[p. 455]
Drie Sonnetten. Door Albert Verwey.
I.
De koopman zit op zijn kantoor en somt,
Bij 't gele licht der lamp, de winst van 't jaar:
Hij telt zijn posten preev'lend bij elkaar,
En cijfert, tot zijn rug zich dieper kromt,
Daar de balans niet sluit; - hij peinst en gromt
Half binnensmonds, en met verstoord gebaar
Telt hij opnieuw, ontstemd om 't zoeken naar
Een cijfer-cent, die niet te voorschijn komt; -
En ál zijn winst vergeet hij, niet te vreê
Vóór 't vinden van het cijfer van een cent: -
Zijn kast is vol met hoopen klinkend goud:
Ik ben bevreesd dat ik soms óok zoo deê,
En centen cijferend mij heb ontwend
't Gouden geluk te zien dat 'k overhoud.
[p. 456]
II.
Wat zijt ge dom geweest, mijn ziel. Gij waart
Een kind dat uit was, buiten, en van 't land
Naar huis moet, maar dat nu aan moeders hand
Zich meê laat sjorren, traag en drensend, daar 't
Moe is en niet wil loopen; - 't toont zijn aard
Van koppig kindje, en in zijn onverstand
Vergeet het 't prettig dagje, en sloft door 't zand,
En voelt zich diep rampzalig en bezwaard: -
Zóo 'n kind zijt gij geweest en meendet dat
Gij ál uw rijke vreugd vergeten mocht,
Om weinig moeheid en een zandig pad,
Dat gij niet éens alléen gingt, - zie, mij docht
Dat wie in vreugd nooit zijnsgelijke had
Niet meer dan andre' om klein leed klagen mocht.
[p. 457]
III.
Gelijk een vader zijn onwillig kind
Berispt met schijnb'ren toorn, maar smart in 't hart,
En, schoon kastijdend, zelf wel voelt hoe hard
De straf moet zijn voor 't kind, dat hij bemint, -
En onder 't straffen in zichzelven zint
En hoopt óf het berouwvol wordt - en mart
O zoo verlangend, na die dubb'le smart
Héel lief te wezen voor zijn lieve kind: -
Zóo toornde ik ook op u, mijn ziel, die zwaar
Gezondigd hebt door uw zoo kleine leed
Te laten smetten uw zoo groote vreugd, -
En o zóo lang, zóo teer, begeerde ik naar
't Berouw dat meer vergoedt dan ge ooit misdeedt,
Daar wel 't berouw, maar niet de zonde heugt.