terug  begin  verder
[p. 298]

Sonnetten. Door Albert Verwey.

I.

Engelenzang.

 
Van verre komt het als een schoon gerucht:
 
Daar is een kind gebore' in Bethlems stal -
 
Zijn naam is Zaligmaker, want Hij zal
 
De wereld redden, die in weedom zucht.
 
 
 
De wereld kent Hem niet, maar in de lucht
 
Zijn teekenen en wond'ren door 't heelal;
 
Uit de open heem'len klinkt een schoon geschal
 
En eng'lenscharen zingen in de vlucht:
 
 
 
‘Vrede, vrede, - van nú aan en altijd -
 
Liefde voor állen mensch, ´llen, die klagen:
 
Zij zullen allen smaken 't hoogst genot.
 
 
 
Vrede, vreden op aarde! en wélbehagen
 
In alle menschen! Eere, eere zij God!
 
Eere in den Hooge en Liefde in eeuwigheid!’ -
[p. 299]

II.

Christus aan het kruis.

 
O Man van Smarten met de doornenkroon!
 
O bleek, bebloed gelaat, dat in den nacht
 
Gloeit als een groote, bleeke vlam, wat macht
 
Van eind'loos lijden maakt Uw beeld zoo schoon! -
 
 
 
Glanzende Liefde in eenen damp van hoon -
 
Wat zijn Uw lippen stil - hoe zonder klacht
 
Staart ge af van 't kruis - hoe lacht gij soms zoo zacht -
 
God van Mysterie! Gods bemindste Zoon!
 
 
 
O Vlam van passie in dit koud heelal,
 
Schoonheid van smarten op deez' donkere aard!
 
Wonder van liefde, dat geen sterfling weet! -
 
 
 
Ai mij! ik hoor aldoor den droeven val
 
Der dropp'len bloeds - en tot den morgen staart
 
Hij me aan met groote liefde en eind'loos leed....
[p. 300]

III.

Christus van het kruis.

 
Vestig die oogen niet op mij: hun blik
 
Is stijf, als van wie stierf in gruwb're pijn;
 
Hef niet die handen - 'k zag ze lang - zij zijn
 
Doorboord - o God, geronnen bloed kleeft dik
 
 
 
Op Uw gewonde voeten - Neen, verschik
 
Ze niet in hunnen dood: daar is een schijn
 
Van stille glorie rond Hem en op zijn
 
Gelaat zie 'k eind'loos leed, maar vrees noch schrik.
 
 
 
O liefste God, dien 'k liefheb wijl Ge lijdt,
 
Sluit gij mijn oogen, dat ik niet meer zie,
 
Bind gij mijn lippen dat ik niet meer spreek':
 
 
 
Opdat ik niet, tot stervens bang, uitbréek
 
In hoon en eenen storm van snikken, die
 
Ú zouden smetten in Uw heerlijkheid.
terug  begin  verder