terug  begin  verder
[p. 621]

Deel IV

[p. 623]

Hoofdstuk I
Filologische en kritische commentaar

6. Ups linien: hoewel dit woord zeer duidelijk zo in het hs. staat, verwondert ons het onzuivere rijm dat daardoor tot stand komt. Al de andere rijmen zijn zuiver, of gaan meer dan waarschijnlijk op een oorspronkelijk zuiver rijm terug. Met een verklaring als ‘assonantie’ nemen we slechts vrede, en dan nog schoorvoetend, wanneer het werkelijk niet mogelijk is in de originele tekst een zuiver rijm te veronderstellen: ‘Men begint hoe langer hoe meer in te zien, dat van de zoogenaamde assonance door goede dichters slechts hoogst zelden wordt gebruik gemaakt, en dat, wat men vroeger voor een assonance hield, in werkelijkheid een corruptie is’, schreef Verdam in Theophilus, Inl., p. 29. Deze uitspraak willen we ook tot de onze maken, met een licht voorbehoud voor de term ‘corruptie’. Een assonantie, die niet oud is maar door een copiist werd aangebracht, ontstaat niet altijd door een verschrijving, maar meestal door het aanpassen aan de streektaal van de copiist. Hier volgen de in dit hs. voorkomende rijmen die op het eerste gezicht onzuiver lijken:

347: 348 dan: saen: de vocaal zal wel oorspronkelijk kort geweest zijn (cf. 348 H, S: san, en de bespreking t.p.). Ofwel daen < dane (cf. V.L. II 105, Aant. a: Gent, ca. 1240), zoals in 347 L, U: daen, dane, in rijmpositie?

459 : 460 }
479 : 480 }
1681 : 1682 }
dusentich: licht: de t van licht is niet onmisbaar
en ontbrak waarschijnlijk in de Vorlage. Of
mogen we denken aan een απαζ dusenticht
(naar: hondert); Cf. VL II 115 d A: vijftecht, virtecht, derticht?

469 : 470 }
487 : 488 }
501 : 502 }

dusentech: lecht: idem.

[p. 624]

587 : 588 sinken: denken: de vorm dinken bestaat, en wordt trouwens gebruikt in v. 1796: ghedinken (: versinken).

617 : 618 derde: onvrede: waar metathesis in het spel is; zie de bespreking t.p.

863 : 864 }
871 : 872 }
915 : 916 }
957 : 958 }
175 : 176 }
meer: snee }
snee: meer }
twee: meer }
zee: meer }
twee: meer }
hier is geen twijfel mogelijk:
oorspronkelijk is de oudere
vorm mee door latere afschrijvers
systematisch gewijzigd in meer.

891: 892 god weet: gheseyt: verschillende mogelijkheden bestaan hier: 1) ofwel stond er weit: gheseyt; weit kan Wvl. zijn, gheseit is Wvl. Een vorm weit (3 p.s.) wordt bij Van Loey niet vermeld. Toch weten we dat die bestond: in dit vers komt hij voor in M, L, U, H, S en B; in v. 1132, U: weyt, H, S: weit.

2) ofwel weet: gheseet (Brabantse vorm), waardoor we een rijm ê: ē zouden hebben (tenzij wēēt naar pl. wēten).

3) de y in gheseyt kan opgevat worden als een lengteaanduider, zodat het rijm slechts voor het oog gestoord is. Voor de verklaring komen we dan weer bij 2) terug.

1881 : 1882 enden: vinden: de vorm venden kan best de oorspronkelijke geweest zijn. Hij wordt door V.L. II, 9 d vermeld als Oostvlaams (en Limburgs), en komt in H en S voor. Inden bestaat echter ook, zodat we de keuze hebben.

Zoals we kunnen vaststellen, is er dus in het hele handschrift geen enkel werkelijk onzuiver rijm te vinden. (De dichter zelf zegt dat hij ons vele dinghen zal vertellen in versen ende in waren rimen, maar ik moet toegeven dat dit een klassieke stoplap is, en dus een zeer zwak argument.) Deze vaststelling is, zo geen afdoende, dan toch een heel aanvaardbare reden om geen vrede te nemen met het woord linien. L heeft line, maar dit kreupelrijm lijkt reeds meer plausibel. H en S hebben lime (in H kan misschien ook linie gelezen worden, wat weinig waarschijnlijk is, gezien het uiterst geringe verschil in spelling tussen beide hss.).

Lime nu vinden we

a) in een samengesteld nw. dachlime in de Parthonopeus van Bloys, 3877:

 
Ic weet wel dat vele lettel was
 
Dat si sliepen binnen der nacht.
 
Alsi een stic hadden ghewacht,
 
Eer die dachlime kenlijc opghinc,
 
[Ende] si ghewapent hadden den ionghelinc,
[p. 625]

Deycks geeft als commentaar, in een voetnoot: ‘dachlime: schoon woord, verwant met glimmen’. Het Mnl. Wdb. 2, 13 neemt deze verklaring met een vraagteken over: ‘dageraad, morgenrood. Verwant met ags. dägrima (Leo, Gloss. 48) of met ons glimmen?’ Inderdaad bestond ags. dägrima1 maar met de betekenis ‘Tagesanbruch’. Ook de twee andere hss. van de Parthonopeus (Cod. en Gr.) bevatten het woord, in dezelfde spelling.

Dat de betekenis ‘dageraad’ inderdaad juist is, blijkt uit de Franse tekst (ed. Crapelet):

7380
Mais moult dorment la nuit petit,
 
Car ançois qu'il soit ajorné
 
Ont moult bien lor vallet armé,

De Bo (561) en Loquela (I, 299) vermelden nog een ww. limmen, lijmen, met de betekenis ‘krieken (van de dag)’.

b) Een vorm lieme komt voor in de Voorgeboden der Stad Gent, 21: Voert dat niemen en smede voer dat de wachtere den dach ghegroet heeft, ende dat sij werc laten bi der dach liemen, up de mesdaet van V s. In de woordenlijst van de uitgave, p. 213, vinden we: liemen (dach-). 21 b, mhd. lüemen: afnemen van den dag2. Het Mnl. W. 4, 648 merkt bij deze vindplaats aan: ‘doch hier schijnt het de bet. avondschemering te hebben. Misschien is het woord verwant met lat. limes en bet. het eig. grens.’.

c) Welke verklaring geeft nu Clarisse? Op p. 335 probeert hij eerst te bewijzen dat de rijmen vaak zeer onzuiver zijn, zodat de combinatie line: rime hem niet hindert. Aan lime geeft hij de betekenis ‘lijm’ (p. 336): ‘de zin zou toch deze kunnen zijn, dat de Dichter het rijmen, boven het in proza schrijven, verkozen had, omdat het zijne leeringen, als door zekere onderlinge verbinding en zamenkleving (aan-een-lijming), te gemakkelijker in het geheugen prenten, en voor verkeerd verstaan van eene of andere uitdrukking, een of ander gezegde, (voor het ‘daar in verduld zijn’) beveiligen kon.’ Deze interpretatie lijkt helemaal onwaarschijnlijk; we hebben trouwens in de tekst niet het werkwoord lijmen, maar wel een substantief.

[p. 626]

Ook het Mnl. W. 4, 632, blijft in het onzekere: ‘Niet duidelijk is lijm, Natuurk. 4: [...]. Er zal wel de werkzaamheid van den dichter mede worden bedoeld; vgl. nl. verzen lijmen en lijm (bij S. Coster) voor ‘wijze van zingen’ (aangeh. bij Oudem. 3, 141); en de aant. van Clarisse op Natuurk., bl. 336. De zin is dan ‘ieder feit op zijn eigen versregel gezet, d.i. naar een bepaalde orde verhaald’ (?)’.

Het is werkelijk te gek: volgens deze verklaring zou er niet moeten staan wat het Mnl. W. parafraseert, maar wel ‘elk vers op zijn lijm gezet’.

Aangezien dachlime nu eens dageraad (Parth.), dan weer de avondschemering (Voorgeb.) schijnt te betekenen, lijkt het wel aanvaardbaar dat het verband zou houden met het Lat. limes, en dan zoveel als ‘grens’ beduiden. De grens van de dag kan inderdaad net zo goed het begin als het einde ervan zijn. Dit gaat op, in zoverre de zin dan zou luiden: ‘elk vers en elk rijm op zijn vaste, afgebakende plaats gezet’. Ups zou dan de Vorlage verkeerd gelezen hebben (ni i.p.v.m, zodat limen, linien werd), ofwel niet begrepen, zoals L. Jammergenoeg missen we deze verzen in al de andere handschriften.

Bij Plantijn lezen we, sub linie: ‘De linie treckende vander sonnen opganck totten sonnen onderganck. La ligne tirante du soleil levant à soleil couchant. Decumanus limes.’

De verklaring van Plantijn blijkt juist te zijn. F. Gaffiot (Dict. illustré Latin-Franç.) geeft als vertaling van decumanus limes: ‘allée (traverse) qui va du levant au couchant’.

Als limes, in deze uitdrukking, ten tijde van Plantijn linie geworden was, dan is er natuurlijk contaminatie in het spel met Lat. linia, linea. Maar tevens kan dat betekenen dat oorspronkelijk lime werd overgenomen, vorm die reeds in de Natuurkunde-hss. te lijden heeft onder de concurrentie van het niet alleen formeel, maar ook semantisch zeer verwante line, linie, en ten slotte totaal verdween. Overblijfselen daarvan zouden we dan nog hebben in de plaatsen besproken onder a) en b) (misschien ook d?). Vooral de dubbele betekenis die het in het Mnl. scheen te hebben: ‘dageraad’ en ‘avondschemering’ lijkt van veel belang, want die vinden we juist beide in de Latijnse uitdrukking verenigd.

d) Er blijft nog een andere mogelijkheid: bij Stallaert, 2, 166a - Brugge, vonden we het woord lyeme in de betekenis

[p. 627]

‘streep in wollen of linnen stof, bij de vervaardiging of door slijtage ontstaan’ (W.N.T. 8 II, 2127), weliswaar in een jongere tekst:

‘Dat men alle de gheminghede lakenen, die voordan bevonden zullen wesen meshainge hebbende, zonder duerghaende lyeme binnen den half vierendeele, loyen zal met eenen overloode; daervoren de coopman hebben zal te baten twalf grooten; wel verstaende, dat men de lakenen duerghaende lyemen hebbende snijden zal, zonder dissimulacie of verdrach.’ Ook ib. 166 b: ‘Ende daer eenighe van zulken cuerlakenen lyemden of onghelyc vielen’. Het lijkt ons echter veel gewaagder te steunen op een jongere weversterm, en dus raadzamer aan te sluiten bij de betekenis ‘grens’.

e) Een andere poging kunnen we nog doen door het woord in verband te brengen met ohd. lim = creta (krijt), dat voorkomt in de Expositio vocabulorum rarorum 104b (Cit. Gallée, Ts. XIII, pp. 271, 293).

Het ‘krijt’ moet hier dan worden opgevat als ‘lijn’, ‘afbakening’, zoals we het trouwens terugvinden in de uitdrukking ‘in het krijt treden’.

f) Maar hiermee zijn we dan nóg niet klaar, want tenslotte moeten we ook nog rekening houden met een bijvorm lime naast line. Stapelkamp (T.T. 11, 1950, 44 vv.) wijst op verschillende andere woorden, waar naast de grondvorm met n zich een secundaire m-vorm ontwikkelde:

kienen-kiemen
alsem-mnl. alsen(e)
N.Bev. vim-Ndl. vin

en vooral vijn (= turfhoop), dat reeds in het Mnl. beide vornem bezat:

vinne-vimme, vyme
Altmark. fin-fim

en thans, ten O. van Utrecht:

vijn-vijm.

De dichter van de Natuurkunde kon dan de m-vorm om het rijm verkiezen.

We hoeven trouwens dgl. bijvormen niet verder te zoeken dan in de Natuurkunde-zelf: in hs. O, 430, staat, buiten het

[p. 628]

rijm, rine i.p.v. rime; in S, 1533: maneschiem i.p.v. maneschien (= maanlicht), voor zover het hier niet om verschrijvingen gaat.

g) In de veronderstelling van een Latijnse origine vroeg ik me af of het woord niet via het Frans bij ons was binnengedrongen, en sloeg er Godefroy op na.

Tot mijn verbazing vond ik daar inderdaad iets belangrijks, maar niet waar ik dat verwacht had. Het Lat. limes is natuurlijk, in de casus obliqui, limite geworden. Onder lime (= action de limer) echter werden de volgende verzen aangehaald:

 
Je vueil atant finer me rime,
 
Car asses i a longue lime;
 
Avoec les liseours rebours.
 
(Rencl. de Moiliens, de Carité, st. CCXXXVI, 1, Van Hamel.)
 
Tresqu'or si si traitie la lime
 
Que chascun couples a sa rime;
 
Or la vos tenrons par lons vers.
 
(Parton., Richel. 19152, fo 168c.)

Lime betekent hier zoveel als ‘zorg, volmaking, verbetering’; in het tweede voorbeeld is het een werkwoordelijke uitdrukking: traitier la lime. Ook bij Du Cange (Glossarium Mediae et infinae Latinitatis) en Tobler-Lommatzsch (Altfranzösisches Wörterbuch) staan talrijke voorbeelden van het rijmpaar: lime: rime.

Dit nu lijkt wel interessant: de combinatie lime: rime stond dus blijkbaar op het rijm-repertorium van een Frans dichter. Het is inderdaad niet gemakkelijk op rime een rijm te vinden, ook niet in het Middelnederlands.

Twee gevolgtrekkingen liggen voor de hand, die van grote betekenis kunnen zijn:

-
de dichter was gewend aan het lezen (of vertalen) van Franse werken en nam in zijn eigen gedicht (uit rijmnood? als een innovatie?) het typisch Franse rijm over. Ontleningen aan de Franse woordenschat zijn in het Mnl. schering en inslag.
-
de Natuurkunde is (geheel of gedeeltelijk) uit het Frans bewerkt of vertaald, en had in de Franse tekst lime: rime.

h) Ten slotte vinden we in het Middelfrans een betekenis voor lime die Godefroy niet geeft, Tobler-Lommatzsch wèl, nl. ‘drempel’.

[p. 629]

In een 13e-eeuws handschrift met Middelengelse glossen, uitgegeven onder de Engelse titel ‘The Treatise of Walter de Biblesworth’, door Th. Wright in ‘A Volume of Vocabularies’, staat (p. 170):

A l'entré del hus est la lyme the therswald [= threshold]’

Ook in een Latijns-Frans Glossarium, waarvan P. Meyer fragmenten geeft in zijn ‘Deuxième rapport sur une mission littéraire en Angleterre et en Ecosse’, p. 158:

Hec sunt partes domus principales.
Particule ejus sunt:
[...]
Hec lima lime.

Niet de betekenis hoeft ons te verwonderen, die bestond al in het Latijn, zelfs overdrachtelijk: nu eens ‘het begin’, dan weer ‘het einde’ beduidend. Van belang is echter dat die betekenis in het Frans bestaan heeft. Bovendien zien we in het laatste voorbeeld dat limen in vulgair Latijn lima kon worden. De Mnl. dichter kan dus net zo goed lime uit een Frans, als lima uit een Latijns voorbeeld hebben overgenomen.

Blijft dit echter voor de vorm in de Natuurkunde nog een open vraag, dan hebben we hiermee zonder twijfel de oplossing van het onverklaarde dachlieme, dat inderdaad èn de dageraad (= begin) èn de avondstond (= einde van de dag) betekent.

Deze bespreking is zo lang geworden, dat een overzichtelijk besluit hoogst wenselijk is:

 

1) het staat m.i. als een paal boven water dat de Natuurkunde-autograaf rime: lime had; de dichter kon gewoonweg niet al in de eerste verzen met een kreupelrijm beginnen (en doet dat verder trouwens ook niet).

 

2) lime is dan: ofwel< Lat. limes = grens, lijn(a, b)
 < ohd. lim = krijt(e)
 bijvorm van line(f)
 < Fr. lime(g)
 < Lat. limen, lima, Fr. lime(h)

3) dachlieme, -lime gaat terug op Lat. limen, lima = begin, einde (van de dag).

 

4) de weversterm (d) = soort van slijtage-streep, staat vermoedelijk in verband met Lat. limes = lijn.

[p. 630]

Terloops vraag ik me af of het raadselachtige verlimen (Mnl. W. 8, 2057) niet in verband met wat voorafgaat zou kunnen verklaard worden. De teksten zijn a.v.:

Van een tafele (wastafeltje) te makene ende te verlimene ybesicht upt ghiselhuus
Inv. v. Br. Intr. 128
Van den clerken scriftaflen te verwassene ende te verlimene
Ib. 129

Door Gailliard wordt het woord hier opgevat in de betekenis ‘de verschillende tafeltjes aan elkander lijmen of met lijm vast maken’.

Deze verklaring lijkt me erg gezocht. Als we daarentegen in lime de betekenis lijn, streep zien, dan zou er kunnen bedoeld worden dat de tafeltjes met een waslaag moeten bedekt worden, en voor het schrijven gelinieerd. Of staat er misschien verlinien?

 

12 Ups, H, S, L, W al omtrent = geheel en al, volledig.

 

22 L zelt: hebben we hier een vorm van sellet < sellen (= Hollands) of een verkorte vorm van selet < selen (= Brabants en Oost-Vlaams)? Van Loey I, 68 vermeldt hem niet.

 

29 Ups, L, H, S slacht: inf. slachten + dat. = gelijken op.

 

29 L neit: Hollands? Rijmt, ook in v. 337, op seit, zodat we hier wel niet een omzetting van de tekens hebben, maar uitspraak ē? Van den Berg (Ts. 65, 59-60) citeert voor Holland: theinde, teinde, en neemt als uitspraak aan: ee. (Hij voegt er aan toe, op p. 65: ‘van ei zijn de voorbeelden heel schaars en beperkt tot de 13e eeuw’.) In Zeeland wordt geregeld [e:] gevonden voor ie, en in dit verband moet gewezen worden op de honderden de (= die)-vormen in ditzelfde hs.

Vgl. ook nog Limb. breyff, e.d. (VL II, 53 Aant.).

 

33 S aestronomie: rekking van illustratie + s + cons. komt meer voor (cf. VL II, 3 Opm. 3b). Volgens de voorbeelden schijnt dit, voor de 15e eeuw, eerder een Brabants verschijnsel te zijn.

 

33 W astromien: lees: astronomien. Haplografie die we geregeld in W lezen; cf. 291, 520, 578, 1032, 1140; ook in L: 1057; S 1110; O 1249; U 1263, 1272.

 

280 M' ghecepen: in het Limburgs kon s staan voor sch (Kern 95, 96), ook in het Mnd. bekend (Lasch, 329)1.

[p. 631]

Verwisseling van s en c vóór e blijft mogelijk, maar het grote bezwaar tegen deze hypothese is de vokaal e, die zeker niet Limburgs is (thans nog ao).

Ik ben ervan overtuigd dat hier enkel slordig afschrijven in het spel is geweest, en we gescepen moeten lezen.

 

281 B tfiermament: rekking van i + r komt alleen voor in het Brusselse hs., en éénmaal in S 409. VL II, 23, Opm. 1 stelt vast (met Van Helten, 75) dat deze schrijfwijze slechts gebruikt wordt voor vreemde woorden, en vraagt zich af of deze ie op een gesloten uitspraak wijst, dan wel het resultaat is van rekking voor r.

Steunende op Van den Berg (De invloed van r) kunnen we hier gerust aannemen dat het om een rekking van korte vocaal + r + cons. gaat. Het hoeft ons ook niet te verwonderen dat we deze spelling alleen aantreffen in vreemde woorden. Nederlandse vormen met ĭ + r + cons. bestaan niet: owg. ĭ werd in deze voorwaarde steeds ĕ + r + cons. Dat de andere hss. ĭ hebben, kan dan toe te schrijven zijn aan twee oorzaken: ofwel werden de woorden in hun vreemde spelling overgenomen, ofwel is hier na het rekkings- reeds het verkortingsstadium ingetreden (cf. VdB, o.c. p. 16).

 

282 Ups bekent: = verneemt, leert kennen.

Cf. 290 H, S; e.a.

 

285 M' hair: Volgens Kern, 21, is de i in deze, in de Statenbijbel zo gewone vorm, enkel een verlengingsteken van de a. i als lengteaanduider is een veroveraar uit het Oosten, in die zin dat hij overal, langs Zeeland om tot zelfs in W-Vl., binnendrong, behalve in O-Vl., waar hij ‘op een paar witte raven na’ helemaal niet aangetroffen wordt (J. Van Cleemput, Vroegmnl. spellingsbewegingen, p. 394). Van den Berg (Ts. 65, 59) behandelt dit teken voor Holland en dateert het gebruik ervan: ai wordt, i.p.v. ae, in de Grafelijke Kanselarij vooral gebruikt (vóór r, hoewel niet uitsluitend) tijdens het Beierse Huis (1404-1416), is 100 jaar later sterk teruggelopen en komt omstreeks 1600 bijna niet meer voor. In overeenstemming hiermee zijn het spellingsysteem van de Rotterdamse klerken en de rechtsbronnen van Amsterdam, Leiden, Gouda en Dordrecht.

De hoogste frequentie constateren we begin 15e eeuw. De conclusie van VdB (p. 72) is, dat het i-teken uit Keulen schijnt

[p. 632]

geïmporteerd, waar het naar de spelling van de Oost-Franse gemonoftongeerde, op i-uitgaande diftongen werd overgenomen. Zie ook, over i als lengte-aanduider in O-Vl., 13e e., M. Gysseling en A. Verhulst, Het oudste Goederenregister van de Sint-Baafsabdij te Gent, p. 19.

 

286 L neghen: typisch voorbeeld van de wijze waarop een verstrooide, of gewoonweg domme copiist, met de tekst van zijn voorbeeld omspringen kan. Er stond, zoals in de andere hss. neghe(e)n, hij las: 9, bedacht toen dat er maar 7 planeten zijn, schrapte het woord door, en zette in de marge: VII.

 

288 M ellic: met svarabhakti. Waarschijnlijk oostelijk. Misschien een regressieve spelling met bijgedachte aan suffix -lich (-lik): cf. wellich (VL II, 110b). Zie ook: 10 pont peesgarijs (VL II, 97 Ag). Kern, 93, citeert: ellick vait uit de Valkenburgse Stadsrekening van 1467 (Slanghen, Bijdrage tot de Geschiedenis van het tegenwoordig Hertogdom Limburg, p. 24). Cf. M 288; M 375; M 894; B 941: ellec; M 1001; enz...

 

288 H, S betekenen: is inderdaad corrupt, zoals in Mnl. Wdb. wordt opgemerkt (1, 1146). Niet alleen echter L, zoals t.a.p. vermeld wordt, maar ook Ups, M, U, B, M', O en W hebben dan de goede lezing: kent (of bekent).

 

289 M' Dande: lees: Dander(e). Waarschijnlijk viel het afkortingsteken weg.

 

291 ten si dat astronomie doet: = ‘tenzij dat het de kennis van de sterrekunde doet’, zoals Clarisse interpreteerde (p. 90, aant.).

 

295 B, O, W: isser, esser: enkelvoudige vorm met een meervoudig onderwerp: twee. Cf. Stoett, 443: Eens was desen man gesent twee corven. Eenzelfde constructie komt voor in vers 477.

 

295 W: het telwoord is kennelijk in de pen blijven steken.

 

298 Ups, M, L, U, H, S, W: wet = weet, met verkorte e (VL I, 69A). B en M' hebben ofwel deze vorm niet begrepen, ofwel verkeerd gelezen, en er het subst. wet in gezien.

 

299 H, S: saturnus: Ups. heeft ook hier, samen met de overige hss., de goede versie: mercurius.

 

301 Ups duytsche: de spelling uy hoort vnl. tot de 15e eeuw, en is zeldzaam in Vlaanderen: VL II 88a en VdB, Ts. 65. Van

[p. 633]
Haverbeke vindt echter (vanaf 1281) voor Brugge niet zelden deze spelling (p. 20).

303 Ups, B, W soe: pron. pers. f. Vooral Vlaamse vorm, maar kan ook in Brabant voorkomen (cf. de huidige uitspraak). Treffend is nochtans dat de meeste afschrijvers (M, M', L, U, H, S en O) een ander pronomen als onderwerp aan de zin hebben toegevoegd: si of dat, zodat ik daaruit afleid dat zij soe als bijwoord hadden gelezen.

 

304 hoe: soe: zelfs de hss. die soe als bijwoord hebben opgevat (zie commentaar v. 303) behouden de grafie soe. Mogen we daaruit afleiden dat de uitspraak gediftongeerd was: [oillustratie]? Laten we niet te vlug besluiten: 1) we kunnen hier een rijm voor het oog hebben; 2) de spelling met oe komt ook voor buiten het rijm: 313 L, M'; 315 U; 341 U; 363 U; enz... Andere rijmen in Ups zijn:

9 : 10toe: hoe
436 : 437toe: soe
917 : 918toe: hoe
1561 : 1562doe: toe
1769 : 1770toe: doe
257 : 258toe: hoe
303 : 304soe: hoe
447 : 448toe: hoe
1507 : 1508toe: vroe
1713 : 1714toe: hoe
197 : 198toe: hoe

In Brabant bestond een diftong: vgl. dowe, howe, towe (VL II 87 Opm. 3), maar uit vv. 91: 92 zouden we geneigd zijn te concluderen tot een gesloten monoftong (VL II 85b), wat Overdiep (Vormleer, p. 15) een voor de hand liggend antwoord vindt, tenminste wat de rijmen betreft.

Op te merken valt echter dat Ups. zich tot regel stelt: soe = pronomen (behalve 1493: so, waar het echter ook misschien als bijwoord kan worden beschouwd); so = bijwoord. Dan tóch verschil in uitspraak?

 

308 W ghaet: eigenaardig is hier de h na g voor a, die aangetroffen werd tot in vroeg-14e-eeuwse hss. Cf. 415 H, S, W: ghanc; e.a.

 

317 U xijc: lees: xij, met de andere hss.

 

330 W dat waerhede: lees: dats waerhede.

 

335 B die kalengier, L de kalendier, U die calendiere,

 

O die kalendier: zijn meervoudsvormen.

 

335 M betughet: < inf. betughen, en niet uit betoghen.

[p. 634]

Eén vindplaats van betughen, onder betekenis 3, in Mnl. W. 1, 1168.

 

336 L sesh: het schrijven van een h na t schijnt tamelijk vaak voor te komen, terwijl dit na andere consonanten, zoals hier s, slechts zeer zelden het geval is (Van Loey, II 113).

Ook Van Helten (pp. 140-141), die alleen de spelling th vermeldt, bekent geen vermoeden te hebben van oorzaak en betekenis ervan. Jacobs (VMl. § 194) kent geen vormen met sh in auslaut, enkel in anlaut, en dan nog vóór u: shuvereyn. Van Cleemput (Vroegmnl. p. 401) citeert voorbeelden van t, g en d + h, en ziet er, met E. Blancquaert, een aspiraat in.

In Z-W-Br. (pp. 202 vv.) wordt een overzicht gegeven over de verschillende geuite hypotheses. Die van Lasch (ð, geschreven t) en Kern (verspringing van h) kunnen in geen geval toegepast worden op de groep sh.

Tenslotte heeft Nordberg het misschien nog bij het rechte eind (citaat uit Z-W-Br. p. 203): hij vraagt zich af of h toch niet kan ‘utmärka tillfällig eller individuell aspiration’. Deze aspiratie zou dan, volgens Van Loey (ib.) als een doffe e geklonken hebben. Hier vonden we ook een paar voorbeelden met sh: 1303 broecsh, 1290 himberectshgat.

Opvallend is dat alleen L deze geaspireerde consonanten heeft. Dus toch Nordberg? (cf. vv. 341; 459; 545; 609, e.a.).

 

337 H dat claerne: lees: dat tiaer ne, zoals in Vorlage S. Cf. Mnl. W. 3, 1461.

 

339 M watt: bij deze vorm, die Kern veronderstelt (L.S. § 112), maar uitdrukkelijk opgeeft als een hypothetische reconstructie, mogen we niet blijven stilstaan. De tekst is hier klaarblijkelijk corrupt. Vermoedelijk stond er in de Vorlage: want tene iaer, misschien onduidelijk, of bijna onleesbaar.

 

339 beghent: 340 kent: U heeft met het rijm geen rekening gehouden (beghinnet: kent); M heeft vint, had dan ook vermoedelijk een Vorlage met kint, en begreep niet wat er bedoeld werd.

 

348 H, S san: is een hapax. Het Mnl. Wdb. (7, 141) kent het alleen uit dit vers, en noemt het ‘een bijvorm van saen, ook uit enkele ogerm. tongvallen bekend: osa. san; ofr. son, san’. Er moet echter aan worden toegevoegd dat san hier rijmt op dan. Ik weet niet waar Verdam zijn wijsheid vandaan heeft.

[p. 635]

Grimm, D. Gr. 3, 197, heeft: os. sana, d.i. Hêl. 37, 19 (v. 1256), maar de uitgave van M. Heyne kent alleen sâna.

Ook Bosworth-Toller heeft alleen ags. sóna (ook Suppl.); N.E.D. IX, I, 926: ags. sóna, os. sâno, sâna, sân, of sôn, sân.

Dus mnl. saen: daen, of sâne: dāne.

(De vorm dane, VL II, 105 A.a, Gent 1240, uit de Keuren (11, 31, 34) staat na comparatief!)

Is in de Nat. dāne een intussen in 't mnl. opgenomen variant in de plaats van het temporele dan? Dāne heeft ruimtelijke betekenis (nog in: vandaan).

Dāne schijnt in de Nat. (rijm) archaïsch te zijn, of zeldzaam. Hier schijnt dus dane in de plaats van dan te zijn gekomen. Is dit een Vlaams verschijnsel?

 

349 L kersauant: hebben we hier een overgang van de sjwa in a, zoals dit aan het slot van een woord in onbeklemtoonde positie meermalen voorkomt? (talrijke voorbeelden bij Van Loey II, 97e). Hetzij dan dat de oorzaak van deze overgang ligt in een uitspraak van de illustratie met neergehaalde tong, of in een progressieve klinkerassimilatie (regressieve assimilatie: cf. aant. op v. 1574 H ghodoghen).

 

349 U korsauont: over de wisseling Germ. re/ri > ar, er, or: zie Van den Berg, Oude Tegenstellingen, p. 72 vv. Op 2 vindplaatsen na (één te Antwerpen en één te Brugge) heeft de schrijver geen vormen met or voor Zuid-Nederland. Deze komen vooral voor in Oost-Brabant, maar ook in Limburg. Het Middeleeuwse or-gebied besloeg slechts het uiterste Zuid-Oosten van Zuid-Nederland, verbonden met een groot deel van Noord-Nederland, ‘terwijl het Brabant en Vlaanderen onaangeroerd liet’ (p. 95). Anderzijds geeft Heeroma (Hollandse Dialektstudies, krt 21) dorde-vormen op voor Zuid-Holland, Zeeland en Utrecht.

 

351 H, S iij: lees: seuenhondert, zoals in Ups, L, U, B, O.

 

354 H, S lopeliaer = schrikkeljaar. Het woord komt, volgens het Mnd. Wdb., alleen voor in deze verzen en in Sp. I6 var. B en var. L. Inmiddels vond ik het ook nog:

-
in Ms. Kon Bibl. Brussel II 3809 (anno 1505), fo 7r (bis);
-
in Ms. Kraków (Museum Czartorisky), nr. 3091, perkamenten getijdenboek uit 1468, waarvan een facsimile in Gailliard & De Vreese, Dietsche kalenders, p. 59 (kalender nr 12, Utrechts):
-
in Ms. Heidelberg, U.B., hs. Trübner 142, midden 15e eeuw,
[p. 636]
facsimile in Gailliard en De Vreese, o.c., p. 27 (kalender nr 27, Utrechts).

In het Mnl. Wdb. (4,792) worden als vindplaatsen in de Natuurkunde geciteerd: de verzen 89, 96, 116 en 353. Dit laatste nummer is niet juist, en moet vervangen worden door: 354 en 356; bovendien komt het ook voor in v. 94. Daarenboven staat in het Mnl. Wdb.: ‘Deze benaming schijnt in andere germaansche dialecten niet voor te komen’, wat evenmin juist is: cf. Eng. leap year!

 

355 Ups iiij. der jaren: dat deze constructie reeds in de tijd van onze handschriften archaïsch is, moet niet betwijfeld worden. Verdere gegevens over dergelijke problemen bezitten we niet: een chronologische stijlstudie van het Nederlands bestaat nog niet.

 

356 S gheuaren: de opmerking in Mnl. Wdb. 2, 955 (ghebaren = gevaren) moet vervallen. De correcte werd nl. reeds door de copiist zelf aangebracht.

 

365 Ups wille (enk.) heeft de juiste lezing: cf. 397 si heeft, 385 die ander sesse.

 

389 Ups teerre somme = gezamenlijk. (cf. v. 1677). Deze verzie is te verkiezen boven die van L, H, S, waar het rijm in het gedrang komt. Cf. Mnl. W. 7, 1529.

 

393 M wieghel: (het Mnl. Wdb. 6, 1440 spelt verkeerd: wiegel). Waarschijnlijk hebben we hier een hypercorrecte inlassing van intervocalische g, in een gebied waar de g normaal verdwenen was. Nemen we aan dat dit gebied oostelijk is (Limburg), dan hebben we een aansluiting aan het g-Schwundgebied van Trier. Frings vermeldt als voorbeeld: riegel: riil, riiel, [...] in Keulen en Trier (Zwischenvokalisches -g-, p. 13).

De hiaat tussen twee vocalen kon in het Omnl. (15e eeuw) door een g gevuld worden, zoals Van Helten het uitdrukt (pp. 158-159). Ik zou liever zeggen dat de intervocalische semivocaal j in g kon overgaan:

 

scrigen < *scrî-j-en < scrien
gefriget < *gefrî-j-et < vrien

 

en andere voorbeelden.

[p. 637]

Vergelijk in dit verband nog de volgende vindplaatsen uit de Sp.d.S. (hs. Oudenaarde, uitg. J. Verdam):

84acrege = creye (kraai)(oostmnl.)
51dmerge = merrie(oostmnl.)
39aeiger = eieren 

De uitspraak van deze g kan best gepalataliseerd zijn geweest.

Is echter niet de Limburgse afschrijver, maar wel de Noord-Hollandse Vorlage voor deze vorm verantwoordelijk, dan werd deze wellicht in een gebied geschreven, waar de ingweoonse palatalisatie, met uiteindelijk wegvallen van de spirans, bestond. Ook vinden we in het Ags. hweohhol, hweogol, hweogul, germ. *χweχ(w)la-.

Deze vormen kunnen ons echter niet interesseren, aangezien in het ags. de intervocalische g gepalataliseerd en ten slotte gesyncopeerd werd, zodat we ook daar geen houvast vinden. Heeft de copiist van M het woord niet begrepen, en het onveranderd overgenomen? Maar waarom verving hij het dan drie verzen verder (396) door het typisch Limburgse woord rad (cf. Kloeke, Wiel-kaart1)? Dit is niet logisch. Of had zijn Vorlage eens wieghel (393) en dan wiel (396), zodat hij in 396 vatten kon waarover het ging?

Misschien ook stond er telkens wieghel, begon hij door de inhoud in 396 te begrijpen wat bedoeld werd en liet dan maar in 393 staan wat hij nu toch eenmaal geschreven had?

Er is nog een verklaring, die alhoewel zéér ver gezocht, toch niet a priori mag verworpen worden: In M komen verschillende metathesis-vormen voor (drop = dorp; dorne = donre, e.d.).

We kunnen hier dus ook zo'n vorm hebben: wieghel < *wielg. Aan de andere kant vinden we in dit Limburgs-beïnvloede hs. eveneens rekking van korte klinker vóór o.m. l. De volgende reconstructie is dan:

 

*wielg < *wilg.

 

Ook w = v komt vaak voor. Ter staving van dit alles verwijs ik in globo naar Hoofdstuk III, 2: Taal der Handschriften. Hierna gaan we dan maar een stapje verder, op wat nu toch wel erg glibberig terrein begint te worden:

 

*wilg < *vilg.

 

[p. 638]

Met wisseling i/e krijgen we dan: velg. Velghe betekent ‘buitenrand van een wiel’ (Mnl. W.). En precies dit woord ‘velghen’ vinden we in hs. L, in margine, naast v. 393.

 

393 L wel: of wēl (met ie > ē), of gewoon corrupt voor wiel (wat speciaal in dit hs. waarschijnlijker lijkt).

 

399 M nochtien = noch te dien = nog daarbij. Dit is het enige hs. waar deze vorm geregeld het nochtan(s/t) van de andere hss. vervangt.

 

403 H, S gheuoucht: vermoet: de copie is hier, wegens het onzuivere rijm, stellig bedorven.

Ups Eillustratie: ontkenningsvorm enne. Zie Commentaar v. 1724.

 

409 W nocthan: lees: nochtan.

 

409 O tfirmamet: lees: tfirmament.

 

409 S tfiermament: zoals B! Heeft S een Brabantse Vorlage gehad, dan zou daar toch wel meer van moeten blijken.

H heeft tfirmament, en beide hss. wijken bijna nergens van elkaar af. Misschien heeft S hier doodgewoon de volgens hem lange klinker vóór r zó gespeld als hij dat deed voor de Nederlandse woorden.

 

410 M vent: ofwel is hier verkeerd ‘rent’ gelezen; ofwel gebruikt M een oostvlaamse of limburgse vorm voor vint, wat eventueel voor de betekenis opgaat: ‘het firmament vindt in 100 jaar één graad meer’.

 

411 Ups anders sends: de vorm met d wordt niet vermeld in het Mnl. Wdb. Deze epenthetische d wijst op een stemhebbende s o.i.v. de volgende vocaal: eenen.

 

423 Ups, B O: tholomeus

 

M, U: ptholomeus

 

W,: ptholomeillustraties

 

L: parthomeus

 

H, S: prolomeus (cf. 550, 575).

 

Alleen M, U en W hebben de naam van deze in astronomische kringen zó beroemde Griek goed geschreven. De andere copiisten wisten blijkbaar niet over wie het ging, en waren dus kennelijk niet in het minst op de hoogte van de wetenschap die zij aan het afschrijven waren. Aan de andere kant pleit dit daarom nog

[p. 639]

niet voor het intellectuele peil van M, U en W. Ten hoogste kan men hier een staaltje van hun accuratesse vinden.

 

423 Ups affricaen

 

M alfragaen

 

L, H, S, B affragaen

 

O effragaen

 

W alphagaen

 

U affraen (cf. 575).

 

Een eveneens zeer bekende astronoom, Constantinus Africanus, zaaide blijkbaar verwarring in de geesten en contaminatie in de benaming.

 

430 S rine: cf. aant. v. 6. Kan ook n gekregen hebben o.i.v. voorafgaand in.

 

431 M, L, H, S, B, O, W die = dat. fem. s.

 

436 U haue: lees halue. Tenzij l-vocalisatie? (Cf. VL II, 96 A: hausceiden, hauf.) Cf. Buntinx en Gysseling, Het oudste goederenregister van Oudenbiezen:

virdehauf (p. 163); hauf roghe ende hauf gerste (164); virdehaft (p. 164); hauen pacht (206); virdenhauven (209); ein hauf bunre (209), enz...

 

438 B eist: = eest = es 't. (Over rekking van vocalen in dit geval zie Van Loey I, 28 1). Meer als bepaald Brabantse eigenaardigheid vermeldt Van Loey in Z-W-Br. (p. 173) de rekking van korte klinkers vóór s + cons.: zeestech, beesten, e.d.

Franck (Mnl. Gr., 74 en 92) tracht deze vaak gebruikte vorm te verklaren uit: 1) is illustratiet, met verlenging van de i in ē in dialecten, die deze ē omzetten in ei: spreict, eiten, leist, e.d.; 2) uit: *es hit.

Van Helten (60) zoekt het in es + it, met beïnvloeding van de i van het pronomen op de e van het ww.

Deze vorm schijnt, volgens Franck, ouder te zijn, dan die met korte vocaal (Franck, Incl. p. 100: ‘Im ganzen ist darnach auch hier die form mit kurzem vocal jünger als die mit gedehntem und eine gewisse parallele mit den typen waest und wast nicht zu verkennen’.

 

440 U dijs: pron. dem. gen. n. s.: dies. De rijmvorm dis wordt vermeld bij Van Loey I, 32.

[p. 640]

440 Ups, M, H, S, B des: oudere gen. s. van het pron. dem. Hier wegens het rijm bewaard, alhoewel U es in is veranderd heeft, en dan ook dijs kan schrijven.

 

442 Ups, L, U, H, S sich: 1) gewone imp. bij sien (cf. vlich bij vlien, slach bij slaen, ...: Van Loey I, 51 opm, 2); 2) ofwel, wat minder waarschijnlijk is, gaat deze vorm terug op een inf. siggen = seggen, die echter slechts als dusdanig in rijmpositie aangetroffen werd. Van een imp. met i is nog nergens een spoor gevonden. Sich (ook sick, seck) komt nog voor bij Breeroo.

 

442 M, O sech: zolang we niet weten, op welke inf. deze imperatief teruggaat, kunnen we ook niet de klinkervarianten bespreken. Is het het ww. seggen, dan heeft M. de normale vorm; is het de inf. sien, dan kan het een Oostvl. of Limb. ĕ voor ĭ zijn. (cf. v. 452 M.: besich: wijst er, door het prefix, wel op dat het hier om het ww. sien gaat; 452 O: sech).

 

450 O en L hebben 42 milen, i.p.v. 42.000, omdat ze de m van duizend beschouwd hebben als de afkorting van milen.

 

460 Ups, H licht: ik zou dit hier niet opvatten als een werkwoordsvorm, want waarom dan die t, die niet onontbeerlijk is, en alleen het rijm maar hindert. Eerder zal het een bijwoord zijn: ongeveer, zonder twijfel, of vlug. Het is in ieder geval een stoplap.

 

460 L, U, S lich: dit kan natuurlijk een, hier zeker niet Limburgse, dus sporadische apocope van t zijn, hoewel ik het liever als een imp. van ligghen zou opvatten. De verwarring tussen ligghen en legghen is, ook nu nog, typisch Hollands. B, O, W hebben lech (vv. 442, 470, 480, 488, enz...) en hebben het dus telkens als ww. beschouwd. Al deze vormen komen geregeld terug in vv. 469, 470, 480, 488, 502, 1682, enz...

 

465 L, U, H, S vorsten: 1) = versten: vooral N-Brabants; 2) = voorsten, met verkorte (?) o. Maar dan wordt de betekenis gewijzigd van 1) ‘waar de zon het verste staat, op dat punt is Mars op zijn kortste afstand van de aarde’, in 2) ‘waar de zon allereerst komt, op de eerste plaats staat, daar komt dan Mars onmiddellijk na’.

 

465 O, W ten naesten: bedoeld wordt: ten versten, zoals in de andere hss.

 

[p. 641]

466 Ups ten naetsten < ten nadesten; met -de- naar nader < naerder?

 

471 H, S: hebben de afkorting m in de Vorlage gelezen als milen, zodat dusent ontbreekt.

 

475 B cont: schrijffout. Lees: comt.

 

478 U tvehondert: Jacobs (Mvl. p. 248) beweert dat v (= w) slechts zelden voorkomt na een dentale, en dan nog slechts vóór ± 1360.

Bij Van Cleemput (Vroegmnl. p. 402) vonden we het volgende: ‘Wanneer we het Corpus van Friedrich Wilhelm openslaan en de spelling van de semivokaal nagaan na t, d, s, of z, dan zien we dat zowel in de Zuidduitse als in de Ripuarische Charters bijna uitsluitend de spelling w wordt gebruikt. In vele oorkonden uit het Sticht Utrecht is dat ook het geval.

In het westelijk middelnederlands taalgebied is de toestand helemaal anders; daar treft men steeds de spelling u of v aan. Pas in 1290 voor Holland en Zeeland, in 12801 voor het Brugse Vrije en na 1290 voor de Oostvlaamse bronnen is er overgang van u of v naar w. We kunnen de evolutie a.v. voorstellen: tue > tve > twee.

Na de g blijft de u gedurende de ganse mnl. periode behouden. [...]. De regel is absoluut en duldt geen enkele uitzondering, tenzij om diakritische redenen.’

Ups, L, H, en S hebben hier w, die dan, volgens Van Cleemput, ofwel uit het Sticht Utrecht afkomstig kan zijn, ofwel, voor de andere streken, jonger is dan de spelling met u of v.

We hebben ons afgevraagd of deze spelling niet kan wijzen op een labio-dentale uitspraak van de w. Verdenius (Iets uit de geschiedenis...) bespreekt de waarde van w (bilabiaal of labiodentaal), maar beperkt zich vooral tot de initiale w. Hij neemt een oorspronkelijk bilabiale uitspraak aan, die in de ME een sterker consonantisch karakter had (of kreeg) dan in het Zuiden, waar ze nu nog steeds bilabiaal is. Kern (Klankl. L.S. 75) vermoedt dat de w in het Limburgs nagenoeg semi-vocalisch klonk en slechts zelden u, v of uu geschreven werd.

De spelling w zou dan, te oordelen naar wat Van Cleemput en Kern beweren, o.i.v. het Oosten zijn binnengedrongen, en het eerst het Sticht Utrecht bereikt hebben. Dit helpt ons echter

[p. 642]

niet veel vooruit, wat de waarde van dit teken betreft. Van Loey II, 101 is ook van mening dat de w in het Mnl. een bilabiale was.

Toch is het eigenaardig dat de spelling v voor w vooral voorkomt na dentalen: d, t, s en z. Het lijkt wel voor de hand liggend dat de w hier de v zeer dicht naderde.

Er heeft in ieder geval iets als een lichte verwarring tussen v en w bestaan: Van Loey II, 109 c vermeldt enkele, weliswaar zeldzame vormen, met w i. p. v. v: wan, wornoemt, wrouwe, wonnes, hewet; en om bij de Natuurk. te blijven: M 828 wliet, 1036 twijfte, 1086 woren, e.d. Ook het omgekeerde komt voor: v. 317 M': veruen = werven. (cf. vv. L 515: tve; L 552: tue; L 559: tuintich; 767 O suert, enz...)

 

511 H, S vort cont: zoals Clarisse reeds opmerkte (p. 313), is dit vers bedorven, en de tekst der overige hss. zuiverder.

 

516 ghile: volgens Kil. ‘vetus Fland.’. sonder ghile = zonder twijfel. alle wile: niet in Mnl. W.; wel in Handw.: al wile = op 't ogenblik. Alle wile moet dan betekenen: in elk opzicht, alleszins.

 

519 H, S wile: lees mile.

 

519 H, S naest: = naar, volgens. De emendatie van Bilderdijk (Clarisse, p. 104, noot 1), die hier naet wilde lezen, ‘i.e. na de’ behoort tot het rijk van de fantasie.

 

520 Ups, L, H, S, B mie: astronomie: grafisch rijm, of werkelijke diftong? (O heeft er zich niet aan gewaagd: astronomien: my; en W heeft het tweede vers totaal gewijzigd: vond hij het rijm te hinderlijk?)

Ook bij Maerlant worden dergelijke rijmen aangetroffen:

‘het eenige geval waarin het rijm tusschen ie en î zeker geoorloofd is, is dus in den auslaut, de voorbeelden als ic sie, gescie, drie, die (pron.) nie, enz...: hi, mi, di, wi, vindt men overal; in plaats van hi of hij enz... is dan dikwijls ook hie geschreven. Ik heb er niet genoeg op gelet, of alleen deze pronomina, waar zonder twijfel de klinker nog eenigszins onbepaald kon wezen, zoo worden gebruikt, of ook andere woorden, waarin al langer eene lange i vast was. Deze kwestie zou een opzettelijk onderzoek verdienen.’ (Franck, Al. G. p. LXX).

Franck (Mnl. Gr. pp. 4-5) haalt o.m. dit probleem aan als argument voor een reeds monoftongische uitpraak van ie. Van Helten (p. 435) beweert dat dergelijke ie- vormen, in de auslaut, bij pronomina, ook buiten het rijm gevonden worden. Dit is

[p. 643]

niet het geval in Ups. Ook in verband met de vraag van Franck, of andere î-woorden dan de pronomina op ie rijmen (zie boven), heb ik het hele hs. onderzocht, maar niets gevonden.

Zie ook de commentaar op 1057: 1058.

 

521 U vierhondert: lees 4000 (cf. Ups, L, H, S, B, O, W).

 

525 H, S een alf: ofwel is hier verkeerd afgeschreven, ofwel kon de Vorlage ook hebben: .iillustratie. (zoals W).

 

526 L: dient aangevuld te worden met vat.

 

527-528: απο-κοινου -constructie.

 

538 Is mate in Ups. oorspronkelijk, met betekenis: meetwerk, -tuig (dus subst. mâte), en is gemate in B een kruising van mâte en gemete? Of is B gemate oorspronkelijk en dan Ups. uit gemate afgekort (zonder ge-): māte?

 

540 Ups. Sonder dat alleens es die screde: = behalve dat de schrede gelijk blijft. Mnl. W. 7, 1544 heeft vnl. Vlaamse vindplaatsen (Maerlant) van sonder dat, en enkele Brabantse.

 

546 Ups sic: LXVI: spelling c = stemloze auslaut-fricatief komt wel méér voor.

 

550 orconde tholomeuse des (en varr.): over de semantische en structurele evolutie van orconde, speciaal i.v.m. dit vers: zie Mnl. Wdb. 5, 1977, waar gewezen wordt op de verkeerde interpretatie van Clarisse. Hier wordt (letterlijk) bedoeld iets als ‘Volgens Ptolomeus hierover’.

 

558 L, S, W tachtendeel: met assimilatie (cf. V.H, p. 2111). Ups tachdende deel: als de eerste d geen verschrijving is, o.i.v. de bijna onmiddellijk volgende andere d' s, dan hebben we hier een anticiperende assimilatie, zoals die vooral in Limb., maar ook in Brabant wordt aangetroffen: cf. VL II, 114 A.C. In v. 1113 heeft Ups tachtende.

 

558 H tachendeel: niet alleen assimilatie, maar ook t-syncope (< apocope?). Deze vorm is hier niet Limburgs, maar gewoon corrupt. De Vorlage (S) heeft tachtendeel, en in v. 1113 hebben beide tachtendeel.

 

[p. 644]

559-560 Ups heeft een bevredigende, zinvolle lezing, parallel met 545-555. De 6 varr. met kerf zijn onduidelijk: ook Verdam 4, 1397 wist er geen raad mee. Al die varianten zijn dus vermoedelijk bedorven: dit pleig nog eens voor de grote gaafheid en oorspronkelijkheid van Ups. (Maar XXV werf zal wel corrupt zijn?)

 

560 L, U, H, S, B, O eerdrike (of varr.) kerf(f): kerf = brok (Mnl. Wdb.). De bedoeling zal hier wel zijn: de aardbol. Zie Mnl.W. 3,1397, onder bet. 2, met verwerping van Clarisses commentaar.

 

573 W su: (1) = zo?

(2) ik vraag me echter af of we niet doodgewoon sii moeten lezen: W zet vaak geen punt op de i; schrijft sii (3 pl.) in v. 846 en hii in v. 852.

Ook de zinsconstructie wordt er duidelijker op.

 

574 M betrecken = overtrekken. Vindplaats te voegen bij Mnl. W. 1, 1163-4. Volgens de citaten in WNT, van de hemel gezegd (met wolken), alleen gebruikelijk in N.-Ned. Vgl. conclusie over Taal van het hs. (p. 185): Noord-Holl. Vorlage.

 

582 M men si niet ghesien: acc. si is Oostmnl. (VL I § 28g en o).

 

588 Ups sinken: denken: in de veronderstelling dat de copiist hier welbewust te werk ging, moeten we aannemen dat de Ingweoonse ontronding dincken hem te vreemd voorkwam, en hij er anderzijds niet toe kon overgaan senken te schrijven, om het rijm zuiver te maken.

 

589 B tsarpe: vermoedelijk corrupt. Of, maar dat lijkt gewaagd, hebben we hier, maar dan in anlaut, s = sch, zoals VL (Z-W-Br., 196-197) vermeldt voor in- en auslaut, met vbb.: tusen, vleshouwere, e.a.?1

cf. 756 B: scarp.

 

606 Ups natheit: boven de regel werd door de copiist zelf wacheyt ingelast. Zie ‘Woordgeografie’ in de bespreking van de taal van dit hs.

[p. 645]

Zie ook in Upsv. 877:in de tekst: weke,
  daarboven: of natte;
 v. 933:in de tekst: wachede,
  daarboven: of nathede.

Verdam (Sp.d.S. II, p. XXXIV): ‘De vrij talrijke voorbeelden van het woord [= wacheit] in mijne verzameling zijn alle uit Vlaamsche schriften (Jan Yp., Hs. Yp., Natuurk., e.a.).’

 

616 Ups grooet: eigenaardige spelling, die een compromis lijkt tussen oo en oe. Ik heb ze nog niet elders aangetroffen, tenzij in W:

UpsW
1409 ooec659 cooemt
 683 cooemt
 733 cooemt
 734 nooemt
 824 cooemt
 912 rooet
 983 dooet (= doet)

Volledigheidshalve wens ik hier nog aan toe te voegen dat T. van Veen bij zijn dissertatie (Utrecht tussen Oost en West) één van de stellingen a.v. formuleert:

‘In R. Opperveldt's Ultraiectina Tempe (1649) Ts. 41, 46 vv. duiden de vormen dooet, grooet, enz. de geronde, half gesloten velaire klinker [ò:] aan, die speciaal voor t voorkomt, zowel in Zuid-Holland, als in Utrecht.’

Aangezien de tekst van deze stelling (natuurlijk) ontbreekt, kan ik niet oordelen of er enig verband bestaat tussen de 17e-eeuwse spelling van Opperveldt en die van Ups en W. Toch zou dit mooi uitkomen, daar Ups Zuid-Hollands en W Utrechts is.

618Ups, B, Oderde: onvrede
 Mdeerde: onvrede
 Uterde: onweerde

In de Vorlage stond zonder twijfel derde: onverde. De metathesis-vorm van vrede bestaat in het Mnl., is geografisch echter niet bepaald; drede daarentegen is totaal uitgesloten. L is gestruikeld over het onzuivere rijm (had dus in de Vorlage derde:

[p. 646]

onvrede, of iets dergelijks) en heeft er dan derde: houerde van gemaakt, wat i.v.m. manslachte niet veel zin heeft. U en W hebben beide dezelfde poging gedaan terde: onweerde; derde: onwerde. Nu staat nog te bezien of in W w = v, dus toch onverde, ofwel zoals in U: onwaarde.

 

633 M neen te sijn [...] niet: normaal zouden we verwachten: ten (met enclise).

 

640 Ups vrucht: boven de regel laste de copiist een synoniem in: anxt. Ofwel vreesde hij dubbelzinnigheid, of onbegrip. In beide gevallen is het echter duidelijk dat vrucht = angst in zijn streek niet, of niet goed bekend was.

645Beggers
 Oeffers
 Wauegers
 Upsnauighers
 M, Unauegars
 Lnauegaers
 H, Snaueghers

= grote timmermansboor. (Voor nave-geer: zie Schönfeld § 65).

W heeft reeds de vorm met n- procope, zoals die in het ABN is overgegaan. B heeft een bekende bijvorm.

O: effer staat niet in het Mnl. Wdb. Wèl vond ik daar (2, 582) ‘Efger (?)’, waarvan Verdam dus niet de betekenis kon raden. De vindplaats volgt hier in extenso:

Vranck de bontwerker van smeer, die ghebesicht is totten wijndasen (windas) en totten efgeren 1 gul. 14 ½ wit., in de Rek. d. Buurk 99. Dit is een Utrechtse tekst, uit de jaren 1420-21.

Kiliaen geeft: eggher, evegher: terebra, terebellum. Plantijn: egger, eviger oft neffiger, tarrière ou taraut pour forer ou percer.

Alles wordt nu duidelijk; het raadselachtige efger is een verzwakte vorm van navigeer >* avigeer > eviger > efger, en tevens het laatste stadium vóór de geassimileerde vorm in O: effer, die nog niet werd aangetroffen.

 

646 B Wen = uwen: [y. willustratien] of [y: n]?

Cf. 1083 M zwtw't; 1099 L. wl (= vul).

M.i. is de vorm uit B een bewijs temeer voor bilabiale uitspraak.

[p. 647]

647 U heette: lees: heet, wegens het rijm: ghereet.

 

649 M dinct: hypercorrecte t- paragoge = Limburgs.

 

657 M sten: oude spelling, tot in het begin der 14e eeuw (VL II, 58a en Jacobs, Mvl, 91)

In 655 schrijft M in rijmpositie stien (: sien), waarschijnlijk uit de Vorlage, want v. 660 hebben we steen (buiten het rijm).

 

662 O Is soe eest al in een:

vermoedelijk is eest hier subst.: oven, met de bijbedoeling van ‘hitte’.

 

664 H, S horen: lees horten. Cf. Mnl. W. 3,608.

 

675 H hebi si: corrupt = hebsi; of vóórtonigheid?

 

686 L onbliuen: is niet, zoals Clarisse beweert (p. 314), een corrupteel voor ontvlien, maar betekent: ontsnappen (eig. ontbliven).

 

694 M ghescepen[esse], O gescepenisse hebben één p (daarentegen ghesceppenesse in H, S, B, W). Verdam 2, 1599 kent deze bijvormen met één p niet. Ze bevatten het part. perf. gescepen, terwijl (ge)sceppenisse op de inf. is gebouwd: (ge)sceppen.

 

717 O hertissen: = hagedissen. Het Mnl. Wdb. (3, 397) vermeldt de vorm, met asterisk, als vindplaats in ‘Dat boeck ghenoemt tregement der ghesontheit [...]’ (gedrukt te Brussel in 1514), als een ‘verkeerde lezing voor hectisse’.

Dit scheen op het eerste gezicht, nu we in O dezelfde vorm vinden, dus al niet juist. We zijn dan ook gaan kijken in de huidige dialecten. Bij Weijnen (De dial. v. N-Br., kaart 8) vonden we de volgende vormen met r:

erdis: helemaal in het N-O van Brabant

radisse: Westbrabant (Gastel).

Bij De Vries (Etym. Wdb., p. 231);

rillustratiedissillustratiel: Goeree

artis: Leuven

èrdis: N-Brab.

Bij Franck-Van Wijk (p. 225) nog een andere:

èrtisillustratie: Aalst

Nergens wordt de r-epenthese verklaard.

Zou hier geen volksetymologie in het spel zijn, dus met bijgedachte aan aarde? We hebben toch in het ABN-woord hagedis óók een vorming naar haag.

[p. 648]

Het woord schijnt dus, in afwachting van andere vindplaatsen, eerder Brabants en oostelijk te zijn, en is bepaald niet verkeerd gelezen, zoals Verdam beweert.

Wat nu de betekenis hier betreft, het is m.i. overbodig uit te weiden over het feit dat hagedis (en salamander) sinds lang geassocieerd worden met heksen: het waren hun lievelingsdieren. Volgens Paracelsus waren zij in hun ‘element’, - in de letterlijke zin! -, in het vuur. (Cf. Maerlant, Al. G. V, 954-955:

 
die salamandre die biden viere
 
levet sonder ander spise)

Hij onderscheidde nl. 4 soorten ‘Elementargeister’, en deze indeling vinden we in de Nat. terug. Er zijn:
luchtgeesten: nachtridders, varende vrouwen, maren(?)
aardgeesten: elfen, ‘goede kinderen’, kobolden
watergeesten: nikkers
vuurgeesten: hagedissen.

 

717 varende vrouwen: worden nog vermeld bij Kiliaen, hoewel hij eraan toevoegt vetus, in de betekenis van: ‘Dryas, hamadryas, sylvarum dea’.

718Upsgodelinghe
 Lgodelingher

In verband met L worde eerst opgemerkt dat het Mnl. Wdb. (2, 2023) dit woord bespreekt onder versnummer 712, waarvoor dus 718 dient gelezen te worden. De vorm wordt als corrupt beschouwd, en Verdam stelt voor: goderlinge, met een vraagteken. Hij beschikte echter alleen over hs. L. Nu komt Ups de gewraakte vorm staven. Een goedelinc is een soort van huisgeest, genius. Formeel hebben we hier volksetymologie naar god, gode, ofwel uo > ō = Vl., Holl. (VL II, 85).

 

Boven de regel in Ups staat, blijkbaar als synoniem en ter verklaring: wichte. Dit zijn inderdaad ook geesten, maar dan beslist kwade. Het woord heeft trouwens, ook in zijn andere betekenissen, bijna steeds een pejoratieve bijklank gehad.

Buddingh en Niermeyer vermelden het, zonder er veel aan toe te voegen.

[p. 649]

Kiliaen, noch Plantijn geven het woord. Bij Kiliaen vinden we wel:

 

godeman, goyman, godelieden, goylieden = mendici.

godewijf, goywijf = mendica.

 

U, H, S, B, O: goede kinder (en varr.): = goede geesten, beschermgeesten.

 

Niermeyer (Verh. over het Boze Wezen, p. 23) zegt: ‘Zij schijnen aan het dwergengeslacht te grenzen [...]. Of de zieltjes van omgebragte kinderen zulke Huisgeesten werden, gelijk sommigen willen, valt moeijelijk te beslissen.’

 

W Voeden kinder: het meest voor de hand liggende is deze onwaarschijnlijke versie als corrupt te beschouwen. Toch ben ik daar niet zo zeker van, hoewel het duidelijk is dat de copiist hier de tekst van de legger lastig heeft gevonden. Hoe komt hij erbij voeden te schrijven? Als we nu even de zin van niet te dichtbij bekijken, dan zien we dat er sprake is van varende vrouwen en goede kinderen, (enz...: wat volgt, heeft hier geen belang).

 

In de veronderstelling dat de copiist met de term goede kinder niet bekend was, gaat hij zich afvragen wat die kinderen hier komen doen, en dan nog wel goede kinderen. Nu wordt de vroedvrouw in O-Brab. (dus ongeveer de streek van de afschrijver!) de goeivrouw genoemd (W. Roukens, Dialectol. en Volkskunde. Alb. Grootaers, p. 232). Bij een ook maar iets verstrooide of vermoeide copiist gaat de gedachtenassociatie ongeveer zó, maar dan bliksemsnel: mijn legger is verkeerd, heeft g (lombarde!) i.p.v. v: de vrouwen voeden natuurlijk die kinderen. Misschien had ook het iets verder voorkomende minne invloed.

 

M Naecte kinder: ik weet geen verklaring voor deze variant.

 

719 W, L eluen: de andere hss. hebben alle: alue(n). Franck-Van Wijk (153) veronderstellen dat de vorm met e analogisch ontstaan is, naar het meervoud van deze vermoedelijke -i- stam.

 

719 B ruboute: als we veronderstellen dat hier ribaut bedoeld wordt (alhoewel we dan ruboude verwachten), hebben we ofwel een Vlaams-Brabantse ronding van i, zoals bv. lucht < licht; ofwel, met bijgedachte aan ruw, regressieve spelling. Cf. ruwaerd

[p. 650]

(= reward): VL II, 97; rudarijs (= dom mens) werd op dezelfde manier in het dialect van Oud-Beierland: rouwdarillustraties (Opprell, p. 80)

Een andere verklaring is dat ruboute een samengesteld nw. zou zijn:

 

(1) ru = ruw, wild, onvriendelijk, bits.

 

(2) - bout = afleidingssuffix, naar bv. dronkenbout (= dronkaard), dat ook in de vorm -boute bestaat. Als we zien dat O roubouts heeft, mogen we, meen ik, wel aannemen dat er in het eerste lid verband schijnt te bestaan met ruw.

 

719 Ups maren: boven dit woord, onmisbaar voor het rijm, schreef de copiist: nacht merien. Het bewijs dat dit woord hem veel bekender voorkwam, vinden we in v. 722, waar hij (samen met M) in de tekst, maar buiten het rijm ditmaal, maren vervangt: nacht merien heten wise hier.

 

720 W tsomorgens: met regressief-assimilerende svarabhaktivocaal.

 

723 Ups, L, U, H, S, B: minne, O mijnne: er zijn al heel wat veronderstellingen geopperd over de betekenis van dit woord. Clarisse (p. 117, 222) doet het bij maren aansluiten.

Inderdaad, marenminne bestaat, o.m. bij Maerlant, Nat. Bl., en in de Lekenspiegel. Maar wat onoverkomelijk is, is dat de 2 delen van de tmesis door een hele zin van elkaar gescheiden zijn.

Clarisse scheen, alhoewel hij het niet zegt, toch ook niet goed over deze hindernis heen te kunnen stappen, en vroeg zich dan af in navolging van Huydecoper, e.a., of het niet Eilieve! zou kunnen betekenen.

Willems las in hs. B mume, wat Clarisse natuurlijk overnam, en zelfs verklaarde als ‘eenen vriendelijken watergeest, eene Nixe’ (p. 222). Mathias De Vries vond dit toch wel wat àl te kras: onder eigen initialen stelde hij voor in B óók minne te lezen (voetnoot ib.).

Een derde gissing van Clarisse was: micke (= let wel, merk op). Téveel hss. hebben echter minne om aan de juistheid van deze vorm te twijfelen.

[p. 651]

Bilderdijk wilde de verzen a.v. lezen:

 
Minnen heten wise hier
 
Maer (of: mare) het sijn duuelen alle

Van Wijn (Avondst., p. 305) interpreteert, zonder commentaar:

 
[....] heten wise hier.
 
Minne! het sijn duuelen alle

Het Mnl. Wdb, 4, 1168, sub mare: ‘722: de lezing is bedorven; van minne is in eene soortgelijke bet. niets bekend; misschien moet men lezen: Marinnen heten wise hier; mare het syn, enz... Vgl. de gissing van Bild. aan den voet der bladz.; nachtmarinne komt voor in de gemma vocab.’

Het is moeilijk in deze zin een behoorlijke construktie te vinden. Waar houdt bij op? Is het:

 
Nacht merien heten wise hier.
 
Minne, dit sien duvelen alle

of

 
Nacht merien heten wise. Hier
 
Minne. Dit sien duuelen alle

waarop de variant L schijnt te duiden:

 
Maren hieten wi dat hier
 
Minne hieten eillustratie dit zijn duuelen alle

Nu kan minne o.m. betekenen ‘beste vriend’ of iets dergelijks, en het is dan vanwege de schrijver een rechtstreeks tot de lezer gericht woord, als waarschuwing. Ik parafraseer: ‘Er zijn hagedissen, heksen, elven en nikkers. Wij doen ze gewoonlijk allemaal onder hetzelfde hoedje en noemen ze maren. Maar, beste vriend, pas op! Het zijn in werkelijkheid duivels, die als enig doel hebben ons te belagen.’

Vergelijk hiermede:

 
Amelijs [....]
 
Viel in onmacht ende van vare.
 
Die coninc deden opheffen dare,
 
Alse een edel man van sinne,
 
Ende seide: ‘En vervaert u niet, minne!
 
Stant op sloutelike.’
 
(Brab. Yeesten, B II, v. 310 sqq.)
 
De knape liep te sinen wive
 
ende sprac: ‘Hier comen .ij. keitive
 
Minne dien seldi teten setten
 
siet waer si comen int netten.’
 
(Willems, Belg. Mus. X, 70: Sproken of Fabliaux.)
[p. 652]

Anderzijds wordt door M. Gysseling aan mnl. minne de betekenis ‘watergeest’ gegeven, uit Germ. maanja- (= watergeest), fonetisch beïnvloed door minnen en minne (zoogster) (Top. D. 37, 133). De verklaring van Gysseling steunt op verschillende toponiemen en het woord ‘meermin1’.

In ons zinsverband klopt deze betekenis prachtig, maar dan moet de constructie anders geïnterpreteerd worden: minne is dan onderwerp van sien, met expletisch dit; dus:

 
Nacht merien heten wise hier.
 
Minne dit sien duvelen alle.

724 M bedrochten: 1) < inf. bedroven (bedroeven) = o.m. in het verderf storten, met hypercorrecte -ft/-cht-wisseling? (Bedrucht = bedroefd, komt voor.)

2) < inf. bedriegen, met bijgedachte aan bedrocht, znw. = list, streek?

3) < inf. * bedrochten, naar het subst. gevormd?

 

725 H, S over ons verlistighen: Verdam (Mnl. W. 8,2057) stelt voor (met vraagteken) te lezen: ons verlistighen, zoals trouwens in andere hss. voorkomt.

 

730 moete: alleen L heeft moghe: vgl. voor het verschuiven van deze hulpww. van modus nog:

 

754 moghen: M connen

 

763 mach: M can

 

730' en 730' M: de arme copiist is zó onder de indruk gekomen van dat enorme aantal duivels, die er alleen maar op uit zijn ons in de hel te doen storten, dat hij uit pure benauwdheid inspiratie kreeg, en er een twee-regelig gebedje aan toevoegde.

 

736 H, S vrucht: lees: drucht, en vergelijk Mnl.W. 2,442⁄3.

 

759 B roder: lees: droger. Verwarring stichtte het adj. van v. 760.

 

[p. 653]

762 Ups hi (van de bliksem), maar si in 765, 768, 770.

 

765 O kopers: lees: kepers. Met bijgedachte aan ‘koperen staven’?

M, U, W en O hebben het woord keper niet goed begrepen: de eerste vervangt het door latten, de tweede en de derde zagen het verband niet met een dak, de laatste ten slotte heeft corrupt (?) kopers.

 

766 L ende een berch die heuet tac: totaal corrupt.

U die stat: is volgens de betekenis mogelijk, maar maakt het rijm onzuiver.

W dat vat: idem.

B dat (zonder dak): idem.

B heeft waarschijnlijk een corrupte Vorlage gehad, of de sandhi-vorm tac niet begrepen. (Over tac: zie VL, Sandhiverschijnselen in het Ndl., p. 29).

 

767-768 Ups

Swaerde die waren inden scoen Heuet si [= bliksem] oec ontkeren doen: dit is niet duidelijk. De bliksem heeft zwaarden ‘doen’(intr.) ‘ontkeren’, of veeleer (trans.) ‘heeft hij ontkeerd toen?’ Toen, d.i. Mnl. doe (: scoe).

Het woord ontkeren was voor de middeleeuwse copiisten niet duidelijk, blijkens de varianten: onsteken, ontwe geslegen, te broken; M neemt het niet over; U vervangt het door uutkeren: d.i. (naar Voc. Cop.) vernielen, maar dan als inf. gebruikt met doen (ww.).

 

767 U sweert ende scoene: corrupt, lees: [...] inden scoen.

M tzwert: eigenaardige spelling, met verzachte s, waar we juist het behoud van de scherpe consonant zouden verwachten.

Zwert komt reeds voor in de 13e eeuw, en de spelling van M is waarschijnlijk analogisch hiernaar.

O schouwe: joue: het is hier absoluut noodzakelijk de beide vormen in verband met elkaar te bespreken, als we tenminste van het standpunt uitgaan dat ze werkelijk rijmen. We staan dan (wéér eens!) voor een alternatief:

(1) schouwe = schove, nom. schoof, d.i. een houten (pijl-) koker. De spelling ou is (Oost-) Limburgs en Gelders, wat deze hypothese misschien nog meer kracht bijzet.

In dat geval hebben we joue = Jove = Jupiter, als subject van heeft ontkeert.

[p. 654]

(2) schouwe = scoe, met diftong, wat vooral Brabants en Limburgs schijnt te zijn (VL II, 87).

Maar dan moeten we joue dus óók gediftongeerd lezen.

Er bestaat in het Nederl. een uitroep jouw! waarover E. Blancquaert, samen met Mevr. C. Tavernier-Vereecken en hun studenten, een artikel schreven (Top. D. XXIII, 1949). Deze interjectie wordt vooral gebruikt door schutters, en betekent zoveel als ‘raak!’ of ‘roos!’ In het artikel worden talrijke zegswijzen opgesomd, o.m.: jouw schieten, dat es ne schoone jou, mee nog twie jouws zijn z'uit, e.d.

Ontkeren betekent hier ‘uitschieten’ (van een wapen). Welnu, klinkt dit niet aanvaardbaar: de bliksem kan fantastische dingen doen, kepers breken zonder dat het dak ook maar de minste schade lijdt, zwaarden precies raak treffen in de schede, zonder dat die stuk ging, enz... Geografisch zijn er geen bezwaren: jouw, met bijvorm sjouw, komt niet alleen voor in het zuiden, maar zelfs in Amersfoort.

Chronologisch staat het probleem er anders voor. Niets wijst op het bestaan van deze vorm in het Mnl. Hij wordt voor het éérst gevonden bij Kiliaen, en in Amersfoort bestaat hij in de jaren 1654 en vv.

Kan joue ook rijmspelling zijn voor oostel. jo = ‘ja!’? (Cf. commentaar v. 225, p. 683).

Of is het een corrupteel voor touwe = Limb. vorm van toe, in de bet. ‘bovendien, eveneens’ (Mnl. W. 8,387 v.)?

 

767 Ups scoen = mv. Heeft dus de oude vorm bewaard, evenals M, B, W die het enkelvoudige scoe hebben. L, H, S hebben een sing. scoen, U een plural. scoene.

 

769 S stede: corrupt, lees scede.

H: heeft zelfs te stede: lees de scede. Cf. Mnl. W. 7,357.

 

772 B pilijchede: met assimilatie uit pijnlijchede.

 

776 besengt (en varr.) = pikzwart, verschroeid.

 

783 M bliximt: met natonige tweede i.

 

810 L waghen: = zich bewegen. De tekst blijft dus zinvol, maar het rijm lijkt gestoord: draien.

Nu kan de copiist gedacht hebben dat hij in het vorige vers draghen (= zich bewegen) geschreven had, maar dan is hij toch wel èrg verstrooid geweest. Het rijm kon in ieder geval zuiver zijn: ofwel draeijen: waeyen, ofwel draghen: waghen.

 

[p. 655]

815 Ups, M, L, U, O, W smout: cf. De Vooys, Mnl. Woordgeogr., p. 59:

smolt (var. smout): zacht, helder. Een zeldzaam adj. dat behalve bij P. [= Potter] slechts in de Nat. v.h. Geheel-al voorkomt. Mogelijk is het daar een variant van een Hollandse afschrijver’.

Dus hier 3 vindplaatsen méér, t.w. in Ups, O en W. Zie ook Mnl.W. 7, 1380.

 

820 M dat wie wint: 1) ofwel corrupt, lees: dat wint;

2) ofwel wie = bijw. hoe.

 

825 H, S soeket: corrupt. Lees: steket. Cf. Mnl. W. 7,2047.

 

832 M wlghet: corrupt? of vulghet = volghet? cf. 1083 M zwtw't; vooral: 1099 L wl (= vul).

 

834 Ups, U, W varinghe: dit is waarschijnlijk weer een regionaal woord; de andere hss. hebben synoniemen (haest, saen, thans), L gaf er de brui aan en verving de hele zin door een stoplap.

Vindplaatsen in het Mnl. W. (8,1267) van varinghe vooral in Vlaamse teksten; nu nog bij De Bo; Kiliaen noemt het ‘Flandr.’.

 

840 M elkel: dissimilatie voor elker. VL II, 102 + aant. geeft andere vbb.: kindelbedde, letter (= lettel), e.a.

Cf. commentaar v. 1039.

 

855 H Si: lees: so(e) en cf. commentaar 994 M.

 

857 Ups Het is niet uit te maken of er wasem, dan wel wasom staat. Zeker is, dat er geknoeid werd aan de onbeklemtoonde vocaal.

 

859 O: het hele vers is corrupt. Zie de andere hss.

 

860 H, S rooc: het rijm is onjuist (: moet). Waarschijnlijk verkeerd afgeschreven van soet.

bitter ende soet (en varr.): (in Ups., M, L, U, O, W, en B in v. 859): Bilderdijk stelde voor een hendiadys: bitter soet = bitter roet, te lezen, en Clarisse stemde daarmee in.

Het probleem echter is eenvoudig:

bitter = ‘roet’, en komt in die betekenis pas voor in het W.N.T. II 2751 (Cats; De Bo);

soet = eveneens ‘roet, schoorsteenzwart’, en de oudste vindplaats hiervan in het Mnl. W. (Ned. Taalmag. 2.212, zonder tekst) dateert uit de 16e eeuw!

[p. 656]

Zodat we hier een zeer waardevolle aanvulling hebben op het Mnl. W., daar beide woorden veel ouder zijn dan men tot nu toe dacht.

De tautologie in dit vers hoeft ons bij deze interpretatie niet te hinderen: cf. 966 slecht ende effen; 1150 het reghent dan ende es nat; 1570 der manen manescijn, enz...

 

863 Ups, M, O meer (: snee): ondoordacht, uit gewoonte, werd het oorspronkelijke mee gewijzigd zodat het rijm verloren ging (cf. 871: 872, e.a.).

 

865 Ups vtor = uter, met sonorisatie van sjwa.

 

868 Ups, L, U, H, S, W Die = acc. masc. van het pron. rel.

 

869 U hanghede: part. pr. met n-syncope, of vergeten afkortingsstreepje?

 

874-875 L: heeft een corrupte versie.

 

877 B wase: zie Mnl. W. 9, 1780.

 

882 H D twasem: lees: Dor twasem.

 

883 M heet: enclise van oostelijk he (= hij) + t (= pron. n.)?

 

884 H, S wacheit: corrupt. Lees: waerheit. Cf. Mnl. W. 9, 1621.

 

889 M ens = eens. Hier kan aangesloten worden bij en = een (VL II, 42 Opm. 1).

 

893 Ups enich: daarboven menich. De copiist (of wie het dan ook was) begreep, bij het overschrijven van v. 895 (elc vat), dat het hier om een meervoud ging. Vandaar de glosse.

Tenzij hij een tweede legger raadpleegde, die in tegenspraak met de eerste was: vol twijfel over de juiste versie besloot de copiist de beide adjectieven op te nemen. Tot deze veronderstelling kwamen we via M die - en dit is wel zeer merkwaardig - schijnbaar voor eenzelfde alternatief gestaan heeft en het zó oploste: in een of menich vat. W schreef: in veel vatkine.

 

900 L scijn: ik veronderstel dat het subst. bedoeld wordt en de zin a.v. is: hoe meer natheid er hing, hoe meer schijn van de [zonnen-]ring [er hing, of was].

 

901 B regenbode: ook in 905 en 915: corruptie is dus uitgesloten.

[p. 657]

Het Mnl. W. (6, 1195) vermeldt het verschillende keren als variant, o.m. in Der Nat. Bl., en zoekt een eerste verklaring in volksetymologie, een tweede in een meer geleerde etymologie, met bijgedachte aan Iris, de ‘bode’ der goden. Volksetymologie lijkt weinig waarschijnlijk: het woord is in zijn beide elementen te duidelijk om met opzet verhaspeld te worden. Bovendien kondigt de regenboog de regen niet aan, maar staat pas ná een bui aan de hemel. De wijziging in -bode kan echter steunen op een regionale volkslegende, want bode betekent ook: kraam, tent, vat, dus een soort van regen-reservoir.

 

906 M reghens: corrupt o.i.v. het voorgaande rechte. Lees: ieghens.

 

909 M scade: lees: raye. ‘Schaduw’ geeft net de tegenovergestelde betekenis van wat bedoeld wordt.

Wat er precies gebeurd is, is moeilijk met zekerheid te reconstrueren.

 

911 H weruen, S waeruen: lees: verwen, vaerwen.

M waerven: is logischer geweest, en wijzigde de rest van de zin in: sien wi dit, zodat de betekenis min of meer gered werd. Bij H en S past de opsomming van de kleuren niet bij het gebruikte weruen.

In 914 heeft geen enkele afschrijver zich vergist, maar dáár staat dan ook geen cijfer voor het subst., en dat is wat H en S (en ook M, maar die merkte het tijdig!) in v. 911 van de wijs bracht. Vier werven (of een ander cijfer gevolgd door werven) komt in de Natuurkunde-tekst zó vaak voor.

 

911 H, S heuet: lees: gheuet.

 

915 M reghenboech twie: acc. pl. zonder uitgang. Voor de neutra komt dit in het Limb. vaak voor, maar boge, oorspronkelijk m., kreeg soms wegens de e-uitgang het vrouwelijke geslacht. Dit is hier niet het geval, zodat we een zwak masc. hebben in een flectie die ook voorkomt bij sterke woorden als: steen, oom, knecht, e.d. (vbb. bij VL I, 12γ Opm. 1)?

 

932 H, S roden cirkel: paleografisch geredeneerd schijnt het voor de hand te liggen dat H en S in de vorlage rōden hadden, en het n-streepje vergaten.

Tóch kan, naar mij vriendelijk werd bevestigd door de Koninklijke Sterrenwacht te Ukkel, de kring om de maan soms rood

[p. 658]

schijnen, zodat we niet te overhaastig tot een schrijffout mogen concluderen, maar misschien een persoonlijke interpretatie van de copiist hebben. Wat echter deze opvatting enigszins dwarsboomt is dat H en S in 936, waar manifest rond bedoeld wordt, wéér roder gebruiken, en in 938, waar alle hss. het bij ront houden, schrijft nu op zijn beurt O roet. (Hier is een schrijffout zeer goed mogelijk, o.i.v. het volgende moet.)

 

933 L Mnl. W. 9, 1620 geeft: ‘varr. wechede, l. wethede’. Met die variant wordt L bedoeld, waar Clarisse niet de e superscriptum staan zag. In werkelijkheid staat er dus weechede, en is er geen enkele reden om in de plaats daarvan wethede voor te stellen.

 

939 L zeluer: nom.s. Zou, volgens VL I, 45, jong (oudste vindplaats: 1320) en oostelijk zijn.

De volgende anlaut-r kan echter ook de oorzaak zijn van een te consequent geschreven, fonetisch juiste aanleuning. Met een dergelijke soort van assimilatie-drang lijkt L trouwens behept: zie commentaar v. 958.

 

944 H, S deerde: lees: teerde < inf.teeren = opslorpen. Eigenaardige dissimilatie, die alleen maar, door verwarring met deren, een reconstructie kan zijn van wat de afschrijvers in hun legger als een assimilatie beschouwden: het teerde.

 

945 L mate = gering, onaanzienlijk.

 

947-948 staan alleen in Ups niet in de goede volgorde, en dit is zeer uitzonderlijk.

De betekenis die Ups krijgt door het verwisselen der verzen is zinloos.

 

947 H, S ent: lijkt m.i. eerder een απο-κοινου - constructie, met de praesens-vorm van enden, dan wat Clarisse voorstelt: contractie van en dat.

 

948 L dat teken: lees: dats teken.

 

953 L beghinc: voor zover deze zeer duidelijke auslaut-c geen vergissing is (het rijm wordt erdoor verstoord, maar dat bewijst, vooral in L, niets), zouden we hier het imperf. hebben van begaen = beginnen.

Het onderwerp is echter ghi. Nu vermeldt het Mnl. W. ook als betekenis van begaen: transit. aantreffen, ontmoeten. Dit noopt ons dan breken te beschouwen als het mv. van breke =

[p. 659]

gebrek, wat eventueel nog zou kunnen, of als een ontronde vorm van broke, brueke, wat m.i. te ver gezocht is.

 

956 schipman: zie citaat Mnl.W. 8, 583. Cf. v. 1808.

 

958 L in: lees: en. Was de copiist, toen hij dit vers schreef, vermoeid, verstrooid, slordiger dan ooit? Want ook het vlak daarop volgende woord daer (= dar, 3 s.) lijkt psychologisch beïnvloed door het volgende bijwoord daer, alhoewel de gerekte vorm van dar natuurlijk niet uitgesloten is.

963Upsloudegheer, in rubriek louderec;
 Lludergheer, in rubriek lendeghere, in tekening luedeghere;
 Uleudergeer, in tekening loesdere;
 H, Sludergh', in tekening lendegheer;
 Blodegeer;
 Olodege';
 Wleidergheer:

Deze hapax is wel een van de lastigste problemen uit de Natuurkunde-tekst.

 

1) betekenis: er komt niet duidelijk uit wàt precies bedoeld wordt: de donkere vlekken of het mannetje in de maan.

 

2) vorm: enkele varianten zijn zó uiteenlopend dat normale fonetische wijziging uitgesloten is: ofwel was de benaming reeds zo verouderd dat de copiisten er niet goed raad mee wisten, en er maar van maakten wat ervan te maken viel; ofwel was de term zo regionaal (dus: Oostvlaams) dat de afschrijvers hem evenmin begrepen en de vorm hoe langer hoe corrupter werd. Het feit dat het woord in andere teksten niet voorkomt, kan pleiten voor beide hypothesen.

Maar wàt nu precies de oorspronkelijke vorm was, kunnen we moeilijk gissen: de meeste varianten wijzen naar iets als lode(r)- of lude(r)gheer (met [ø]?), zelfs W: leidergheer, waar we eventueel ontronding van het eerste element kunnen hebben (zie Taal W, p. 239: euel).

Een andere interpretatie van leidergheer volgt verder.

 

3) etymologie:

Door de onzekere vorm en betekenis is het haast niet mogelijk de oorsprong van het woord op te sporen. Velen reeds hebben pogingen gewaagd, die niet altijd even gelukkig uitvielen:

[p. 660]

- Van Wijn begon met te zeggen dat hij het woord niet kende (Avondst. IV, 306).

- Bilderdijk (Verklarende Geslachtlijst II, 198) maakt er een ‘Luikenaar’ van, daar dezen de naam hadden ‘maanziek’ te zijn.

Ik vermoed dat hij daarbij dacht aan vormen als Ludeker, Ludic, Ludekeer (cf. Nap. De Pauw, Mnl. Ged. Fr. I, 637-638). Ook Willems (in margine bij zijn afschrift van B) sluit zich bij deze mening aan.

- M. De Vries schreef hierover in 1844 een brief aan Clarisse. Hij veronderstelde: lode (= licht) + geer (= boord, zoom). (cf. Clarisse, p. 225.)

- Grimm (Deutsche Mythologie II, 600) citeert Van Wijn en Bilderdijk, die ‘sicher falsch’ Luikenaar ‘deutet’, en stelt voor: eigennaam Ludgêr (ahd. Liutkêr), Leodegarius, zou via een thans vergeten sage zijn overgedragen op de maan.

- Een tijdgenoot van Clarisse, F.H.G. van Iterson, meende er de naam van Ludgerus, bisschop van Utrecht en prediker in Friesland (8e eeuw), in te zien (in een brief aan Clarisse, door deze geciteerd op p. 231).

- L. Ph. C. Van den Bergh (Proeve van een kritisch Woordenboek der Nederlandsche Mythologie, p. 133) stelt ook de vraag of identificatie met Ludeger, geloofspreker in Friesland, niet mogelijk zou zijn.

- Clarisse zelf heeft er niets op gevonden, en citeert wat anderen ervan dachten (pp. 224-231).

- Met zeer veel overtuiging zegt Halbertsma (Aanteekeningen, p. 84) dat ludergere gevormd is naar ludere = ‘uitgerafelde zoom van een zwachtel of kleed, met welken naam de ouden schilderachtig de ruige en hairachtige plekken in de maan aanduidden.’

Met die ‘ouden’ bedoelt hij alleen ‘Broeder Geraert’, die hij ook aanhaalt. Zonder verdere bewijzen is deze verklaring méér dan vermetel, vooral in de formulering.

- J.A. Bruins (in Driem. Bladen 8, 86-90) haalt een artikel aan uit het ‘Nieuwsblad van het Noorden’, waarin nog een andere etymologie wordt voorgesteld. (Ik heb dit artikel, wegens het ontbreken van een volledige referentie, zelf niet kunnen lezen.)

Het uitgangspunt in het Nieuwsblad is de verklaring van laiterwolf, waarschijnlijk de Fenriswolf, zoon van Loke, later het mannetje in de maan. En de anonieme schrijver wil dan, na lodegeer te hebben aangehaald, een verband leggen enerzijds

[p. 661]

tussen geer en Fr. garou, anderzijds tussen leider, lode, loeder en Loke, dit alles van de nodige vraagtekens voorzien.

Het spreekt vanzelf dat de goede man geen filoloog was, maar de vorm laiterwolf, die in het Oosten voorkomt, is interessant, omdat wij daar misschien een aanknopingspunt vinden voor de leidergheer uit hs. W, waarvan de vorm dan op een regionale interpretatie zou steunen.

- Het Mnl. W. (4, 874) weet er niet méér over te vertellen, en vindt de suggestie van Grimm tenslotte nog de meest aanvaardbare.

Aangezien geen enkele van deze verklaringen of veronderstellingen bevredigend klinkt of voldoende gestaafd wordt, zijn wij verder op eigen houtje gaan zoeken, maar het resultaat werd er niet definitiever op:

- Prof. R. Foncke was zo vriendelijk mij uitvoerig te schrijven (8/7/1964), dat hij het nóch met Grimm, nóch met de anderen eens kan zijn, en dat volgens zijn gevoel de basis van het woord is: liutger = de volksman, of lydger = de volksafstammeling, of lyder = de zonderlinge krijgsman. Tenzij het eerste deel terug zou gaan op ahd. hlūt = beroemd, zoals dat in verschillende voornamen voorkomt.

Anderzijds vestigt hij er de aandacht op dat Ludger in het Hebreeuws ‘de glanzende’ betekent. Dit klinkt zeer verleidelijk, maar is totaal uitgesloten: de dichter heeft het nadrukkelijk over de duutsche naam.

- Toen bleek dat er in de Volkskunde-Atlas van Nederland en Vlaams-België nog geen kaart over het mannetje in de maan verschenen was, ben ik op zoek gegaan in allerlei oude sagen en legenden, uitgegeven door J.W. Wolf, P. De Mont en A. De Cock, P.J. Cornelissen en J.B. Vervliet, M. De Meyer, en anderen - teveel om op te noemen. Bij Wolf (Niederländische Sagen, pp. 584-585, en p. 583) vond ik twee verhalen over een spookgedaante, een soort van kwade geest, die soms in de gedaante van een hond verschijnt, en Lodder heet A. Gittée (Vraagboek, p. 43) stelt, zonder verdere commentaar, de vraag: ‘11. [Is u niets bekend] over ‘Lodder’?’

Alhoewel dit niet te verwerpen is, hebben we er toch niet veel aan.

- De Atlas der deutschen Volkskunde wijdde verschillende kaarten aan dit onderwerp (15, 16, 22 en 23).

[p. 662]

Het enige waar we eventueel iets aan kunnen hebben is dat in heel Duitsland het mannetje in de maan een eigennaam draagt: Karl, August, Wilhelm, Michel, Philipp, Hannes, Peter, Fritz, Heinrich, Seppel, Dieterle, Albert, Anton, enz... Zouden we dan toch Ludger hebben gehad bij ons?

- Bij M. Lexer, Mhd. Handwörterbuch, col. 1951, vinden we: loedingaere = ein belagerungswerkzeug, met als varr. loenigaere, loedinger, laidiger, loniger, loeniger. (Troj. Krieg von Konrad von Würzburg).

Het is best mogelijk dat het volk, bang voor de enorme invloed: ‘cracht der mane’ (!), in zijn onbegrensde bijgeloof er een soort van belegeringsgeschut in zag, als een onophoudelijke dreiging.

- Toen we er ook Schiller en Lübben, Mnd. Wb., op nasloegen, i.v. lodder, loder, loderer, was er iets in de vbb. dat, nuchter gezien, zeker niet méér dan toeval is, maar voor een vergeefs zoekende geest, die toch al zo snel op hol slaat, gevaarlijkverleidelijk:

verschillende vindplaatsen vermelden in één adem èn loder èn ghere, als twee gescheiden substantieven echter:

Der gheren (= gerenden, begehrenden, Bettler) unde der losen lude unde der loddere [= liederlijke kerel, deugniet, vagebond] was vele in Frankrike (Lüb. Chr. 1,65) - were dat yenich loder eder gherende man etc... (Lüneb. St. R. 28, 15) - sunder den lodderen unde den gheren (Korner 96a W).’

Twee scheldnamen, aaneengesmeed, om het verachtelijke wezen in de maan aan te duiden? Het volk heeft steeds geloofd, getuige de Atlas der deutschen Volkskunde, dat Janneke-maan een dief of een heiligschender was, en in de maan zijn straf uitzat.

Het Mnl. kent loeder, lodder als scheldwoord: schoft, liederlijke kerel, vagebond, en volgens J. De Vries, Etym. Wdb. heeft het min of meer dezelfde betekenis in het mnd., (zie Schiller & Lübben), in het oe., on., ohd.

- Bij dit onderzoek ben ik ten slotte ook nog gaan denken aan de als wijziging van bi Gode steeds onverklaarde Mnl. uitroep: bi lode!

Men ‘vermoedt’ allerlei etymologieën, maar geen enkele is zéker. Ik vraag me nu af of dit niet een oud-heidense aanroeping tot de maan zou kunnen zijn, waarin we het eerste deel van ons lode-geer terugvinden.

[p. 663]

Willems publiceerde in Belg. Mus. 1, p. 326, ‘Eene scone exempel’, waarin de volgende verzen: ‘Noch bemane ic u meere/bij den zonnen boom ende bijder manen’ duidelijk genoeg zijn. Het laatste zou dan een equivalent van bi lode kunnen zijn.

Nadrukkelijk wijs ik er echter op dat deze overdenkingen slechts ten beste gegeven worden voor wat ze waard zijn. En ik geloof niet dat dat véél is.

- Men kan ook denken aan de verklaring van de maanvlekken in de Roman de la Rose. Bij het opnieuw lezen van de desbetreffende verzen (16855-16880) trof me plotseling het woord plon:

 
‘Si con li veirres transparenz,
 
Ou li rai s'en passent par enz,
 
Qui par dedenz ne par darrière
 
N'a riens espès qui les refiere,
 
Ne peut les figures montrer,
 
Quant riens ni peuent encontrer
 
Li rai des eauz qui les retiegne,
 
Par quei la fourme aus eauz reviegne;
 
Mais plon, ou quelque chose espesse
 
Qui les rais trespasser ne laisse,
 
Qui d'autre part metre vourrait,
 
Tantost la fourme retourrait;

en voorts aan Dante (Paradiso, Canto II, vv. 85-90):

 
’S'egli è che questo raro non trapassi,
 
Esser conviene un termine, da onde
 
Lo suo contrario più passar non lassi;
 
E indi l'altrui raggio di rifonde
 
Cosi, come color torna per vetro,
 
Lo qual di retro a sè piombo nasconde.’

Beide dichters vergelijken de maan dus met een stuk spiegelglas:

waar ann de achterkant lood zit1, wordt het licht teruggekaatst; waar het glas doorschijnend is, laat het de stralen door zodat we slechts donkere vlekken zien.

Dit is precies het omgekeerde van wat in de Natuurkunde staat: neem een glas en kijk erdoor; overal waar het helder is,

[p. 664]

zult ge licht zien; waar het donkere striemen heeft, ziet ge niets. Het gekozen voorbeeld klopt helemaal niet met de in de vorige verzen gegeven verklaring: alleen waar de maan (spiegel-) glad is, kan zij het licht terugkaatsen; de ruwe vlekke blijven donker.

Het houdt geen steek de gegeven theorie van de maanreflexie te illustreren met een doorschijnend glas; slechts een spiegel kan als vergelijking dienen. En dat is zonder twijfel in de bron van de dichter het geval geweest, zoals bij Jean de Meung en bij Dante. Wie echter schuldig is aan de verkeerde interpretatie, de dichter of zijn bron, is natuurlijk niet uit te maken.

En nu zijn we vlak bij ons doel: er schijnt een traditie bestaan te hebben om de maan te beschouwen als een soort van spiegel en de maanvlekken te verklaren alsof het niet-verlode gedeelten ervan waren.

Zouden we dan in lodegeer een samenstelling hebben: lode (= lood) + geer (= boord, zoom), nl. de in of rond of op de rand van het lood liggende vlekken?

Besluit: men begrijpt onmiddellijk dat met een totaal onzekere spelling en bedoeling het niet mogelijk is etymologisch een verklaring te vinden. Alleen de folklore kan ons helpen: er werd mij echter medegedeeld door de Kon. Nederl. Ak., Afd. Volkskunde1, dat het woord in onze huidige dialecten niet meer voortleeft. Het licht kan dus alleen komen van een oude sage of legende... die nog moet gevonden worden!

 

978 Ups en: waarschijnlijk te lezen als eillustratie.

De vorm en begint slechts sporadisch voor te komen in de tweede helft van de 15e eeuw.

 

981 M dicht: lees dlicht.

 

993 L rinc: dit is eigenlijk het laatste woord van het volgende vers, waar het ontbreekt. Om op de corruptie van deze plaats te wijzen, heeft iemand na rinc een rood kruisje getekend.

 

994 M si is: lees: so (e) is. Zou dit wijzen op een Vlaams voorbeeld, waar M systematisch soe (= pron. fem.) in si verandert, hier dan ten onrechte? (cf. H 855). Of ligt doodgewoon verstrooidheid, met invloed van volgende i, ten grondslag aan wat dan een schrijffout zou zijn?

 

997 M, U, B, O, W dragen = hier: zweven, vliegen.

 

[p. 665]

998 L die dscrifture: lees: die scrifture, tenzij ds hier mag gelijkgesteld worden met anlautende ts in vreemde woorden, waarvan vbb. bij VL II, 116 (zie comm. v. 1037).

 

1005 M teijbijn: lees: teijkijn.

 

1006 Ups maniere: daarboven werd door de copiist naturen ingelast. Alle hss. hebben maniere, behalve B: naturen (W heeft een heel ander vers). Hieruit zouden we moeten afleiden dat Ups ofwel twee leggers gebruikte, of nà het copiëren met een ander hs., verwant aan B, collationeerde, en het woord naturen inderdaad beter gekozen vond.

 

1006 L na die na die: lees: na die.

 

1014 L sekes: lees: seker. Deze fout ontstond o.i.v. volgend des.

 

1018 U, O dier: oudere pluralis-vorm (nom.), buiten het rijm. cf. 1020 U, H, S (= acc.)

Wat O betreft: volgens Tille (§ 251) zeer zelden in het Gelders; is eerder Limburgs.

 

1031 Ups threchte: th = t. cf. commentaar v. 336.

 

1031 L die iaer: iaer is normaal onzijdig. Corrupt, o.i.v. voorgaand die lenten?

 

1035 L, H, S hebben de tekst hier zinloos gemaakt door te schrijven enen-, een nacht, waar moet staan: euen: de nacht is dan gelijk aan de dag. Bij O is het moeilijk het verschil op te maken tussen u en n. H en S hebben enen nacht als nom.-vorm wel wat kras gevonden, vandaar het lidwoord een (of telwoord?). M heeft er helemaal niets van begrepen, en nacht door dag vervangen.

 

1036 M calende: is, als bijvorm van calendier, niet bekend.

 

1037 U et tander: stapelvorm, waarvan talrijke vbb. in de verschillende hss. gevonden worden.

658 H dattet tfier

1117 O int dende

1105 U et tseuende, enz...

misschien ook wel L 998: die dscrifture? (zie aldaar).

 

1038 U heitte: de ei-vorm kan moeilijk teruggaan op mnl. hette, of hitte, want wat kan daar een rekking veroorzaken? Wèl mogelijk is dat we hier een analogie naar adj. heet hebben

[p. 666]

(cf. warm-te). Maar ook