Tot nu toe hebben we steeds als een vaststaand feit gesteld dat de dichter van de Natuurkunde een Oostvlaming was. De argumenten daarvoor waren velerlei: zie deel I. Om ze hier nog even samen te vatten: de kalender wijst nadrukkelijk naar Gent of omstreken, misschien wel naar de Vier Ambachten; in de tekst zelf wordt Gent herhaalde malen vermeld als vergelijkingspunt met Rome (zelfs in het rijm: 1609 Gent: bekent); het Latijnse computus-vers was in zwang in het bisdom Doornik.
Ook de taal van het gedicht levert steun voor deze localisering, met dien verstande dat we natuurlijk, bij gebrek aan een autograaf, met de rijmen zullen moeten werken omdat we daar de grootste kans op non-interventie van de copiisten hebben.
En hoewel we in rijmnood altijd misselike vormen mogen verwachten, meen ik dat de beneden aangehaalde rijmparen te talrijk zijn om uitsluitend als ontleningen te worden beschouwd.
Het staat wel vast dat de dichter in het ontrondende kustgebied thuishoorde. Dit merken we in de volgende rijmen met Ingweoonse vorm:
| 587 | sinken: dinken (Ups denken) |
| 1283 | dicken: sticken |
| 1367 | stic: weddic |
| 1389 | dicken: sticken |
| 1397 | dicke: sticke |
| 1787 | dinne: inne |
| 1803 | dinne: inne |
| 1813 | dicke: sticke |
| 1871 | dicke: sticke |
Deze vaststelling krijgt kracht van bewijs als we zien dat nergens een rijm voorkomt met de geronde vorm.
Hetzelfde geldt voor exclusief ie i.p.v. uu:
| 599 | hier: vier |
| 643 | vier: hier |
| 693 | vier: hier |
| 711 | vier: hier |
| 721 | vier: hier |
| 749 | vier: hier |
| 849 | hier: vier |
| 1433 | niet: bediet |
| 1540 | lieden: bedieden (waar natuurlijk luden: beduden ook mogelijk was). |
Deze kustmnl. en Vlaamse vorm kan ook voorkomen in Brabant, tot zelfs in West-Limburg (V.L. II, 71), maar om de reeds aangehaalde redenen mogen we de laatste twee gewesten uitschakelen.
Verder wordt de oogst schraal. Vlaams is nog:
| 7 | (ghi) sult: verdult |
| 1647 | wonen: conen (Ups connen) |
en buiten het rijm: 404 hantswile (in alle hss., met varr.), door Kiliaen als ‘Fland.’ bestempeld.
Rijmen e: en zijn Vlaams:
| 805 | ic vinde: van viere winde[n] |
| 1117 | van der daghen: alle slaghe |
Ups 363 heeft het rijmpaar:
Haers met ā (> hēre) is veeleer Vlaams. Met -s reeds in Brabant ao 1303, t.w. hors, en te Brugge (!) 1282 hars selves cost (VL I § 28 Aant. f).
De taal van het gedicht verzet zich dus niet tegen hoge ouderdom van ontstaan (eind 13e - begin 14e e.).
Oostvlaams (echter ook Limburgs):
| 907 | west: mest |
| 971 | slecht: lecht (maar 981 licht: slicht) |
| 1881 | enden: venden (Ups vinden) |
| 267 | west: mest. |
Op het eerste gezicht lijken ontleningen aan een vreemde streektaal de Brabantse (ook oostelijke) rijmparen:
| 339 | beghint: kint |
| 1743 | inne: kinne |
| 1795 | versinken: ghedinken |
| 727 | bringhen: dinghen (maar 775 brenct: besengt) |
maar vermoedelijk stonden er oorspronkelijk ě-vormen, die dan juist wèl Oostvlaams zouden zijn. Hierop kunnen wijzen:
| 281 | tfirmament: (ghi) bekent |
| 371 | tfirmament: bekent |
| 387 | firmament: rent |
| 393 | rent: omtrent |
| 401 | tfirmament: rent |
| 409 | tfirmament: rent |
| 1783 | rent: ommetrent |
| 1827 | rent: omtrent. |
Het westelijke of was wellicht de gewone vorm:
| 1857 | grof: of. |
Te oordelen naar de duidelijke aanpassingspogingen door niet-Vlaamse copiisten ondernomen, werd oorspronkelijk het Vlaamse pron. fem. soe gebruikt (zie Filol. Comment. o.m. op vers 303):
| 303 | soe: hoe |
| 435 | toe: soe, en vermoedelijk ook 761 en 1493. |
Regionalismen krijgen hoogst zelden een kans in het rijm. Toch hebben we het Vlaamse ghile (515) en lybaert (1079 en 1095).
Negatief dient er opgemerkt te worden dat ê in het rijm nooit ie geeft, zoals dat wél het geval is in Z-W-Vl., Z-Br. en Holland:
| 21 | planeten: heten |
| 295 | twee: mee |
| 311 | planeten: heten |
| 571 | ghene: clene |
| 579 | ghene: clene |
| 595 | ghene: clene |
| 615 | ghemene: clene, enz... |
-cht- en niet -ft-vormen werden gebruikt:
| 1029 | cracht: macht |
| 1047 | cracht: ghewracht |
| 1289 | cracht: macht |
| 1435 | ghewracht: cracht |
| 1501 | cracht: nacht, enz... |
Het Vlaamse suffix -like heeft blijkbaar verreweg de voorkeur, aangezien het 22 maal in rijmpositie voorkomt (331, 419, 427, 437, 507, 543, 555, 559, 839, 1465, 1477, 1483, 1495, 1503, 1575, 1619, 1665, 1685, 1705, 1711, 1759, 269) tegen slechts tweemaal -leke (1409 en 1427). Deze laatste vorm kan aan het Brabants ontleend zijn, wat in Gent meer voorkomt.
Ook het Vlaamse suffix -hede heeft, hoewel minder vaak gebruikt, toch de overhand:
| 417 | hoechede: mede |
| 460 | mede: hoechede |
| 933 | wachede: stede |
| 1099 | gestadicheden: seden |
| 1599 | stede: hoechede |
| 193 | outheden: leden |
| 199 | outhede: stede |
| 215 | outhede: stede |
| 231 | outhede: mede |
tegen vier -heit-vormen:
| 623 | seyt: waerheit |
| 803 | gheseyt: waerheyt |
| 887 | leyt: waerheyt |
| 1873 | waerheyt: seyt. |
Het is ook mogelijk dat hier aanvankelijk i als lengte-aanduider gebruikt werd, en we dus een geapocopeerde hede-vorm hebben. Het rijm is geen bezwaar: seet, gheleet, leet bestaan, maar het suffix, geschreven -heet, is nooit aangetroffen.
Hoewel dus taalkundig gesproken niets ons dwingt tot het aanvaarden van Gent als bakermat, wijzen de rijmrelicten toch afdoende op een Vlaamse oorsprong. Met behulp van de externe criteria mogen we deze localisering rustig beperken tot Oost-Vlaanderen.
Over de ouderdom van de tekst valt, filologisch gezien, niet veel te zeggen, daar we alleen de rijmen in ons onderzoek kunnen betrekken. Men weet trouwens hoe hachelijk het is een Mnl. tekst op louter taalkundige criteria in een bepaalde eeuw te willen onderbrengen, om niet van een datum te spreken. Archaïsmen bewijzen niets. Het is dan ook enkel pro forma dat ik wijs op de oude vorm mee (= meer) die in het rijm voorkomt, op een enkele uitzondering na:
| 863 | meer: snee |
| 871 | snee: meer |
| 915 | twee: meer |
| 957 | zee: meer |
| 1459 | twee: mee |
| 1745 | mee: ontwee |
| 175 | twee: meer |
behalve:
| 345 | meer: eer |
| 467 | lere: mere |
| 963 | loudegheer: meer |
| 1336 | meer: eer. |