|
|
|
| | | | | |
De studie van het Romeinsche Recht. Door Willem
Paap.
| |
II.
Een der meest gigantische jokkernijen, die de
schoolboekengeschiedenis in de hoofden der menschheid bewaart, is de
zoogenaamde ‘receptie van het romeinsche recht’ door de Germanen
der middeneeuwen. Wel verre van door het volk gerecipieerd te zijn, is het aan
de massa tegen haar wil opgedrongen, is het ingevoerd na een strijd tusschen
verschillende werkingen van den menschelijken geest, een strijd die én
als geschiedkundig feit belangwekkend is, én omdat een verbetering van
den treurigen toestand onzer geestelijke wetenschappen slechts door een
hernieuwing van dien strijd en een andere beslissing, dan door de zoo hoog
geroemde renaissance gegeven is, verwacht kan worden.
Laten wij den aard er van trachten te kenmerken.
De stad Rome was van haar aanvang het middenpunt van
het romeinsche rijk, de zetel der heerschappij. Op deze beteekenis der
hoofdstad berust de gelijkheid van recht voor | | | | het geheele gebied,
de eenheid van het romeinsche recht: dat recht was een
stadsrecht.
De moderne staten daarentegen hebben zich niet uit enkele steden
ontwikkeld: in den beginne waren zij volksmassa's van gelijken oorsprong, en
ook later bestond hun eenheid niet in het hebben eener regeerende hoofdstad.
Hun recht, in het bijzonder het germaansche, was dientengevolge geen
stadsrecht, maar een volksrecht. En gelijk er verschillende
duitsche volksstammen waren, zoo ontstonden er ook verschillende volksrechten;
zelfs was bij denzelfden stam het recht alles behalve gelijk, daar iedere groep
van individuën, een stad, een dorp, meer of minder haar eigen
rechtsgewoonten had en daarnaar uitspraak werd gedaan. Ongetwijfeld zullen in
dalen, die door slechts lage bergkammen gescheiden waren, dikwijls
verschillende rechten hebben bestaan, wijl elke groep zelf haar recht kon
maken, wijl dat recht de uiting was van de verschillende individualiteiten der
groepen. Ter verduidelijking dezer feiten geef ik hier, zeer beknopt
natuurlijk, de geschiedkundige ontwikkeling van het germaansche volksrecht.
Vóór de volksverhuizingen waren de germaansche
stammen verdeeld in marken en gauen en deze weder in de zoogenaamde
‘Hundertschaften’ (huntari op allemanische gedenkteekenen, hundrede
bij de Angelsaksen, centenae in de wetten der Franken). Op de
volksverzamelingen der gauen - het koningschap was steeds beperkt - werd alles
behandeld wat op de gemeenschap betrekking had en daartoe behoorden ook de
rechtsvragen tusschen particulieren. Hetgeen op deze wijze de
‘Thing’ der gauen was voor den grooteren, dat was de bijeenkomst
der ‘Hundertschaften’ voor den kleineren kring: vragen van minder
belang werden door haar beslecht.
1)
Ook na de volksverhuizingen bleef, vooral bij de stammen die vroeg
vaste woonplaatsen hadden ingenomen en niet | | | | met de Romeinen in
aanraking waren geweest, de gemeene vrijheid de kern van den staat en was de
handhaving van het recht bij voortduring de taak der gemeente. Zoo was dan ook
in het algemeen de toestand, totdat twee gebeurtenissen grooten invloed kregen
op de verdere ontwikkeling der germaansche rassen: de bekeering tot het
Christendom en de inlijving in de frankische monarchie. Beide feiten toch
werden afzonderlijk en te zamen oorzaken van een nauw verband tusschen de
verdere geschiedenis van het duitsche volk en de klassieke oudheid.
Het Christendom bracht de kennis der latijnsche taal, bovendien
voor sommige levensomstandigheden van het volk weldra eenige bepalingen van het
kanonieke recht, en bovenal de studie der oude geschriften, o.a. van het Corpus
Juris. Door zijn zeer verklaarbare voorliefde voor het romeinsche recht -
beider taal immers was het Latijn - is het een der oorzaken geweest van het
beunhazen in rechtsaandoeningen der negentiende eeuw, al geef ik overigens
gaarne toe, dat de christelijke godsdienst als zoodanig op het een of ander
recht gunstig zou hebben kunnen inwerken.
Een gelijksoortigen invloed had de inlijving bij de frankische
monarchie, wijl zij een koningschap kende, dat, op den veroverden romeinschen
bodem ontwikkeld, bij de Germanen de souvereiniteit der volksstammen beperkte
en hen vereenigde tot een ‘geordend’ staatsleven. Met de door het
Christendom gebrachte studie der oudheid, is zij waarschijnlijk de oorzaak
geworden der onderdrukking van het individu door den Staat, van het latere
despotisme, dientengevolge van den bijna algeheelen ondergang van het
individueele leven en van het leuterend parlementarisme der eentoonige,
onoogelijke groote rijken van den tegenwoordigen tijd.
Schijnbaar slechts afgedwaald, kan ik ook slechts schijnbaar terug
keeren tot mijn onderwerp: het recht. In weerwil dan van de grond-idee zijner
monarchie, bleef onder
Karel den Groote de rechtspleging nog altijd bij de
volksverzamelingen der gauen en ‘Hundertschaften’, werden de
gedingen | | | | nog altijd door de vrije ingezetenen uitgemaakt, en bleef
de bron van het recht de overtuiging van het volk: wettelijke bepalingen voor
het privaatrecht zijn nog zeldzaam. Voor de vroegere gewoonte evenwel, dat een
of meer der aanwezigen een oordeel aan de verzameling onderwierpen, wijl een
vergadering zonder leiding onmogelijk is, kwamen nu in de plaats de zoogenaamde
Karolingische ‘Schöffen’, die onder de leiding van een door
den graaf gezonden zendbode uit en door de gemeente gekozen werden, en, wijl ze
voor sommige zaken zonder de tegenwoordigheid dier gemeente uitspraak mochten
doen, de eerste vorm der toekomstige jurisdictie waren.
Kort wel is waar bleef de frankische monarchie bestaan; maar
ofschoon na haar ontbinding velerlei bepalingen weder in onbruik geraakten,
gelijk b.v. in de wetten van sommige volksstammen geisoleerd opgenomen
voorschriften van het romeinsche recht, toch bleven vele en gewichtige
veranderingen den grondslag vormen der middeneeuwsche ontwikkeling van het
germaansche ras. Dit was ook het geval met de instelling der
‘Schöffen’. De toestand was dus voortaan deze, dat de
rechtspraak bijna in haar geheelen omvang berustte bij het volk, onder de
leiding van een uit en door het volk gekozen persoon. Voorzitter van het geding
was meestal een beambte van den keizer, een graaf; maar dit had geen anderen
invloed, dan dat er aan de handeling een zekere waardigheid door werd gegeven,
en de afzonderlijke rechtsplegingen in een los verband werden gebracht met het
geheel.
Natuurlijk wijzigde zich ook deze toestand in het verloop der
geschiedenis. Toch bleef zij tot het einde der middeneeuwen wat de hoofdzaken
betreft, onveranderd, en behoeven de enkele wijzigingen hier dus niet vermeld
te worden, wijl zij het wezen der wording van het recht niet veranderden.
Het kon niet anders, of op deze wijze moest een verscheidenheid
van recht ontstaan, die een algemeene samenvatting van sommige maatschappelijke
verhoudingen ten eenenmale onmogelijk maakte. Hoe zeer dit vooral ten aanzien
der | | | | dienstbaarheid het geval was, blijkt uit de woorden van den
Sachsenspiegel:
1) ‘Nû en lâzet ûch nicht wunderen, daz
dicz bûch alsô luczel saget von dînstlûte rechte; wend
ez ist alsô manigvalt, daz es nieman zu ende komen en kan. Under
ieclichem bischofe unde abte und abtischen habn die dînstlûte
sunderliche recht, dar umbe en kan ich es nicht bescheiden.’
Vraagt men nu, hoe bij zulk een verscheidenheid het recht toch met
zekerheid erkend en aangewend kon worden, dan luidt het antwoord: dat recht
ontsproot onmiddellijk uit de levensverhoudingen en was bekend aan elk ervaren
man, vooral natuurlijk wat den kring zijner eigene maatschappelijke
werkzaamheid betrof, m. a. w.: dat recht stond geschreven in het verstand en
het gemoed van het volk, het was een volksrecht. De ‘Schöffen’
onderscheidden zich door kennis van het recht en door ervaring; zij waren wel
de representanten van het volk, maar vormden geen bijzonderen stand: zij hadden
geen juridische geheimleer. Hun plicht was, het orgaan te zijn van de
overtuiging der gemeente, hetgeen hun zoo zeer gelukt is, dat
Beseler in 1843 schrijven kon: ‘Man braucht nur
die Schöffenurtheile und Weisthümer aus dem 15 und dem Anfang des 16
Jahrhunderts, von denen, gerade in neuester Zeit manche interessante Sammlungen
veröffentlicht sind, zu betrachten, um sich zu überzeugen, wie
lebendig das Recht noch im Volke war, und mit welcher Sicherheit und Gewandheit
die Schöffen es anzuwenden wussten’.
2)
Gelijk wij zagen, was het germaansche recht niet bekend bij een
enkelen stand: het was geen juristenrecht; - het leefde in het volk: het was
een volksrecht.
Savigny nu beweert
3) - en ik zie geen reden om zijn hypothese niet over te nemen - dat
elk positief recht oorspronkelijk een | | | | volksrecht is geweest.
Inderdaad is er, wat het romeinsche recht betreft, geen enkele grond voor de
veronderstelling, dat de XII Tafelen niet de rechtsovertuiging van haar tijd
zouden hebben weergegeven. Maar zelfs al willen wij aannemen dat tot op het
eind der republiek het romeinsche recht een volksrecht is geweest, en al
stellen wij voorloopig met Savigny als noodzakelijkheid, dat er bij de verdere
ontwikkeling van een recht noodwendig een juristenstand moet ontstaan, dan nog
blijven tusschen de geschiedenis van het romeinsche en die van het germaansche
recht der middeneeuwen de volgende belangrijke verschillen.
Vooreerst was voor den Romein, gelijk wij in een vroeger deel
dezer studie zagen, het begrip ‘recht’ een afzonderlijk begrip, dat
niets had uit te staan met begrippen als zedelijkheid, godsdienst enz.; hij had
een strictum jus en later een heilige res judicata.
Hij aanbad het recht als een fetisch. Den Germaan daarentegen waren recht,
zedelijkheid en godsdienst één. Thans evenwel meen ik bovendien
te moeten vragen: waarom mag dientengevolge de germaansche ziel voor hooger
worden gehouden dan de romeinsche?
Wanneer wij ter beantwoording dier vraag slechts bedenken, dat het
een eerste kenmerk van hooge vernuften is, veel te kunnen omvatten en na een
ruime opvatting te kunnen generaliseeren, dan, meen ik, kan er geen oogenblik
twijfel over bestaan, of de Germaan, die, als hem een rechtsvraag voorgelegd
werd, niet alleen aan de woorden van den Sachsen- of Schwabenspiegel dacht,
maar tegelijk zijn gevoel, zijn zedelijkheid, zijn godsdienst, zijn verstand
liet werken, stond veel hooger dan de Romein, die bij de beslissing van een
rechtsvraag de letterlijke woorden van het edikt las en overigens niets in zijn
geest liet omgaan.
En ziedaar meteen het zwaartepunt van mijn betoog: GEBREK AAN
RUIMTE VAN OPVATTING, ziedaar de krankheid waaraan de negentiende eeuw
lijdende is, niet alleen in het recht, maar gelijkelijk in alle geestelijke
wetenschappen. En wanneer men dan bedenkt, dat althans in het recht,
daargelaten nog alle andere verschillen, de Germanen te dien aanzien
| | | | boven de Romeinen stonden, dan kan men slechts met
verontwaardiging uit historische feiten leeren, hoe door een kinderachtige
vereering en een halzige bestudeering der klassieken die meerdere ruimte van
opvatting voor eeuwen den kop is ingedrukt.
Mochten de voorgaande beweringen van de waarheid niet al te ver
verwijderd wezen, dan kan het romeinsche recht geenszins, gelijk men alom
beweert, door de Germanen gerecipieerd zijn, dan moet het integendeel zijn
opgedrongen. Is aan den anderen kant die opdringerij aan te toonen in het
verzet van het volk, dan is dat een nieuw bewijs voor de deugdelijkheid mijner
meeningen. Laten wij zien, hoe het daarmede staat.
Na den val van het romeinsche rijk was in Italië door de
binnengedrongen volksstammen het romeinsche recht in meer of minder gewijzigden
vorm overgenomen, en gelijk Savigny heeft aangetoond, blijven voortbestaan. Van
een eenigszins wetenschappelijke behandeling vernemen wij evenwel niets voor de
11e eeuw. Dan verschijnt plotseling een zekere
Irnerius, die aan de hoogeschool te
Bologna het romeinsche recht bestudeerde en onderwees. De
werkzaamheid van hem en zijn volgelingen bestond in het maken van glossen bij
den tekst; vandaar hun naam glossatoren.
1 Reeds in
de 13e eeuw geraakte deze manier om de hersenen te amuseeren in verval; men
schreef niet meer glossen op den tekst, maar glossen op de glossen, totdat men
in de 15e eeuw er toe kwam om glossen op de glossen van de glossen te
schrijven.
2)
Hoe kon zulk een wetenschap invloed krijgen op het ger- | | | | maansche
maansche volk, dat zich tot nog toe zonder boekerige studie
ontwikkeld had? Als oorzaken daarvan noemt men gewoonlijk: 1o. de
strijd met Italië, 2o. de invloed der
geestelijkheid, 3o. de oprichting van het Reichskammergericht. En
inderdaad klinken zij aannemelijk. Door de oorlogen met Italië toch kwam
men in aanraking met streken, waar dat recht, zij het ook in gewijzigden vorm,
geldend was, en te meer nog hadden zij invloed, wijl de duitsche keizer roomsch
keizer heette en men de justiniaansche compilatie als het werk van een
voorganger beschouwde. De kerk kon de verspreiding bevorderen, doordien nog
tijdens het bestaan van het romeinsche rijk de geestelijkheid naar dat recht
leefde, het later als kerkenrecht voor de kerk behield en het vervolgens als
kerkelijk recht op de maatschappij toepaste. Ten gevolge van een en ander moest
men, toen in 1495 het Reichskammergericht opgericht werd, wel degelijk rekening
houden met het feit, dat reeds sedert de 14e eeuw en vroeger de
romanisten in Duitschland invloed hadden; de helft van de leden
dier rechtbank waren dan ook doctoren in het romeinsche recht, hetgeen aan den
anderen kant de invoering daarvan weer bevorderde. Maar al mogen er dus geen
redenen zijn om het groote gewicht dezer feiten te ontkennen; geenszins
schijnen zij mij voldoende om redelijk te verklaren, hoe tegen het einde der
middeneeuwen over een groot germaansch volk, dat in het bezit was van eigen
rechten, recht kon worden gesproken volgens een duizend jaren oud wetboek,
gemaakt door een geheel ander volk. Er moet achter die oorzaken een diepere,
sombere achtergrond schuilen om zulk een sombere gebeurtenis te hebben kunnen
bewerken. En die achtergrond is, meen ik, deze.
Het kind gevoelt eerbied voor alles wat oud is.
Volken in hun kindsheid gevoelen eerbied voor volkeren, die tot de historie
behooren. Door dien eerbied gedreven, meent men zelfs per se
beneden vroegere, verstorven ontwikkeling-perioden der menschheid te staan.
Zóó waar is deze meening, dat nog tegenwoordig weinig
Nederlanders zich voor intellectueel hooger zullen durven houden dan de
Romeinen; | | | | dat anderen in een eeuw, die, ook wat de kunst betreft,
één groote, brandende passie is, hun gevoel niet beter weten te
bevredigen dan door van een Griek de blufferij te lezen, die hij, alvorens met
de Trojanen te vechten, zit te bedactylen.
En toen eens de studie van het romeinsche recht door eerbied voor
de oudheid geboren was, werd weldra de verspreiding door de omstandigheid
bevorderd, dat de menschelijke ziel ontzag gevoelt voor alles wat van verre
komt en mysterieus is; dat spellers der wetenschap, toen gelijk nu, den mond
opspalkten voor schijngeleerdheid gehuld in het waas der mysterie,
vooral wijl men, toen gelijk nog thans, verzekerd was, vervolgens zelf met die
schijngeleerdheid den egyptischen priester te kunnen spelen. Schijngeleerdheid
was het, niets te bestudeeren dan een dood recht, zonder zich in het minst te
bekommeren om het levende. Maar een dood recht, gehuld in het mysterieuse waas
eener gestorven taal, ziedaar der menschelijke ziel een te heerlijk kindeke
Jezus aangeboden, om het niet een volle adoratie te wijden.
Zwaar hebben de middeneeuwen hun eerbied geboet Nadat
Irnerius en de wereldberoemde Quatuor Doctores hun
glossen hadden verzonnen, schreven hun leerlingen, gelijk wij zagen, uit
eerbied voor de glossen weer glossen op de glossen en uit eerbied voor de
glossen op de glossen schreven derden weer glossen op de glossen van de
glossen.
Al de middeneeuwen door had bijna niemand een goed begrip van het
woord wetenschap. Daaronder verstond men: boeken te lezen die oud waren, heel
oud, bij voorkeur boeken òver de oude boeken.
1 En dit zou uitnemend zijn
geweest, had men maar niet die ééne kleinigheid vergeten, het
oude te bestudeeren, niet om het oude, doch om het verband met het heden. Maar
wat spreek ik van de middeneeuwen! In de 19e eeuw dacht de heel
groote
Puchta er juist | | | | zoo over. In zijn
Gewohnheitsrecht schrijft hij over de juristen der middeneeuwen:
1 ‘Dass
sie dem römischen Recht sich zuwandten, kann ihnen nur zum Lobe gereichen.
Denn wer damals wissenschaftlichen Sinn und das Bedürfniss geistiger
Bildung in diesem Zweige empfand, konnte keinen andern Weg einschlagen, als
diesen, welcher die wissenschaftlichen Bemühungen zu einem Gegenstand
führte, der selbst ein wissenschaftlicher und dieses in einem sehr hohen
Grade war.’ Voor
Puchta was het geen wetenschap de rechten van het
levende duitsche volk na te vorschen: de schrijver van den Sachsenspiegel was
voor hem geen wetenschappelijk man; neen, wetenschap was: te weten wat de
Romeinen hadden geweten. En de schrijver staat in zijn meening zoo weinig
alleen, dat hij tegen elken hier of daar eenzaam rondzwervenden tirailleur een
heele armee van Puchta's te velde zou kunnen brengen. Nog altijd, lezer! is het
veel wetenschappelijker te weten met welken balsem
Cleopatra zich zalfde, dan de vraag te beantwoorden,
waarom de kat die op uw bureau zit, zich met spug besmeert; veel geleerder, met
de eerste kennis beladen de romeinsche wereld verkeerd te beschrijven en een
Georg Ebers te worden, dan na ijverige studie van het
heden een
Zola te zijn.
In de middeneeuwen evenwel was de massa, door een heerlijk gebrek
aan boekerige kennis nog te frisch en te gezond van verstand, dan dat zij bij
de invoering van het romeinsche recht, bij Den Strijd Tusschen
Schijngeleerdheid en Ruimte van Opvatting aan de zijde der eerste zou
hebben gestaan. Niet zonder morren liet zij zich het recht, dat in haar
bewustzijn leefde, door een vreemde geheimzinnige macht ontrooven, die beweerde
voortaan recht te zijn en weldra den ganschen rommel van het romeinsch-kanoniek
proces met zijn geheime, schriftelijke behandeling in de vroeger opene duitsche
gerechtszalen bracht. Niet zonder weerzin liet zij zich bevoogden, liet zij toe
dat een | | | | knutselig recht ontstond, waarvan nog eeuwen na dien de
vloek zou gelden: - Een eeuwige pest van ons recht is, dat wat wij niet met den
tekst kùnnen, wij toch met den tekst willen bewijzen.
1
In de ‘Schóffengerichten’ beleefden de
romeinsche doctores dan ook dikwijls alles behalve pleizierige dagen. Maar niet
alleen het volk morde. Fugger zegt zelfs in den Ehrenspiegel van
keizer Maxmiliaan: ‘Sonsten wie er wol alle
Gelehrten lieb und wert hielte, so hat er doch die Juristen, welche des Bartoli
und Baldi Schrifften und Meinungen als ohnfelbare Oracula und
Götter-Aussprüche zu allegiren und anzuführen pflegten,
gehasset, und nit an sich leiden mögen.’ Sterk ook sprak de
beiersche ridderschap in 1499, in een stuk, dat ik uit het latijn vertaal,
aldus: ‘Ten aanzien der rechters heerscht een onverdragelijke dwaling.
Want geenszins worden zij volgens de oude gewoonte gekozen, maar de meesten
zijn romeinsche professoren, weinige slechts zijn magistraten, edelen of
burgers. Terwijl het recht der plaats gehandhaafd moet worden, de oude
gewoonten als wet moeten gelden, wordt juist veel tegen haar gedaan. Vandaar
teleurstelling, dwaling, oproer. Want die professoren van het recht, kennen ons
recht niet, en als zij het kennen, willen zij er niet naar handelen.’
Een eigenaardige manier van recipieeren zou ik tot hen willen
zeggen, die jaar uit, jaar in, spreken over ‘de receptie van het
romeinsche recht.’ Niet natuurlijk, wanneer het gegeven geval alleen
stond. Maar gelijke klachten werden vernomen van de wurtemburgsche landstenden,
de rijksridderschap in Frankenland, de stad Lubek. En een der schoonste
persoonlijkheden van den tijd, Ulrich von Hutten, streed met alle kracht tegen
de Bartolisten en vóór het goede recht | | | | van het volk.
Duidelijker evenwel dan dat alles sprak in 1525 de Boerenkrijg, Nadat de boeren
eerst hun XII artikelen hadden geformuleerd, werd vervolgens in het
‘Reformplan van Heilbronn’ de eisch opgenomen, dat het romeinsche
recht moest worden afgeschaft en de romeinsche doctoren niet meer voor de
rechtbanken mochten worden toegelaten. Ziedaar het romeinsche recht een der
oorzaken geworden, waarom heel Zuid- en Midden-Duitschland verwoest en verbrand
zijn.
| |
III.
Een reactie kon natuurlijk niet uitblijven en volgde reeds in het
begin der 17e eeuw, toen
Hugo De Groot optrad met stellingen over het
zoogenaamde Natuurrecht, aldus geheeten, wijl men het beschouwde als op de
natuur der dingen en der menschen gegrond te zijn. Vooral in de achttiende eeuw
werd dit recht door de meeste juristen naast de overige rechten met groote
ingenomenheid bestudeerd en verder ontwikkeld. En moge het nu al door den aard
zijner stellingen op het praktische privaatrecht weinig hebben ingewerkt, een
grooten en gunstigen invloed heeft het ongetwijfeld op het internationaal- en
het strafrecht gehad.
Met De Groot, kan men aannemen, begon de beweging. Zijn werk
evenwel behandelde hoofdzakelijk volkenrecht, gelijk dat van den weldra
volgenden
Thomas Hobbes algemeen staatsrecht. De Columbus der
nieuwe studie werd eerst in het begin der 18e eeuw de heidelbergsche
hoogleeraar
Samuel von Pufendorf, een strijdlustige en strijdbare
natuur, die in zijn
De Statu Imperii Germanici, onder den naam van
Severinus de Monzambano en onder het mom van Italiaan te
zijn, heftig en scherp de duitsche rijkstoestanden en de duitsche geleerden
dermate hekelde, dat hij, toen eindelijk het geheim ontdekt werd, terstond uit
zijn land moest vluchten. Was, gelijk reeds hieruit blijkt, deze geleerde een
oorlogzuchtige persoonlijkheid, inderdaad had ook het natuurrecht zelf een
revolutionaire inborst en was het geenzins het | | | | zoete systeempje,
waarvan de schoolboeken meestal spreken.
1
Om mijn lezers, voor zoover zij met de geschiedenis der
rechtsgeleerdheid minder vertrouwd zijn, die meening te verduidelijken, zal ik
eenige stellingen afschrijven uit de laatste periode van het natuurrecht, en
niet uit de werken van een hartstochtelijk karakter als
Rousseau of een halven dichter als
Moses Mendelsohn, maar uit de geschriften eener kalme
ziel, gelijk die van
Gottlieb Hufeland. Ter kenschetsing van den tijd deel ik
mee, dat de voor mij liggende tweede druk zijner ‘Lehrsätze
des Naturrechts’ in 1795 te Jena verscheen, drie jaren nadat de
kanonnen van Valmy het despotisme der Hohenzollerns van den franschen bodem
hadden moeten verjagen.
§ 141: .... Folglich müssen auch alle Menschen
gleiche ursprüngliche volkommne Rechte haben.
§ 144. Daraus folgt dann, dass ich jeden, der sich mehr
ursprüngliche volkommne Rechte gegen mich anmasst, als meiner Ueberzeugung
nach allen zukommen, mit Zwang zurücktreiben darf.
§ 145. Aus dieser Entwickelung und dem, was oben über die
Ehre gesagt worden, folgt, das es keinen Rang nach dem
ursprünglichen Naturrecht gebe.
§ 229. Ehe Eigenthum an den Sachen vorhanden war, waren die
Sachen zum Gebrauche allen gemein.
Deze vraag is door de natuurrechtsgeleerden verschillend beantwoord.
Sommigen, zooals Schlettwein, zeggen in het algemeen: alle menschen hadden
oorspronkelijk dezelfde rechten aan alle zaken
2).
Grotius spreekt van een oorspronkelijk algemeene
positieve gemeenschap der zaken
3), Fischer van een gemeenschappelijken eigendom van grond en
bodem, maar eigendomsrecht van het individu over de produk- | | | | ten
1), Pufendorf van een oorspronkelijke negatieve gemeenschap
2),
enz.
§ 329. Im Naturstande gehört eine Sache nach dem Tode
ihres Eigenthümers niemanden; folglich kann jeder sie durch Besitznehmung
sich zueignen. Daher kein Familienerbrecht (successio ab
intestato) im Naturrechte.
§ 529, 3. Getödtet kann der Oberherr nicht werden, als
wenn es eine Pflicht gebietet. - Als curiositeit deel ik mede, dat dit
guillotine-motto wordt voorafgegaan door het volgende staaltje van ideeën,
waartoe men met ‘logisch’ en ‘wiskundig’
‘definiëeren’ en redeneeren komen kan: Der Oberherr kann nicht
gestraft werden, wenn er sich nicht durch seine Einwilligung der Strafe
unterwurfen hat.
§ 545. Demnach ist eine Veränderung der Regierungsform nur
entweder durch allerseitige Einwilligung, oder aber ohne diese nur dann
erlaubt, wenn durch veränderte Ueberzeugung einigen anfangen, diese
Regierungsform für verboten anzusehen
3)
Wanneer men bedenkt, dat deze anti-revolutionnaire, jaanarchistische
ideeën werden neergeschreven en in een plechtige toga geleeraard door een
‘ord. öff. Lehrer des Lehnrechts’, N. B., ‘und
ausserord. Beysitzer der Juristenfacultät und des Schöppenstuls auf
der Universität zu Jena’, dan ligt, dunkt me, de vraag voor de hand:
hoe kwam een zoo kalme toga-ziel aan zulke ideeën? Het antwoord luidt:
door bij zijn redeneeringen een methode te volgen, waarvan de toepassing, als
men zich eens van haar juk verlost heeft, allerzonderlingst schijnt, nl. de
wiskundige methode En vragen wij: hoe kwam de rechtswetensehap in het algemeen
aan die misplaatste wiskunstenarij, dan is het antwoord: door de studie van het
romeinsche recht. Om het verkeerde dier | | | | methode en den invloed,
dien het romeinsche recht te dezen aanzien op de moderne volken gehad heeft,
aan te toonen, meen ik vooraf de vraag te moeten behandelen: Waar moeten wij
den grondslag zoeken van het recht?
| |
IV.
Hoe vinden wij, wanneer wij een objectief recht erkennen,
het recht, of hoe vinden wij, als wij slechts van een subjectief
recht willen hooren, recht? Wie ooit over deze vraag gestudeerd, wie ooit er
ernstig over nagedacht heeft, zal vermoeden, dat ik slechts met groote
aarzeling overga tot de beantwoording. Hem toch is het bekend, dat bibliotheken
vol boeken over het onderwerp geschreven zijn, en geen dezer werken zal hem
misschien bevredigd hebben. Ook als ik hem zeg, in de wijsbegeerte de leer van
Kant te zijn toegedaan, nauwkeuriger uitgedrukt:
gelijk zij door den scherpzinnigen wijsgeer Prof. Spruyt in ons land verkondigd
is, zal hij nog slechts met mededoogen vragen, waarom ik mij met de zaak
afsloof. Immers, het werk van Prof.
Spruyt: ‘De Leer der Aangeboren
Begrippen’ toont wel aan, in hoeverre Kant faalde, toen hij den
grondslag der moraal, en dus ook van het recht, in een intelligibele wereld
wilde zoeken, maar zelf zegt de schrijver (en geen wonder): ‘Wij kunnen
er natuurlijk niet aan denken, de moeielijke vraag naar den grondslag der
moraal ter loops te beantwoorden
1).’
Wat deze schrijver in 1879 niet meende te kunnen doen, daartoe voel
ik mij ook thans onbekwaam. Wijl evenwel in vorige deelen van mijn betoog
herhaaldelijk gesproken is van de gerechtigheid in tegenoverstelling van het
positieve recht; wijl de wijze, waarop men zich het ontstaan van het recht
denkt, van invloed kan zijn op de methode, die men bij de ontwikkeling er van
meent te moeten volgen, ben ik den lezer minstens een oms omschrijving
verplicht van den zin, waarin ik die woorden gebruikte. | | | |
Al zeer weinig zou ik van wijsbegeerte moeten weten wanneer ik niet
inzag, dat in de volgende bladzijden de quaestie geenszins wijsgeerig wordt
opgelost, maar er slechts de wijze beschreven wordt, waarop ik mij de zaak
voorstel, en er hoogstens naast zooveel andere hypothesen over den grondslag
van het recht een nieuwe hypothese wordt gesteld.
De antwoorden, die tegenwoordig op de vraag: Wat is recht? gegeven
worden, kunnen misschien in drie rubrieken worden verdeeld.
1o. De meest gangbare meening - en tot zulke woorden
moest de historische school wel komen - schijnt te zijn dat er geen ander recht
is dan positief recht. De verdediging dier stelling maakt men zich gemakkelijk
door ‘het recht’ te definieeren als ‘een samenstel van
voorschriften, geldende in een staat.’
De fout in die bewijsvoering is enorm. In plaats toch van uit den
zin, ‘er is geen ander recht dan positief recht’, het subject
‘recht’ te definieeren en te zien of daarmee het praedicaat
overeenstemt, geeft men een bepaling van het praedicaat: ‘positief
recht’ en meent men daarmee klaar te zijn. Maar die logische dwaling kan
men gerust ter zijde laten, om het onhoudbare der meening aan te toonen.
Immers, als er geen ander recht zou bestaan dan het positieve recht, welken
naam moet men dan geven aan nieuwe artikelen, die bij ons te lande b.v. door de
Tweede Kamer worden voorgesteld? Bevatten die nieuwe artikelen soms onrecht?
Uit het feit, dat een minister of vertegenwoordiger een wijziging onzer
wetboeken kan voorstellen, dat die wijziging kan worden aangenomen en voortaan
als positief recht kan worden geboekt, volgt, dat er een recht moet bestaan
buiten het positieve recht.
2o. Een tweede meening over het recht is, dat ieder
mensch een subjectief rechtsgevoel heeft en met dit subjectieve gevoel in de
ziel omtrent een gegeven geval beslist, wat recht is. Alle subjectieve
gevoelens staan daarbij op één lijn: de een is zoo goed als de
ander. | | | |
Neemt men dit aan, dan zou alle discussie over recht
onmogelijk zijn, wijl de diepere grond van het recht dan alleen zou wezen, wat
de afzonderlijke individuen, geleid door onverschillig welke motieven,
wilden. Het woord recht zelf zou een overbodige luxe
der talen wezen: een romantisch overblijfsel uit de geloovige middeneeuwen, dat
wij met ons heerlijk begrip van gelijkheid aller individuen, schurken of niet,
zoo spoedig mogelijk moesten afwijzen.
Wel beschouwd heeft de negentiende eeuw in haar heilloozen waanzin -
men verbeelde zich waarlijk niet, dat onze eeuw met haar
naai-en-brei-machines-vooruitgang hooger dan vroegere eeuwen staat - deze
consequentie getrokken: bij meerderheid van stemmen wordt er in de europeesche
staten beslist over recht, onrecht, regeeringsvorm, godsdienst, onderwijs en
bordeelen. De gannef heeft in onze dagen even veel stem als een Jezus.
Uitstekend werkt de methode om te voorkomen, dat de menschen elkander niet in
de haren vliegen; maar het kan wel eens heel wat schoener en voor de menschheid
nuttiger zijn, eenige lui over hoop te steken, dan door meerderheid van stemmen
ganzerig te beslissen of zij gelijk hebben of gij zelf.
Ik vermoed dit in de overtuiging, dat
Plato en
Multatuli de waarheid zeiden, toen zij beweerden, dat
een verzameling van individuen altijd dommer is dan één dier
individuen. De middeneeuwen schijnen de dwaasheid der allemans-praterij ook te
hebben ingezien: voor de rechtspraak althans kozen zij eens voor al een
‘Schöffen’; de volksvergadering had slechts het recht, diens
oordeel aan te nemen of te weigeren
1).
3o. Alvorens mijn eigen meening te omschrijven, wensch ik
een aanhaling te geven uit het reeds genoemde werk:
Een Geschiedenis van de Leer der Aangeboren Begrippen,
door Prof.
Spruyt. Op pag. 210 zegt de schrijver: ‘Bestaat
| | | | er, zooals de nominalisten beweren, geen menschelijke natuur, maar
slechts eene vereeniging van menschelijke individu's, dan is elke discussie
eene dwaasheid. Zij heeft toch eerst reden van bestaan, wanneer men mag
aannemen dat er naast de verschilpunten ook gemeenschappelijke overtuigingen
bestaan, gemeenschappelijke overtuigingen, die een der verschijnselen zijn,
waarin zich het algemeene wezen openbaart, dat de soort mensch tot
iets anders dan een toevallig samenraapsel van voorwerpen maakt. Bestaat er
zulk eene soort, dan is er onder alle meeningen over het een of ander onderwerp
slechts eene, die bindend is voor den mensch, en die aanspraak mag maken op den
naam van waarheid. Dan is er ook onder al de beschouwingen over de vraag:
‘hoe men te leven hebbe’, slechts eene, die overeenstemt met den
aard des menschen, en die beschouwing leert ons hoe de mensch behoort te leven,
niet hoe de menschen werkelijk leven. Bestaat er daarentegen geen menschensoort
en geen menschelijke natuur, dan bestaat er ook geen waarheid, maar slechts
meeningen, die met elkander een dergelijken strijd voor het bestaan voeren, als
de dierenwereld vertoont. Dan bestaat er geen zedelijkheid en geen recht, maar
slechts gebruiken en wettelijke voorschriften, en kan men niet, zonder
inconsequent te zijn, het eene karakter boven het andere verkiezen, de eene
levensopvatting hooger stellen dan de andere. Want waar is de norm, waarnaar
men die waardeering zal inrichten? Heeft men zich recht overtuigd, dat die vorm
zelf toevallig en veranderlijk is, dan moet men ook erkennen dat het woord
‘hooger’ ten onrechte gebruikt wordt, daar er niet de minste grond
bestaat voor de bewering, dat de tijdelijke meening van den beoordeelaar zijne
meening zal blijven en overeenstemmen zal met de meening van andere
personen’.
Iets verder zegt de schrijver: ‘Doch keeren wij tot ons
onderwerp terug; want wij kunnen er natuurlijk niet aan denken de moeielijke
vraag naar den gronslag der moraal ter loops te beantwoorden. Voor ons doel
hebben wij genoeg gedaan door aan te wijzen, dat dit vraagstuk slechts recht
van | | | | bestaan heeft op realistisch standpunt en dat men op dat
standpunt moet instemmen met de hoofdstelling van Kant's ethiek, dat er eene
volstrekte verplichting bestaat, en dat de kennis van datgene, wat de menschen
gewoon zijn te doen, niet den inhoud der zedeleer maar veeleer haar tegendeel
uitmaakt.’
Aan de eerste dezer meeningen zou ik bezwaarlijk een wijsgeerigen
naam kunnen geven; de tweede vertegenwoordigt de nominalistische, de derde de
realistische zienswijze. Met de laatste meen ik mij te moeten vereenigen. Maar
welke is nu, wanneer wij een volstrekte verplichting aannemen, de grondslag
dier verplichting? Moeten wij dien grondslag zoeken met ons verstand, of is die
grondslag bij ons aanwezig in ons gevoel? M.a.w. wanneer wij een rechtsgeval
hebben te beoordeelen, beslissen dan in hoogste instantie redeneeringen, die
wij met het verstand kunnen maken, of beslist in hoogste instantie ons
rechtsgevoel? Wanneer ik thans het laatste aanneem, ben ik mij zeer wel bewust,
niets bewezen te hebben. Voor een eigenlijke behandeling van het vraagstuk zou
ik een uitvoerige wijsgeerige studie moeten schrijven, en daarom kan ik hier
slechts opmerken, hoe voor mijn hypothese sterk het feit spreekt, dat alle
pogingen, om in het verstand een grondslag te zoeken als mislukt moeten worden
beschouwd.
Hoe komen wij nu aan dat rechtsgevoel? Op dezelfde wijze, als wij
komen aan gevoel voor muziek, schilderkunst, aan alle schoonheidsgevoel: door
ervaring en overerving. Dit gevoel is bij verschillende individuën
geenszins gelijk; slechts weinigen kunnen over muziek oordeelen, en in zekeren
zin is dus zulk een oordeel subjectief. De oordeelen der deskundigen evenwel
stemmen in hoofdzaak overeen, en nemen wij dit in aanmerking, dan kan men wel
degelijk spreken van een objectief muzikaal gevoel. Geen mijner lezers zal
zeker den eersten den besten gevoels-poldergast het recht toekennen aan een
Beethoven te zeggen, dat diens oordeel over muziek | | | | maar subjectief
is, en dat hij zelf even veel recht van spreken heeft. Het objectief karakter
der muziek gaat zelfs zoo ver, dat men aan de verhoudingen in de trillingen der
tonen niets zou kunnen veranderen, of er ware geen muziek meer.
Dezelfde redeneering zou ik willen toepassen op het recht. Het
rechtsgevoel is een onderdeel van ons schoonheidsgevoel: de rechts-artist wordt
bij het zien van verhoudingen in zijn omgeving aangenaam of onaangenaam
aangedaan; een schoone rechtsverhouding is voor hem, wat een schoone melodie
voor een Beethoven is: gelijk een Beethoven den gevoels-poldergast het zwijgen
mag opleggen, zoo mag de rechts-artist den gannef het zwijgen gebieden, en
evenzeer als Beethoven zijn gevoel objectief schoon mag noemen, even zeer mag
dat de rechts-artist.
Zijn er, gelijk men ze noemt, geboren musici en geboren schilders,
niet minder kan men spreken van geboren rechts-sensitieven; de geschiedenis
levert er voorbeelden in overvloed van: het zijn zij, die een schoonen
hartstocht in de volkeren wekten voor een rechts-idee of een zedelijk
beginsel.
Is dus wel is waar het rechtsgevoel bij verschillende
individuën geenszins gelijk, ontbreekt het bij sommigen misschien ten
eenenmale, toch kan het worden aangekweekt, door het voorbeeld bovenal der
woorden van ijzer, die de rechts-sensitieven den eeuwen om de ooren hebben
geslingerd. Mocht men er ooit toe kunnen komen, naar hun oordeel te luisteren,
wanneer er sprake is van recht en moraal, dan ware ongetwijfeld de gouden eeuw
der staatkunde aangebroken. Zoo wijs evenwel zal het menschdom vooreerst niet
worden, en daarom besluit ik met het negentiende-eeuwsche nominalistische
hoeraatje:
Leve de meerderheid van stemmen!
| |
V.
Welken weg men nu inslaan moet, om naar mijn beschouwing recht te
erkennen, kan thans niet meer duister zijn: men dient het maatschappelijk leven
te leeren kennen en | | | | met zijn gevoel te beslissen wat recht is.
Slechts zij evenwel kunnen het doen, die het vereischte gevoel hebben. Dat er
tal van gevallen zijn, waarover het gevoel moeilijk beslissen kan, gevallen
vooral waarbij cijfers voorkomen, zooals b.v. bij de verjaring, doet de
hoofdzaak geenszins te niet. De bij het onderzoek te volgen methode kan slechts
deze zijn: de feiten te rangschikken en onder groepen te brengen, ten einde de
herinnering te hulp te komen. Van logische redeneering kan geen sprake wezen,
wijl wij geen logische basis voor ons gevoel kennen.
En daarmee wordt, wat het romeinsche recht betreft, ons betoog
breeder van omvang. Was namelijk tot nog toe de stelling, dat de Romeinen door
gebrek aan ruimte van opvatting de zeden niet lieten inwerken op hun recht,
thans komt daarnaast deze stelling, dat zij, door gebrek aan ruimte van
opvatting alweer, voor de oplossing van rechtsvragen een verkeerde
methode hebben gevolgd.
Wat toch ging er in het hoofd van een Romein om, als hem een
rechtskwestie werd voorgelegd? Wanneer bv. iemand aan
Paulus kwam vragen: Paulus kan het recht van overpad
door verjaring worden verkregen? wat deed dan Paulus? Dan stelde hij voorop het
dogma: een servituut, hetwelk men niet voortdurend bezit, kan niet verjaren.
Vervolgens sprak zijn mond: het recht van overpad is een servituut, dat men
niet voortdurend bezit. Dus, luidde de conclusie, kan het recht van overpad
niet verjaren. - Niet alleen is de major van dit syllogisme een dogma, de minor
toch steunt op een redeneering, waarachter een tweede dogma verscholen ligt, op
de redeneering namelijk, dat men het recht van overpad niet voortdurend
bezitten kan, omdat niemand zoo voordurend kan loopen, dat het bezit nooit zou
worden afgebroken. Daarachter schuilt het monsterdogma: Men bezit een pad
alleen, wanneer men er op loopt
1).
De grootste fout is hier, dat de ziel van den wereldbe- | | | | roemden
Paulus door gebrek aan ruimte van opvatting niet in staat was, den
dieperen zin te vatten van het begrip possessio.
Wanneer iemand aan
Ulpianus vroeg: Blijven, o Ulpiaan, wanneer een vader
krankzinnig wordt, de kinderen in zijn potestas? hoe dacht dan het hoofd van
den grooten Ulpiaan? Dan ging ook hij ‘mit den Begriffen rechnen’.
Hij stelde voorop het dogma: niemand kan eindigen in potestas te hebben dan
doordat de kinderen uit de potestas worden vrijgemaakt op de wijzen, waarop wij
het gewoon zijn te doen. Vervolgens sprak hij: als een vader krankzinnig wordt,
gaan de kinderen niet op de gebruikelijke wijze uit zijn potestas. Dus: als een
vader krankzinnig wordt, blijven de kinderen in zijn macht. Het dogma van den
major is hier weer gegrond op een ander monstrueus dogma, namelijk op de
zielskranke, op de krankzinnige opvatting (wie een juister adjectief weet, moet
het in godesnaam zeggen) dat men niets mag doen, wat men tot nog toe niet
gedaan heeft.
1)
En ook hier is weer de grootste fout, dat het verstandje van den
grooten Ulpianus door gebrek aan ruimte van opvatting den dieperen zin niet
vatten kon van het wezen der potestas. Wel te verstaan: hij had geen definitie
der potestas voorop moeten zetten; dat ware oud lood om oud ijzer geweest. Hij
had zich behooren af te vragen: hoe is de potestas in de wereld gekomen? waarom
bestaat de potestas? wat is haar doel? is er in verband daarmee een reden
waarom krankzinnige ouders hun kinderen in de potestas zullen hebben?
Om evenwel op deze wijze een rechtsvraag te kunnen oplossen, dient
men naast de rechtsgeleerdheid in den engeren zin van het woord nog te
bezitten: gezond verstand, gevoel, menschenkennis en maatschappelijke kennis.
En dan zal het den lezer ook niet verwonderen, dat ik de verkeerde methode der
Romeinen toeschreef aan hun gebrek aan ruimte van opvatting. Ongetwijfeld zal
hij zeker niet de dwaasheid hebben, | | | | in deze voorbeelden twee op
zich zelf staande gevallen te zien, maar er wel degelijk een algemeene methode
van denkenen redeneeren in vinden. De voorbeelden zijn met ontelbare te
vermeerderen, door onverschillig waar het Corpus Juris op te slaan.
Om de verkeerde methode van zulk syllogistisch redeneeren aan te
toonen, meen ik niet beter te kunnen doen, dan een aanhaling te geven uit een
verhandeling van Prof.
Spruyt, getiteld:
Een Doctoraat in de Geschiedenis
1). Vooraf evenwel wijs ik er met den meesten nadruk op, dat
hetgeen daar gezegd wordt over de wiskundige methode, vooreerst geenszins
vervalt met een wederlegging mijner beschouwing over den grond van het recht,
en ten andere door wijsgeeren van de meest verschillende richtingen - ik heb
slechts te herinneren aan
Opzoomer
2) en
Stuart Mill
3) - in hoofdzaak gelijkelijk is aangenomen. - Ziehier het
citaat:
‘Elke wetenschap onderscheidt zich van de onsamenhangende
kennis der personen, die leeken zijn op haar gebied, doordien zij zich van de
bijzondere denkbeelden tot het algemeen begrip, van de bijzondere oordeelen tot
den algemeenen regel tracht te verheffen. Maar slechts bij enkele onderwerpen
gelukt het den mensch de algemeene begrippen zoo nauwkeurig te bepalen, de
algemeene waarheden zoo scherp en bepaald uit te spreken, dat er voor geen
misverstand te vreezen is. De wetenschappen, die over deze onderwerpen
handelen, lijden niet onder de dubbelzinnigheid van de woorden der gewone
spreek- of schrijftaal. De mathematicus geeft een scherpe bepaling van wat hij
door een cirkel en een driehoek verstaat; de leeraar in de mechanica laat de
begrippen van snelheid en versnelling, van arbeid en arbeidsvermogen bij zijne
leerlingen niet in de nevelen blijven, waarin zij voor het oog der leeken
gehuld zijn; na hen door | | | | enkele inleidende beschouwingen te hebben
voorbereid, geeft hij met nauwkeurigheid aan, wat zij zich in 't vervolg bij
die woorden moeten denken. Maar de beoefenaar der natuurlijke historie zal te
vergeefs beproeven even beknopt en even helder aan te geven, wat men te
verstaan hebbe door eene soort, door eene type, door homologe organen, door een
individu; de taalkundige zal zich liever niet wagen aan bepalingen van de
verschillende rededeelen, en de classificatie der verschillende bijzinnen in
afzonderlijke en streng gescheiden loketjes aan de doctrinairen, die
‘logisch’ willen zijn, overlaten; de historicus zal dikwijls
spreken over vooruitgang en beschaving, of, zoo hij een Duitscher is, over
Bildung en Cultur; maar hij zal veel moeite hebben
een bevredigend antwoord te geven aan den leerling, die, aan mathematische
hoekigheid en scherpte gewend, van hem verlangt te weten, wat hij eigenlijk
onder al die schoone leuzen verstaat. Scherp begrensde begrippen,
nauwkeurig geformuleerde algemeene stellingen en de onverbiddelijke deductie,
welke daarvan uitgaat, behooren uitsluitend te huis in de wiskunde en de deelen
der natuurwetenscháp, die reeds voor wiskundige behandeling vatbaar
zijn
1). In alle andere
vakken, zoowel in de natuurlijke historie als in de geestelijke wetenschappen,
heeft men te maken met begrippen, die veeleer door hun omvang dan door hun
inhoud moeten gekend worden.’
Zoo kan b.v. het rechtsbegrip ‘overeenkomst’ zuiverder
worden gekend door den omvang, door het beschouwen der rechtsgevallen, die in
de praktijk onder het begrip gerekend worden, dan door den inhoud, door de
eigenschappen die de bepaling er aan toekent. Vergeet men dit en stelt men
bepalingen en algemeene stellingen voorop, dan zijn die bepalingen nooit juist,
die algemeene stellingen nooit geheel waar, en de beslissingen, die er uit
gededuceerd worden, kunnen dus onmogelijk recht leveren. Ongelukkig zijn de
menschelijke geestvermogens beperkt en moet men zich dikwijls | | | | behelpen met redeneeringen, waarvan men zelf zeer goed inziet, dat ze
niet volkomen juist zijn; maar met of zonder deze restrictie zijn syllogismen,
als die ik straks uit het Corpus Juris gaf, ten eenenmale af te keuren. De
Germanen der middeneeuwen zullen een en ander wel niet hebben kunnen
beredeneeren; maar zij gevoelden wat hier in woorden is gebracht: definities
zijn in hun rechtsboeken niet te vinden.
Aan den anderen kant is het een gemakkelijk te verklaren feit, dat
de middeneeuwsche rechtsdoctoren, na met het romeinsche recht kennis te hebben
gemaakt, juist voor haar verkeerde methode de hoogste vereering hadden. In de
wiskunde, welke wetenschap in dien tijd aan de meeste hoogescholen met rechten
en letteren vlijtig beoefend werd, vond de menschelijke ziel schoone, kalme
zekerheid, en de vergissing lag voor de hand, dat men die zekerheid niet aan
den aard der wiskundige begrippen, maar aan de methode toeschreef, en meende
door overplanting der methode ook in andere wetenschappen tot dezelfde
zekerheid te kunnen komen.
Daarin zal ook de reden moeten worden gezocht, waarom de leeraren
van het natuurrecht, ofschoon zij zich voortdurend scherper tegenover het
romeinsche recht stelden, toch haar verkeerde methode behielden. Zelfs gingen
zij bij de toepassing er van nog verder dan hun voorgangers; want, niet
tevreden met in onderdeelen der wetenschap en afzonderlijke gevallen
syllogistisch te redeneeren, ging van hen in de rechtsgeleerdheid de
systeem-manie uit: eenige onbewezen stellingen werden als waarheden voorop
gezet en daaruit werd dan ‘logisch’ een boek vol gevolgtrekkingen
gemaakt. Zóó althans meen ik hun werken te mogen omschrijven, ook
al zie ik helder in, dat hun methode dikwerf niets anders was dan een
bijzondere wijze om zekere meeningen in een aangenamen vorm voor te dragen.
Hoe zeer de natuurrechtsgeleerden aan chronische wiskunstenarij
leden, blijkt dikwijls reeds uit de titels hunner geschriften:
Pufendorf noemde een zijner werken
Elementa jurisprudentiae universalis methodo
mathematica;
Christ. de Wolf schreef zijn
Jus naturae methodo scientifica pertracta- | | | | tum,
wat hetzelfde beteekende;
Christoph Hoffbauer formuleerde een Naturrecht aus dem
Begriffe des Rechts entwickelt. Hemming had in de 16e eeuw zelfs geschreven
een: De lege naturali methodus apodictica, en
Bened. Winkler in de 17e een werk, in quibus genuina juris
tam naturalis quam positivae principia et firmissima jurisprudentiae fundamenta
ostenduntur, eiusdem summus finis ob oculos ponitur et divina auctoritas
probatur.
De wiskundige methode werd geadoreerd, en hoe men om die reden ook
het romeinsche recht verafgoodde, blijkt o a. uit woorden als deze van
Leibnitz: Dixi saepius, post scripta geometrarum, nihil
extare, quod vi ac sublimitate cum Romanorum Jure consultorum scriptis
comparari possit, tantum nervi inest, tantum profunditatis
1).
Elders zegt dezelfde schrijver: Ego Digestorum opus, vel potius auctorum, unde
excerpta sunt, labores admiror, nec quidquam vidi sive rationum acumen, sive
dicendi nervas spectes, quod magis accedat ad mathematicorum laudem. Mira est
vis consequentiarum certatque pondere sublilitas
2).
| |
VI.
Bluntschli vergelijkt de natuurrechtsgeleerden, wijl zij
universaal-wetten voor alle tijden en alle volken wilden geven bij kwakzalvers,
die universaal-middelen aanprijzen voor alle mogelijke ziekten
3). Niet
minder dan op het natuurrecht kan deze vergelijking toegepast worden op de
latere philosophische school van
Gans en zijn volgelingen, welke school ik hier wegens
plaatsgebrek buiten beschouwing moet laten, en die wegens haar niet grooten
invloed ook gerust onbesproken kan blijven. Beide scholen komen daarin overeen,
dat zij een autonome wording van het recht willen erkend zien. Haar belijders
beweerden, met behulp van het abstrakte | | | | denken op hun studeerkamer
hèt recht te kunnen verzinnen.
Tegenover deze autonome wording stelde nu de historische school de
geschiedkundige wording. Met meesterschap werd de nieuwe zienswijze sedert den
aanvang dezer eeuw vooral door
Savigny verdedigd. Hij trad op met het devies: het
recht wordt niet gemaakt; het bestaat en ontwikkelt zich met en door het
volk.
Diegenen mijner lezers, die leeken zijn, zullen nu ongetwijfeld
meenen, dat Savigny en zijn volgelingen zich met kracht tegen het romeinsche
recht kantten. Dat recht immers was niet met en door het germaansche volk
ontwikkeld; het was der natie opgedrongen. Niet alleen de geschiedenis kan dit
bewijzen, de luide klachten over het recht, die ook nog thans door het volk
worden gemord, toonen aan dat wij geen recht hebben, dat met en door het volk
ontwikkeld is. Maar het schoone devies was, helaas! niet meer dan een
shibboleth. Men was in de dagen van Savigny nog niets verder dan in de dagen
van
Irnerius: wanneer men sprak van geschiedkundige
wording, dan dacht men niet aan de geschiedenis van gisteren, eergisteren,
verleden jaar, neen, men was klein genoeg van ziel, om alleen te denken aan de
geschiedenis van .... Rome. Wel is waar zijn er in Duitschland germanisten,
beoefenaars van het germaansche recht, die beweren ook tot de historische
school te behooren; maar de eigenlijke aanhangers dier school hebben steeds met
alle kracht het zuivere pandektenrecht tegen den invloed van het germaansche
verdedigd. Of Savigny hier en daar, bijv. in zijn ‘Vom Beruf uns.
Z. für Gesetzg. und Rechtsw.,’ wel eens iets anders omtrent
het karakter zijner school beweerd heeft, doet niets ter zake; wij moeten een
richting in de wetenschap niet beoordeelen naar hetgeen zij omtrent zich-zelve
gezegd, maar naar hetgeen zij gedaan heeft.
Vroeger nu is aangetoond, dat het romeinsche recht beneden het
germaansche recht der middeneeuwen stond. Thans rest mij, te bewijzen dat het
recht der historische school ver nog beneden dat romeinsche recht staat.
Ziehier waarom. | | | |
Het romeinsche recht had twee gebreken:
1o. het liet de zeden niet voldoende inwerken op
het recht;
2o. het volgde een verkeerde methode.
Beide gebreken nu heeft ook de historische school, maar beide in
veel grooter mate.
Bewijs ad I. Wanneer men de geesten van
Gajus,
Paulus,
Ulpianus,
Julianus kon oproepen, en men zou tot hen zeggen:
‘Jullie recht wàs geen recht. In plaats van in het leven rond te
kijken, in plaats van te vragen, of nieuwe gewoonten en nieuwe zeden
verandering noodzakelijk maakten, in plaats van te vragen wat de zedelijkheid
eischte, behield je maar altijd het rooversrecht van je majores.
Zóó bont heb je 't gemaakt, dat
Petronius je verwijt, je leerlingen tot idioten te
hebben opgeleid.
1) ‘Daarom, zegt hij, geloof
ik dat de jongelingen in de scholen tot idioten worden opgeleid, wijl zij niets
hooren of zien van wat rondom hen voorvalt.’ Zoo goed als op andere
schoolmeesters doelden die woorden ook op jullie. Maar je luisterde niet naar
zulke dingen, en als die Petronius en
Martialis en
Juvenalis een loopje met je namen, dan zei je: Bah, 't
zijn maar artisten, maar wij … wij zijn de groote mannen van de
romeinsche rechtsgeleerdheid. Wat heb je daar nu op te antwoorden?’
Dan zouden ze zeer ter snede kunnen zeggen: ‘Het is waar: wij
moeten bekennen in de geesteswereld ondervonden te hebben, dat onze hersenen
bijzonder vadzig en lui en traag waren. Maar, negentiende-eeuwer! jullie
historische school is nog veel vadziger en trager; want je kunt toch niet
beweren, dat we nòoit eens zouden hebben rondgekeken en in elk geval
waren, in den tijd toen wij leefden, de zeden van ons recht niet ouder dan
hoogstens 500 jaar, terwijl de historische school, door ons recht over te
nemen, aan de 19de eeuw een recht heeft opgedrongen met zeden, die oud zijn:
500 jaar + 1800 jaar = 2300 jaar. En durf je ons nog iets over de zedelijkheid
verwijten? De historische school vraagt | | | | er immers heelemaal nooit
naar; ze vraagt alleen: wat zeiden de Romeinen er van?’
Bewijs ad II. Vroeger is aangetoond, dat de Romeinen
bij de toepassing hunner rechtsbegrippen op bijzondere gevallen een verkeerde
methode volgden. Wanneer iemand den praetor om recht kwam vragen, stond hij
gereed met eenige dogma's, maakte een syllogisme en .... klaar was zijn recht.
Daarbij evenwel had hij één hoogst belangrijk vordeel boven de
historische school: de rechtsbegrippen zelf stelden de Romeinen niet als
dogma's, die op alle gevallen moesten worden toegepast, eens voor al vast;
integendeel, wanneer hun een geval werd voorgelegd, formuleerden zij hun
dogma's naar den indruk dien het geval op hen maakte.
Het komt mij voor, dat deze meening door Prof.
Naber in zijn intreerede afdoende betoogd is. Wel is
waar is er verschil van opinie omtrent de voorbeelden, die hij geeft, mogelijk,
en zal menigeen, gelijk ook
Voet in zijn ‘Commentarius ad
Pandectas,’ de meeste der door Prof. Naber gegeven afwijkingen
liever als ficties beschouwen; maar aan het wezen der zaak, gelijk ik het hier
geformuleerd heb, verandert dat mijns inziens niets.
Geheel anders de historische school. De fout der Romeinen zag zij
aan voor een deugd. Niet tevreden met het knutselen in bijzondere gevallen,
maakte zij het gansche recht tot één geknutsel. Haar
‘logische’ ziel kon er niet in berusten, dat begrippen als culpa,
dolus, possessio niet voldoende waren omschreven; met een betreuringswaardigen
ijver stak zij haar náchtlampen op, ging na middernacht alle begrippen,
die zij in het Corpus Juris kon vinden, definieeren; ging uit de definities
weer andere definities afleiden, en leverde aan de negentiende eeuw het eene
chicaneer-systeem na het andere.
Daarbij doet zich een allermerkwaardigst feit voor. Vragen wij
namelijk, hoe kwamen en hoe komen die historische rechtsgeleerden aan hun
definities, dan luidt het antwoord: zij beweren, ze in het romeinsche recht te
lezen. Ware dit het geval dan zouden daaruit twee zaken volgen: a. dat
het- | | | | geen ik, in overeenstemming met Prof. Naber, beweerd heb,
onjuist ware; b. dat er een tamelijk groote overeenstemming, om niet te
zeggen gelijkheid zou moeten bestaan tusschen difinitien, door verschillende
schrijvers over dezelfde zaken gegeven.
Als nieuw bewijs voor Naber's en mijn meening kan gelden, dat die
gelijkheid geheel afwezig is. De één zegt: culpa beteekent dit,
de ander dat, een derde beweert, nog iets anders te hebben gelezen, en van
overeenstemming is geen spoor te ontdekken. Ten duidelijkste blijkt dit,
wanneer wij de eerste de beste Pandekten opslaan: in den tekst geeft de
schrijver zijn eigen definities; maar in de noten geeft hif een tiental
definities van andere schrijvers, alle even goed en even slecht.
Thibaut beweerde dan ook
1), dat men
misschien eerst na 1000 jaren ten einde zou komen met de doorgronding der
definities van het romeinsche recht; ik beweer dat men nooit ten einde zal
komen, wijl men zoekt naar iets, dat niet bestaat. Wie in het Corpus Juris gaat
zoeken naar dè definitie van dolus of culpa, toont door dit enkele feit,
het romeinsche recht slechts van hooren zeggen te kennen.
Veroorloofde het bestek van een tijdschriftartikel het, dan zou het
hier de plaats zijn, om door voorbeelden te toonen, hoe de historische school
zich van den beginne tot den huidigen dag hoofdzakelijk heeft bezig gehouden
met het geven van dwaze definities en het zoeken van geschiedkundige
nietigheden, niet eens om er iets mee te doen, maar alleen om ze te kijk te
kunnen stellen in een boek. Tegen het laatste werd reeds in 1827 door
Hasse gewaarschuwd
2), toen hij, om ‘den Verirrungen der so genannten historisch-
juristischen Methode vorzubeugen’, de historie-dandy's op de | | | | praktijk wees. Jammer, dat dezelfde schrijver met de laatste ook niet
de eerste fout zijner school inzag: zijn beroemd werk ‘Die Culpa des
römischen Rechts’ is er een voorbeeld van. - Dat alles ging samen
met en sproot voort uit een evangelische vereering van het romeinsche recht.
Hoe denkt de lezer b.v. over zulk een lyrische ontboezeming:
1) - ‘Die oberste und
jüngste Schicht ist das Reich der Fiktionen. Ich meine die ächten,
nicht die wie Irrlichter umherflatternden Pseudo-Fiktionen, die den Wanderer
blenden und in Sümpfe locken..... Die prätorischen Fiktionen blitzten
auf vom Tribunal des Magistrats, gleich den Wettern, in denen die Natur sich
entladet, um den aufbrechenden Lenz auf die Gefilde zu locken und die
ansetzende Blüthe zur Frucht zu zeitigen; sie erinnern an die Donnerkeile
des olympischen Zeus, der mit ihnen bewaffnet vom Throne der Allmacht herab die
Welt in ihren Angeln bewegte und die schwere Athmosphäre reinigte; sie
reihen sich nicht den frei organischen Gebilden der Natur ein, sondern gleichen
den Ausbrüchen der Vulkane, oder dem Vorüberrauschen der
Orkane.....’ De beroemde man gaat nog een halve pagina aldus voort en
eindigt met de woorden: ‘Es webt ein dämonisches Walten in diesem
wundersamen Reiche der Fiktionen; es ist der Blick des aufrechten
Menschenleibes nach den freien, lichten Höhen des Aethers, wo er von
irdischer Fessel sich entbunden träumt.’
Maar ik dien mij te beperken, en dien thans kort de vraag te
beantwoorden: heeft die historische school invloed gehad op een land als
Nederland, waar sedert '38 een Codifikatie bestaat? Ongetwijfeld. Want al is de
invloed op die codificatie niet groot geweest en was deze meer afhankelijk van
het romeinsche recht zelf, onze juristen zit het historische element in merg en
been. Hoe vroolijk is niet de advokaat, die gerechtigheid heeft kunnen bewijzen
met een bepaling van.... Napoleon. Hoe pleizierig dineert hij niet, als hij des
morgens bij de rechtbank is komen aanzeulen met definities | | | | der
heeren Peu-de-Chose en Nevermind over deugdelijke en ondeugdelijke middelen.
Door zijn ambt trouwens is hij haast genoodzaakt te vergeten, dat de heele
theorie der deugdelijke en ondeugdelijke middelen bij onze tegenwoordige
strafwetgeving geen onderwerp van discussie kan wezen!
1)
Zoo zijn wij gekomen tot een recht, waarvan de leek niets hoegenaamd
begrijpt, tot een recht, dat men jaren in boeken en in de praktijk moet
bestudeeren om het naar den eisch te kennen. Is het menschdom gedoemd om in
dien toestand voort te leven? Geenszins. Het recht kan en moet en zal opnieuw
worden: iets dat voor ieder beschaafd mensch na kennisneming te begrijpen is.
Daarvoor is noodig vereenvoudiging en afschaffing van alle
schijngeleerdheid.
Wel is waar beweert men parallel met en tegenover deze eischen:
1o. dat de tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen te
ingewikkeld zijn om een eenvoudig recht toe te laten; 2o. dat
formaliteiten en definities rechtszekerheid geven. Maar daartegenover stel ik
het volgende:
Ad I. De zoogenaamde ingewikkeldheid onzer maatschappelijke
verhoudingen berust op een tautologie. Men heeft nl. eerst de verhoudingen door
de invoering van het romeinsche recht ingewikkeld gemaakt, en na dat gedaan te
hebben beweert men, dat ze te ingewikkeld zijn om vereenvoudigd te kunnen
worden.
2) Waardoor zijn handelsbetrekkingen
tusschen | | | | twee firma's, wonende in Frankfort en Lubeck, thans, nu
zij door spoorwegen en telegrafen eenvoudiger konden zijn, toch ingewikkelder
dan diezelfde handelsbetrekkingen in de middeneeuwen, toen die steden als leden
der Hanze een voortdurend verkeer met elkaar hadden? Door de schuld der
juristen.
Ad II. In de tegenwoordige theoretische rechtsgeleerdheid spreekt
men met een groot welbehagen van onze rechtszekerheid. Om de dwaasheid daarvan
aan te toonen, meen ik te kunnen volstaan met de opmerking, dat, gelijk
iedereen weet, onder onze wetten hij de grootste rechtzekerheid heeft, die den
slimsten advokaat kiest.
Geen wonder, dat er zich bij zulk een recht en zulk een rechtsstudie
een neiging openbaart om een anderen weg in te slaan. Mocht het ons nu blijken,
dat men, beu van de eigenlijke historische school, zich deels op het
germaansche, deels op het pure romeinsche recht gaat toeleggen, dan zou daarmee
de proef op de som zijn gegeven voor de waarheid mijner meeningen over de
dieper liggende eigenschappen dezer drie rechten.
Tot mijn genoegen kan ik constateeren, dat dit inderdaad het geval
is. Gelijk elk rechtsgeleerde weet, heeft men sedert het midden dezer eeuw met
zorg in Duitschland het germaansche recht onderzocht. Een gelijksoortige
beweging bestaat er in ons vaderland, waar velen de studie der dorre rechten
van het heden verruilen voor het onderzoek van ons frissche oud-vaderlandsche
recht. Vergis ik mij niet, dan is Prof. Naber de eerste, die onverholen het
pure romeinsche recht proklameert tot een beter recht dan dat der
systematiseerende historische school, ja, tot hèt recht. Wel is aar is
Jhering hem hierin voorgegaan, maar
Naber gaat verder.
Wie mijn betoog aandachtig gelezen heeft, kan het thans niet vreemd
schijnen, dat ik, die in het romeinsche recht allerlei gebreken zie, in Prof.
Naber, die dat recht haast af- | | | | godisch vereert, een bondgenoot meen
te zien, iemand, die, zij het dan ook maar vaag, een voorgevoel heeft van de
naderende evolutie onzer wetenschap. De impuls voor zijn intreerede was
dezelfde als de impuls dezer verhandeling, die ik naar aanleiding zijner rede
schrijf: ontevredenheid over de systeem-manie, de dogma's, de
‘logika’ en de wolkerige; philosophiën. Zijn ingenomenheid met
het romeinsche recht spruit daaruit voort, dat hij er de deugd in heeft
ontdekt, die ook ik het in deze verhandeling heb toegekend. Slechts heeft de
schrijver de twee enorm groote gebreken van dat recht over het hoofd gezien.
Mocht het mij gelukt zijn, hem van het bestaan daarvan te overtuigen, dan zal
hij het waarschijnlijk in hoofdzaak eens zijn met alles wat ik gezegd heb.
De eigenlijke fout van Prof. Naber en van de andere aanhangers der
nieuwe beweging was deze, dat hun streven tot nog toe onbewust
was. Zij waren malcontenten, en vloden maar luk-raak naar iets, dat op deze of
gene wijze een aangenamer indruk maakte dan het bestaande. Zij dachten niet
scherpzinnig na over hun diepere roerselen, over de dieper liggende
eigenschappen van het romeinsche recht, het germaansche recht, het natuurrecht
en de historische school, om vervolgens te kunnen vragen: wat staat ons te
doen?
In deze verhandeling heb ik getracht: het onbewuste streven
bewust te maken. Ik hoop, dat zij vooral de jongeren aan zal sporen, om
te breken met opgedrongen fraaiigheden, waaraan men den naam van
‘geleerdheid’ geeft, om te breken met den sleur en den tijd voor te
bereiden, waarop aan de volken een frisscher recht zal kunnen worden gegeven,
dan de mystieke leer, die thans als een geheimzinnige macht boven de hoofden
zweeft.
Wat ons daarvoor te doen staat, volgt meen ik uit al het voorgaande
duidelijk. Wij dienen af te schaffen de beteekenis van het woord
‘geleerdheid’, alsof hij die ouë steentjes in Rome vindt,
geleerder zou zijn dan wie een deugdelijk praktisch artikel voor het
internationaal recht, het handelsrecht of een ander onderdeel geeft; meer dan
dat: wij dienen die andere geleerdheid onverholen te verwijten, hoe dikwerf zij
in vol- | | | | slagen idiotisme vervalt. Door alzijdige studie, door rond
te schouwen in de maatschappij dienen wij ons ruimte van opvatting te geven, om
daarmee gewapend ons rechtsgevoel niet meer te laten onderdrukken door systemen
en logika, het recht niet meer te zoeken in een overgeleverd artikel, maar in
de praktische samenleving plus ons zedelijk gevoel. Mocht het daartoe komen,
dan zal het de eenvoudigste zaak ter wereld blijken te zijn, ons recht en onze
rechtspleging van de tegenwoordige beroemde ‘rechtszekerheid’ en
ingewikkeldheid te ontdoen.
| |
VII
Door mijn plaatsruimte genoodzaakt, die mij bij vorige deelen van
mijn betoog reeds herhaaldelijk tot beperking dwong, moet ik thans kort zijn
over de vraag van uitgang: Moet het romeinsche recht onderwezen worden, en zoo
ja: hoe? Gaarne had ik hier verschillende antwoorden op die vraag nader
behandeld, en zou dan o.a. hebben willen spreken over de meeningen, die
Savigny in zijn ‘Vom
Beruf,’
Stahl in ‘Rechtsphilosophie,’
Jhering in zijn ‘Geist des römischen
Rechts’ geeft. Maar mag ik van dit tijdschrift voor mijn artikel
niet meer plaats vorderen, dan reeds noodig was, het komt mij bovendien voor,
dat in al het voorgaande reeds een voldoend antwoord ligt opgesloten. Wel zeker
moet het romeinsche recht onderwezen worden; het Corpus Juris bevat een
uitnemend voorbeeld van goede en bovenal van slechte eigenschappen van den
menschelijken geest. Maar naast het romeinsche recht - en hierin ligt het
verschil mijner zienswijze met de tegenwoordige methode - dient met evenveel
zorg het germaansche recht, het natuurrecht en alles wat op de
rechtsgeschiedenis betrekking heeft te worden onderwezen, zelfs het
mohammedaansche recht niet uitgezonderd, dat trouwens veel schooner is dan het
romeinsche. Op de vraag: hoe? zou ik een beschouwing kunnen geven over de maar
al te veel heerschende methode: als geschiedenis aan te zien, alles wat gebeurd
is, en zich in de onnoozelste kleinigheden, die volstrekt in geen verband staan
met den tegenwoordigen | | | | tijd, te verdiepen, beter gezegd: er in te
verzinken. Maar mijn ruimte verbied mij, meer te geven dan dit algemeene
voorstel: -
Ter wille van de schoone wetenschap der rechtsgeschiedenis, ter
wille van de studie van het germaansche en oud-vaderlandsche recht, beider
psychologisch verband met het romeinsche recht en andere deelen der
rechtsgeschiedenis, worde aan onze hoogescholen aan één
hoogleeraar opgedragen: de behandeling der geheele rechtsgeschiedenis. Het komt
mij voor, dat een cursus van twee jaren daarvoor uitnemend voldoende is; want
het afdalen tot kleinigheden is daarbij geheel overbodig. Het hoofddoel van dat
onderwijs moet zijn: niet het opdringen van meeningen, maar het leeren
vormen van meeningen na zelfstandig onderzoek van de bronnen; niet het
mededeelen eener hoeveelheid feiten, maar het leeren Leeren.
Zulk een frissche opvatting alleen kan den tegenwoordigen ellendigen toestand
onzer geestelijke wetenschappen verbeteren.
Aan de toekomstige candidaten zou daarnaast, om aan de tegenwoordige
wet op de examens te kunnen voldoen, van denzelfden hoogleeraar of een ander
een hoogst eenvoudige cursus moeten worden aangeboden over de instituten van
het romeinsche recht. Mijn tegenwoordige opvatting is, dat het beter zou zijn,
hun terstond de instituten van ons eigen recht te onderwijzen, opdat zij niet
later voor het Burg. Wetb. zitten als voor iets, waarvan ze aanvankelijk niets
begrijpen. Maar daartegen zijn twee bedenkingen: vooreerst levert het onderwijs
in de romeinsche instituten een flinke basis voor den hoogleeraar in de
rechtsgeschiedenis; ten andere eischt het, althans op het oogenblik, de wet.
Wordt bovendien dat onderwijs gegeven door iemand, die het belangrijker acht,
de romeinsche instituten in verband te brengen met ons recht, dan kleinigheden
te onderwijzen, waarmee we niets meer te maken hebben, dan is mijn bezwaar
geheel vervallen.
|
1)Zie o.a.
Waitz,
Deutsche Verfassungsgeschichte.
1)Sachsenspiegel, III, 42
§ 2.
2)Beseler,
Volksrecht und Juristenrecht, p. 26.
3)Savigny,
System des heutigen röm. Rechts, I,
45.
1Volgens
Windscheid en alle andere schrijvers hebben zij
‘f¨r das Verständniss der Quellen Bedeutendes geleistet’.
Van af de 11 e eeuw is men dus bezig ‘Bedeutendes zu
leisten’ voor het verstaan van het Corpus Juris en in het laatst der
19 e is men het bijna over geen enkel onderwerp eens!
2)Scribunt nostri doctores moderni lecturas
novas, in quibus non glossant glossas, sed glossarum glossas. (Uit de
15 e eeuw.)
1Zoo bestudeerde men b.v.
Plato niet in zijn eigen werken, maar in die van
Augustinus.
1Puchta,
das Gewohnheitsrecht, I, 203.
1Zasius schreef in 1530 in een brief deze
woorden: Perpetua pestis in iure nostro, quod textibus non possumus, id
testibus velle convincere. Met ‘testibus’ bedoelde hij de glossen
van Accursius, Bartolus, Baldus enz. Toen ik den zin voor het eerst zag, las ik
voor testibus ook textibus, en kwam zoodoende door een zonderling toeval tot de
woorden die ik in den tekst geef.
1Zie o.a.
Quack,
Socialisten, Personen en Stelsels I, 308. De schrijver
behoort tot hen die de zaak beter inzien dan Windscheid c.s.
2)Schlettwein, Rechte der
Menscheit § 94.
3)Grotius, de J.B. et P., II, 2
§ 2.
1)Fischer,
Geschichte der deutschen Erbfolge, I, S. 4,
5.
2)Pufendorf,
De officio hominis et civis, I, 12 § 2.
3)De zinloosheid der tegenstelling zal de
lezer, hoop ik, zonder uitlegging opmerken. Wat het dwaze ‘oder
aber’ betreft, dat schijnt bij de Duitschers een chronische stijlziekte
te zijn geworden: ook Goethe doet er aan mee.
1)Spruyt, Geschiedenis van de Leer der
Aangeboren Begrippen, p. 211.
1)Ons parlementair stelsel zou in dien zin
gewijzigd kunnen worden: het recht van amendement moest dan o.a. vervallen. J.
Versluys maakt in zijn Proeve eener Nieuwe Levensbeschouwing de opmerking, dat
er nog nooit een onderwijswet aan onze kamer is aangeboden, of zij is er
slechter vandaan gekomen. Met andere wetten gaat het voortdurend op dezelfde
wijs.
1)L 8 D. de his qui 1, 6.
1)Het artikel is te vinden in De Gids, April
1882, p. 119.
2)Opzoomer, Het Wezen der Kennis, p. 197
v.v.
3)Stuart Mill, System of Logic, B. IV, Ch.
VIII.
1)Leibnitz. Op. Vol. IV P. 3 p. 267.
3)Bluntschli,
Die neueren Rechtsschulen, p. 63.
1)Petronius,
Satyricon, I.
1)Thibaut, Ueber die
Nothwendigheit eines allgemeinen bürg. Rechts, p. 16.
2)Hasse, Von der Bestell. der Servit. durch
simple Verträge und Stipulationen, Rheinisches Museum, Jaarg. 1827, p.
66.
1)Kuntze, Die Obligation und die
Singularsuccession, § 22, p. 88.
1)Daarvoor toch zou eerst wettelijk moeten
bepaald zijn, waarom wij straffen.
2)Te meer hecht ik aan het wijzen op deze
tautologie waarde, wijl ik in andere wetenschappen soortgelijke
tautologiën meen te ontmoeten. Zoo b.v. in de Letteren. Daar beweert men
dat
Cicero,
Horatius,
Vergilius schoon Latijn schreven, dat het Latijn van
b.v.
Petronius veel slechter is. Hoe is men daartoe
gekomen? Men heeft eerst grammatica's gemaakt uit de werken van Cicero,
Horatius, Vergilius; toen heeft men ontdekt, dat Cicero, Horatius, Vergilius
schreven overeenkomstig die grammatica's, en dat Petronius anders schreef;
daarna heeft men gezegd: dus schrijven Cicero, Horatius, Vergilius schoon
Latijn en Petronius slechter Latijn. Het is te hopen, dat men deze imbecile
vergissing in de philologische wereld eens gaat herstellen: het Latijn toch van
Petronius staat tot dat van Cicero als het levende Nederlandsch van
Multatuli tot de ‘dichterlijke taal’ van
Ten Kate.
|
|