Nederduitse en Latynse keurdigten


auteur: anoniem Nederduitse en Latynse keurdigten


bron: Nederduitse en Latynse keurdigten. Pieter van der Goes, Rotterdam 1710  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 352]origineel

Priesterlyk bruylofs-bedde
Geheiligt door nuttige gedagten, en alzo bereid voor den Eerwaardigen, Godzaligen zeer geleerden Do. Carolus Ursinus, Predikant in Hellevoetsluis,
En de Eerbare Deugt-, en zegen-ryke Juffr. Clarabontius,
't Samen getreden in den Egtenstaat op den 26. November 1658. In Leiden.

 
NOg duurt de wonderbant, nog menglen onbekende,
 
En lyf, en ziel, en goet, en vrinden onder een:
 
Nog wort 't oneigene op 't aldernauwst gemeen,
 
En zoo bekentmen die men noit te voren kende.
 
Gewoonte is een Wet, das noot men goede vrinde:
 
Dus zingt men Bruiloftszang, dus ciert men Bruiloftsbed,
 
Uw vriendschap, waar de Man, wiert dus myn pen een wet,
 
Ik wenschte dat ik my(a) by uwe vreugt kon vinden.
 
Nogtans ik leen myn hand, om 't Bruiloftsbed te cieren,(b)
 
Niet onder Maagdenrey, met palm of ander kruit,
 
Maar met een ander groen voor Bruidegom en Bruid:
 
Dat langer groenen kan als palmboom of laurieren.(c)
 
Het Bruidsbet leid gereet, de bant van volle eenheid:
 
Beschouw nog fyne tyk, nog dons nog sagte veer,
 
Nog hoe gy sagjens zult te samen zygen neer,
 
't Is niet genoeg dat hier de Bruyd niet meer alleen leid.
 
Dit bed zy tot een les van 't durende genoegen
 
In regte eenigheid, op 't heilig ledekant
 
Van Salomon, dewijl het vest de liefdeband,(d)
 
Gelijk de ligte veer door 't tyk zig t'zaam laat voegen.
[p. 353]origineel
 
Het Bedde is gespreit met dekens fyn geweven,
 
Vergaapt u niet aan 't wit of root van wol of sprey:
 
Maar laat een beter deken voor u alle bey,(e)
 
De wyste Salomon u van zyn koetse geven.
 
't Gordyn behang is moy, de franje uitgelezen:
 
Maar star-oogt niet op 't fyn van zyd', of zuivre say.
 
Het Priesterlyk behang dat toonde ook wel fray
 
Maar weet, het most een moy voor 't Heilig dom maar wesen.(f)
 
Men slaat de lakens op, ziet daar het fijnste linnen:
 
Dees roemt des wevers spoel, en die des spinsters draat.
 
Fyn linnen was ook eertyds Priesterlyk gewaat.
 
Het leere zuiverheid van buiten en van binnen.
 
De kussens schikt men op, daar zult gy zagjes lonsen:
 
Het fijne speldewerk beziet men met vermaak.
 
Man Gods, denkt dat de ziel bekropen werd met vaak:
 
Ontziet u niet op 't luije kussen hart te donsen.(g)
 
Hoe ruikt dit Maagden groen: 't zyn blaatjes uit de hoven,
 
't Is kostig opgemaakt. Wie kon dit beter doen!
 
Uw Bedstee, Bruydegom, past vry een ander groen,
 
Gehaalt uit beter hof: dit groen zal haast verdooven:(h)
 
Genoeg het Bed bezien: de Kamer-deur gaat open:
 
De Bruygom trekt zyn Bruyt; zy volgt met al haar hert:
 
Dog hangt in d'armen van haar Speelnoods gants verwert.
 
Zoo trekt ons Hemels Bruydegom, wy zullen loopen.(i)
 
De Bruyt is binnen deurs, de Bruydegom nog buiten:(k)
 
Hy volgt 't verliefde oog: de Speelnoods zynder voor:(l)
 
Hy roept, doet op myn lief, maar niemand geeft gehoor.(m)
 
Hy klopt, en eer men 't denkt, hy komt de deur ontsluiten.(n)
 
Myn ziele vint haar lust, daar Jesus rust: de weg staat(o)
 
Gestopt met aards gewoel. Ach! ziel hoe raakt gy voort!(p)
 
'k Ben binnen: maar ik heb myn Jesus klop gehoort,(q)
 
Weg weerelts Maagden-rey, 'k doe op eer dat hy weg gaat,(r)
 
Wat nu? der vrienden drang volgt op des Bruigoms stappen:(s)
[p. 354]origineel
 
En Maagden met een rey: daar meed' het laatst Adieu(t)
 
De Moeder mist haar kind, de Vader wagt een nieuw:
 
Nog moet men eerst een zoete scheid-dronk laten tappen.(v)
 
Neemt afscheid oud geslagt, myn hert vergeet uw woning.(w)
 
Lust u een scheid-dronk; wagt van my geen aarde glas(x)
 
Gevult met zoete drank: of eenig druif-gewas,(y)
 
Drinkt met my liefde-wyn van Jesus, tot belooning.(z)
 
't Geselschap is nu weg: de speelnoots voor het scheiden,
 
Gereet ten laasten dienst, ontkleen de Bruid: de Kroon,
 
De Keten, 't opper-kleet, en ander Bruilofts schoon
 
Raakt weg: de Bruid en Bruigomblyven met haar beiden.(a)
 
Zoo vind myn ziel de dienst in veel uitwendigheden
 
Van vrinden van(b) de Bruid en van de(c) Bruidegom:
 
Maar als ik tot de eige pligt van liefde kom,
 
Dan zoekt myn ziele Jesum in myn eenzaamheden.
 
Nu is 't des Bruigoms tyd: myn Bruid ik ruik uw kleeren(d)
 
Met lust: wel dit is regt een kostelyk gewaat!(e)
 
Dit kleet is 't siersel voor de dogteren van staat.
 
Maar laat ons een'ge pligt van dit gewaat gaan leeren
 
Cyvet, of Ambregrys, of zyde-wormen braaksel
 
Is niet genoeg, 't Perfuim gestooten in 't mortier
 
Van 't Heiligdom, gedroogt by 't Priesterlyke vier,
 
Geest geur aan Kristi Bruid, in 't kleed van Hemels maaksel.
 
De Bruid geraakt te bed: de Bruigom als gebonden,
 
Staat aan het Ledekant. Hy scheid zig daar niet af(f)
 
Dan zoo wanneer door 't nare duister van het graf
 
Die luister en de vreugt van 't huw'lyk werd verslonden.
 
Nog is myn Bruidegom met vaster liefde banden
 
Verbonden aan myn ziel: hy rust zig, daar ik rust,
 
Ontkleet van 't aartsche kleet: ik wagt zyn rust met lust,
 
En als de Bruid, nog meer en nader liefde-panden.
 
De Bruigom raakt op 't bed, hy vat haar in de armen,
 
*De slinker om het hooft, de regter om het lyf:
 
Hy word haar eigen man, en zy zyn eigen wyf.
[p. 355]origineel
 
Ach! wout myn Jesus ook alzoo myn ziel omarmen!
 
Daar leid het zoete paar, en slapen met haar beiden:
 
Het duister geest wat schrik, des schoon het ooge slaapt,
 
Het hert is wakker: Want de Bruid haar niet vergaapt
 
Op 't eerste Bruilofts bed, maar vreest terstont voor scheiden.(g)
 
Schoon dat myn Hemels-man, my kusten in het trouwen,(h)
 
Ik sliep niet sorgeloos, ik vreesde 't heenen gaan:
 
'k Hou wagt op dat hy van my niet en ga van daan:
 
De trou is zoet, maar nog veel zoeter altyd houwen.(i)
 
De slaap is uit, de Bruygom ryst in d'eerste morgen:
 
De heel verliefde Bruid, verlieft nog meer en meer,
 
Zy ken hem voor haar Man, haar voogt, haar eigen Heer.
 
Het morgenligt verdrijft het nare nagte zorgen,(k)
 
Ach! dit is al mijn hoop, na dat ik heb geslapen(l)
 
In 't onderaardsche bed, in 't duister van de dood,
 
Te zien mijn Bruidegom, als 't schoone morgen root,
 
Om dan uit nieuwe liefd' een meerder vrugt te rapen.(m)
 
Hy roept staat op mijn lief, zy spreekt, ik kom beminde.(n)
 
Hy grijpt haar by de hand, zy stapt het bedde uit,
 
Zoo word zy volle Vrouw van 't huis in plaats van Bruid,
 
Zy volgt nu zelfs de man zoo snel als radde hinde.(o)
 
Mijn hoogste wensch is ook, die stemme eens te hooren:
 
Staat op Vriendin, kom, word in huis mijn volle vrouw:
 
Geniet de volle vrugt en vreugt van onze trouw:
 
Kom, woont by my in huis, zoo gaat gy noit verloren.
 
Daar knielt het heilig paar, het offer gaat na boven;
 
De Deur gaat op, de vrienden juichen met een wensch.
 
O blijde morgenstond! als d'onderaardsche mensch
 
Als vriend, en Bruid, en Vrouw van Jesus, God zal loven.
 
 
 
Amen.
 
 
 
Franciscus Ridderus.