terug  begin  verder
[p. 164]

2. De Taal van de handschriften

Bij de bespreking van de taal der handschriften werd a.v. te werk gegaan:

- Alleen die vormen (afwijkend van de ‘algemene’ of niet) die regionaal of chronologisch relevant waren, werden opgenomen. Het daarbij gevolgde schema is min of meer dat van de Mnl. Spr. van A. Van Loey.

- De localisering geschiedde op gezag van verschillende syn- en diachronische studies, o.m. die van A. Van Loey, J.H. Kern, B. Van den Berg, A. Weijnen, H. Vangassen, Schönfeld, de taalatlassen, en talrijke andere werken die in de bibliografie opgenomen worden.

- Alle vindplaatsen konden niet steeds worden vermeld, omdat ze vaak te talrijk waren.

- Huiverig tegenover de filologische waarde van rijmwoorden (vooral in afschriften!), alhoewel ze een negatief belang kunnen hebben, heb ik telkens het versnummer van de vindplaats-inrijmpositie gecursiveerd. Klopt de spelling van het voorbeeld met die van het rijmende woord, dan wordt daar verder niets aan toegevoegd. Is het rijm echter ook maar enigszins afwijkend, zij het maar voor het oog, dan volgt na het gecursiveerde versnummer het tweede deel van het rijmpaar.

Met een voorbeeld wordt dit onmiddellijk duidelijk: warf (1274) = het rijmende woord eindigt eveneens op -arf; dair (315: claer); warf (1289: sterf) behoeven geen van beide commentaar.

- De klankleer werd zo volledig mogelijk behandeld; voor de vormleer, en meer speciaal flexie en syntaxis, was het onbegonnen werk even diep te willen ingaan op de taal van liefst 10 handschriften. Ik moest me daar tevreden stellen met enkele steekproeven.

- Het spreekt vanzelf dat hs. Ups een bizondere beurt kreeg, en ook hs. U, gezien de onzekerheid van zijn datering. In dit laatste hs. heb ik vooral getracht behalve het regionale, ook het chronologische aspect te belichten, in de hoop hierdoor de paleografen in hun onderzoek een handje toe te steken.

- Het filiatie-teken > mag niet al te letterlijk worden opgevat. In verschillende gevallen bestaat er eerder een parallel

[p. t.o. 164]



illustratie
Fig. 11. - Ups. fo 1v.

[p. 165]

tussen twee vormen, en er wordt dus niet altijd beweerd dat de tweede klank ontstaan is uit de eerste. Deze werd eerder gekozen als een soort van classificerings-criterium uit de ‘algemene literatuurtaal’, zoals trouwens ook Verdam in zijn Mnl. Wdb. als lemma bij de woord-bespreking de meest gebruikte, liefst ‘kleurloze’ vormen heeft aangehaald.

- Na de bespreking van klank- en vormleer volgt telkens een kort stukje ‘Woordgeografie’. Ik heb nl. voor enkele vaak in de tekst gebruikte woorden of vormen mijn bevindingen willen mededelen, zonder natuurlijk een definitief besluit te kunnen trekken. Toch leek het interessant te zien hoe sommige hss. systematisch een synoniem verkiezen, een of andere vorm weren, een bepaalde voorkeur schijnen te hebben. Voor woorden, die slechts één- of tweemaal voorkomen, was dit natuurlijk niet de moeite waard: een dergelijke frequentie is totaal onvoldoende. Bij andere, zoals nat en wac, kunnen de constateringen, vergeleken met andere gelocaliseerde teksten, stellig iets positiefs leveren.

- Verder wens ik er met veel nadruk op te wijzen dat het soms zéér moeilijk is, speciaal in een literaire tekst, een precieze localisering van het dialect te geven. Verschillende kenmerken hebben geen ‘exclusieve typeringswaarde’: ‘alleen een complex van vele kenmerken is typerend’ (V.L.II, p. 123).

Welnu, in de meeste gevallen hebben we niet steeds die overvloed van karakteristieke vormen die ons moet toelaten op wetenschappelijke gronden de bakermat van een handschrift te situeren.

Het geografische probleem is oneindig ingewikkeld door de interpenetratie, en het weinige dat we op dit ogenblik met zekerheid weten. Daarenboven wordt de moeilijkheid nog groter bij een tekst in verzen waar ritme en rijm de dichter tot veel in staat stelden, zoals Maerlant trouwens grif toegaf.

Ten slotte zou ik hier nog aan willen toevoegen dat mij zonder de minste twijfel vormen ontgaan zijn die ik had moeten opmerken, maar die, thans nog in gebruik in het ABN, te ‘normaal’ leken. Ik wens me hiervoor te verontschuldigen.

[p. 166]

Hs. Ups.

Korte klinkers

1.ă 
A.ă + r + cons.O-Vl., (Geld., Limb.), Kust + Zeeuwse eilanden1
 scarp (589) 
 starc (662, 764, 782, 1025, 1791) 
 arch (766, 769) 
 warf (235, 269) 
B.ă + r + cons. > ĕBrab., Limb.
 werf (218, 317, 326, 390, 478, 487, 501, 545, 555, 560, 561, 565, 569, 1559) 
 herde (580, 602, 663, 678, 785, 924, 927, 1174, bis, 1227, 1274, 1357, 1491, 1566, 1699, 1730) 
 scerp (756) 
 verwe (911, 914) 
 sterck (1039) 
 sterf (3 s. praet.) (1560) 
C.ă > ŏVl., Holl., Brab.
 ghedochte (subst.) (1697) 
 brochten (3 pl.) (724) 
   
2.ĕ 
A.ĕ / ă + r + cons. > aeW-Vl., Z-Holl., ook O-Vl.
 gaern (1844) 
 kaersen (637, 670, 672, 690) 
 paerde (675, 1624) 
 staerten (594) 
 aertrike (11, 280, 299, 331, 419, 427, 433, 437, 453, 463, 483, enz...) 
 swaerde (767) 
 maers (= Mars) (363, 367, 466, 472, 1413) 

[p. 167]

B.ĕ + r + cons. > ăVl., Holl.
 marcurius (299, rubriek na 438, 553, 1214) 
 artrike (557) 
C.steeds met, nooit mit. 
D.ĕ + n > ĭvooral Br., ook oostel.
 kinne (1 s.) (1744) 
 kint (3 s.) (340) 
 bringhen (727) 
 ghedinken (3 pl.) (1796) 
 Dus uitsluitend in het rijm. 
E.nummeroostelijk? (cf. p. 175)
 éénmaal: 572 
F.ĕ > ŏN-Br., Zeel., Z-Holl.
 dorden (382, rubriek na 1160, 1170) 
 dortich (191, 209, 233, 256, 548, 555) 
 (maar 208: dertighen) 
 vorder (= verder) (757) 
G.ĕ + n + cons. > eiN-O-Br., Geld., ookVl.
 peynst (3 s.) (725) 
   
3.ĭ 
A.ĭ + n > ĕO-Vl., Limb.
 anders sends (411) 
 (ver)drencken (1320, 1321, 1326, 1331) 
 ghens (= ginds) (1734) 
B.ĭ > ĕO-Vl., Limb., Br.
 mest (3 s.) (268, 908) 
 lecht (= lux) (972: slecht) 
 maar: 981 licht: slicht 
 hette (= hitte) (indien niet uit Germ. * χaitiþô-) (1038, 1076, 1260, 1839, 1861) 
   
4.ŏ 
 of/afof = westelijk
af = niet W-Vl.
 Steeds of, zonder uitzondering 

[p. 168]

5.ŭ 
A.sulcWmnl.
 592, 922, 977, 1332, 1341, 1831 
B.ŭ > ĭIngweoons
 stick(en) (1284, 1367, 1390, 1398) 
 dinne (1787, 1803) 
 Alleen in het rijm. 

Lange vokalen

6.ē en ê 
A.ê > ieHoll. (kust), Z-Br.
 hiet(en) (= nomen habe(n)t) (rubriek na 590, rubriek na 958, 1113, 1129, 1410, 1411, 1413, 1427, 1429) 
 twie (en samenstellingen) (253, 1045, 1046, 1050, rubriek na 1360, 1729) 
B.ê > eiLimb., Kust-Wvl. en -Holl.1
 Niet-umlautfähig: 
 breyt (1721) 
 Umlautfähig: 
 teyken (rubriek na 944) Daarentegen herhaaldelijk: teken heylighen (1127, 1696). 
   
7.î 
 Vooral in het ww. sijn (= esse, inf. en 3 pl.) spelling ie, (naast vormen met -ij-): 
 1210, 1212, 1645, 1796, enz... 
 Vooral in Frans- en W-Vl., Z-Br., Limb. 13e en 14e eeuw. 
   
8.ie 
 ie/uuie = Kustmnl., Vl., Br.
uu = oostel., Limb.,Holl.
 vier (654, 658, 659, 693, 696, 700, 711, 721, 749, 753, enz...) 
 liede(n) (rubriek na 772, 795, 1157, 1258, 1323, 1401, 1539, 1641, 1651, 1796) 

[p. 169]

 dietsche (918, 963, 1124, 1147, 1540, 1830) 
 bedieden (3 s. en inf.) (1434, 1540) 
 lude(n) (rubriek na 630, 676, 1311, 1647) 
 duytsche (301) 
   
9.ō en ô 
 palatalisatieIngweoons
 dueren (bijw.) (1783) 
 Misschien ook, (voor zover de o superscriptum geen bizondere kleur aan de klank geeft): 
 duer (741, 882) 
   
10.oe 
 met spelling o: most(e)Holl., Br.
 1314, 1324, 1795. 
   
11.uu 
A.spelling uyvnl. 15e eeuw.
 duytsche (301) 
 (ghe)luyt (745, rubriek na 1842) 
 suyt (878, 997, 1083, 1883) 
 puyr (1562) 
 huyt (1757) 
B.spelling uu in gesloten syllabe14e, vooral 15e e.: Vl., Brab.
 gheluut (1843) 
   
12.Lange (?) vocalen met enkele spelling: 
 terste (1013) 

De vocaal in onbeklemtoonde lettergreep

13.Sonorisatie van sjwa: 
 wasom (821, 823, 824, 831, 835, 866, 867, 877, 879) (naast wasem)O-Brab.
 vtor (= uter) (865)O-Brab.
 tekijn, tekine (1001, 1005, 1013, 1016, 1045, 1051, 1063, 1079) 

[p. 170]

De consonanten

14.epenthetische h 
 threchte (= het rechte + subst.) (1031) 
 Maar: 509 trechte 
   
15.-ft/-cht-ft = N- en Z-Holl., N-Br., oostel.
-cht = zuidelijk
 Steeds -cht-vormen, behalve: 
 crafte (748, 1026, rubriek na 1286) 
 after (rubriek na 414) 
   
16.Dissimilatie 
 somne (= somme) (1677) (of sonme?) 
 omne (= omme) (1678) (of onme?) 
   
17.t-apocope (assimilatie)1 
 aerbevinghe (1799, rubriek na 1824, rubriek na 1832) 
 tonstekene (= gerund.) (648) 
   
18.-sch/-sk-sk = N-Holl.
 viske (pl.) (1806) 
 paesken (rubriek na 1888, 161) 

Vormleer

19.t-apocope: 
 die wint [...] loep in die hole (1780) 
   
20.umlaut van e: 3 s. st. ww. ind. praes.Limb., ook Holl.2
 ghif (298) 

[p. 171]

21.het ww. sullen 
A.sullenVlaams, maar ook sporad. Holl., Br., Limb.
 3 pl. (622, 1286) 
B.sollenLimb., Holl.
 3 pl. (399) 
C.sellenN-Holl., maar ook sporad. Utr., Brab.
 3 pl. (1542) 
 3 s. (1810, 169, 218) 
 2 pl. (231, 236) 
 2 s. (173) 
   
22.horen (adj. poss.)schijnt vooral Br. te zijn
 424, 576 
   
23.soe = zij (fem. s.)Vlaams
 303, 436, 1493 (so: toe)) 
   
24.-scap/-scep-scep = Vl., Zeel., Holl.
 lantscep (1831) 
 maar: lantscap (612, 1615) 
   
25.hemliedenWmnl.
 1651 
   
26.Vormen van het type ‘entie’Vlaams
 haerentaer (314) 
 entie (539, 617, 795, 1211, 1295) 
 enten (1412) 
   
27.Nom.-Acc. pl. 1e flexie op -nVl., Brab.: vooral 15e eeuw
 voeten (517) 
 duuelen (709, 723) 
 dagen (rubriek na 1426) 
 lieden (1401) 

[p. 172]

 holen (1830) 
 enz... 
   
28.stoet (praet. staan)Vl.
 stoeder (1793) 
   
29.Acc. gebruikt in 1e casus 
 den reghenboghe [...] en es el niet (901) 
 hoe den viant den mensche doet quaet doen (rubriek na 1834) 
   
30.begonde (praet. beginnen)Vl., Holl.
 1634 
   
31.worden (inf. en ind. praes.)15e eeuw
 inf. (1162) 
 ind. praes. (643, 749, 957, 1069, 1165, 1317, 1329, 1346, 1357, 1495, 1512, 1524, 1610, 1737, 1778, 80, rubriek na 96) 
 Maar: ind. praes. wert (945, 1118, 1298) 
   
32.Eigenaardig zijn enkele gevallen, waar het onderwerp blijkbaar een enkelvoudsvorm heeft, met een ww. in het meervoud: 609 haer naem [met e-apocope!] sijn gheheten cometen; 1761 aertrike sijn al vol holen. 
 Vermoedelijk is hier attractie in het spel naar de meervoudige bepalingen: cometen en holen. 
   
33.e-apocope bij de substantieven komt slechts zelden voor, meestal is de oudere, volle vorm bewaard. Ook bij de ww., 3 s. ind. praes., werd de oudere vorm op -et, in en buiten het rijm, bij voorkeur behouden. 
   
34.ghe- prefix 
 Alle participia hebben normaal het ghe-prefix. Ook bij infinitieven komt het geregeld voor, met perfectieve betekenis: de copiist scheen hiervoor zeer gevoelig en laste zelfs eenmaal het prefiks boven de regel in (349). 

[p. 173]

 Ook de substantieven en adjectieven hebben bij voorkeur de ghe-vorm: gheluut, gherecht (adj.), e.d. 
 Leden (part. perf.) is hierop een normale uitzondering: 194, 205. 
   
35.ghevaen (1346, 1870)Wmnl.
 ontfaen (1376, 1520) 
 beuaen (1464) 
   
36.woude (praet. willen)meer oostelijk
 1340 
   
37.Gereduceerd gerundiumHoll.: eind 14o e., ook Brab.
 te proeuen (577) 
 te soeken (rubriek na 1888) 
 te weten (rubriek na 88, na 96, na 270) 
 te sijn (rubriek na 1180) 
 te stelen (1343) 
 te comen (1851) 
 te sien (182) 
 Enkele niet-gereduceerde vormen: 
 tonstekene (648) 
 te gane (922) 
 te stane (961) 
 te doene (1072) 
 te siene (255) 
 Dus alle, op één na, in rijm-positie. 

Woordgeografie

     ToghenVlaams
 10, 335, 808, 835, 974, 1168, 1206, 1316, 1348, 1548, 1564, 1670, rubriek na 1708, 198 
 Wac(heit) /nat(heit) 
 Wac (930, 933, 938, 944, 1155, 1181, 1189, 1195, 1210) 
 Nat (1150, 1213, 1719) 
 Zelle (= februari)Hollands
 1159 

[p. 174]

     VaringheVlaams
 834 
 Sonder datVlaams? (cf. Mnl. W. 7, 1544)
 540 

Conclusie

Het is op het eerste gezicht duidelijk dat we hier westmiddelnederlands hebben. De gegevens moeten nu verder helpen uitwijzen of het om een Vlaams of Hollands dialect gaat.

Maar eerst even p.m. dit: indien het schrift op fo 67r dat van de copiist is, hebben we een zeer precieze aanduiding: Monster, op een tiental km ten Z. van Den Haag. Ook deze stad wordt in de codex vermeld, maar door een beslist andere hand. We blijven niettemin in de buurt.

Nu is het wel heel moeilijk om, bizonder in dit handschrift, typische (lees: exclusieve) kenmerken te vinden, van welk dialect ook. Op enkele uitzonderingen na, zijn alle vormen mogelijk in Vlaanderen, Zeeland en Zuid-Holland. Dat was dan ook één van de redenen waarom deze tekst onze legger werd.

Vlaams zijn, of kunnen zijn:

 

1 A, C; 2 A, B, C, G; 3 A, B; 4; 5 A, B; 8; 9; 15; 21 A; 24; 25; 26; 27; 28; 30; 35;

m.a.w. het leeuwenaandeel.

 

Maar zó eenvoudig gaat het niet, want de volgende vormen komen in Vlaanderen normaal niet voor:

2Enummer (1 ×):uitgesproken oostelijk (?)
2Fĕr > ŏr:N-Br., Zeel., Z-Holl.
6Aê > ie:Holl. (kust), Z-Br.
8uu:Holl., Limb., oostelijk
9o superscriptum (2 ×):oostel., maar kan ook in Holl. voorkomen
10moste:Holl., Brab.
13wasom:O-Brab.
15-ft (4 ×)N- en Z-Holl., Utr., N-Br., oostel.
18-sk:N-Holl.
20ghift (1 ×):Limb., ook Z-Holl.
21Bsollen:Holl., Limb.

[p. 175]

21Csellen:N-Holl. (ook Brab.)
37geruduceerd gerund.:Holl., ook Brab.

Uit dit overzicht blijkt dat, ondanks het overwegend Vlaamse element, de copiist geen Vlaming was. Uit de opgesomde afwijkingen blijkt een duidelijk Z.-Hollandse tendens, en een licht Brabants tintje. De meer noordelijke vorm -sk (18) werd, en wordt nog, gebruikt tot aan Scheveningen, in wat Van Ginneken het ‘Strand-hollands’ noemt1.

 

Wat nu met de enkele Brabantse vormen? Bij Van Ginneken (Handboek I, p. 98) lezen we: ‘Voor het Zuid-oost-Hollandsch hebben wij zoowel overeenkomst met het Strand-Hollandsch als met het Brabantsch en West-Vlaamsch te constateeren’. Dit kan best voor heel Zuid-Holland waar zijn geweest.

 

Nummer komt meermaals voor bij Breero (o.m. Klucht van de Koe, 289); zie ook Nauta § 11. Eveneens bij Huygens: Trijntje Cornelis 1329, 1330: ummers (in de mond van Trijntje!). Van Helten citeert (§ 34, opm. 2) verschillende vindplaatsen, waaronder Vlaamse.

 

Heeroma (Daan en Heeroma, Zuidhollands, p. 41) ziet er zelfs een Ingweoons substraat in: ‘Stellig oud en waarschijnlijk heenwijzend naar de Ingweoonse taallaag zijn de vormen ûrgens, umment, ummers en neuit voor ‘ergens’ ‘iemand’ ‘immers’ en ‘nooit’, [...] van oorsprong [zijn ze] alle samenstellingen met het bijwoord io (uit êo uit germ. aiw) [...] het 1e element van deze tweeklank [heeft] het tweede gepalataliseerd’.

Hieruit blijkt wel dat deze vormen niet zo maar definitief als ‘oostelijk’ mogen beschouwd worden.

 

Tot besluit meen ik te mogen zeggen dat we hier, op een paar uitzonderingen na, een tekst hebben die zeer dicht bij het Vlaams staat, maar afgeschreven door een Zuid-Hollander (Hagenaar?), die slechts hoogst zelden, en dan nog meestal in de rubrieken, zijn eigen streektaal even laat doorklinken.

[p. 176]

Hs. M.

Korte vocalen

1.ă 
A.ă + r + cons. > ĕBrabants, Limburgs
 herde (580, 262) 
 sterk (1039, 782) 
B.ă + r + cons.O-Vl., Geld., Limb.
 harde (663, 678, 700) 
 starc (764, 1025) 
 scarp (589, 756) 
 varwe (914) 
C.ă/ĕ + r + cons. > aeW-Vl., Z-Holl.
 waerpt (3 s.) (781) 
 waert (3 s.) (651, 749) 
 waerven (911) 
   
2.ĕ 
A.ĕ + r + cons. > ăVlaams, Hollands
 marcurius (299, 359, 440, 444) 
 barnet (687) 
 start (1115) 
 Meestal echter e-vormen. 
B.ĕ > ĭBrab., Holl., verder oostw.
 wilke (568: elke) 
 him (pron. pers.) (958") 
 mit (173, 361, 389, 396, 594, 653, 684, 736, 742, 970, 977, 986, 1042, 1115, 1126, enz...) De vorm met komt ook voor, maar minder.Holl, Noordel., ook N-O.
C.ĕ + n > ĭBrab., oostel.
 bringhen (alle vormen) (413, 727, 730', 775: bezenght) 
 bekinnen (568) 
 ghedincken (1796: verdrincken) 

[p. 177]

D.ĕ > ŭ: nummeroostelijk, ook Holl. (cf. p. 175)
 nummermeer (667). Meestal wordt ymmer gespeld: 614, 743, 866, 1851. 
E.Rekking van ĕ 
 eende (= finis) (351)Limburgs en Brabants
 deerde (= 3e) (617: onvrede, 1045) 
F.ĕ + r + cons. > aeWVl., Z-Holl., ook O-Vl.
 aerde (737) 
 aertrike (299, 433, 437, 427, 588) 
 Meestal echter ĕ-vormen. Zie ook 2 A. 
   
3.ĭ 
A.ĭ > ĕO-Vl., Limb., Brab.
 ghewes (570) 
 clemmen (859, 1053, 1792) 
 bames (1121) 
 hette (1038, 1861) (indien niet uit Germ. *χaitiþô-). 
 N.B. ĭ-vormen komen ook voor, zelfs in het rijm:
268 mist: west
908 mist: west
 
B.ĭ + n > ĕO-Vl., Limb.
 vent (3 s.) (410) (zie echter commentaar) 
 henghe (586, 672)Holl., N-O.
 renc (929: ginc) 
C.Rekking van ĭ + n + cons.Brab., Limb.
 vienden (1882: enden) 
 (tenzij kruising in spelling van vinden en venden). 
D.Rekking van ĭ 
 liecht (305)oostelijk
 vieschen (= vissen) (1806)Brab., Limb.
 hietten (= hitte, hette) (1076)Brab., Limb.
   
4.ŏ 
A.ŏ > ŭ: 
 summe (398: omme)W-, O-Vl., Holl. (kust)
B.af/of:of = westel; af = niet W-Vl.
 of (174'', 191, 292, 386, 676, 681, enz...) Eén enkele uitzondering: 1818 af 
   

[p. 178]

5.ŭ 
A.ŭ > ĭIngw.
 dincken (alle vormen) (588, 631) 
 dinne (1787: inne; 1803: inne) 
 sticke (1814: dicke; 1872: dicke) 
B.selcBrabants
 674, 841, bis, 845, 1004 
 Sulc komt vaker voor:Wmnl.
 323, 592, bis, 674, 714, 842, bis, 356, 922, 977, 1083, 1831. 
C.ůoostmnl.
 marcůrius (440) 
 lůcht (678) 
 důůelen (709, 716) 
 vlůcht (748) 
 důs (751, 777) 
 Ook op u = v: důůelen (709, 716)
gheůallet (1074)
 
   
6.Rekking (?) van korte vocalen: 
 Behalve de reeds aangehaalde: 
 coert (776) coertelic (58) } 
 waecheit (606) (?) }meest in Limburg, ook Brab.
 ghewaech (43: dach) (?) } 
 heet (= pron. het) (883) (?) 
 haelf (1095) }meest in Limburg, ook Brab.

Lange vocalen

7.ā en â 
A.umlautOostelijk, Brabant
 twelf (317, 369) 
 weyt (3 s. waeyen) (817, 830)Holl., Limb., Oostbr.
 maar: wayt, drayt, wayen (1835, 1836, 1841) 
B.spelling aiLimb., Brab., Geld., (Holl.)
 dair (601: claer, 688, 763, 779, 862, 1032: tiaer, 1052: waer, 1787, enz...) 

[p. 179]

 hair (688: claer, 1003, 1818, 215) 
 wair (733, 811, 232, 1797, 1799) 
 wair (conj. van sijn 3 s.) (1844) 
C.no = naLimburg
 1110 
   
8.ē en ê 
A.ê > eiLimb., Kust-WVl., Kust-Holl.1
 Niet-umlautfähig: 
 heiten (alle vormen) (303, 309, 312: planeten, 353, 356, 609, 715, 722, 750, enz...) 
 weit (3 s.) (891) 
 eyn (436) 
 meister (623) 
 gheine (766) 
 Umlautfähig: 
 teyken (775, 1005, 1013, 1016, 1037, 1045, 1051, 1063, enz...) 
 deilen (subst. pl.) (999) 
 vleisch (h, cf. III, p. 616) 
 cleyn (580: ghien, 616: ghemien, 572: gheen, 1029) 
B.ê > ieHollandse kust, Z-Br., ook Limb.
 ghemien(like) (75, 616: cleyn) 
 twie (443, 450, 661 twien: een, 663, 781: wee, 915: mere, 1046, 1050, 250) 
 ghien (579: cleyn, 595, 768, 773, 859, 984, 1842) 
 clien (596) 
 ierste (615)2 
 stien (655) 
 hiet (3 s.) (1045, 1063, 1081, 1097, 1113, 1129) 
 ic mienne (374) 
 Deze vormen wisselen af met e(e)-vormen; het rijm is niet steeds zuiver. 
C.ē/[ø:]:Brabants, Hollands, N-O.
 voele (728) 
   

[p. 180]

9.ie  
A.ie > ē Kustmnl., Holl., Oosten en Limb.
 lede (676) W-Vl.
 stremen (977)  
B.ie/uu ie = Kustmnl., Vl., Brab.
 dietsche (301, 918, 963, 1124)  
 vier (600, 643, 654, 658, 659, 693, 696, 700, 711, 721, 749, 753, 850, 857, enz...)  
 liede (795, 1075, 1796)  
 lude(n) (290, 66, 370) uu = Limb., oostel., Holl.
 beduden (629)  
    
10.ô  
 Spelling oi oostelijk
 hoirt (imper.) (599)  
 beduden (629)  
    
11.oe met spelling o Zeel., Vl., Holl.
 nomen (293)  
 (be)prouen (425, 428, 577)  
 vloyen (266)  
 ho (= hoe) (178, 242)  
 beduden (629)  
    
12.Enkele spelling van lange (?) klinker  
 wy sin (= videmus) (379)[ie]Limb., Br.,
 maniren (608, 1006)[ie]Limb., Br.,
 vlighen (subst.) (394, 398)[ie]Limb., Br.,
 virde (353)[ie]Limb., Br.,
 tfir (753, 850)[ie]Limb., Br.,
 schiren (= schier) (904: manieren)[ie]Limb., Br.,
 driw'f (218, 235)[ie]Limb., Br.,
 schint (3 s.) (215)[î] 
 sin (3 pl. esse) (958')[î] 
 hants wil (404)[î] 
 nord (626)  
 sten (657)  
 wet (3 s.) (298, 660)  
 erste (299, 380)  
 ghen (306, 987)  

[p. 181]

 twen (366) 
 ontstect (3 s.) (736)Brabant
 wassem, wassen (= wasem) (739, 744) 
 ens (= eens) (889) 
 brect (3 s.) (955, 1788, 1804)Brabant
 dar (= daar) (437, 980) 
 twellinc (1045) 
 het (= adj. heet) (1065) 
 vort (1780: ghehoort) 
 wanner (245) 
 warheit (1874) 
 dagraet (1823) 
 Allerlei factoren spelen hierbij een rol: e-syncope, e-apocope, verdubbeling van consonant, e.d. 

De vocaal in onbeklemtoonde lettergreep

13.Sonorisatie van sjwa: 
 twiuoudoghe (1046)Brab., Limb. (?)
 bliximt (783) 
   
14.Svarabhakti: 
 ellic (288, 294, 375, 894, 1001) 
 ghelas (979) 

Consonanten:

15.H-prothesis:Vlaams
 hymmer (207) 
   
16.-ft-ft = N-en Z-Holl., Utr., N-Br., oostel.
-cht = zuidelijk
 after (83) 
 In alle andere gevallen: -cht-vormen (171, 298, 347, 749, enz...) 
   
17.scl: 
 sclach (746, 754) 
   
18.t-apocope of -hypercorrecte toevoeging:Limburgs
 luch (601, 793, 927) 

[p. 182]

 nach (165) 
 dinck (3 s.) (631) 
 Soms met verbetering in de tekst: 
 {lan[t]sheren (619) 
 {nache[t]n (1060) 
 snachs (720, 1817, 1824)} assimilatie?
 hon daghen (= hondsdagen) (1087)} assimilatie?
 dinct (= ding) (649: ghinc) 
 hier oft (871) 
 dat segt ic (168, 186) 
 nu hebt ic v al vercallet (998) 
   
19.w = v 
 wliet (828, 1777) 
 twijfte (1063) 
 woren (1086) 
 waren (ww. varen) (798) 
 weel (= veel) (1796, 1821, 1875) 
 wischen (= vissen, subst. pl.) (1809) 
 wriest (1841) 
 ewangelist (63) 
 v = w 
 vel (711) 
 vallet (1073, 1075) 
   
20.k > ch-spelling 
A.maechter (= maakt er) (1800)Vl. en Br.
B.ich (43)oostelijk (Duitse invloed)
   
21.Verdubbeling van consonanten(vooral) Limburgs
 ic mienne (= mene) (374) 
 twiellinc (1050) 
 twellinc (1045) 
 kerssen (670, 672, 690, enz...) 
 wa(e)ssem (737, 739, 744, enz...) 
 wanttet (= want het) (703) 
 watt (339) 
   

[p. 183]

22.Segmentatie: 
 nempt (694) 
 compt (733: noempt) 
 noempt (734: compt) 
   
23.Metathesis:Limburgs
 dorne (= donre) (734) 
 ghewarcht (1048: cracht) (?) 
 drop (= dorp) (1793) 

Vormleer:

24.dioostelijk
 art. (781, 885, 1085, 1842, 1846, 1849) 
 rel. (930) 
   
25.etBrab., oostel.
 208 
   
26.hoer, horen (adj. poss.)schijnt vooral in Brabant
 285, 424voor te komen (?)
   
27.soe = zij (fem. s.)vnl. Vlaams
 Alleen in het rijm, tweemaal: 436, 447. 
   
28.da = daar; hy = hieroostelijk
 da (843) hy (393) 
   
29.entie, e.a.Vlaams
 entie (287, 678, 768, 1060) 
 haer entaer (314) 
 enten (1865) 
   
30.zullen 
A.soelen wi (69)oostelijk
B.Tweemaal sullen (3 pl.) (399, 622)Vlaams, maar ook sporad. Holl., Brab., Limb.
   

[p. 184]

31.TwiskenN.-Holl.1
 437, 453, 661, 702, 787, 789, 1863. 
   
32.Ny(w)e:Omnl.
 174' epyphanie, 379. 
   
33.ic seidenoostelijk
 346 
   
34.Part. perf.: 
 gheleden (205) 
 maar: venijnt (1092) 
   
35.Nom.-Acc. pl. op -n, 1e flexieVlaams; Brab.: vooral 15e e.
 duuelen (709, 723, 716, 790) 
 winden (1886) 
 vieschen (en varr.) (1806, 1809) 
   
36.GhescapenBrabants
 (part. perf. sceppen) (280) 
 Maar: ghescepen (688) 
   
37.umlaut 3 s. ind. praes. st. ww.Limburg, ook Holl.
 brict (1856) 
   
38.ten laestenHoll.
 654 
   
39.acc. mv. sioostmnl.
 582: men si niet ghesien 

Woordgeografie

-M is het enige handschrift, waarin de vorm nochtien gebruikt wordt, en dit zelfs met uitsluiting van iedere variant: 399, 409, 701, 753, 856, enz... 

[p. 185]

-nat(heit) /wac(heit) 
 nat(heit) (897, 899, 933, 938, 944, 882) 
 wa(e)c(heit) (606) 
-bachten 
 Slechts éénmaal (1026), waar de andere hss. achter /after hebben. 
-toghenVlaams
 198, 808, 974 
 maar: in vers 644 werd het vervangen door bewisen. 

Conclusie

De taalvormen in dit handschrift zijn zeer uiteenlopend en lijken op het eerste gezicht een onmogelijke warboel. We hebben dan om te beginnen de kenmerken per streek gegroepeerd:

Limb. en oostel.:2C; 3D; 5C; 6; 7A, B, C; 10; 12 (gedeeltelijk); 18; 20B; 21; 23; 24; 28; 30A; 32; 33; 37; 39.
o.m. Limburgs:1A, B; 2D, E; 3A, B, C; 8A, B; 9A; 16; 25.
Vlaams:1C; 2A, F; 4A; 5B; 11; 15; 27; 29; 30B.
Brabants:5B; 12 (gedeeltelijk); 36.
o.m.Brabants:2B; 8C; 9B; 20A; 26; 35.
N-Hollands:31.
Hollands:38.

De oostelijke (en Limburgse) kenmerken halen het met enkele lengten op de andere. De Brabantse vormen zijn bovendien in Limburg best mogelijk. Er blijven dan nog talrijke Vlaamse eigenaardigheden, alsook enkele (Noord-)-Hollandse.

Ik meen de volgende conclusie te mogen trekken: M is de Limburgse copie van een (Noord-)Hollandse Vorlage, waarin duidelijk een Vlaams substraat zichtbaar is. Ofwel heeft de afschrijver van M gewerkt met twee leggers, wat wel voorkomt, en waarvan we dan een bevestiging zouden vinden in M', gedeeltelijk (?) door dezelfde hand geschreven, maar kennelijk naar een andere Vorlage dan die van M.

[p. 186]

Hs. M'.

Dit fragment bevat slechts 84 verzen, zodat het haast onmogelijk is een gegronde opinie te formuleren over de taal. Enkele kenmerken zijn niet voldoende om enig houvast te bieden, maar wijzen toch in een bepaalde richting:

Korte klinkers

1.ă 
 ă + r + cons. > ĕBrab., Limb.
 werf (317) 
 herde (276) 
   
2.ĕ 
A.ĕ + n > ĭvooral Br., ook oostel.
 brinct (3 s.) (252) 
B.ĕ > ĭHoll., Noordel., ook N-O.
 mit (272) 
C.met rekking 
 gheseit (part. perf. setten; tenzij verwarring met segghen) (297: wet) 
D.ĕ + r + cons. > ă + r + cons.Vlaams, Hollands
 marcurius (299) 
   
3.ĭ 
A.ĭ > ĕO-Vl., later Limb.
 decke (270) 
B.met rekkingoostelijk
 liecht (= lux) (305) 
   
4.ŏ 
 afniet W-Vl.
 (292) 

[p. 187]

Lange vocalen

5.ā en â 
 spelling aiGeld., Limb., Brab. (Holl.)
 hair (285, 316) 
 clair (313: entaer) 
 wair (330) 
 dair (246) 
 N.B. gheet (3 s.) (264) 
   
6.ē en ê 
A.ê > ieHoll. (kust), Z-Br.
 twie (295) 
B.ê > eiLimb., Kust-WVl. en -Holl.1
 heyt, heit (= nomen habet) (302, 309) 
 weycke (= weke, adj.) (273) 
C.ē met rondingBrab., Holl., N-O.
 voele (258) 
   
7.ie 
 dietsche (300)Kustmnl., Brab., Vl.
   
8.oe 
 Spelling oZeel., Vl., Holl.
 nomen (293) 
 vloyen (266) 

Consonanten

9.f-syncopeschijnt eerder Br. en oostel. te zijn
 hoet (= hoofd) (275) 
   
10.v = w 
 veruen (= werven) (317) 
   

[p. 188]

11.-chtzuidelijk
 cracht (298) 

Vormleer

12.horen (adj. poss.)schijnt vooral in Br. voor
 319te komen (?)
   
13.et (pron.)Brab., oostel.
 271 
   
14.entaerVlaams
 314: clair. 

Conclusie

M' is, althans voor het begin, het werk van dezelfde copiist als die van M, zodat we natuurlijk hetzelfde superstraat zullen vinden. En alhoewel naar alle waarschijnlijkheid de legger niet dezelfde was voor beide hss., komen we toch ongeveer tot een identieke conclusie.

Behalve de te verwachten Vlaamse vormen, hebben we ook hier talrijke oostelijke kenmerken.

Ik waag het niet een definitieve conclusie te trekken wat de legger betreft, maar meen er wel zeker van te mogen zijn, dat de copiist een Limburger was.

Hs. L.

Korte klinkers

1.ă 
A.ă + r + cons.O-Vl., Geld., Limb.
 warf (478, 487, 501, 569, 1380, 1559) 
 harde (580, 663) 
 scarp (589, 756) 
 starc (764, 782, 1392) 

[p. 189]

 varwe (911) 
 arch (769) 
 starf (1560) 
B.ă + r + cons. > ĕBrab., Limb.
 werf (317, 326, 545, 555, 559, 561, 565) 
 herde (700, 1274) 
 verwe (914) 
C.ă/ĕ + r + cons. > aeW-Vl., Z-Holl., ook O-Vl.
 kaersen (637, 670) 
 aerdrike (299, 433, 437, 453, 463, 543, 556, 737, 865, enz...) 
 maers (= Mars) (363, 367, 1413) 
   
2.ĕ 
A.ĕ/ĭBrab., Holl., verder oostw., ook éénmaal in W-Vl. (Oudste Mnl. O.).
 wilke (486, rubriek na 752) 
B.mitHoll., Noordel., ook N-O.
 Slechts uitzonderlijk: 361, 396, 1330 
 Meest met. 
C.ĕ + n > ĭvooral Brab., ook oostel.
 kint (3 s. kennen) (340) 
 bringhen (727) 
 in (= negatie en) (958) 
 omtrint (1035: bekent) 
D.ĕ + r + cons. > ăVlaams, Holl.
 marcurius (299, 359) Meestal: mercurius 
 ardrike (331, 419, 493, 507, 551, 574, 839, 1461) 
 barnet (3 s.) (687) 
 bescarm (3 s. conj. pr.) (1798) 
   
3.ĭ 
A.rekking van ĭ + n + dent.Geld., W-Overijss., Utrecht, NO-Brab.
 wijnt (781, 818, rubriek na 818, 820, 826, rubriek na 828, 836, 1764, 1765, 1774, enz...) 

[p. 190]

 wijnter (812, 1030, 1125, 1139, rubriek na 1172, 1173, 1192, rubriek na 1198, 1203, 1237, 1240, enz...) 
 kijnt (1298, 1301, 1331, 1361, 1370, 1382) 
 pijnster (= Pinkster) (54) 
B.ĭ + n > ĕO-Vl., Limb.
 henghe (3 s.) (586, 672) 
 (ver)drenken (1320, 1321, 1326, 1331) 
 send (= sinds) (1430) 
 gens (= ginds) (1734) 
C.ĭ > ĕO-Vl., Limb., Brab.
 blessene (= bliksem) (732, 734, 797) 
 blessemt (3 s.) (783) 
 hette(n) (= hitte) (1038, 1076, 1260, 1861) (indien niet uit Germ. * χaitiþô-) 
 clem (3 s.) (1720 
 apelle (= april, met waarschijnlijk vergeten r- afkorting) (1043) 
D.ĭ > ŭVl., Brab.
 lucht (= lux) (987) 
   
4.ŏ 
A.ŏ > ŭW- en O-Vl., ook Holl. (kust)
 wl (= vol) (1099) 
B.of/afof = westelijk;
af = niet W-Vl.
 of: 16, 386, 676, 681, 696, 714, 826, 832, 844, 846, 862, enz... 
 af: 292, 733, 1078, 1384, en enkele andere. 
   
5.ŭ 
A.sulcWmnl.
 592, 922, 977, 1341, 1831. 
B.ŭ > ĭIngweoons
 dinken (588, rubriek na 630, rubriek na 636) 
 stick(en) (1284, 1367, 1398) 
 Maar: dunne (1787: inne) 

[p. 191]

Lange vocalen

6.ē en ê 
A.ê > ieHoll. (kust), Z-Br.
 dielt (3 s.) (260) 
 hieten (alle vormen) (309, 353, 527, 715, 722, 723, 750, 963, 1013, 1037, 1045, enz...) 
 ghien (1625) 
 stien (1671: een) 
B.ê > eiLimb., Kust-W-Vl., Kust-Holl.1
 Niet-umlautfähig: 
 weit (3 s.) (891) 
 heit (= nomen habet) (1097) 
 Umlautfähig: 
 heylighe (66, 1127, 1696) 
 teiken (1079, 1234) 
C.ai (= ê) > āHoll.
 nauegaer (645) 
   
7.ie 
A.ie/uuie = Kustmnl., Vl., Brab.
 Zonder uitzondering ie: 
 dietsche (301, 918, 963, 1124, 1147, 1540, enz...) 
 vier (654, 658, 659, 693, 696, 700, 711, 721, 749, 753, enz...) 
 liede (676, 795, 1157, 1311, 1323, 1390, 1401, 1539, enz...) 
 bedieden (1540) 
B.ie > ēW-Vl., Zeel., Holl., Oosten en Limb.
 wel (= wiel, indien niet corrupt) (393) 
 lede (1258) (of: = ledematen?) 
 drewarf (218) 
C.ie > spelling ei (= ē ?)W-Vl., Zeel., Holl. oosten en Limb.
 neit (= niet) (29: seit, 337: seit) 

[p. 192]

D.ie met spelling ij 
 nijt (= niet) (1501) 
   
8.ō en ô 
 spelling oo in gesloten (ook vroeger open) syllabeVl., Holl., 2e helft 14e en 15e eeuw
 De oo-vormen zijn te talrijk om ze volledig op te sommen; hier volgen er enkele: 
 groot (317, 421, 542, 549, 558, 581, enz...) 
 voort (346, 591, 631, 1400, 1431, 1442, enz...) 
 loopt (3 s.) (300, 313, 327, 331, 332, enz...) 
 coomt (3 s.) (357, 457, 475, 476, 495, 1516, enz...) 
 ooc (360, 541, 578, 591, 637, 639, 641, enz...) 
 oost (377, 381, 384, 388, 395, enz...) 
 hooch (419, 455, 462, 472, 474, 482, enz...) 
 mooch di (579) 
 moocht (1351) 
 (and)woorde (583, 1350, 1399, 1693, enz...) 
 root (593, 678, 912) 
 hoort (3 s.) (599, 1680, 1708, enz...) 
 noord (626, 996, enz...) 
 boort (imper.) (645) 
 hooft (1134, 1342) 
 altoos (776, 799, 883, 1347, 1723, enz...) 
 door (882, 976, 982, enz...) 
 enz... 
   
9.oe 
A.spelling oZeel., Vl., Holl.
 nomet (3 s.) (734) 
B.moste (3 s. moeten, praet.)Holl., Brab.
 rubriek na 1242, 1314, 1324, 1823 
   
10.Lange (?) vocaal met korte spelling 
 ghen (286) 
 vlighe (subst.) (395) 
 wet (2 pl.) (1219) 
 driuoud (246) 

[p. 193]

De vocaal in onbeklemtoonde lettergreep

11.Sonorisatie van sjwa 
 tekijn (1001, 1005) 
 wolkijn (1858) 
 kersauant (349) 

Consonanten

12.v = w 
 tve (515, 552) 
 tuintich (559) 
 ghevracht (1048) 
   
13.s of t + h 
 sesh (336, 341, 459, 545) 
 comethen (609, 626) 
   
14.-ft/-cht-ft = N- en Z-Holl., Utr., N-Br., oostel.
-cht = zuidelijk.
 craft (1026) 
 after (1026) 
 Anders steeds -cht. 
   
15.Auslaut-d 
 Opmerkelijk is in dit hs. de vaste, haast beredeneerde spelling van eind-d (naar de regel van de gelijkvormigheid in onze moderne spelling), waarop noch de fonetiek, noch het rijm-voor-het-oog invloed schijnen uit te oefenen. Hier volgen slechts enkele vbb.: 
 woord (26, 301, enz...) 
 auond(s) (301, 307, 380, 381, 382, enz...) 
 ardrike, aerdrike (zie 1 C en 2 D) 
 coud (1155: menichfout, 1210) 
 zuud (1883) 
 driuoud (246) 
 oud (180) 

[p. 194]

 noord (626, 996) 
 dood (1178, 1397) 
 enz... 
   
16.t-syncope door assimilatie 
 onsteken (635, 648, 665, 667, 687) 
 onbliuen (686) 
 ombeiden (958) 
 hondage (rubriek na 1076) 
   
17.-sk/-sch-sk = N-Holl.
 Meestal spelling tusscen (437, 702, 787, 1455, 1459, 1466, 1590, 1863). Daar we echter éénmaal tusken (463) vinden, ben ik geneigd dit te beschouwen als een fonetische spelling, zodat ook bij de boven geciteerde vormen [sk] zou mogen gelezen worden. Ook: vissce (1806, 1809). 

Vormleer

18.zullen 
A.sullen (3 pl.)Vlaams, maar ook sporad. Holl., Brab., Limb.
 399, 622, 100 
B.sellenN-Holl., ook sporad. Utr., Brab.
 2 pl. zelt (22, 216) 
 3 s. sel(t) (1345, 1368, 169, 219) 
   
19.seghen 
 579, 607, 1815 
   
20.et (pron.)Brab., oostelijk
 815, 817, 776, 933, 1115, 1141, 1312, 1341, 1569, 1611, 1697, enz... 
   
21.conenVlaams
 rubriek na 1242 
   

[p. 195]

22.diLimburgs
 art.: di wasem (744) 
 pron. rel.: 1109 
   
23.de (art. en pron. rel.) 
 Zéér vaak: ± 250 maal: 
 18, 287, 297, 302, 308, 310, 313, 321, enz..., enz... 
   
24.Vormen van het type ‘entie’Vlaams
 entie (828, 836, 1848) 
   
25.woort (= 3 s. werden)schijnt o.m. O-Vl. te zijn
 1096, 1396 
   
26.hem liedenWmnl.
 1651, 1658. 
   
27.Nom.-Acc. pl. 1e Flexie op -nVlaams
 goden (1405) 
 e.a. 
   
28.part. perf. zonder ghevallen (675)Holl.

Woordgeografie

Wac(heit)/nat(heit) 
weec(heit) (877, 882, 938, 944, 1195) 
wechede (897, 899, 933) 
wac (606, 1150, 1155, 1181, 1189, 1210) 
nat (1719) 
ToghenVlaams
335, 664, 808, 974, 1168, 1206, 1548, 1670, 198. 

Conclusie

We constateren dat de meeste vormen westelijk zijn, of kunnen zijn, en meer bepaald Vlaams, Hollands, Zeeuws. Vlaams is

[p. 196]

de tekst zeker niet, omdat er teveel karakteristieken zijn die in het Vlaams niet thuishoren. We zullen dus iets meer noordelijk moeten zoeken: Zeeland of Zuid-Holland zouden eventueel in aanmerking kunnen komen (vooral wegens 6A, 7C, 9B), maar er zijn dwingende criteria die nog iets meer naar boven op de kaart wijzen: 17 -sk, 18B: sellen; ook meer oostelijke vormen komen voor: 1B, 20: et, 24: di.

In de Bouwstoffen wordt van L gezegd dat het in de buurt van Utrecht geschreven is. Dit lijkt inderdaad mogelijk, als we die ‘buurt’ niet al te eng beperken, en de taal niet als ‘Utrechts’ gaan bestempelen.

De kalender is, zoals in de andere hss., van Vlaamse oorsprong, maar met toevoeging van verschillende Utrechtse heiligen (zie Beschrijving).

De talrijke Vlaamse vormen komen natuurlijk ook hier voor rekening van de legger. Wát in de taal van hs. L wijst nu naar een andere streek dan Vlaanderen?

1Bar + cons. > er + cons.Brab., Limb.
2AwilkeBr., Holl. → oostw.
BmitHoll., N., ook N-O.
Cĕ + n > ĭ (1 ×)Br., ook oostel.
3Arekking van ĭ + n + dent.Geld., W-Overijss., Utr. N-O-Brab.
6Aê > ieHoll. (kust), Z-Br.
CnauegaerHoll.
9BmosteHoll., Brab.
14-ft (2 ×)N- en Z-Holl., Utr., N-Br., oostel.
17-skN-Holl.
18Bzel(t)N-Holl., ook Utr., Brab.
20etBrab., oostelijk
22diLimb.
28part. perf. zonder ghe- (1 ×)Holl.

Verschillende van deze vormen zijn inderdaad o.m. in Utrecht gebruikelijk:
2A, B; 3A; 14; 17 (tusscen wordt ook in Utrechtse teksten gevonden); 18 B;
enkele andere zijn eerder Brabants, of komen uit het oosten:
1B; 2C (één vorm); 4B; 20; 22;

[p. 197]


andere weer horen o.m. in het Hollands thuis:
6A (ook Z-Brab.), C; 9B (ook Brab.); 28.

Daar talrijke Brabantse en verder oostelijke kenmerken ten enenmale ontbreken, er aan de andere kant toch onloochenbaar invloed van merkbaar is, en ten slotte het grote aantal westelijke karakteristieken ons niet toelaat te ver uit de buurt te gaan, meen ik wel dat dit handschrift inderdaad in de omgeving van Utrecht (misschien ten westen) kan geschreven zijn.

Hs. U.

Korte klinkers

1.ă 
A.ă + r + cons.O. Vl., Geld., Limb.
 warf (317, 326, 478, 487, 501, 545, 559: kerf, 561, 565, 569) 
 harde (580, 663, 700, 1174, bis) 
 starc (764, 782, 1039) 
 arch (766, 769) 
 varwe (911, 914) 
B.ă + r + cons. > ĕBrab., Limb.
 scerp (589, 756) 
   
2.ĕ 
A.ĕ/ĭĭ = Holl., Noordelijk, ook N-O.
 mit (361, 389, 396, 594, 651, 684, 728, 742, 796, 970, 976, enz...) 
 licken (1867: trecken) 
B.ĕ + n > ĭBrab., Holl.
 brinct (3 s.) (1330) 
C.ĕ > ŭ: ummerGelders, N-O.
 743, 785, 858, 1303 
D.ĕ > ŏN-Br., Zeel., Z-Holl.
 korsauont (349) 
E.ĕ + n + cons. > eiN-O-Brab., Geld., kan ook Vl. zijn
 eynde (1117, 1394, 1427, 1885) 

[p. 198]

F.ĕ + r + cons. > ăVl., Holl.
 marcurius (359, 440, 444, 553, 1214, enz...) 
 artrike (1483, 1665) 
 De vorm die echter meest voorkomt is: 
G.ĕ/ă + r + cons. > aeW-Vl., Z-Holl., ook O-Vl.
 aertrike (280, 299, 331, 419, 427, 433, 437, 453, 463, 483, 493, enz...) 
 paerde (1624) 
 maers (= mars) (363) 
   
3.ĭ 
A.rekking van ĭ + n + dent.Geld., W-Overijss., Utr., NO-Br.
 kijnt (718, 1298, 1301, 1317, 1329, 1361, 1370, 1382, enz...) 
 wijnt (780, 781, 806 wijnde: vinde, rubriek na 818, 820, 826, 827, 832, 834, 954: beghint, 1731: twint, enz...) 
 wijnter (1139, 1173, 1192, rubriek na 1198, 1203, 1237, 1240, enz...) 
B.ĭ + n > ĕO-Vl., Limb.
 (ver)drencken (1320, 1321, 1326, 1331) 
   
4.ŏ 
A.ŏ/ăaf = niet W-Vl.
of = westelijk
 of (832, 871, 1366, 1384, 1556, 1731, 1818, 1858) 
 Meestal echter af. 
 brochten (3 pl. praet.) (724)}W-Mnl. → Brab.
 ghedocht (subst.) (1697)}W-Mnl. → Brab.
B.waert (= woord)Brab. Limb.
 1147: behoert (!) 
   
5.ŭ 
A.Spelling ůoostelijk
 orcůnde (550) 
 duncken (631, 926, 1604) 
 lůcht (635, 816) 
 vůl (1099) 

[p. 199]

 hůer (= pron. poss.) (1134) 
 verrůert (1781) 
 půnct (225, 227) 
 sůldi (236) 
B.sulcWmnl.
 steeds: 592, 922, 977, 1341, 1831. 
C.ŭ > ĭIngw., kan ook Limb. zijn
 dincken (588) 
 sticke (1284, 1367, 1390, 1398) 
 Alleen in het rijm. 
   
6.Rekking van vokaal:Limb., Brab.
 eent (= eindigt) (1799) 
 saelt (3 s. zullen, met enclise) (1321) 
 eest (3 s. zijn, met enclise) (468, 517, 764, 1017, 1067, 1351, 1477, 1479, 1513, 1555, 1567, 1802, 93) 

Lange vocalen

7.ē en ê 
A.ê > ieHoll. (kust), Z-Br.
 ierst (346, 357, 615, 1013, 1344, 1346, 1349, 1428, 1634: teerst, enz...)1 
 twilinc (1045, 1050)2 
 twiuoudighe (1046)2 
B.ê > ei 
 Niet-umlautfähig:Limb., Kust-WVl. en-Holl.3
 heit (= nomen habet) (353, 1037, 1097) 
 weit (3 s.) (891, 1132) 
 heitte (= hitte) (1038, 1076, 1839) (?) 
 meyster (1247, 1374) 
 Umlautfähig: 
 cleyne (1364) 

[p. 200]

 teyken, teykijn (1001, 1005, 1013, 1016, 1037, 1045, 1051, enz...) 
 deylen (92, 220, 237, 260) 
 gereit (1721) 
 heylighe (1127, 1696) 
   
8.ie 
A.ie/uuuu = oostel., Limb., Holl.
  ie = Kustmnl., Vl., Brab.
 vier (654, 658, 659, 693, 696, 700, 711, 721, 749, 751, 753, enz...) 
 liede (676, 1157, 1258, 1539) 
 dietsche (1124, 1147) 
 bedieden (1540) 
 duutsche (301, 918, 963, 1540, 1830) 
 lude (794, 1311, 1323, 1401, 1641, 1647, 1796) 
   
9.oe 
A.palatalisatieOostmnl. en Brab.
 verrůert (3 s.) (1781) 
B.spelling oZeel., Vl., Holl.
 nomen (3 pl.) (1015) 
 prouen (1699) 
   
10.uu 
 Spelling uu in gesloten syllabe 14e, vooral 15e e.: Vl., Br.
 scriftuur (1015) 
 natuur (1019: vre, 1116, 1359, 1376, 1382, 1398, 1404: vre, 1275, enz...) 
 cruus (1560) 
 puur (1328, 1562, 1680) 
 luut (= geluid) (1843) 
 suut (1883, 1083) 
   
11.Enkele spelling van lange (?) vocaal: 
 vor(-) (465, 626, 643, 779) 
 nasten (485) 
 orcůnde (550) 
 strimen (977, 986) 
 twalf (999) 

[p. 201]

 spelemant (= -maand) (1111) 
 brect (3 s.) (1804)Brabants
 heft (= habet) (1828) 
 wet di (162) 
 veertinnacht (165) 

De onduidelijke vokaal:

12.Sonorisatie van sjwa: 
 blixom (rubriek na 732, 734, 750, 760, 774, 803, 809, enz...)O-Brab.
 wasom (737, 739, 744, 821, 823, 824, 831, 835, enz...)O-Brab.
 blixomet (3 s.) (783)O-Brab.
 wolkijn (= pl.) (1725) 
 teykijn (1005, 1016) 

De consonanten

13.Metathesis 
 herfts (= herfst) (1109) 
   
14.Segmentatie 
 coempt (rubriek na 818, 833, 1714) 
   
15.t-apocope 
 men leer (1372)} kan ook conj. zijn
 doe hi (1182)} kan ook conj. zijn
 hire niet en coem an (1356)} kan ook conj. zijn
 twiele ga (396)} kan ook conj. zijn
 auonsterre (301, 310)} assimilatie
 sauons (380)} assimilatie
 lanscap (537)} assimilatie
 onsteken (601, 665, 667, 687)} assimilatie
   
16.v = w 
 tvehondert (478) 
 tue (515) 
   

[p. 202]

17.-ft/-cht-ft = N-en Z-Holl., Utr. ook oostel., N-Br.
 craft (298, 748, 1026, 1028, 1029: macht, 1289: macht, 1501: nacht, 1516: nacht, 1771) 
 after (1026, 1086, 1446) 
 graft (1439) 
 Af en toe ook -cht-vormen. 

Vormleer

18.  
A.zullenVlaams, maar ook sporad. Holl., Brab., Limb.
 (3 pl.) (622, 1223', 1542, 1716, 100) 
B.zellenN-Holl., ook sporad. Utr., Brab.
 (3 pl.) (1286) 
   
19.et 
A.pronomenBrab., oostelijk
 348, 358, 410, 635, 735, 764, 805, 817, 933, 944, 984, 1115, 1118, 1141, 1150, 1167, 1188, 1327, 1330, 1338, 1341, 1357, 1364, 1368, 1373, 1472, 1524, 1552, 1569, 1605, 1643, 1697, 1795, enz...)
 Zeer zelden: het. 
B.lidwoord15e eeuw (oudste vindplaats: 1370)