|
|
|
| | | | | |
Het Krabbetje en de Gerechtigheid. Door
Frederik van Eeden.
Een sprookje van Windekind.
Aan het zandige strand steken twee steenen dammen in zee. Het zijn
zeehoofden en uit groote, zwarte steenen werden zij gebouwd. Als het vloed is
en de zee op haar hoogst is gestegen, dekt het water hen bijna geheel en bij eb
liggen zij droog.
Daar zat een mensch op de zwarte steenen zoo ver mogelijk in zee,
zoodat het water aan alle zijden om hem heen spoelde. Hij keek over het
aanrollend water, het was stil en warm. De golven waren klein en kwamen
langzaam aan - ter nauwernood namen zij de moeite even om te krullen - en dan,
plof! - sloegen zij afgemat neer op het vlakke strand.
Tusschen de steenen van het zeehoofd wachtten de donkergroene
wieren geduldig op het wassende water. Sommige vormden een dik fluweelig kleed,
de grootere spreidden hun platte, bruinachtige bladeren uit - wachtend op de
zee, die spoedig komen zou.
Langzaam, langzaam steeg het water. Bij iedere golf sloeg het wat
verder over de steenen en schoot haastig tusschen de spleten en groeven voort,
bij het terugtrekken luchtig wit | | | | schuim nalatend met groote
blazen, die, één voor één, stuk spatten in de
lucht. En dankbaar hieven de wieren zich op, als het water hen bereikte en de
leerachtige bladen weer deed zwellen en glanzen na urenlange droogte.
Tallooze kleine zeediertjes leefden nog tusschen het wier.
Mosselen hielden stevig hun schelpen gesloten tot dat de zee zou komen, en in
het water, dat van den vorigen vloed in holten tusschen de steenen was
achtergebleven, verscholen zich kleine garnaaltjes en krabbetjes, - allen
wachtend op den wassenden vloed.
Voor de voeten van den eenzamen mensch lag een klein, dood
kwalletje. Het was nog maar half levend door de golven op de steenen geworpen
en toen door de zon geheel gedood. Het glibberige, doorschijnende lijf was
verschrompeld en dof geworden. De mensch boog zich voorover om het zonderlinge
dier te bezien. Het was nog fraai, blauwachtig van kleur, doorschijnend als een
edelsteen, en op den halfbollen rug waren in den vorm van een ster regelmatige
bruine strepen getrokken. Ja, het was een mooi kwalletje geweest, toen het
rondzwom in de groote zee. Doch nu was het dood en niet meer dan een rond
plakje blauwachtig slijm, dat de terugkeerende zee niet meer zou doen
herleven.
Daar kwam een kleine, grijze krab bedachtzaam uit de donkere
spleet tusschen twee steenen kruipen. Hij had daar lange uren geduldig zitten
wachten - doch nu moest het water haast komen, dacht hij en hij waagde het
langzaam en voorzichtig met kleine pasjes uit zijn schuilhoek te kruipen. Want
hij had het doode kwalletje reeds langen tijd voor den ingang van zijn hol zien
liggen, en doode kwalletjes is het lekkerste eten, dat een jong krabbetje zich
bedenken kan. Langzaam scharrelde hij voort over het dikke kleed van groen
wier, donzig als mos in het woud, - één twee, één
twee, schuins-iinks op het kwalletje toe. Na iedere vier pasjes bleef hij even
staan om zich eens te bedenken.
De mensch die daar op de steenen zat, keek ver over de aanrollende
golven naar de groote zon, die aan de kim onderging. Dat was voor den mensch
een prachtig gezicht. | | | | Doch het krabbetje vond het in 't geheel
niet mooi, hij had zoover nog nooit gekeken. Hij keek, met bei zijn zwarte
oogjes, naar het kwalletje, dat was een mooi gezicht! - Ook lette hij
niet op den mensch die daar zat, die was te groot voor hem om te bespeuren.
- ‘Zou het water haast komen,’ vroeg het wier,
‘wij worden droog: - wij zullen sterven.’ -
- ‘Het water komt altijd,’ zei het krabbetje in 't
voorbijgaan - en het platte lijf hoog op zijn zes pootjes heffend, volgde hij
deftig zijn weg, - schuins-links naar het kwalletje.
- ‘Maar het water komt niet,’ zuchtte het wier;
‘het duurt zoo lang, - het heeft nog nooit zoo lang geduurd.’ -
- ‘Domme twijfelaars,’ zeide het krabbetje. ‘Ik
erger me aan u. Zoudt ge nog leven als het water ééns was
weggebleven? Wie heeft voor u gezorgd, voor u en uw geslacht, voor al het wier
dat op de steenen groeit? Zoudt ge ondankbaar zijn aan het water, dat altijd
juist terugkomt als ge bijna sterft? Zou het groote water, dat ons doet leven,
dat ons gevoed en bevochtigd heeft, nu zijn kinderen laten omkomen in droogte
en ellende? Domme wieren! gij zijt te klein om de groote gerechtigheid van het
water te begrijpen. Het weet onze behoeften en kent onzen nood, het geeft ons
vocht als wij versmachten en voert ons voedsel in den mond. Vraagt de mosselen,
stil zitten zij aan de steenen en zij bewegen niet. Doch als de schalen openen
stroomt het voedsel er in, dat het water voor hen heeft uitgezocht. Want het
water is goed en wijkt niet af van zijn weg, - het water is gerechtig en geeft
een ieder wat het zijne is. Schande over de ondankbaren die niet
vertrouwen!’
Het krabbetje had bij zijn lange rede vlak voor het kwalletje
stilgestaan. En nadat hij had uitgepraat, ging hij op het smakelijkste plekje
af, dat hij onder 't spreken reeds uitgezocht had.
Toen pakte hij met de stevige knijpers een stukje vast, trok het
naar zich toe en begon er met de kleine, bewegelijke kaken aan te eten. Rustig
en welbehagelijk, - want hij was de eenige krab in de buurt en den mensch zag
hij niet. | | | |
De wieren zwegen beschaamd - en het krabbetje smulde gretig voort,
dankbaar aan het groote water, dat zijn voedsel voor hem had neergelegd.
Toen zag de mensch op uit zijn mijmering, want de zon aan de kim
was achter de wolken verdwenen, langzaam neergezonken als een groote droppel
vloeiend vuur. En de mensch keek voor zich tusschen de steenen en zag het
krabbetje aan zijn lekker maal. Een tijdlang keek hij aandachtig toe, dichter
en dichter bij. Doch het krabbetje zag hem niet. Toen maakte de mensch een
wonderlijk geluid.
‘Brrr!’ zeide hij, ‘hoe vies!’
En voordat het krabbetje begreep wat er gebeurde, vloog zijn
middagmaal plotseling uit zijn knijpertjes weg en plofte een eind verder in
zee. Had hij niet bij tijds losgelaten, dan zou hij medegeslingerd zijn. Nu
sperde hij in woedende verbazing en ergernis de nijdige schaartjes open en keek
wie hem dien trek gespeeld had.
‘Wie doet dat,’ zei het krabbetje, ‘dat is
onrecht. Het was mijn eten.’
Een lang vleeschkleurig voorwerp kwam dicht bij zijn scharen. Het
was een menschenhand, doch dat wist het krabbetje ongelukkig niet.
‘Deed gij dat? Wacht jou!’ zei hij, ‘ik zal je
leeren,’ en fel sloeg hij de scherpe knijpers dicht.
Dat bekwam hem slecht, hij vloog nog verder dan zijn dood
kwalletje - maar niet naar zee, maar in het mulle, droge zand, ver van de
golven.
Hij kwam plat op den rug neer en lag een poosje versuft. Toen
gelukte het hem met veel moeite zich om te draaien en weer op zijn pooten te
staan. Hij zag er treurig uit, want het vochtige lijfje en de lange pooten
waren met duizende, droge zandkorrels bedekt. Wat moest hij beginnen.
‘Is dat recht!’ vroeg het krabbetje. ‘Is dat
recht? Waar is de zee? - Ik wil weten of dat recht is. Het was mijn eten. De
zee zal mij recht geven. - Waar is de zee? | | | | Wist ik maar waar de
zee was! - Ik wil mijn recht,’ zeide het krabbetje.
Haastig begon hij te loopen. Een twee, één twee -
schuins-links, met hooge zwevende pasjes. ‘Waar is de zee! vroeg hij,
waar is de zee.’ Doch de schelpen om hem heen waren dood en droog, wit
gebleekt door de zon en antwoordden niet.
Gelukkig, het zand werd vochtiger. De zee was dichterbij. Een
stervend vischje lag aan 't strand. Breng mij naar de zee’ zeide het,
‘ik ben een jonge haring - en op 't punt van te sterven.’
‘Kan ik het helpen’ zei het krabbetje nijdig ‘ik
heb zelf genoeg te doen. Ik zoek gerechtigheid.’
Een eind verder stond een meeuw dicht bij de golven.
Aandachtig stond hij te kijken of de zee iets lekkers aan 't
strand zou spoelen, - geen vischje of wormpje ontging zijn scherpe oogen,
‘Die zal mij helpen’ dacht de krab, en van verre riep
hij: Recht, recht! - ik zoek de zee en de gerechtigheid. Men heeft mij mijn
eten geroofd en mij op 't strand gegooid. De zee zal mij recht
geven.’
De meeuw draaide den vluggen hals om - en keek met
één oog naar het krabbetje, dat naderbij scharrelde.
Stil wachtte hij tot het dicht bij was, scherp zijn beweging
volgend.
‘Recht!’ riep het krabbetje ‘mijn
eten.’
Schuins-links liep zij juist op de meeuw toe. De meeuw zeide niets
en liet hem vlak bij komen. En toen hap! - boorde de scherpe snavel door den
rug van het krabbetje heen.
‘Gerechtigheid!’ riep het nog - en het volgende
oogenblik lag hij plat op den grond - en haalde de meeuw de ingewanden uit het
opengehakte lijfje.
De zee was gestegen en dekte de zwarte steenen geheel met
krullende, schuimende, golven.
De geduldige mosselen openden hunne schalen, en lieten
| | | | het lavende vocht instroomen - de slanke wieren verhieven zich in
den vloed en wiegelend golfde het lenige loof in het frissche woelende
water.
‘Ziet! ziet!’ - zeiden zij zacht, ‘wij zijn
slecht geweest. Is het goede water niet gekomen om ons te laven? Ja, het
krabbetje had gelijk, het water is gerechtig en gedenkt zijn
kinderen.’
Doch op het droge strand lag de leeggepikte schaal van het
krabbetje, tusschen de uitgespreide pooten. En de wind heeft haar gedroogd de
volgende dagen en de zon heeft haar wit gebleekt, witter dan het schuim der
aanrollende golven.
|
|
|