te zijn of de copiist een e of o schreef.

Als leestekens hebben we een enkele maal een punt, midden in de zin:

v. 401
Dat die planeten. eillustratie tfirmament
v. 778
Eillustratie dicwile men oec. siet

en éénmaal bij een enjambement:

v. 215
Die mane scinet. haer outhede
[p. 93]

(zie voor de volledige zin de tekst). Verder zijn er nog paragraaftekens.

De rubrieken zijn met rode inkt, in dezelfde hand. De copiist was dus tevens rubricator, maar hij liet niet altijd de nodige plaats open voor de in te vullen inhoudsopgaven. In dat geval werden ze er in margine bijgeschreven. De beginletters van ieder vers werden met een rood streepje gerubriceerd. De rode lombarden van een nieuw hoofdstuk beslaan de hoogte van 2 regels en springen naar links soms wel één cm. uit. Meestal zijn er representanten, in bruine inkt. De paragraaftekens zijn rood; als representante ervoor werden 2 schuine streepjes gebruikt. Op fo 7r gebeurde er een vergissing: de representante staat vóór vers 494, het paragraafteken werd vóór v. 493 geplaatst. Op fo 21v en 36r werd de representante niet vervangen.

De custoden werden door de rubricator doorgestreept. De correcties geschiedden zonder veel zorg: o.m. door het doorschrappen met rode inkt als er iets teveel staat. Door de copiist zelf werd hier en daar, bij het schrijven, een synoniem gezet boven een woord dat hem moeilijk te verstaan leek, maar toch behouden moest blijven om rijm of maat:

vrucht:anxt
godelinghe:wichte
natheit:of wacheyt
maren:nachtmerien
enich:menich [ter aanduiding van twijfel aan de juistheid van de legger?]
weke:of natte
wachede:of nathede.

Dit wordt, in de filologische commentaar, verder besproken. Ook boven de Nederlandse namen van de maanden werd de Latijnse vertaling geschreven.

Afkortingen: zie lijst p. 163.

Foliëring:

Recent met potlood gefolieerd: 1-68. Het voorste schutblad (papier), dat samen met de binnenspiegel één dubbelblad vormt, en blanco gebleven is, werd niet mee gefolieerd, wat wèl het geval is op het einde van het boek (fo 68, eveneens blanco).

[p. 94]

Het blad tussen fo 55 en 56 is weggesneden. Er valt niet uit te maken of daardoor iets in de tekst ontbreekt. Op de laatste blz. van ieder katern staan reclamen.

De volgende foliëringen werden verbeterd uit een vroegere potlood-foliëring:

61 uit 56
62 uit 57
63 uit 58
64 uit 59
66 uit 60
68 uit [?].

De samenstelling van het handschrift is a.v.: 1 schutblad (blanco, niet gefolieerd) + 4 VI (48) + (V-1) (57) + V (67) + 1 blanco schutblad (68).

Formaat:

Bladgrootte: 202 × 140 (de perkamenten bladen zijn telkens iets kleiner, met zeer onregelmatige afmetingen). Bladspiegel van de Nat.: 135 × 83 (bij de rubrieken wordt dit formaat absoluut niet in acht genomen).

Inrichting:

Verzen: per bladzijde één kolom van 23 à 26 regels. Ieder vers begint op een nieuwe regel. De vellen werden klaargemaakt vóór het schrijven: eerst met gaatjes, daarna met lijnen met een bruinachtig stift, dat op het papier soms alleen maar een blinde lijn achterliet. Een apart kolommetje van 4 mm. werd voorbehouden voor de hoofdletters.

Vanaf fo 22r heeft iemand recent met potlood af en toe de verzen genummerd: 1161, 1164, 1173, 1180, 1195, 1212, [...] tot 1373. In 1936 was die nummering nog niet aangebracht, behalve op 25v. Ze stemt niet overeen met die van Clarisse: 1169, enz.

Tussen de verzen zijn rubrieken aangebracht, soms ook in margine, met een korte inhoudsopgave.

Illustratie:

34 astronomische pentekeningen met, in het algemeen, 2 tekeningen per bladzijde. Ook hier werden de bladspiegels afgelijnd met loodstiftlijnen, zodat er verticaal twee vierkanten

[p. 95]

ontstonden, gescheiden door een tussenruimte van ± 1 cm. In die vierkanten werden met een blinde passer cirkels getrokken en daarna (zéér slordig) met inkt overgetekend. De verdere aanduidingen en de erbij behorende tekst werden willekeurig met rode en bruine inkt geschreven.

Twee tekeningen, die van het heelal (fo 1v) en die van de hel (46v), staan alléén op een bladzijde.

De eerste beslaat het hele blad (er is aan de linkerkant klaarblijkelijk een reepje perkament afgesneden, zodat de woorden god en noord zijn weggevallen), de tweede slechts de helft.

De tekeningen staan niet, zoals in andere hss., bij het erop slaande hoofdstuk, maar paarsgewijze gegroepeerd tussen de vv. 1888 en 161.

Op fo 2r is de initiaal I (9 regels lang) met rood en bruin pennewerk versierd, tot bijna onderaan het blad (even voorbij het laatste vers).

Band:

Perkamenten band, 17e-eeuws. Op het voorplat: gouden ovaal, waarin, onder gravenkroon en omkranst, de initialen MDLG (= Magnus De La Gardie).

Daaronder: N: 56. Op het achterplat: idem, zonder nummer. Op de rug staat niets.

Binnenspiegel voorkant: zelfde papier als het ms., waarop in potlood: De la Gardie 56 (bovenaan links). Onderaan links, met rosse inkt: 56.

Het schutblad is blanco en niet gefolieerd.

Binnenspiegel achterkant: zelfde papier als het ms., blanco; het achterste schutblad is fo 68.

Inhoud:

fo 1r: penneprobeersels en een zeer korte, gedeeltelijk onleesbare inscriptie (zie Herkomst en geschiedenis).

fo 1v: tekening van het Heelal.

fo 2r-38r: verzen: Natuurkunde van het Heelal:

Inc.
Dit boec is van astronomien
ende van naturen
Ende van den .vij. planeten
Expl.
Gaet toter spera die dit ghetal
in heeft
.xxxiij.
[p. 96]

fo 38v-46v: astronomische tekeningen.

fo 47r-49v: verzen: Computus, horende bij de Natuurkunde:

Inc.
Te soeken paeschen inden kalen-
dier na toude ghetal vander mane
dat in alden kalendiere staet
want paesken wasser na gheset
al ist nv uerlopen
 
Expl.
 
Maer dat moeti verstaen
 
Als het bouen xxx sal gaen
 
Dortich men wech werpen sal
 
Ende houden an tander ghetal

fo 50r-51v: Astrologisch en meteorologisch proza:

Inc.
Van die quade daghen die weder
naturen sijn
Expl.
Als dat nuwe jaer comt opten
saterdach dan salt een mistich winter
wesen ende een windighe vasten
ende een droech zomer ende een
spade oest ende luttel wijns ende
alle anders dinghes ghenoech ende
veel husen sullen bernen int jaer

Deze teksten staan in zeer nauw verband tot een Mnd. handschrift uit het begin der 15e eeuw, dat zich in de Landesbibliothek te Gotha bevindt: het zgn ‘Gothaer Arzneibuch’ (kl. fol. nr. 980). Daar worden nl. op fo 142b-146a ook de kwade dagen van het jaar opgesomd:

An jeweliken jare sint twe vnde druttich schedelike dage, also de meystere to paris gevunden hebben.

Het proza op fo 168a-172a gaat zonder twijfel terug op dezelfde bron als de tekst in Ups., fo 51 r en v; ja, misschien mag zelfs verondersteld worden dat het Mnd. de vertaling is van een Mnl. voorbeeld.

Ter illustratie de beide Incipits:

Ups.
Als dat nuwe Iaer comt opten
sonnendach dan selt een
groot winter wesen Ende een
windighe vasten ende een
starc zomer ende droghe Ende
een goet oest ende veel
scapen ende alles dinghes
ghenoech
Gotha
Wanner dat des hilgen nygen
jars dach kumpt vp den sondach,
de winter wert hart,
de lenthe wert windich, de
samer droge, der wyn wasset
wol, de schape wasset,
honninges wert vele, de vrede
wert gud, de olden lude steruen
[p. 97]

Ook in een Aardenburgs handschrift (‘Den boek met den knoop’) staat een dergelijke tekst, uitgegeven door J.H. Van Dale, Fragment van een onuitgegeven rijmwerk uit de eerste helft der XIVde eeuw, naar wie ik citeer:

 
p. 56:
 
Als van den jare den eersten dach
 
comt upten zondach,
 
so es die winter laeu bi stonden.
 
herest eillustratie zomer worden vonden
 
moeyelic van groten winde.
 
goede tijt zal men vinden
 
eillustratie oec alrande coren.
 
die terwe bliuet verloren.
 
die winghaert wort welgheraect,
 
maer die oeuchstvrucht wort mesraect.
 
jongheliede zullen steruen ze'e.
 
rudd'r zullen cōmen die eere
 
torienten, eillustratie orloghen zee' vele.
 
eillustratie die dieue zullen stelen.
 
vele niemaren salmen bringhen
 
van princen eillustratie van coninge.

fo 52r-55v: proza: medische recepten:

Inx.
Hier beghinnen die medicinen reper-
cussyf simpel ende componeert
Expl.
Als ghi wilt matureren soe suldi
teersten die stede fomenteren met
lawen water daer in gesoden sijn
maturative crude als malva bismalva
peritaris
[= paritaria?] ∋ƒ ende alzo
lange fomenteren dat die stede roet
gemaect si ende dan tmaturatijf op
leggen warme ende eens des dages te
vernuwen

M.i. hebben we hier afwisselend 3 verschillende handen: één daarvan zou wel die van de Natuurkunde kunnen zijn. Het schrift in de recepten is veel cursiever, zodat identificering moeilijk is.

 

fo 56r-60v: blanco. Op fo 57v en 58v (perkament) werden inscripties uitgeschrapt; op 58v staat nog één woord: mandabo.

fo 61r-64v: proza: medische recepten:

Inc.
Hier beghint capittel vanden mundi-
ficatiuen
Expl.
Dit selve ungentum heet men oec
litergirum nutritum
[p. 98]

Beurtelings van verschillende handen.

fo 65r-66r: blanco. Op 66r bovenaan enkele verbleekte (uitgeradeerde?) krabbels.

fo 66v: 5 Latijnse versjes. De titels zijn:

 

-
Septem sunt genera stultorum
-
Septem curialitates mundi
-
Septem incurialitates mundi
-
Cyprianus
-
Salomon

 

fo 67r: 3 aantekeningen:

1)
Notum sit [enz..]:
zie Herkomst.
2)
dicitur et multus
sors est contraria
stultus
3)
post tedit cristum
mundum
dum penitet istum

De Latijnse spreuken (penneprobeersels?) zijn van dezelfde hand (verschillend van 1)?).

fo 67v-68v: blanco.

Uitgaven1:

A. Van Loey, Middelnederlands Leerboek, pp. 22-24: de verzen 1161-1242 uit de Natuurkunde.

M: begin 15e eeuw (Bouwstoffen)

Bewaarplaats en Signatuur:

Maastricht, Rijksarchief, nr 1673-14a.

Herkomst en Geschiedenis:

Deze fragmenten werden in 1856 gevonden in het schutblad van een register der Schepenbank van Opcanne, uit het jaar 1572. De vinder was waarschijnlijk Mr. G.D. Francquinet

[p. t.o. 98]



illustratie
Fig. 1. M. fo 16r

[p. 99]

(cf. M. De Vries, Mededeelingen. In: N.R. Werken Mij Leiden, 1856, 191-217).

Tot 1953 bevonden zich ongeveer een dozijn registers van deze Schepenbank in het Rijksarchief van Nederlands Limburg. In Augustus van dat jaar werden ze, in het kader van een uitwisseling van archiefstukken tussen België en Nederland, naar het Rijksarchief van Hasselt overgebracht.

In 1942 waren de fragmenten zoek (cf. Bouwst.).

In 1951 werden ze teruggevonden door J. Deschamps, in het magazijn van het Rijksarchief.

In de 19e eeuw werd de Natuurkunde gecopieerd door dezelfde onbekende die ook het Maastrichtse fragment van de Spiegel Historiael afschreef. Deze copie werd door Verdam met het origineel gecollationeerd, en bevindt zich nu in Leiden: U.B., Letterk. 1745.

Dit afschrift geeft heel wat meer dan het erg gehavende fragment, misschien omdat het hs. toen minder geschonden was dan nu. Huiverig tegenover alles wat niet gecontroleerd kan worden, heb ik besloten geen rekening te houden met de aanvullende (of aangevulde?) woorden uit het afschrift.

In 1954 werden de fragmenten gefotocopieerd (B.P.L. 2485, en niet zoals in de Addenda en Corrigenda bij de Bouwst., Ts. 72, 1954, p. 40: B.P.L. 2586)1, alvorens in hetzelfde jaar, op het Alg. Rijksarchief, grondig gerestaureerd te worden.

Materiaal:

Zeer dik, vezelachtig papier, dat uit twee lagen schijnt te bestaan. Op verschillende plaatsen is één van de 2 lagen gedeeltelijk losgeraakt en verdwenen, en heeft de 2e laag (verso) duidelijk de tekst bewaard.

De fragmenten zijn in een deerlijk gehavende toestand, weliswaar gerestaureerd, maar heel wat stukken en hoeken ontbreken. Eigenlijk zijn alleen maar de volgende bladzijden totaal ongeschonden gebleven: 5r, 5v, 6r, 9r, 10r, 11v, 17r, 17v, 18r, 18v, 19r, 19v, 20r, 21v.

Van fo 15 blijft slechts een 5cm-brede strook over, de rest is weggesneden.

[p. 100]

De inkt is rossig bruin.

Er blijven nog talrijke fragmenten van verschillende watermerken zichtbaar, maar het bleek jammer genoeg niet mogelijk deze kleine stukjes te identificeren met wat dan ook. Vermoedelijk is het watermerk van fo 12 een anker, te oordelen naar de schacht met bolvormig uiteinde.

Schrift:

Littera cursiva libraria, alles in dezelfde hand, die op sommige blzz. een min of meer slordige indruk maakt, vooral wat de correcties betreft: drie- à viermaal doorgekraste letters of woorden, doorgestreepte zinnen.

Vergeten letters worden boven de regel bijgeschreven, met een inlassingsteken onder de regel.

Verkeerde volgorde wordt verbeterd met 2 inlassingstekens, of de letters a en b.

Behalve de paragrafen komen geen leestekens voor. Vóór en na Romeinse cijfers een isoleringspunt.

Op i en j staat gewoonlijk een schuin streepje. Auslaut-t, -r of -c worden wel eens afgewerkt met een schuin streepje, -n met een gekruld haaltje onder de lijn. De tekst loopt aan één stuk door, (ieder vers op een nieuwe regel) zonder alinea's of speciale hoofdletters. Geen rubricatie. Deze was, meen ik, echter wel voorzien: af en toe staat er een kleine representante voor een lombarde die niet werd ingevuld, en waarvoor een ruimte van 2 regels hoog op ± 15 mm werd opengelaten (cf. Variantenapparaat).

Afkortingen: zie lijst p. 163.

Foliëring:

Het hs. is twee keer met potlood gefolieerd, één keer verkeerd (waarschijnlijk vóór de restauratie), nl. één blz. te vroeg. Dus bv. op 1v staat 2, enz., tot op 5r de nummers plots samenvallen.

Na de restauratie werd het opnieuw gefolieerd: 1-24 (M' inbegrepen). Hierbij valt nog op te merken dat op 23v: 24 staat!

Over de oorspronkelijke samenstelling van het hs. kunnen we niets mededelen, aangezien bij het restaureren de fragmenten op nieuwe vellen werden geplakt en als volgt ingenaaid:

VII (14) + IV (21) + 1 dubbelvel (24: lees 23v).

[p. 101]

Formaat:

Bladgrootte: ook hier is het onmogelijk iets over de oorspronkelijke afmetingen te zeggen, gezien de gehavende toestand der bladen. Huidige bladgrootte: 205 × 143.

Bladspiegel: maximum 155 × 85. Minimum van de hoogte is door beschadigingen moeilijk aan te geven, terwijl door het ontbreken van een achterkantlijn (de versregels zijn alle van verschillende lengte) ook de minimumbreedte moeilijk opgegeven kan worden.

Inrichting:

Eén kolom verzen per blz., van 26 regels (24 voor 1r). Fo 12r en 13v lijken eigenaardig gerestaureerd: het eerste vertoont sporen van 28 regels, het tweede van 27. Volgens de inhoud moeten het er ook daar maar 26 zijn.

Ik kan niet meer uitmaken of de vellen gelinieerd werden. Wèl is hier en daar een kolomafbakening links te zien, waarachter de hoofdletters staan, die slechts met een krul of een lus deze lijn naar links overschrijden.

Illustratie:

De initiaal op 1r was vermoedelijk drie regels hoog, maar er is niets van overgebleven.

Ook twee van de drie astronomische tekeningen zijn er lelijk aan toe. Ze staan in margine, zijn slordig, met bruine inkt getekend, door de copiist zelf.

Band:

Zoals gezegd, werden deze fragmenten als losse bladen teruggevonden in het kaft van een register. Ze werden in 1954 gerestaureerd en in een kaftje gebonden.

Op het schutblad, voorkant, staat:

‘Fragment van Natuurkunde van het Geheelal door broeder Gheraert verzen 247-296 [dit is natuurlijk niet juist]. Uitgave: Werken der Mij van Ned. Letterkunde N.R. 4o deel 1874 [deze datum moet 1847 zijn, en zal op mijn verzoek verbeterd worden]. Gevonden in het schutblad van een register der schepenbank van Opcanne 1572. Rijksarchief in Limburg.
Gerestaureerd Alg. Rijksarchief 1954’.
[p. 102]

Inhoud:

Schutblad: zie beschrijving band.

fo 1r-21r: verzen: De Natuurkunde van het Geheelal.

 
Inc.:
 
[G]eerne soudic doen verstaen
 
Hoe dat ene vinden mach
 
Ende merken wel sonder waen
 
Expl.:
 
Hier mede ist ghedaen
 
Die loep van eertrike aen

fo 21v: een cirkelvormige, astrologische tekening, met in vakjes letters van het alfabet.

Daaronder:

Wie wilt weten wie eerstwerf steruen
sal van man of van wijf die rekent
bi die abc so mochdi die rechte waer
heit weten telt ho menich litter dair
men hair namen mede spelt so deilt
bi ix is dat ghelic so sel die man
langher leuen ist onghelic so sel dat
wijf langher leuen

Ongeveer dezelfde nonsens vond ik in Dat Groote Planeten Boeck (incunabel of postincunabel?), op fo 39v, waarvan ik voor de aardigheid de tekst laat volgen:

Dat vierthiende Capittel. Een ABC.
Van twee Echte Luyden, welcke het eerste sterven sal. Neemt haer beyder Doopnamen, ende die Mans name het eerste, ende set eenen yegelicken Boeckstaven zijnen Tal toe, als hier na in desen ABC. Volcht ende doet den Tal met 7. af wanneer ghy niet meer dan 7. vint ende blijft ghelijck soo overleeft den Man die Vrou. Desgelijcken doet oock met der Vrouwen naem, doet den Tal oock af met 7.
ende wanneer ghy niet meer dan 7. aftrecken kont, ende daer blijft eenen onghelijcken Tal over, soo overleeft die Vrouwe den Man.

Daarop volgen twee rijen cijfers en letters.

In hetzelfde werk, vijftiende Capittel,

Volcht een practica Burchardi Ristachs op twee Eluyden wie het eerst sterven sal,

maar hier gaat het erom vocalen te tellen1.

fo 22r-24. (= 23v) = M' (zie verder).

[p. t.o. 103]



illustratie
Fig. 2. - M' fo 23r

[p. 103]

M': begin 15e eeuw (Bouwstoffen)

Bewaarplaats en Signatuur:

zie M.

Herkomst en Geschiedenis:

zie M.

Materiaal:

zie M.

Schrift:

Twee handen werkten aan dit zéér korte fragment, beide in een littera cursiva libraria (tenzij dezelfde copiist na een poosje veel cursiever en slordiger aan het schrijven ging).

1) de hand van M: fo 22r, 22v, en de eerste zes verzen op 23r.

2) een lossere, cursievere hand ging verder. Dit tweede schrift is minder regelmatig en werkt met veel grotere krullen (bv. onderaan de y, soms twee regels lang).

Ook spichtiger, dunner geschreven.

Weer geen rubricatie. Op 23r werd een tweeregelig plaatsje opengelaten voor een initiale A, waarvoor zelfs geen representante staat.

Sporadisch een punt na een Romeins cijfer; geen paragraaftekens.

De i van int wordt regelmatig hoofdletter I geschreven (niet j). Terwijl hand 1 volgens zijn gewoonte verder gaat een schuin streepje op i en j te plaatsen, gebeurt dit bij het tweede schrift niet: slechts één- of tweemaal staat er een boogje boven de i.

Correcties komen in dit korte stukje niet voor. Alles wijst in het tweede gedeelte op haast en spoed.

Afkortingen: zie lijst p. 163.

Foliëring:

zie M.

Formaat:

zie M.

Inrichting:

zie M.

Illustratie:

Op 24 (lees 23v) wordt de opengebleven plaats onder de 4 verzen ingenomen door de grote (slordige) heelal-tekening. De verwachte A-initiaal op 22r, waarvoor drie regels werden opengelaten over een breedte van ± 2 cm, werd niet ingevuld.

[p. 104]

Band:

Zie M.

Inhoud:

Zie M, en verder:

fo 22r-24 (= 23v): fragment van de Natuurkunde.

 
Inc.:
 
[A]ldus si is hemelrike
 
ghecepen ende eertrike
 
Ende allegader tfirmamente
 
Expl.:
 
Want Int wa[a]ssen [sic] die hersene drinten
 
Ende Int waenen sij dan neder dranten

daarop volgt de heelal-tekening.

 

N.B. Het ziet er werkelijk naar uit alsof M' verkeerd gerestaureerd is:

fo22r 
  } vv. 279-332
 22v 
fo23r 
  } vv. 245-278.
 23v 

Op zichzelf is er niets abnormaals aan een gewijzigde volgorde der verzen. Een blik op de Compositie-tabel der verschillende handschriften is méér dan overtuigend. Maar hier hebben we niet zo maar een gewone omzetting van twee hoofdstukken: vers 332 is het begin van een zin die niet beëindigd wordt.

Ofwel moet dus fo 23 vóór fo 22 komen, waardoor de verzen aansluiten, maar we problemen krijgen door de verschillende handen, die dan beurtelings zouden geschreven hebben; ofwel ontbreekt tussen fo 22 en fo 23 de hele Natuurkunde-tekst, die dan zou besloten worden met vers 278, en de daarop volgende tekening, net zoals in O.

L: ± 1375 (Bouwstoffen)

Bewaarplaats en signatuur:

Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, B.P.L. 14A (olim Hs. XVIII).

[p. t.o. 104]



illustratie
Fig. 3. - L. fo 21r

[p. 105]

Herkomst en geschiedenis:

Deze kostbare codex, of liever een deel ervan: Der Naturen Bloeme, werd vervaardigd voor een van de Heren van IJsselstein, wier wapen viermaal afgebeeld wordt (cf. Verwijs, Nat. Bl., p. LV). Vermoedelijk verbleef de maker dus in de buurt van Utrecht.

Wat de kalender betreft, deze bevat een mengelmoes van Vlaamse en Utrechtse heiligennamen, terwijl soms typische feestdagen ontbreken. Hij is zéér waarschijnlijk het werk van een leek, waardoor de vergissingen in data en het overslaan van aan Utrecht of Doornik eigen heiligenfeesten verklaard wordt.

Vooral Utrechts zijn (cursieve namen staan in het rood):

14/1Pontianus
6/3Victor
17/3Gertrudis
9/4Maria Egyptiaca
5/5Hilarius
13/5Servatius
19/5Pontianus, die op 17/5 gevierd wordt
12/6Odolf
13/7Margaretha
4/10Apollinaris, die op 5/10 gevierd wordt
10/10Victor
6/11Leonardus
12/11Lebuinus.

Naar het bisdom Doornik wijzen:

4/1Verilde (= Pharaïldis: typisch Gentse heilige)
10/1Antonius
22/1Vincentius
9/2Aubert: wordt op andere dagen gevierd
19/2Julianus: wordt op 13/2 gevierd
6/3Victor
17/3Gertruidis
25/4Marcus
9/5Macharius: Gent, Antwerpen, Brugge
6/6Gudwalus: typisch Gentse heilige
10/7Amalberga: vooral Gent

[p. 106]

27/7De 7 slapers
1/10Bavo: Gent en Brugge.

De kalender was dus zeker oorspronkelijk Vlaams; een Utrechtse afschrijver voegde er enkele heiligen bij. Wèl vergat hij, en dit is zeer eigenaardig maar kan misschien verklaard worden als de copiist een leek was, op 25/8 Radbodus en op 7/11 Willibrordus.

Ik vermoed dat de Natuurkunde oorspronkelijk niet in deze codex thuis hoorde: de band is tamelijk recent (zie verder); de Christoffel-miniatuur en de wapens op de eerste folio's van Der Nat. Bl. wijzen m.i. erop dat dit de eerste bladzijden waren van het boek; het schrift is verschillend voor de twee gedeelten; ook de inrichting is anders.

In 1724 werd de codex verkocht op de veiling George Bruyn, te Amsterdam, voor 46 gld.1

De koper was Is. Lelong, uit wiens nalatenschap hij in 1744 aangekocht werd door de U.B. te Leiden, voor 27 gld. Cf. Auctiecatalogus Lelong:

Libri manuscripti; in Folio, 28: Der Naturen-Bloeme, vergadert door Broeder Albrecht van Ceulen / genaamt Magnus; in dicht gebragt / door Jacob van Maerlant; ten versoeke en opgedraagen aan Nicolaas Cats, Voogt van Floris V. Graaf van Hollandt Ao. 1273 met een Kalendier in Veerssen / door Gherard van Leenhoute. N.B. Dit exemplaar is geschreven voor Heer Gysbert van Amstel, wiens waapen hier viermaal gesien wordt; toon Hooveling van den Graaf / en alsoo voor Ao. 1296. Als wanneer hij verdreven / en 't Waapen vernietigt wierdt. Extra raar. Verciert alom met Goude Voorletters / en eenige hondert Miniaturen, van Menschen / Beesten / Voogelen / Visschen / Boomen / Gewassen / etc. Konstig met allerley Couleuren geteekent en afgeset.

Materiaal:

Fluweelzacht, soepel kalfsperkament (vellum) werd voor dit prachtexemplaar gekozen. Op fo 14va zijn later, bovenaan, twee inktvlekken gemaakt. Hetzelfde gebeurde op fo 15rb. In fo 19 en 23 werd een scheur dichtgenaaid, vóór het beschrijven.

[p. 107]

Schrift:

Twee handen hebben aan deze codex gewerkt: 1) de Kalender, de Natuurkunde en het daarop volgende mystieke gedicht; 2) Der Naturen Bloeme.

De Natuurkunde-tekst werd in een zeer verzorgde littera textualis formata uitgevoerd. Slechts een héél enkele maal, en alleen maar in de verklarende woorden bij de tekeningen, komt er een cursieve lus aan een letter. Boven i en j staat vaak een schuin streepje, boven y meestal een stip. Romeinse cijfers staan tussen isoleringspunten; iedere rubriek en iedere versregel wordt met een punt afgesloten. De rubrieken zijn in dezelfde littera textualis formata, maar met rode inkt geschreven. De lombarden van ieder hoofdstuk, twee regels hoog, zijn met bladgoud ingelegd, en met witte hoogsels en wijnrankornamenten versierd. De A van v. 279: Aldus, beslaat een hoogte van 4 regels. Ieder vers begint met een hoofdletter. Er is geen spoor meer van representanten1.

Correcties geschiedden zeer zorgvuldig door expungeren. r is recht, behalve na een naar rechts geronde letter (o, d, v, p). Op fo 8r is later de datum 1273 onderstreept, alsook de naam van leenhoute gheraerde.

De verbeteringen op fo 9v (in margine: vij) en die op 10v (ib.: velghen) lijken niet van de copiist, alhoewel toch van een vrij oude hand.

Op fo 17v (vers 1280) zijn de laatste drie woorden uitgekrast, maar nog leesbaar. In margine staat héél dun het juiste woord dat ervoor in de plaats moest komen: meerde, maar dat niet ingevuld werd.

Afkortingen: zie lijst p. 163.

Foliëring:

Recente potloodfoliëring: 1-141. Op fo 22 en 23 staan in de rechterbovenhoek resp. de cijfers 16 en 17, met inkt, 19e-eeuws.

[p. 108]

Op fo 23 werd door diezelfde hand, boven het rechtse kolommetje, bestemd voor de beginletters, de maat van dit kolommetje met inkt geschreven: 0,8.

De samenstelling is a.v.:

3 bladen papier, niet gefolieerd, door de latere binder ingelast + 2 IV (16) + (IV + 1) (25) + (IV - 1) (31) + 8 IV (96) + (IV - 1) (103) + 4 IV (135) + (IV - 2) (141) + 2 niet gefolieerde bladen papier, bij de band horend.

Signaturen staan op ieder nieuw katern, in de linkerbovenhoek, met Arabische cijfers, terwijl onderaan ieder blad Romeinse cijfers genoteerd werden: i, ii, ..., die bijna alle werden weggesneden. Ook de custoden zijn slechts bij uitzondering blijven staan, de meeste vielen weg onder het mes.

Tussen fo 29 en 30 ontbreekt een blad, waardoor de verzen 526 tot 681 van Der Nat. Bl. verdwenen. Dit staat trouwens met inkt vermeld onderaan fo 29v, door een 19e-eeuwse gebruiker.

Tussen 96 en 97 viel ook een blad weg. Dezelfde 19e-eeuwse hand, die zo vaak in het hs. aan het werk was, heeft hier aan het overgebleven reepje perkament een blad papier geplakt, geprikt en gelijnd zoals het perkament. Daarop copieerde hij de tekst van het verdwenen blad, en liet zelfs de nodige ruimten open voor de tekeningen.

Formaat:

Bladgrootte: 310 × 233.

Bladspiegel van de Natuurkunde: 238 × 185.

Inrichting:

2 kolommen van 38 regels, behalve waar illustraties in de tekst voorkomen. Ieder vers begint op een nieuwe regel. De bladen werden zorgvuldig geprepareerd: 4 vertikale afbakeningen voor de 2 tekstkolommen, en 38 horizontale lijntjes voor de tekst. Tussen de verzen staan rode rubrieken. De Natuurkunde werd met loodstift gelinieerd, Der Nat. Bl. met inkt. Aan de 4 kanten werden gaatjes geprikt; die van de 3 buitenkanten vielen, op enkele uitzonderingen na, weg.

Illustratie:

Over de miniaturen in de kalender en die van Der Naturen Bloeme: zie Byvanck en Hoogewerff, p. 3; reprod. pll. 61 en 62.

[p. 109]

De prachtige St.-Christoffelminiatuur (fo 25v) werd uitvoerig beschreven door Verwijs (Nat. Bl., pp. LII-LIII). De Natuurkunde bevat zeer verzorgde toelichtende tekeningen, in verschillende kleuren. Hun diameter varieert van 48 tot 70 mm. Ze werden in de tekst ingelast bij het betr. hoofdstuk, en zijn uitsluitend cosmografisch of natuurkundig. Zo werden bv. de hemeltekens niet geïllustreerd (deze komen echter voor in de kalender, fo 1v-7r).

Na iedere rubriek, dus bij het begin van een nieuw hoofdstuk, hebben we een met bladgoud ingelegde letter, beurtelings met rode of blauwe hoogsels en wijnrankornamenten versierd.

De Natuurkunde heeft geen bizondere initiaal, de tekst sluit werkelijk aan bij de kalender. Der Naturen Bloeme daarentegen heeft een eerste bladzijde, die helemaal omrankt is met takken, bloemen en gouden lovertjes, vogels en andere dieren. Het uitgangspunt van deze klimplant-versiering is de gehistorieerde I-initiaal, waarin op gouden achtergrond een naakte mannenfiguur afgebeeld staat. Op deze bladzijde komt tweemaal in de middenruimte, tussen de kolommen, het wapen IJsselstein voor.

De twee versierde lombarden die, nog steeds op dezelfde blz., in de tekst volgen op de I-initiaal, hebben in het oog resp. een klauwende leeuw en een arend. De volgende hebben slechts louter decoratieve hoogsels.

Band:

19e-eeuwse lederen band, bruin marokijn. De rug heeft vijf compartimenten, waarvan 4 met gouden fleurons versierd, de tweede heeft met gouden letters: Maerlant. Naturen Bloeme. 1273. Rode zijden binnenspiegels en gouden binnenrand-decoratie in de vorm van gestyliseerd loofwerk. Op het voorplat een gouden rechthoek, met dubbele lijn getrokken, de buitenste enigszins breder dan de binnenste.

Inhoud:

fo 1v-7r: Kalender voor het Bisdom Utrecht (? zie Herkomst).

fo 7v-22r: verzen: Natuurkunde van het Geheelal.

 
Inc.:
 
Van hier vorwaert
 
Es ons gheopenbaert
[p. 110]
 
Expl.:
 
Die wynde haer name naer
 
Haer name ende hoe si staen
 
Siet hier in deze figure zaen

fo 22v-23v: Mystiek gedicht.

 
Inc.:
 
Een bloyende boom in goods eren
 
Sijn telghe vol doochden des regneren
 
Sal te rechte elc goet mensce prisen
 
Hijs wortel hijs boom in sinen risen
 
Expl.:
 
Dit dit proyel dus heeft verscoont
 
Wie dat wel weet dies onghehoont
 
Wel weten is de hoochste raet
 
Elken dat dezen boom dus staet.

fo 24r-25r: blanco.

fo 25v: miniatuur van de H. Christoffel.

fo 26r-141: verzen: Maerlants Naturen Bloemen.

 
Inc.:
 
Iacob van maerlant die dit dichte
 
Omme te sendene terer gichte
 
Wille datmen dit boec noeme
 
In dietsche der naturen bloeme
 
Expl.:
 
Doe voer den ghenen sijn ghebede
 
Die dit selue dichten dede
 
Ende oec mede ouer dient dichte
 
Dat got alle zielen uerlichte
 
Ende si ghenadich ende uerlene
 
Dat liif daer doet es an en ghene. Amen.

gevolgd door een Latijnse spreuk.

Uitgaven:

-
Natuurkunde:
J. Clarisse (als variant).
-
Naturen Bloeme:
E. Verwijs, Jacob van Maerlant's Naturen Bloeme. Uitgegeven door. (Bibliotheek van Middelnederlandsche Letterkunde.) Groningen, Wolters, 1878. 2 dln.
L is basis-handschrift.

U: niet lang vóór 1400? (Suppl. Bouwst. nr 1500)

Bewaarplaats en signatuur:

Utrecht, Universiteitsbibliotheek, hs. 1328 (5F5, olim Eccl. 483, antea 278 n).

[p. t.o. 110]



illustratie
Fig. 4. - U. fo 9v

[p. 111]

Clarisse (p. 7) vermeldt nog andere signaturen, waarvan ik de juistheid niet kon nagaan: Codd. Mss. recent. No 13 (olim 237/278).

Herkomst en geschiedenis:

Dit handschrift was, samen met H, het eerst bekende bij literatuurhistorici en filologen en heeft steeds in het brandpunt gestaan. Het werd vermoedelijk afgeschreven in Utrecht.

De datum 1300 komt enkele malen voor in verband met de Proza-Natuurkunde: op fo 1r en 127v is hij echter apocrief, en uit de tekst blijkt duidelijk dat niet de codex, maar de legger, in 1300 geschreven werd (fo 44r):

want dit boec wert ghemaect int iaer ons heren dusent driehondert van brůeder thomaes als voerscreuen is inden beghinsel.

Bij de berekening van de kortste en langste dag van het jaar wordt gezegd dat deze iedere 120 jaar één dag vroeger vallen. Er komt een hele interpolatie bij te pas van Aernt, de eerste copiist/bewerker: in 1300, toen Broeder Thomas dit boek schreef, ontbraken er 20 jaren om de zonnewenden op de 11e dag vóór Kerstmis en Sint Jan te doen vallen, maar:

nu is tghetal vanden elften dach ende meer verwlt

(fo 44r), zodat we alvast als terminus a quo mogen aannemen: 1320.

Ook op 52v worden een paar gegevens verstrekt, bij het berekenen van de omloop van Saturnus. Deze planeet voltrekt zijn cyclus in 29 jaar en 6 maanden:

Na ons heren ihesu xristi gheboert dusent tweehondert ende vierendetachentich iaer was verwlt die omganc der planeten die men heyt saturnus ende dan voert binnen eenendedertichste halue iaer was efter verwlt saturnus omganc.

Waaruit we afleiden dat dit na 1314 (om precies te zijn: na 1313 en 6 maanden) geschreven werd, maar tevens vóór de volgende omwenteling die in 1344 zou voltooid zijn.

Houden we nu rekening met de paleografische conclusies, die verder onder het ‘Schrift’ besproken worden, dan hebben we hier niet de autograaf van Broeder Aernt in handen, maar

[p. 112]

het werk van een volgende copiist die slaafs overschreef. Ik zie het dan zo:

 

1) eerste versie van Broeder Thomas: 1300;

 

2) ‘bewerkte’ copie van Broeder Aernt: na 1320 maar vóór 1344;

 

3) ongewijzigde copie (wat de inhoud betreft althans): na 1344 en eerder laatste kwart 14e eeuw.

 

Veel weten we niet over de lotgevallen van dit handschrift, dat herhaaldelijk gecopieerd werd.

Het behoort sinds eeuwen toe aan de Stadsbibliotheek (later Universiteitsbibliotheek) te Utrecht, die in 1634 gesticht, en voor het grootste deel bevoorraad werd door de in beslag genomen boekerijen van allerlei abdijen en kloosters.

Vermoedelijk is de codex afkomstig uit het klooster der Minderbroeders te Utrecht, want hoewel op fo 35v staat:

ic brůeder aernt leese meyster der minre brueder tutrecht

weten we nog niet of de eigenlijke copiist (in de veronderstelling dat dit niet Aernt was) daar ook thuishoorde1.

Op de voorste binnenspiegel staat een aantekening van een vroegere eigenaar, waarvan alleen nog duidelijk de datum te lezen is: 1636. De rest werd zwaar met inkt doorgekrast zodat in dit geval een belichting met de kwartslamp niets opleverde. Nu is 1636 de stichtingsdatum van de Utrechtse Universiteit. Toeval? Of niet?

Rond 1760 wordt het afgeschreven door A. Kluit, gedeeltelijk althans: vv. 279-454 (Hs. Leiden, U.B., Ltk. 212, olim 20, 48). In 1812 schrijft Tydeman aan Bilderdijk dat van Wachendorff in 1811 een afschrift maakte van de Natuurkunde, met een uitvoerig voorbericht, in het totaal 217 blzz. In de catalogus C.A. van Wachendorff blijkt noch op het door Tydeman geciteerde nummer (no 451, bl. 25), noch elders, een vermelding van het afschrift te staan.

In 1824 duikt een ander ouder afschrift op, in Catalogus Meerman IV, 1052:

[p. 113]
Verhandeling over de Natuurkunde of physica langs het gantsche heelal, in rijm gesteld in het jaar 1300, vermoedelijk door eenen Broeder Gerard van Gend (afgeschreven uit een H.S. op perkament van de Utrechtsche bibliotheek); benevens eenige excerpten van oude woorden, en grammaticale gebruiken, uit de verklaring van Broeder Arent van Utrecht, op de verhandeling van Broeder Thomas, over hetzelfde onderwerp, en uit het boek der medicijnen getrokken uit Galenus en Avicenna (uit hetzelfde H.S.), met een register en verklaring der woorden. Voor ieder dezer stukken gaat eene aantekening over dezelver schrijvers en inhoud. h.e.b. bis, met eene andere hand geschreven. h.e.b.

Verkocht voor 10 gld. aan Van Cleef, die op deze veiling voor diverse Academies en Instellingen in Nederland en België bood, en deze copie waarschijnlijk aankocht voor de Kon. Bibl., Den Haag, waar ze zich thans bevindt, onder sign. 128 E 23 (olim no 1253, 4o). Ze werd gebruikt door Bilderdijk, aangezien het hs. in die tijd zoek was. Hij noemde dit afschrift

reeds vrij oud, doch (zoo altijd gereekend is) zeer naauwkeurig.

(Bild., Versl. p. 74). Vooraan in dit afschrift staat met potlood het volgende:

Vroeger van Clignett?

In 1826 vinden we weer het afschrift van v. Wachendorff in Catalogus Musschenbroek, p. 174:

126. Broeder Gerards Natuurkunde op rijm, volg. het Hdschr. op de Utrechtsche Stads-Bibl. gecopieerd door C.A. v. Wachendorff, 90 bladen; benevens een voorberigt door denzelven van 11 bladz. en aanteekk. van P.v.M., die deze copie met een ander MS. op perg. vergeleken heeft. h.e.b.

Verkocht voor 59 gld aan Richard Heber (De prijs is enorm!).

Een vierde (?) afschrift in 1859, in Catalogus L.G. Visscher p. 127, nr 5045:

Gerard Lienhout, Natuurkunde van 't heelal. Uit de 13. eeuw, Afgeschreven naar het origineel in de Bibl. der Utrechtsche Academie; Roman van Ferguut, Afschrift naar het oorspronkelijk op de Bibliotheek der Maatsch. v. Nederl. Letterk. 4to.

Materiaal:

Dik, hobbelig perkament, met ontbrekende hoekstukken (o.m. fos 31, 57, 65, 78), naden, gaatjes, weren, e.d. De lijm, gebruikt voor het vastkleven van de binnenspiegels, heeft

[p. 114]

donkerbruin, mauve-achtig afgegeven en de vlekken zijn aan beide kanten enkele folio's doorgedrongen. Vochtvlekken in de beide Natuurkunden (aan de buitenkant, verticaal), waarvan geen spoor in het Boec der Medicine!

Schrift:

De kleine littera textualis waarin de hele codex geschreven is heeft al heel wat hoofdbrekens gekost aan de specialisten Het schrift blijkt inderdaad zeer moeilijk met enige zekerheid te dateren, en als grenzen werden aanvankelijk opgegeven: 1320-1440.

In de Bouwstoffen dateert De Vreese ± 1440, in de BNM echter 14e eeuw. De Vooys, in Ts. 62 (1943) p. 127, heeft het over ± 1325, en zegt dat ook Hulshof en Lieftinck van mening zijn dat het uit de eerste helft van de 14e eeuw dagtekent. De laatste echter betwijfelt sterk, in zijn Addenda op de Bouwstoffen, onder nr 1500, dat het lang vóór 1400 zou geschreven zijn.

Toch is Prof. Lieftinck aan periodieke twijfel onderhevig. In 1961 schatte hij het (mondeling) op ± 1325, maar beweert. niet zeker te kunnen zijn1.

Alvorens verdere details te beschrijven, o.m. de leestekens, wens ik hier met veel nadruk de volgende opmerking te maken: op verschillende plaatsen werd dit hs. door een 18e- of 19e-eeuwse bezitter of gebruiker met inkt ‘bijgewerkt’: op de i's werden punten gezet, bij thans gediftongeerde i een j gevoegd, c in bv. lanc, ganc, dach in g veranderd, aan de j vanonder een krulletje toegevoegd, hoecheyt (folio 7) gewijzigd in hoegheyd, t ter onderscheiding van c met een vertikaal streepje naar boven toe verlengd, hoofdletters in de mate van het mogelijke gemoderniseerd, woorden onderstreept, een enkele aantekening in margine gemaakt, de i van iaren in j verbeterd, e.d. In het algemeen zijn deze ‘correcties’ duidelijk herkenbaar aan de donkerder inkt en de fijnere pen, maar dit neemt niet weg dat de twijfelgevallen over de ouderdom van een punt of een streepje te talrijk zijn om vergissingen uit te sluiten. Onder dit beperkte voorbehoud bespreek ik dan verder het uiterlijke aspect van de tekst:

[p. 115]

Als leesteken vinden we heel uitzonderlijk een punt (fo 12r: van. diuerser naturen; fo 5r: daer si. ten naesten); isoleringspunten vaak vóór, soms ná een Romeins cijfer, en zelfs enkele malen bij het pronomen v.

Boven i staat:

 

1) meestal niets;

 

2) in enkele gevallen, na m, vóór n, maar vooral ná n: een halfrond streepje of boogje. Dit is altijd het geval bij niet. Het doel is verkeerde lezingen te voorkomen en we moeten dit diacritische teken dus goed onderscheiden van:

 

3) een punt, op i vóór j (nooit op y), en dit met vaste regelmaat: tijt, sijn (poss.), kijnt, enz. Deze enkele punt op ij heb ik elders nooit aangetroffen.

 

u heeft af en toe, zeer wisselvallig, een o superscriptum: vůl, hůer, půnct; r is steeds recht, ook na o en e; t en c zijn vaak niet te onderscheiden; i, e en zelfs de unciale a zijn meestal vastgehecht aan een voorafgaande ronde letter, met de zgn. Buchstabenverbindung: cf. dan (fotocopie: 5e regel). De lange s is van onder naar rechts gerond en soms lijkt het wel alsof de letters van een woord aan elkaar geschreven zijn: cf. dit (fotocopie: 1e regel). Af en toe is de l op weg een cursieve lus te krijgen: cf. mile (fotocopie: 5e voorlaatste regel).

Tekst en tekeningen zijn met rosbruine inkt geschreven; de rubrieken, van dezelfde hand, in het rood, alsook de bijschriften bij de tekeningen. Ik geloof niet dat oorspronkelijk (alle) rubrieken in de Vorlage stonden. In het begin werd duidelijk een plaats ervoor opengelaten, en werden ze tussen de tekst ingevuld, maar zeer vaak worden ze daarna in margine erbij geschreven. Op fo 15r begint de opsomming van de dierenriem: een rubriek, in de tekst, kondigt het eerste teken aan. Bij de volgende tekens verwachten we dus telkens weer een rubriek, die er niet staat, zelfs niet in de marge. Het ligt voor de hand dat de eerste opgave vol goede wil door de copiist ingelast werd, en dat hij deze uitstekende bedoeling op het volgende folio alweer vergeten was. Bovendien scheen de schrijver slechts af en toe zijn rode inkt ter hand te nemen (cf. de representanten onder of naast de rode lombarden).

Hoe komt het dan dat hij voor de rubrieken (rood) geen representanten nodig had? Dit is te verklaren wanneer wij

[p. 116]

aannemen dat hij ze onmiddellijk, onder de tekst door, opschreef. En dat kán niet, doordat verschillende rubrieken in margine zijn moeten komen staan. Dan blijft alleen deze oplossing over: de copiist was niet de rubricator, zoals De Vreese beweerde in de BNM, maar vulde wèl zelf de rubrieken in, waarvoor hij hier en daar een plaats openliet, elders weer niet.

De tekeningen werden gemaakt vóórdat de rubrieken werden ingelast; het bewijs daarvoor vinden we op fo 20r: de plaats van de rubriek in margine wordt ingenomen door de tekening; de inhoudsopgave komt dan daarboven te staan, dus tamelijk ver van de erbij horende tekst, en wordt met een streep verbonden aan het eerste vers waar het op slaat.

De nieuwe hoofdstukken vangen aan met een rode lombarde, de beginletter van ieder vers werd rood doorstreept. De lombarden hebben vaak, maar niet altijd, een hoogte van twee regels, en een kleine representante, ofwel links van de in te vullen letter, ofwel op de opengelaten plaats.

Een enkele keer wordt de foutieve aanloop van een woord gewoon doorgehaald, en éénmaal wordt een vergeten syllabe met het traditionele inlassingsteken boven het woord geplaatst.

Afkortingen: zie lijst p. 163.

Foliëring:

De Natuurkunde-verzen werden met inkt gepagineerd (18e eeuw): 1-66; de proza-Natuurkunde daarentegen apart gefolieerd: 1-36, alsook het Boec der Medicine: 1-56. Daarna werd de hele codex opnieuw met potlood gefolieerd: 1-127, waarbij het voorste papieren schutblad (zonder watermerk) niet inbegrepen is.

Er zijn geen oude signaturen, maar wel regelmatig custoden, en in de Natuurkunde wordt hiervoor de hele versregel gebruikt. Slechts in het Boec der Medicine werden zij in het rood doorgestreept.

 

Samenstelling:

1 papieren schutblad + 2 IV (16) + V (26) + 5 IV (66) + (IV - 3) (71) + 7 IV (127).

Formaat:

Bladgrootte: ca. 210 × 156.

[p. 117]

Bladspiegel van de Natuurkunde: ca. 160 × 75.

De rubrieken en tekeningen in margine zijn hier niet inbegrepen.

Bladspiegel van de prozateksten: ca. 160 × 115.

Inrichting:

Verzen: één kolom per blz., van 28 regels. Ieder vers begint op een nieuwe regel. De vellen werden geprikt en gelinieerd: verticaal links een kolommetje voor de beginletters en een afbakeningslijn rechts; horizontaal: 28 lijnen (ook voor het proza). Hier en daar werden de verzen met potlood genummerd door een latere gebruiker (o.m. 6v, 7r). Deze nummering stemt niet overeen met die van Clarisse. Tussen de verzen, en vaak ook in margine, staan rubrieken.

Illustratie:

Op 1v de traditionele grote tekening van het heelal, waarmee ongeveer ieder hs. aanvangt, en die de hele blz. beslaat (illustratie 130). Verder wordt de tekst in margine geïllustreerd met 36 astronomische tekeningen, waarvan de cirkels met de passer getrokken werden, maar de details zéér slordig zijn (illustratie ca. 50).

Dit alles in bruine en rode inkt, met in- of bijgeschreven teksten in rode inkt, van de hand van de copiist.

Zoals gezegd bij de bespreking van het Schrift, werden deze tekeningen uitgevoerd vóór het aanbrengen van de rubrieken, wat doet vermoeden dat deze laatste slechts bij het overlezen van de tekst werden ingevuld.

De 36e tekening, de windroos, fo 30v (illustratie 60), staat niet in margine, maar onder de kolom verzen, en beslaat iets meer dan 8 regels. De 35 overige zijn telkens precies 8 regels hoog.

Initialen of versierwerk komen niet voor. Alleen de I wordt bij het begin van een hoofdstuk met grof pennewerk versierd en krijgt een staartvormig verlengstuk van enkele regels.

Band:

De oude schaapsleren band is zonder versiering, en het oorspronkelijke slot is verdwenen. Vier ribben op de rug, waar het leer tot op de touwen toe is afgeschaafd. Onder het leer zitten 6mm-dikke houten borden.

[p. 118]

Inhoud:

Binnenspiegel (perk.) voorkant: een onleesbare inscriptie, met de datum 1636.

Op een voorin gevoegd blad papier, uit het begin van de 18e eeuw:

Dit boek behelst eene volslagen verhandeling wegens de Natúurkúnde ofte Phijsica, lanx het gansche Heel-al op rijm, in veersen van 4 voet; naar de trant vandie eeuwen:
't is in rijm geschreven in 't jaer 1300, bij eens broeder Thomas. 't roert aen het jaer 1273, folio penultimo - 't is in prose vervolgens uitgebreid bij broeder Arent, Lees-meister der minnebroeders t' Uitregt; in 't selfde jaer 1300.
Dan volgt daer agter een Medicijn-boek getrokken uit de schriften van Galenús de Avicenna: daer aen't eind staet, dat het mede vandenselven broeder Thomas gemaekt sou wesen.

Daaronder staat met dezelfde (latere) hand die het hele hs. gepagineerd en gefolieerd heeft:

Dit is getrokken úit A. Verwers brief aan A. Reland bl. 20 achter Hoogstr. geslachts. 3den dr. op bl. 474 van den 4den dr.

fo 1r: m.ccc. en daaronder 2 oude signaturen: no 237; no 278.n. (met andere hand en ink).

fo 1v: tekening van het Heelal.

fo 2r-34v: rijm-Natuurkunde.

 
Inc.:
 
Aldus is hemelrike
 
Ghescepen ende aertrike
 
Exc.:
 
amans. gfo. Effert. dogma.
 
cremans. Bliaro. grex. faftus. eorem.

fo 35r-70v: proza-Natuurkunde.

Inc.:
Brůeder thomas die dit boeke maecte
seghet. is enich ghebrec in desen
boeke dat is mi leet ende soe wye dat
ghebrec verbeteren wille dat is mi lief
Expl.:
Ende hier is op dese tijt ghenoech
vanden hemel gheseghet.

De lege ruimten onder en bovenaan werden gebruikt voor latere penneprobeersels.

fo 71r: blanco.

fo 71v: proza: een recept, cursief:

nemet newe viroc ende orpois ende was ende roet bolum ende suinen smout ende sulphur ende stampent ende wallent altegadir ende ghetent
[p. t.o. 119]



illustratie
Fig. 5. - S. fo 18v

[p. 119]
in enen erden pot ende dan sael men dien woet medie saluen ende houden die woet medie droghe

fo 72r-127v: Proza: Boec van medicine.

Inc.:
Maria coemt tot minen beghin
Hier gaet medicine in dietsche in
Hier beghint een nuttelike cort boec
van medicinen ghemaect in dietsche,
dat ghetoghen es ende ghecopuleert
wt galienus boeken ende auicenne
Expl.:
Item men sal niet zeer noch menigherhande
dranc ouer een maeltijt drincken
Men sal niet drincken tuschen eten
nochtans als een tebedde

[daaronder, duidelijk apocrief:]

Breůder Thomas het dit boecke gemaekt anno 1300 T'Utrecht

In de rechter-benedenhoek een custode:

sal gaen Ende wantmen,

zodat de tekst hier ontijdig is afgebroken.

Uitgaven:

-
Natuurkunde:
L.G. Visscher (als variant).
J. Clarisse (idem).
-
Proza-Natuurkunde:
L.G. Visscher (zie p. 271).
-
Boec van medicine:
W. Daems, Het Boec van Medicinen in Dietsce. Diss. Leiden. Leiden, Brill, 1967.

S: ± 1375 (Bouwstoffen)1

Bewaarplaats en Signatuur:

Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, Hs. Kon. Ned. Ak. van Wetenschappen, nr. XVI, in bruikleen gegeven aan de Kon. Bibliotheek te 's-Gravenhage.

[p. 120]

Herkomst en Geschiedenis:

De kalender is niet met zekerheid te localiseren, alhoewel we gerust een Vlaams substraat mogen aannemen. Zo worden de volgende heiligen vooral in het bisdom Doornik vereerd en/of gevierd (het cursieve staat in het hs. in het rood):

2/1Verilde (= Pharaïldis): vooral in Gent, maar dan op 4/1
17/1Antonius: wordt op 13/1 gevierd
22/1Vincentius
9/2Aubert: wordt op andere dagen gevierd
19/2Julianus: wordt op 13/2 gevierd
25/4Marcus
6/6Gudwalus: typisch Gentse heilige
10/7Amalberga: vooral in Gent
20/7Margaretha
27/7De 7 slapers.

Naar het bisdom Utrecht wijzen:

6/3Victor
9/4Maria Egyptiaca
5/5Hilarius
17/5Potentiana: wordt op 19/5 gevierd
13/7Margaretha
4/10Apollinaris: wordt op 5/10 gevierd
16/10Gallus
7/11Leonardus: wordt op 6/11 gevierd.

De talrijke afwijkingen of vergissingen in de data kunnen slechts aan een leek toegeschreven worden. Volgens P. van Musschenbroek was het hs. afkomstig uit Schonauwen, bij Utrecht (cf. Bild., Verslag p. 76).

Mone beweerde dat Le Long één van de eigenaars geweest was: ‘Eine Hs. besass Clignett, die früher dem Le Long gehörte [...]’ (Uebers., 512,8).

Ik vermoed dat hij verwart met L.

Vóór 1804 is het in het bezit van Clignett.

Vóór 1812 doet deze het over aan Steenwinkel, zoals we lezen in een brief aan Willems (Bols, nr 112, dd. 8/8/1825): ‘de extracten [...] welke laatste genomen zijn uit het Hs., destijds mijn eigendom, doch op stellig verzoek naderhand aan den

[p. 121]

Hr. Steenwinkel overgedaan, en na diens overlijden, ni fallor, bij het Kon. Inst. aangekocht’.

± 1812, wordt het door P. v. Musschenbroek aangekocht voor het Kon. Inst.

Vóór 1821 heeft Jer. De Vries een afschrift van de Nat. gemaakt, met varr. uit U.

De handschriftencollectie van de Kon. Ned. Akademie (vroeger: Kon. Inst.) wordt in 1937 als bruikleen overgebracht naar de Kon. Bibl., Den Haag.

In 1960 werd het tentoongesteld in het Rijksmuseum, ter gelegenheid van de expositie: ‘Gedrukt in Nederland’.

Materiaal:

Middelsoort perkament, zacht en tamelijk wit, waarvan heel wat versleten of oorspronkelijk schuinlopende hoeken gerestaureed werden door het inzetten van een stuk perkament.

Op fo 100 werd één van de miniaturen uit het hs. geknipt, en in het daardoor ontstane gat een stukje perkament geplakt. De sporen van slijtage zijn legio. Af en toe zit er wel eens een vel tussen met een naad of een gaatje, maar in het algemeen is de kwaliteit normaal, en het handschrift in zeer goede staat.

Wormgaatjes, vooral langs het onderste touwtje. Verschillende restauraties onderaan de bladen dateren vermoedelijk van de oude binder; op de ingezette strookjes staan Latijnse (kerkelijke?) teksten, die bij doorschijning duidelijk leesbaar zijn.

Schrift:

De hele codex is van dezelfde hand.

Na veel aarzeling tussen de littera textualis formata en de littera textualis, meen ik toch te moeten besluiten tot de eerste. We hebben hier een prachtige regelmatige letter, misschien niet zo ‘getekend’ als bij de formata meestal het geval is, maar toch zeer verzorgd.

Boven de i staat telkens een fijn s-vormig krulletje; z, y, h, t, ronde r, bij de Romeinse cijfers: x, m en de laatste i, alsmede n op het einde van een vers worden afgewerkt met een dun haakje onder de regel; g en lange s staan op de regel. Na o, d, b, v, soms na e en p, is de r rond, en soms hebben we een lange s

[p. 122]

aan het einde van een woord. Ook hier is vooral d met volgende e of o aaneengesmeed.

Leestekens komen niet voor (tenzij de paragrafen), wèl isoleringspunten vóór en na de Romeinse cijfers, en een soort van punt-komma na het cijfer c.m. op fo 11v, waar volgens onze begrippen niets zou horen.

Kleine representanten staan links van de in te vullen lombarden. Deze zijn beurtelings blauw en rood, twee regels hoog, en met veel rankvormig penwerk regels ver naar boven en naar onder versierd. Paragraaftekens komen slechts voor op fo 12r, 24r en 24v, met als representanten twee schuine streepjes, die we ook op 7r en 11v vinden, maar waar ze niet vervangen werden.

Steeds in hetzelfde woord: jaren heeft j geen punt of krulletje boven de regel.

Correcties geschiedden door expungering.

Heel wat latere, ik zou zelfs zeggen recente gebruikers hebben met inkt en potlood een of ander aangetekend, genoteerd, genummerd, e.d., in Der Naturen Bloeme.

Afkortingen: zie lijst p. 163.

Foliëring:

De codex werd recent met potlood gefolieerd: 1-163. Aan het einde van ongeveer ieder katern staan custoden, zoals gewoonlijk in de rechter onderhoek.

In Der Nat. Bloeme komen, naast de custoden, signaturen voor van de copiist: Romeinse cijfertjes ii tot en met xv.

De samenstelling is a.v.:

schutblad + III (6) + 3 IV (30) + (IV - 1) (37) + 3 IV (61) + (IV - 1) (68) + 4 IV (100) + (IV - 1) (107) + 7 IV (163) + schutblad.

Tussen 31 en 32 ontbreekt een blad, maar geen tekst. Tussen 62 en 63 gebeurde hetzelfde, maar hierdoor viel tekst weg, t.w. de vv. 2511-2642 van Der Nat. Bl.; tussen 102 en 103 idem, waardoor ook weer een deel van Der Nat. Bl. verloren ging.

Formaat:

Bladgrootte: 276 × 207.

Afgeschreven bladspiegel Natuurkunde: ca. 210 × 137. Deze afmeting is zeer wisselend door de tekeningen: soms één kolom tekst, soms twee.

[p. 123]

Inrichting:

Voor de Natuurkunde: willekeurig twee kolommen of één kolom per bladzijde, van ca. 38 regels. Tussen de 2 kolommen is er ± 28 mm. tussenruimte. Ieder vers begint op een nieuwe regel. Voor het proza en Der Nat. Bl.: telkens 2 kolommen.

De vellen werden gelinieerd: horizontaal één lijn per vers, vertikaal vier lijnen per kolom: een kolommetje van 2 mm. voor de hoofdletters, 5 mm. verder een lijn als ruimtebeperking voor de lombarden van iedere alinea, en 6 cm. verder de afbakening van de hele kolom, waar de regel normaal moet ophouden. Practisch loopt de tekst meestal een beetje over die grens heen.

Onder iedere tekening van de dierenriem staat een korte Latijnse tekst.

De verschillende hoofdstukjes of alinea's werden met potlood genummerd tot en met 12 op fo 8v.

Illustratie:

De gehistorieerde initiaal van de Natuurkunde (fo 7r) is een gouden, geronde V, 5 regels hoog. In het oog van de letter zien we het hoofd van een gebaarde man, naar rechts kijkend, met een soort puntige blauwwitte tulband, op groene achtergrond. Het bladgoud van de initiaal steekt af tegen een blauwe en sepia grond, gevuld met witte hoogsels. Op fo 9: de grote tekening van het Heelal (illustratie ± 187), met bruine inkt. Verder vinden we naast de tekst (in dat geval meestal 1 kolom verzen per blz.), of tussen de tekst door, 33 cirkelvormige astronomische tekeningen, waarvan slechts 17 voltooid werden. De overige missen ofwel de erbij horende tekst, ofwel ieder detail, en bestaan slechts uit één of meer lege cirkels. De illustratie is zeer willekeurig, meestal 52 mm.

Van fo 17v tot 19v staan tussen de tekst een twaalftal miniaturen, voorstellende de tekens van de dierenriem. Ze worden beschreven bij Byvanck en Hoogewerff, p. 4 (reprod. pl. 121). De afmetingen zijn ± 60 × 35; of ± 57 × een hoogte die varieert van 45 tot 55. In haar geheel is de illustratie van dit hs. zéér verzorgd afgewerkt.

Der Nat. Bl. vooral is rijkelijk geïllustreerd, en het bladgoud werd kwistig gebruikt.

[p. 124]

Band:

Volgens De Vreese (BNM) is de band oorspronkelijk. Prof. G.I. Lieftinck vindt dit zeer onwaarschijnlijk (mondelinge mededeling). De band is in ieder geval oud en geschonden, bestaat uit twee eikenhouten borden met leer overtrokken, met 5 koperen knoppen op het voorplat, en 4 (één van de 5 is verdwenen) op het achterplat. De hoeken en de rug zijn verstevigd met koperen banden.

De twee sloten zijn eveneens van koper. Het leer is helemaal weggesleten op de rug (5 ribben) en een groot gedeelte van voor- en achterplat, waar nog iets van de oorspronkelijke gouden versieringen zichtbaar blijft. Op het voorplat staat nog te lezen: Ghedenct den doot des Heeren.

Op het achterplat: H.P.V.D.H.

Twee binnenspiegels (voor en achter) van perkament, waarop vóóraan een Latijnse bijbeltekst staat, volgens Prof. Lieftinck uit de tweede helft der 13e eeuw, met initialen die wijzen naar Noord-Frankrijk of België; achteraan één van de prologen van Hiëronymus.

Inhoud:

Voorste binnenspiegel: Latijnse bijbeltekst; schutblad: niet gefolieerd, blanco;

fo 1r-6v: kalender.

fo 7r-25va: verzen: Natuurkunde.

 
Inc.:
 
Van hier vortwaert
 
So is ons gheopenbaert
 
Expl.:
 
Beneden dit scrift ter goeder vre
 
Daer vintstu staende die scrifture

fo 9v is blanco.

fo 25vb-28r: verzen: Heynric van Hollant, Die cracht der Mane.

 
Inc.:
 
Ic bidde gode dat hi minen sin
 
verlichten moete dat miin begin
 
Te goeden ende moete comen1
 
Expl.:
 
God gheue hem tewelike leuen
 
Ende hem allen diet horen lesen
 
Amen ic staes of met desen
[p. 125]

fo 28r-34r: Een astrologische tafel, waarna: prozastukken, meest van astrologische aard: 1e en 2e Boec der Aspecten van de maan.

Inc.:
Dit es ene tafle daer men bi mach
weten hoe menige wardicheit oft
macht elke planete heuet
Expl.:
Twalefste huus es der ghevanghene.
ende bedie karker putte Ende alle
ghebonden stucke ende verdroeuenesse.

fo 34r-37r: proza: Boec vanden 4 Complexien:

Inc.:
Hier beghint die boec van den iiij
complexien.
So wie wille weten die nature ende die
maniere vanden luden. Als ons seghet
meester ypocras ende galyen
Expl.:
Ende wes ghanc traghe es ende
nauwe of cort hi is bedrustich ende
twiuelich ommachtich in allen stucken
ende van quaden wille. Nota.

fo 37v: blanco.

fo 38r-163: verzen: Der Naturen Bloeme, van J. van Maerlant.

 
Inc.:
 
Jacob van marlant die dichte
 
Om te sendene teere ghichte
 
Wille dat men dit boec noeme
 
In dietsch der naturen bloeme
 
Expl.:
 
Dat god alre sielen verlichtere
 
Ende oec mede vorden dichtere
 
Hem si ghenadich ende verleene
 
Dat liif daer doot es ne gheene
 
Amen Amen

Achterste binnenspiegel: Latijnse proloog van Hiëronymus.

Uitgaven:

-
Natuurkunde:
J. Clarisse (als variant).
-
Heynric van Hollant, Die Cracht der Mane:
M. de Vries, in: Versl. Ber. Vereeniging ter bevordering der Oude Nederlandsche Letterkunde 4 (1847), 5-22.
-
Naturen Bloeme:
E. Verwijs (zie hs. L).
[p. 126]

H: 2e helft 15e eeuw (Bouwstoffen)1

Bewaarplaats en signatuur:

Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 76 E 4 (olim Ms. Y 134 (726); Toonkast 9).

Herkomst en geschiedenis:

Dit hs. is een rechtstreekse copie van S, wat elders verantwoord wordt (Filiatie).

Ook hier wijst de kalender, zonder typisch te zijn, naar het Zuiden, maar met Utrechtse elementen. Hij is ongeveer identiek met die van S, behalve voor de volgende heiligen, die door een latere hand werden ingelast:

14/6Cunera: vooral in Utrecht gevierd, maar op 12/6
25/6Lebuinus: typisch voor Utrecht.

Aan de andere kant ontbreken twee specifiek Gentse heiligen, die in S wèl vermeld worden, en die de copiist als hem onbekend zijnde, wegliet:

2/1Verilde (= Pharaïldis, eigenlijk op 4/1)
10/7Amalberga.

Het hs. was, nog in 1799, in het bezit van Mr Jacob Visser (Collectie J. Visser, no 168) (door Bilderdijk passim verkeerd Visscher gespeld): cf. Van Wijn, Hist. en Letterk. Avondst. IV, p. 302.

In de veilingscatalogus J. Visser (La Haye, Scheurleer, 16/12/1811) komt echter onder nr. 168 in geen der afdelingen een Natuurkunde voor. Wellicht had Visser zelf zijn collectie genummerd en nog tijdens zijn leven dit handschrift aan de Kon. Bibl. verkocht (of geschonken), zodat het op de auctie niet meer vermeld kon worden.

Vóór 1812 komt het terecht in de Kon. Bibl., Den Haag.

Vóór 1825 wordt het door Bilderdijk afgeschreven, met varianten uit U, L, S (Den Haag, Hs. Kon. Ak. XXV).

Materiaal:

Perkament van een middelsoort-kwaliteit, met eerder negatieve kenmerken: geen schuin lopende randen, geen naden, en slechts

[p. t.o. 126]



illustratie
Fig. 6. - H. fo XVIIr

[p. 127]

hier en daar een gaatje. Het is niet al te dik, meestal zéér vergeeld, glazig aan de randen en rimpelig.

Voor- en achteraan zitten 2 bladen papier, door de binder in de 18e eeuw ingelast. Het watermerk van dit papier is een druiventros, met de naam H. Durandan, en nog een hele regel hoofdletters, waarvan de betekenis niet duidelijk is.

Schrift:

De codex is geschreven, door één hand, in wat eigenlijk een littera textualis formata zou moeten heten, was er niet het cursieve karakter van de a. Andere cursieve kenmerken ontbreken beslist: s en f staan op de regel, afgerond naar rechts aan de basis, geen lussen aan de schachten boven de regel; g en s hebben niet de vereenvoudigde cursieve vorm. Op i en j staat meestal een héél fijn puntje of een schuin streepje, zó dun dat het soms nauwelijks zichtbaar is. Het loopt ook vaak in elkaar met het krulletje van een naburige letter.

De t heeft een streepje, vanaf het horizontale lijntje tot onder de regel.

Na o steeds ronde r; boven de rechte r staat geregeld een zéér fijne lus. Ook de l heeft bovenaan een fijn haakje. De ronde eind-s gaat met een streepje schuin naar boven. e na d wordt aan de ronding vastgehecht. Leestekens trof ik niet aan; hier en daar een willekeurige isoleringspunt voor of na (of beide) Romeinse cijfers.

In de kalender heeft een andere hand (ik citeer uit de BNM) ‘ca. 1530 bijgeschreven: 14 Juni: lunere virginis; 25 Juni: Lebuini confessoris; 1 Juli: Onser vrouwen dach visitationis. Door nog een andere hand is boven elke maand de Lat.-Ndl. naam geschreven: januarius, etc. october, november, dessember’. Op 14 juni staat echter: CunereVirginis (en niet zoals De Vreese las: lunere virginis).

De letters KL bij iedere kalendermaand zijn blauw, de eenvoudige lombarden (2 regels hoog) van de nieuwe alinea's in de Natuurkunde afwisselend blauw en rood, met een kleine representante. De beginletters van ieder vers zijn gerubriceerd, alsmede de letter volgend op een lombarde.

De tekst is overal zeer duidelijk. Vergeten woorden worden ingelast boven de regel, met het gebruikelijke inlassingsteken.

[p. 128]

Andere correcties komen niet voor, tenzij in margine een kleine a en b bij een verspaar in verkeerde volgorde.

Slechts zelden custoden.

Afkortingen: zie lijst p. 163.

Foliëring:

1) paginering met inkt: I-LXVII (= kalender, Natuurkunde, Cracht der Mane, astrologisch proza); daarop volgt een paginering, met inkt: 1-236 (Naturen Bloeme).

 

2) foliëring, met potlood: I-XXXIV (= idem), waarna een aparte foliëring voor Der Naturen Bloeme, met potlood: 1-118. Hierbij is het laatste blad perkament, dat blanco bleef, niet inbegrepen.

 

Samenstelling: 2 bladen papier (18e eeuw) + III (VI) + 7 V (42) + (V + 1) (53) + 6 V (113) + III (119 = blanco, niet gefolieerd blad perkament) + 2 bladen papier (18e eeuw).

Formaat:

Bladgrootte: ca 290 × 209.

Bladspiegel van de Natuurkunde: ca. 222 × 67. Dit geldt voor de bladzijden, waarop 2 kolommen afgeschreven werden. Voor de enkele blzz. waarop slechts één kolom tekst staat, is de bladspiegel moeilijk op te geven, daar de tekeningen in margine het formaat steeds wijzigen.

Inrichting:

In het algemeen twee kolommen per blz. De uitzonderingen hierop zijn: I-VI (de Kalender): één kolom, met lange regels; en de folio's IXv, Xr, Xv, XIr, XIIIv, XIVr, XIVv, en XVr die, terwille van de tekeningen, slechts één kolom verzen hebben. Daarna worden de tekeningen tussen de tekst ingelast.

Ieder vers begint op een nieuwe regel. Het aantal verzen per kolom varieert, is meestal 41 à 42. De afgeschreven breedte voor de kolommen is 75 mm.

De bladen zijn gelinieerd geweest: hier en daar is er nog vaag een lijntje zichtbaar. Ook werd een kolommetje van 6 mm.

[p. 129]

afgeschreven voor de beginletters, waarna een kleine ruimte openbleef.

Illustratie:

De gehistorieerde initiaal, waarmee de Natuurkunde aanvangt, wordt in de BNM beschreven a.v.: ‘Gouden V, in een gedeelde omlijsting, blauw en karmijn overhoeksch, met witte biesjes en trifolia op de kleur. In het oog: een koningshoofd, naar links, tegen blauwen achtergrond’. Ik zou hier alleen aan willen toevoegen dat het hoofd niet naar links, maar naar rechts gekeerd staat, d.w.z. heraldisch links.

De 33 astronomische tekeningen werden, zoals gezegd, soms in margine, soms tussen de tekst aangebracht. De diameter gaat van 45 tot 62 mm. Ze werden uitgevoerd met inkt, maar zijn slechts gedeeltelijk voltooid (: 17 ervan, cf. hs. S). De grote tekening van het heelal ontbreekt ook hier niet (illustratie 184).

Bij het bespreken van de dierenriem krijgen we, net zoals in S, tussen de tekst door, miniaturen van de 12 tekens, waaronder telkens een korte Latijnse tekst staat. De miniaturen lijken artistiek van minder waarde dan die van S, waarnaar ze gecopieerd werden. De afmetingen variëren: 51 × 64, 40 × 65, 33 × 65.

Deze miniaturen werden met een zeer oude hand (16e eeuw?) genummerd, met inkt, van 1 tot 12. In Der Naturen Bloeme gaat deze nummering verder van 13 tot 462.

Band:

De kalfsleren band, gespikkeld, dateert waarschijnlijk uit de 18e eeuw. Op de rug: zes vergulde compartimenten met fleurons en rood titelschild (2e compartiment), waarin staat:

J: V: Maerlant
Die natuur des bloemen

De snee is gemarmerd.

Inhoud:

Op het 2e blad papier, vooraan, verso, bovenaan, staat een eigenhandige inscriptie van J. Visser:

Der Naturen Bloeme door Jacob van Maerlant. dit Rijmwerk is het oudste dat in de Hollandsche taal over de natuurlijke Historie
[p. 130]
geschreven is, handelende over de Vogelen, Visschen, Bloemen, planten, Boomen, gesteentes, vier voetige dieren etc. alles met afteekeningen in goud en couleuren, geschreeven op pergament in twee columnen, in de XIV eeuw. dit exemplaar word breeder beschreeven in de voorrede voor de Spiegel Historiael of Rijmkroniek van J.v.M. door de HH. Clignett en Steenwinkel, pag. 39 seqq. volgens mijnen opgaaf aan haar E. gedaan.

fo I-VIv: Kalender.

fo VIIr-XXIIv: verzen: Natuurkunde.

 
Inc.:
 
Van hier vortwaert
 
So is ons gheopenbaert
 
Expl.:
 
Beneden dit scrift ter goeder vre
 
D' vintstu staende die scrifture

fo XXIIIr-XXVr: verzen: Heynric van Hollant, Die cracht der mane.

 
Inc.:
 
Ic bidde gode dat hi minen sin