|
|
|
| | | | | |
Literaire kroniek.
Sinds zes jaren is onze literatuur bezig, voortdurend bezig te
groeien en zich te ontwikkelen. Het aantal duurzame werken, ons door de jongere
generatie in die kleine spanne tijds geschonken, is groot, grooter wellicht dan
in eenig ander zestal opeenvolgende jaren in vroeger tijd. Aan
Emants'
Lilith zal altijd de roem verblijven, den rij te
hebben geopend: daarna komen in chronologische volgorde:
Amazone,
Mathilde,
Nanno,
Vorstengunst en
Godenschemering.
Al deze werken wijken, door onderwerp als door behandeling, in de
meeste opzichten, af van die der renaissance in het jaar '40, zoodat men,
zonder paradoxaal te wezen, kan beweren, dat zij een nieuwe periode onzer
letteren beginnen, ten minste voorbereiden. Zoowel de romantische, als de
huiselijke, de ‘vaderlandsche’, als de godvruchtige poëzie van
het voorgaande tijdvak hebben afgedaan of sterven in de geschriften van eenige
minder begaafde auteurs een langzamen dood.
Het eigenlijk karakter der nieuwe periode, zoo als het in genoemde
werken aan den dag komt, is onkerkelijk en kosmopolitisch. Zij tracht naar het
grootsche zoowel als naar het subtiele, en er is in de poëzie een streven,
een zeer krachtig streven merkbaar, om van gemeenplaatsig, fijn-psy- | | | | chologisch;
van gemoedelijk, hartstochtelijk; van ‘zoetvloeiend’,
rhythmisch; en van rhetorisch, plastisch en artistiek te worden.
Men kan nu reeds zeggen, dat dit streven niet vergeefsch zal wezen,
en dat het toppunt der opgaande beweging nog verre van ons ligt. Onze
letterkunde gaat een schoone toekomst te gemoet.
Het zou natuurlijk voorbarig zijn, nu reeds een vergelijking te
beproeven van de intrinsieke waarde der werken, die de beide herlevingen hebben
voortgebracht.
Potgieter en
Beets zijn ontegenzeggelijk de hoofden van het
afgeloopene tijdvak en in hun onderling contrast de kenmerkendste figuren
ervan. Zij, en die om hen stonden, hebben voor goed het klassicisme verdreven,
dat, in de 18e eeuw verstijfd, door
Bilderdijk nog eens een onnatuurlijke verrijzenis, als
de laatste koortsige opflikkering der levenskrachten bij een stervende,
ondervond. Beets gaf ons het realistische gedeelte zijner
Camera en eenige naïeve liederen, tot een
altijddurend bezit; de zooveel rijkere en forschere Potgieter liet ons een
schat van studiën in proza en verzen achter, die nog geschift en
gerangschikt zal moeten worden, voor men een beslissend oordeel over zijn
waarde en de plaats die hem toekomt, uitspreken kan.
De generatie van 1840 heeft een zwaren strijd gehad, maar zij is
allen tegenstand te boven gekomen en staat nu daar als een afgesloten geheel,
waar veel te vergeten, maar ook veel te vereeren en veel lief te hebben is. Wie
haar zou willen vonnissen, heeft zich slechts even te herinneren, wat onze
literatuur vóór dien tijd was, uit welk een onnatuur en rhetoriek
de oude
Gids is voortgekomen, - om zijn oordeel in te houden en
het hoofd te buigen.
Ook de generatie van 1880 heeft haar kamp te bestaan.
Maar éen ding heeft zij op de roemrijke afgestorvene vooruit:
achter en boven haar staat de reuzenfiguur van
Douwes Dekker, wiens woorden zestien jaren lang
als een moker rondvlogen door ons literair en politiek en maatschappelijk
leven, sarrend | | | | of dreigend, kneuzend of verplettend, om dan terug
te keeren in de hand des dondergods, die hem thans voor goed ter zijde schijnt
gelegd te hebben.
Multatuli, de onfeilbare artist, die de kunst minacht,
de beeldstormer, die, al verdelgende, zichzelven een duurzaam monument heeft
gesticht, weet zelf niet wat een invloed de vrijheid van zijn oordeel en de
scherpte van zijn kritiek hebben gehad, ook daar waar hij ze het minste
verwacht: in het tot stand komen dezer voor alles artistieke en psychologische
periode onzer literatuur.
Toen zoo even de namen Potgieter en Beets werden vermeld, bleef die
van
Busken Huet achterwege, en dat niet bij toeval.
Want Huet is meer dan een der leiders van het voorgaande tijdvak - hij is dat
tijdvak zelf. Bijna een vierde eeuw lang heeft hij elk nieuw literair
verschijnsel van zijn land voor zijn rechterstoel gedaagd en vonnis gesproken
zonder onderscheid des persoons, alleen afgaande op zijn verstand en zijn
overtuiging van wat goed en schoon verdient te heeten in de kunst. Twintig
jaren van rijm en onrijm heeft hij onder de oogen gezien en gekeurd, de
schrijvers schattend en lovend, straffend en verdoemend, of ook wel eens
plagend en kittelend, als hun misdrijf hem slechts een afdwaling en geen
ingeboren aandrift scheen. En steeds is hij de zichzelf in de macht hebbende
superieure geest gebleven, die, schoon hij rechter is, toch mensch kan wezen,
en omdat hij mensch is, in alles gentleman meent te moeten zijn. Zijn bliksems
zond hij uit met een hoofdknik en een glimlach, en iedere dolksteek ging van
een buiging vergezeld. Menig onzer brave letterhelden heeft hij met zulk een
innemenden ruggestoot de deur uit en op straat gezet, dat de onnoozele bloed,
alleen gelaten, het met zich zelf oneens was, of de criticus hem niet de
grootst mogelijke eer ter wereld had bewezen.
Huet heeft geest, meer geest dan men van een echten Hollander, als
hij, verwachten zou, en dat juist deed zijn kri- | | | | tiek in een kwaden
reuk staan bij zijn landgenooten. Men heeft hem hier lang voor een literairen
sansculotte aangezien, een paradoxalen dilettant, omdat hij den draak stak met
den eerwaarden
ten Kate en den eerwaarden
Beets een vêertje onder den neus durfde
houden.
Wie de huisgoden der Hollandsche letterkundigen aanrandt, wie om de
ziels-ontboezemingen van talentvolle predikanten lacht, kon niet in ernst
wezen, zoo redeneerde men. Men vergiste zich.
Huet's kritiek richt zich geenszins naar de opkomende grillen van
een levendig en ondeugend vernuft. Zij is niet de luimige uitval van een
loshoofd. Zij komt voort uit een vereeniging van gezond verstand,
scherpzinnigheid en liberaliteit, waarmeê hij zijn collega's hier te
lande al te maal de loef afsteekt. Zij heeft zich ontwikkeld en gezuiverd door
den omgang met een der beste en edelste zijner tijdgenooten.
Uit denzelfden bodem opgegroeid als de poëzie zijner dagen,
verheft zij zich toch voldoende boven deze, om haar te kunnen overzien. Zijn
gedachten over literatuur zijn die van een gezond en degelijk man, een gezeten
burger, die de kunst bemint. Wie later wil weten, hoever de besten uit den tijd
van 1840 het in literaire ontwikkeling hebben gebracht, zal slechts de
Litterarische Fantasiën behoeven op te slaan, om
zijn weetlust bevredigd te zien.
Ziet daar eenige beschouwingen, door de lezing van Huet's nieuwsten
bundel opgewekt
1). De schrijver zelf rechtvaardigt door die
uitgave de waarheid van het bovenstaande schitterend. Het boek is bijna even
curieus als een voorrede van Bilderdijk, voor de historie der Hollandsche
kritiek.
Bij een eersten opslag ziet men niets vreemds. Een vlijtige studie
over
Vergilius, eenige nekrologieën van grootheden van
den eersten en tweeden rang, 't is alles de oude Huet, minus, misschien, de
geest. Eerst als men tot de beide slot-artikelen is doorgedrongen, stuit men op
een van die feiten, die in het eerste oogenblik uw verontwaardiging wekken, in
het tweede oogenblik u doen glimlachen, in het derde u | | | | noodzakelijk en onvermijdelijk voorkomen. Dan berust men, zooals in
elke fataliteit.
Want een fataliteit schijnt het te wezen, dat de ontwikkeling eener
literatuur niet zonder schokken en stooten geschiedt, dat nieuwe literaire
ideeën en toepassingen stormenderhand hun plaats in de officiëele
wereld moeten veroveren, dat een ten einde loopend tijdvak miskent of negeert,
wat haar, voor haar algeheel overlijden, van een volgend nog onder oogen mocht
komen.
Laat dan niemand zich boos maken, omdat Huet
Zola niet kan verstaan. De geschiedenis
gaat haar weg en over vijftig jaar zal zijn misprijzend oordeel vergeten en
vergeven zijn. Het nageslacht zal het hem niet eens in vermindering van zijnen
roem aanrekenen, want het zal weten, dat Huet, krachtens al zijn antecedenten,
zijn geheele organisme, zoo oordeelen moest. Hadde hij anders gedaan,
hij ware abnormaal geweest.
Een andere curiositeit is de houding, die
Huet tegenover onze nieuwste letterkunde aanneemt, en
die zeer duidelijk te erkennen is uit de verzameling verspreide artikelen,
onder het algemeene hoofd:
Nieuwe Nederlandsche Letteren, waarmede de
schrijver zijn jongsten bundel kritieken besluit. Die titel, Nieuwe
Nederlandsche Letteren, schijnt ironie, maar is het niet. Men kan veilig
aannemen, dat Huet in gemoede de boekjes die hij daar bespreekt, voor de
waarachtige vertegenwoordigers onzer nieuwste letterkunde houdt. Als men Huet's
vroegere geschriften en de qualiteiten van zijn aesthetisch oordeel kent, is er
geen reden om te gelooven, dat de in onze allereerste alinea genoemde werken
eenig welbehagen of zelfs eenige belangstelling bij hem zouden wekken. Het
verraadt dan ook geen geringe mate van zelfkennis in den auteur, dat hij over
onze eigentlijke nieuwe Nederlandsche letteren gezwegen heeft. Schoon men niet
kan ontkennen, dat die zelfkennis nog grooter zou gebleken zijn, indien de
schrijver ook dit weinige achterwege gelaten had. Want wat hij zelf zoo geestig
over de boekbeoordeelingen van
de Gids opmerkt, ‘dat al hetgeen zij
afkeuren lof, al hetgeen zij prijzen | | | | blaam, en het overige geen
aandacht verdient’, zou men met evenveel recht van zijn oordeelvellingen
over
Helène Swarth,
Hollidee en den onbekwamen
Honigh kunnen beweren.
Doch laten wij 't den grooten prozaïst hierover niet te lastig
maken. Zijn oordeel over verschillende schrijvers moge dikwijls averechts
uitvallen - het zegt wat, de leesbaarste auteur van een geheele literatuur te
zijn. Die kroon kan slechts hij hem ontrooven, die tevens zijn goed
recht bewijzen zal, haar op zijn eigen hoofd gezet te zien.
Het jongere geslacht zal Huet in eere houden, door hem te lezen en
te overdenken, en niet vergeten - ook al moge hij eenmaal van ons zijn
heengegaan - hoe hij alleen het heeft durven erkennen, dat
Bogaers een poëtaster,
ten Kate's
Schepping een berijmde preêk en
Beets'
Verscheidenheden dilettantenwerk is.
Zeer onlangs zijn twee nieuwe figuren zich in het gelid der
‘Nieuwe Nederlandsche Letteren’ komen scharen,
A. Cooplandt en
Albert Verwey. Over beiden een enkel woord.
Albert Verwey's gedichten.
2) De kritiek heeft reeds vele dwaasheden over
dezen bundel gezegd en zal nog voortgaan er vele te zeggen. Zoo zijn bijv.
der Sterren mysterie en
Maanlicht, die men zoo mooi vindt, niets meer dan
een paar slecht afgewerkte krabbeltjes, uit 's dichters vroegste periode. De
sterkste impressie, die zij geven, is een gevoel van spijt, dat zij niet bij
den grooten hoop van het teruggehoudene in de portefeuille zijn blijven liggen.
Hetzelfde zou van
Omhul mijn hoofd en de drie eerste strofen van
Feeënzang kunnen gezegd worden.
De Roze is beter, maar ietwat mat van timbre. Men
ziet hier reeds 's dichters latere intensiteit door die vage, weeke vormen,
dien zoetigen en onzekeren rhythmus heen schemeren, als vlammen door de zachte
rondingen van plooiende wol. Zonder nu nog uit:
Sproke der zee, dat echter bijgewerkt is en
daardoor jongere en betere gedeelten bevat,Zang en de een
weinig gepomadeerde
Endymion, dan is nagenoeg
| | | | al
het overige vlekkeloos artistiek werk. Vlekkeloos, omdat de dichter de
impressies zijner verbeelding, de rimpelingen van zijn gevoel zóo weet
vast te houden en weêr te geven door rhythmus en klank, zijn
middel van uiting zooals de verven het voor den schilder zijn, dat de lezer,
die ooren heeft om te hooren en verbeeldingskracht om te zien, diezelfde
impressies en diezelfde rimpelingen in zijn eigene ziel voelt opkomen. Niet
vlekkeloos daarentegen om de nauwkeurige betrachting van grammatische en
prosodische regelen, die slechts in zooverre regelen zijn, als de dichter ze
goedkeurt en ze voldoende vindt om het artistieke effect, waarnaar hij tracht,
te bereiken. De Hollandsche taal is verre van oud en gestereotypeerd in der
eeuwigheid te zijn: zij zal integendeel heel wat veranderingen moeten
ondergaan, heel wat leniger en rijker en levensvoller moeten worden, om al de
hartstochten en fantasieën, al de gedachten en droomen, gansch het
zieleleven van den modernen mensch te kunnen uiten en bestendigen, zoo als het
eener schoone, welgevormde taal past.
Verwey neemt in versbouw en rijm en woordvoeging tal
van onschoolsche vrijheden, die even zoovele schoonheden ten gevolge hebben.
Nieuw is ook de vermenging van iambische, trochaeische, daktylische en
anapaestische verzen in
Rouw om 't jaar en
In Memoriam patris, die met hun beiden het
allerhoogste en allerschoonste van den bundel zijn.
Zooveel over de techniek.
Een der kenmerken van de nieuwe richting in de poëzie is een
vrij sterke neiging naar het epos, het echte, plastische epos, met groote
figuren en tragische toestanden, zooals
Keats het bij
Milton aantrof en
Verwey het in Keats gelezen heeft. Ook lijkt Verwey op
Keats, zooals Keats op Milton, d.w.z. eigentlijk niet. Een paar beelden slechts
uit
Persephone vindt men in 't
Hyperionfragment in knopvorm terug; b.v. dat der
‘reuzenstieren’ op bladz. 12, van de ‘bloemen’ op
bladz. 7. | | | |
Persephone mist de intellectueele aspiratie van
Godenschemering en het sentiment van
Nanno: ook is het niet symbolisch als
Lilith: 't wil niets zijn dan volmaakte plastiek en dat
is het.
Ook geen passie moet men er in zoeken, dan de passie der schoonheid.
Die visioenen van licht en kleur, die mysteriën van melodie, die
vlekkelooze vormen, opvlottend voor onze oogen met den rhythmus van het vers,
willen niets en kunnen niets dan genot geven. En genot is deugd.
Toch zou het jammer geweest zijn, als deze bundel alleen artistieke
fantasieën had bevat. Een stel Persephone's zou gehoor en
voorstellingsvermogen van velen onzer landgenooten stellig geen kwaad gedaan
hebben; maar
Verwey belooft ons ook nog andere dingen, en hij zal
veel moeten doen, om niet te kort te komen in de verplichtingen, die zijn
belofte hem oplegt.
In Memoriam patris,
Levenslust en
Mephistopheles Epicuréus wijzen over dezen
bundel heen naar drie richtingen, waarin de dichter slechts behoeft voort te
gaan, om in drie nieuwe genres uit te munten.
Het realisme van
Levenslust en de psychologische zelf-analyse van
Mephistopheles kunnen zeer goed samen gaan. Maar
de scherp gelijnde trekken en vlakke tinten van het eerste, de zelfbewuste
subtiliteit van het tweede, de zware, vaste rhythmus van beiden - 't is een
geheel andere beeldensfeer, een ander gamma van sentimenten, dan de vage,
vliedende vormen der lyrische plastiek, de fijn geünduleerde cadans, het
hooge accent van
Rouw om 't Jaar en
In Memoriam, zooals weer al deze verschillen van
en een aanmerkelijke vooruitgang zijn op de weelderige zwoelte der nog ietwat
ambergeurige Persephone.
Verwey schijnt meer dan ééne ziel te
hebben: al kwam een enkele er van tot volledige ontwikkeling, zou 't al heel
wèl zijn.
Een talent van een gansch andere orde is
Cooplandt.
3)
Zie daar nu eens een naturalist, die met
Zola niets gemeen heeft dan zijn vermogen om juist op te
merken | | | | en zuiver weêr te geven. Menschen, toestanden,
omgeving, alles is hollandsch, tot de atmosfeer toe. Er hangt door al deze
schetsen een grauwe, vaderlandsche hemel uitgespannen, en daaronder warrelt het
kleine doen en laten der alledaagsche wereld heen en weer en sukkelt langzaam
aan naar het graf. Alles is gewoon aan deze menschen, hun ziel en hun lichaam,
hun lotgevallen en hun einde, maar toch interesseeren zij, omdat het inderdaad
menschen zijn. ‘Uit het leven’ is een stuk leven, naakt,
kaal, waar menschenleven. Tusschenbeiden slechts komt de dood, het groote
mysterie, en werpt voor een oogenblik het grondelooze licht der eeuwigheid op
de vale banaliteit van het menschenbestaan. Men schrikt en ziet elkander aan en
kruipt bijeen: men weent wat en philosopheert wat - dan gaat alles weer zijn
ouden gang.
|
1)Cd.
Busken Huet.
Litterarische Fantasien, vierde reeks, zesde deel.
Haarlem, Tjeenk Willink 1885.
2)Albert Verwey.
Persephone en andere gedichten. 's Gravenhage, A.
Rössing. Anno 1885.
3)A. Cooplandt.
Uit het leven. 's Gravenhage, Mouton & Co. (Wij
zullen in de eerstvolgende aflevering dezen bundel uitvoerig
bespreken.)
|
|