terug  begin  verder
[p. 690]

Hoofdstuk III
Onderzoek van de rijmen

Behalve voor de bizondere, in de Taal van de oorspronkelijke tekst, die van de Hss. of de Filologische Commentaar reeds besproken gevallen, volgt thans een synopsis van de rijmen in hs. Ups, die vermoedelijk niet zoveel verschillen van de originele. Al de resultaten van dit onderzoek lijken misschien niet even belangrijk: m.i. zijn ze echter de moeite waard als ze alleen maar een vroegere hypothese kracht bijzetten of een elders getrokken conclusie bevestigen.

Algemeen

De verzen rijmen paarsgewijze; zelden hebben we een vierrijm:

793 sien: ghescien: ontsien: mettien.

Woordherhalingen (‘rührende’ rijmen), zelfs met verschillende betekenis, komen slechts éénmaal voor:

1633 teerst: eerst.

Toch is het rijmrepertorium tamelijk beperkt en vinden we geregeld dezelfde paren terug:

soe: toe; al: sal; wet: bet; voert: woert; hoert: woert; dicke: sticke; heuet: leuet; hevet: ghevet; gaet: staet; enz... Dit pleit niet voor de vindingrijkheid van de dichter, die zich eerder naar een eens en voor goed vastgesteld rijmschema schijnt te richten.

De rijmen zijn mannelijk en vrouwelijk (staand en slepend) in ongeveer dezelfde verhouding.

Dialectische kenmerken

Dit wordt in het kort een herhaling van wat reeds in het hoofdstuk over de taal van het oorspronkelijke werk gezegd werd.

[p. 691]

De dichter gebruikte ontrondingen: dinne: inne (1787, 1803); dicke: sticke (1284, 1367, 1390, 1398, 1813, 1871). Hierdoor kwamen verschillende niet-ontrondende copiisten in moeilijkheden.

De tekst is ontstaan in een -cht-gebied, wat we reeds wisten, maar door de rijmen bewezen wordt: cracht: macht (1289), enz...

De 1 en 3 sing. van sullen was sal: ic sal: al, ghetal (33, 457, 681, 807, 973, 1167, 1205, 1670); hi sal: al (241, 1161).

Als dubbelvormen hebben we: nu eens bat (: omdat, 1171), dan weer bet (: met, 797; wet, 1219); wel, wale en wele, naargelang van de eisen van het rijm: wel (: el, 373, 425, 1307, 1704, 1807; fel, 829); wele (: vele, 1039); wale (: stale, 659; scale, 1105; tale, 1577).

Afwisselend worden de oudere en de jongere vormen mee en meer(e) gebruikt, de eerste in Ups vaak gemoderniseerd ten koste van het rijm.

Het suffiks -lîke komt slechts tweemaal als -lēke voor; in de 22 andere gevallen rijmt het op aertrike.

Accent

De eigennamen schijnen in het rijm een bij-accent te krijgen:

1423beda: d'na
575tholomeus: dus

enz...

Verder:

999cirkel: wel
1001tekijn: sijn
1005tekine: sine
1409weke: waerlike
1427endeleke: weke
1833lentijn: sijn

Hieruit mogen we echter niet besluiten dat in het Mnl. de klemtoon op de rijmende lettergreep viel, maar eerder dat het metrum zelfs ten koste van het bestaande accent doorgevoerd werd.

ô en ō

Meestal zijn de rijmen zuiver:

[p. 692]

ō: ō 
voert: woert25, 301, 959, 1399.
ghenomen: comen341
voren: verloren1025 (N.B. voren heeft blijkbaar steeds ō.)
voert: moert1185
gheboren: voren1329
scole: dole1365
gode: ghebode1405
voert: poert1607
wonen: connen1647
bouen: ouen1747
holen: scolen1761
besloten: roten1849
noert: woert1883

ô: ô 
groot: root677
groet: doot711, 1363
roec: oec857

Aan de andere kant rijmt ôr- soms op ōr-, iets dat vaker voorkomt en vermoedelijk te wijten is aan kleurwijziging o.i.v. r:

horen: verloren27
voren: horen753, 757, 1715
voert: hoert1145
voert: ghehoert237, 1191, 1179
woert: behoert1147
woert: hoert1327
woert: ghehoert1693
horen: gheboren1297, 1351

Het rijmpaar coemt: noemt, dat tweemaal gevonden wordt (733 en 1879), en waar we normaal ô (oe): ō hebben, kán echter zuiver zijn. De Ndl. oe gaat weliswaar terug op Germ. ô, maar kon in Vlaanderen en Holland een ō-waarde hebben: zie V.L. II, 77c2 en 85b. Bovendien zal hier wel oorspronkelijk ŏ bedoeld zijn, en stond er: comt: nomt.

Er blijft dan 1 geval van rijm ô: ō over: clouen (subst.): ghelouen 1749.

[p. 693]

Hierbij valt op te merken dat clouen als ww. ô heeft; stond er dan in de oorspronkelijke tekst een infinitief, iets als: El soudet die erde diepe clouen? De eensluidende handschriften sluiten deze hypothese echter zo goed als uit.

De dichter is dus wel zéér zuinig omgesprongen met ô: ō-rijmen.

ê en ē

Zoals te verwachten van een dichter die, naar we zagen, nauwgezet schijnt te werken, zijn ook hier de rijmen zorgvuldig gesorteerd: ē rijmt op ē en ê op ê:

ē: ē  
mede: sede15
leeft: heeft19
planeten: weten283, 415, 541
stede: mede329, 357, 443, 449, 965, 977, 1275, 1825
sede: screde539
cometen: weten609
neder: weder (adv.)673, 855, 1733, 1785
breket: steket741, 825
gheeft: heeft745, 983, 1115, 1177, 1359, 1377, 1449, 1499, 1517, 1583, 1595
desen: wesen811, 1245, 1373
weder (subst.): neder815, 949
reghen: gheleghen833
stede: dede875, 1523
cleuet: gheuet931
vele: wele1039
ghenesen: wesen1251
deghen: versleghen1347
sneuen: tleuen1387
seghet: leghet1661
beeft: heeft1781
verteren: verweren1819
leden: steden205
bescreuen: gheuen243

[p. 694]

Het suffix -hede heeft kennelijk ē, blijkens de rijmen:

hoechede: mede417, 461, 231
wachede: stede933, 1599, 199, 215
gestadicheden: seden1099
outheden: leden193

Met heten is er iets aan de hand, wat we sinds lang weten: cf. Franck is Ts. 14 (1895) en VL II, 59 Aant. Daar het vaak rijmt op weten, vermoedt men dat de ê misschien wel tot ē kon verschuiven; Franck heeft zelfs een hypothetisch * hitan, * gahitan gereconstrueerd:

planeten: heten 21, 311

ê: ê 
twee: mee(r)295, 915, 1459, 1745, 175
meer: eer345, 1337
lere (subst.): mere467
ic mene: neghene517
gheheel: deel547, 557, 1481
ghene: clene571, 579, 595
ghemene: clene615
heet (= warm): bereet647, 943, 1175, 1195, 1257, 1719
steen: een655, 1671, 1755
tween: een661
breet: weet691
keren: leren731, 1383
scede: lede (subst.)769
ontwee: wee781
bereet: weet799
mee(r): snee863, 871
zee: mee(r)957
heet (= warm): leet1069, 1187
gheet (= geit): weet1131
beesten: meesten1179
heet (= warm): weet1203, 1211, 1225
leren: heren1249
verseerde: meerde1279
ontleert: keert1305
bekeerde: leerde1579

[p. 695]

keert: ghemeert1395
teerst: eerst1633
meest: gheest1695
zweet: ghereet1757

Ogenschijnlijk twee problemen:

-
tempēēste: mêeste (629, 1800), maar in Franse woorden (zoals tempeest, kasteel, beest, e.a.) is de ē in de dialecten verschoven naar ê, zodat het rijm ten slotte tóch zuiver is;
-
loudegheer: meer (963): aangezien we de etymologie van het eerste woord niet kenne, kan de e kwalitatief niet bepaald worden. Afgaande echter op de zorg van de dichter, wat de ê- en ē-rijmen betreft, mogen we wel veronderstellen dat loudegheer een ê had.

â en ā

Deze zijn blijkbaar in 's dichters streektaal samengevallen. Ik meen dat het overtollig is lange reeksen rijmen te doen volgen; enkele vbb. van â: ā volstaan:

altemale: wale289
iaer: waer353, 1341, 167
graet: verstaet411
affricaen: verstaen423, 1689
enz... 

e: en

Dergelijke rijmen, die bij uitstek in het Vlaamse gebied voorkomen, zijn in Ups. niet al te talrijk. Het kan niet uitgemaakt worden wie daarvoor verantwoordelijk is: de schrijver of de copiist, want niets in het rijm is gewilliger voor paragoge of apocope vatbaar dan n.

We treffen de volgende e: en-rijmen aan:

tiden: side1635
manieren: sciere903, 1727
wile: milen701
onderlinghe: dinghen713
nature: vren1019
dinghen: aertbeuinghe1445

[p. 696]

ei

In enkele gevallen vinden we ei, variant van ê, rijmende op ei < -ěg-:

1)seyt: waerheit623
 gheseyt: waerheyt803
 leyt: waerheyt887
 waerheyt: seyt1873
2)breyt: gheseyt1721
 leyt: ghereyt1741
3)weet: gheseyt891

Wat de eerste categorie betreft, over de waarde van de suffixklinker kan hier niets gezegd worden.

In de tweede reeks hebben we de - voor Vlaanderen - eigenaardige vormen: breyt en ghereyt. Op het eerste gezicht zouden we gemakkelijkheidshalve kunnen aanvoeren dat deze ten behoeve van het rijm overgenomen werden uit misselike tongen. Toch is dit wellicht te eenvoudig: dergelijke ‘bevreemdende’ vindplaatsen treft men méér aan in Wvl., Gent, en talrijke rijmparen komen voor bij Maerlant: cf. VL II, 59 Aant. Een grondig onderzoek van dit probleem op basis van een vergelijking van verschillende Mnl. teksten (verschillende bronnen) verscheen inmiddels van de hand van A. Van Loey: Over Westmnl. Ê/EI, in: VMVA 1967, 31-85.

Ten derde hebben we weet: gheseyt, waar we maar moeten raden wat bedoeld wordt: weet: gheseet, of weyt: gheseyt. Dit werd uitvoerig besproken in de Filologische Commentaar, p. 624.

ĭ- î - ie - îe

î rijmt steeds op î:

si (conj.): di317
wile (n): milen477
viue: wiue513
mile: ghile515
bi: wi1235
enz... 

[p. 697]

behalve soms in de auslaut (520 mie: astronomie, dus î: ie, waarover meer in de Filol. Commentaar, pp. 642-3 en 666-8).

ie: ie 
hier: vier (= vuur)599, 643, 693, 711, 721, 749, 849
drien: gescien613
scieten: lieten631
dien: vlien651
ghesien: ghescien679, 707
enz... 

De Franse woorden en eigennamen krijgen een î-waarde (cf. V.H. p. 53):

denijs: wijs1565
latijn: sijn (esse)1829

Enkele speciale gevallen zijn:

ghesien: phisicien1271

waar we een normaal ie: ie-rijm hebben (voor phisicien: zie V.H. p. 118). Maar wat dan met

sijn (esse): phisicijn1247

waar een phisicijn met î moet verondersteld worden?

In rijmen als

tekijn: sijn (esse)1001
tekine: sine (adj.)1005
lentijn: sijn (sunt)1833

moet ook aan het suffix een î-waarde toegekend worden.

In

sagittarijs: is1123
quansijs: is1317

moet in beide vreemde woorden ij = ĭ gelezen worden; de ij zal wel een spellingsgril zijn: er kon heel goed in de autograaf staan: sagittaris en quansis.

Wat

versien: knyen1593

betreft, zie Filol. Comment., pp. 666-8.

[p. 698]

Besluit

Samenvattend mag gezegd worden dat de Natuurkunde- dichter zorgvuldig zijn rijmen uitzocht, de techniek van het dichten meester was, en niet voor het oog, maar voor het oor rijmde. We mogen hem in dit opzicht op één lijn stellen met Jacob van Maerlant, die we evenmin als onze dichter esthetisch willen beoordelen en die algemeen bekend staat als een nauwgezet vakman.

terug  begin  verder