De Nieuwe Gids. Jaargang 2


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Gids, De


bron: De Nieuwe Gids. Jaargang 2. W. Versluys, Amsterdam 1887  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 134]

Literaire kroniek.

I.

Ik wilde wel iets van Louis Couperus (1) zeggen, nu de menschen beweren dat hij zoo artistiek is.

 

Wel God-beware-me! - Artist te zijn! - te maken één mooi, groot, gedragen geluid, dat men in de kleinste bijzonderheden heeft gevoeld de ziel te zijn, zijn eigen levende ziel, verzinnelijkt tot klank, en dan die opperste uiting van zijn zelf neêr te smijten op de wereld, met heelemaal niets anders dan de eenvoudige bedoeling: Zie je, dat ben ik nu! - en zóó zouden de Orchideeën zijn geworden? Ik geloof er niets van.

 

Eigenlijk komt het er niet op aan wat die menschen vinden: zij zijn als de gauwtevreden toehoorders op een minderen-rangs-concert - kwaad doen zij niet en de kenner laat ieder z'n genoegen en zoekt elders wat hij verlangt. Maar.... de heer Couperus is jong, de heer Couperus kan woorden naast elkander zetten, dat het op een vers begint te lijken - wie weet wat hij op een mooien dag in zijn hoofd krijgt om te doen.

En dan is het goed, dat de heer C. verschillende opinies over zijn arbeid verneme, en niet later in zijn binnenkamer zuchten moet: Heer-in-den-hemel, dat men mij nooit geprezen hadde!

 

[p. 135]

Ik wensch den heer C. gaarne het beste toe, maar ik vind zijne poëzie om helsch te worden. Voor wie gewoon is de emotioneele waarde der klanken te onderscheiden, en het eerst van alles bij een dichtstuk naar de groote muziek, de heerschende stemming van 's dichters geluid, het lyrische accent te luisteren, voor dien zijn deze verzen eene kwelling van lichaam en ziel. 't Is of men een zangeres hoort, die telkens van de wijs raakt, zichzelve verliest, weer opvat, weer verliest, en zoo voort, den heelen eindeloozen avond door en iedereen denkt, dat het zoo tepas komt in haar rol. Want Couperus zingt niet voluit, zóó uit zijne stemming, hij tracht niet weêr te geven, nauwkeurig, datgene wat hij in zichzelven verneemt, - hij zet klanken naast elkander als aardigheidjes tot een streeling des gehoors, hij speelt bouwdoosje met de taal, hij coquetteert met ons mooi open, Hollandsch geluid. Dat noem ik ónartistiek zijn.

 

Maar hoe weet gij dit nu allemaal? zal men mij vragen. Omdat ik het hoor, waarde vriend, en als gij 't niet hoort, dan moet gij het trachten te leeren. Dat heb ik ook moeten doen.

Of wilt gij liever een bewijs uit het ongerijmde? Deze klinkende verzen met hun gepretendeerde Oostersche pracht en Zuidelijke passie, doen zij u sidderen van genot en huiveren van bewondering door de intensiteit der visioenen, die zij voor u oproepen als een andere werkelijkheid, dringt hun klank in u door tot uw diepste wezen, zooals het klagen eener groote menschenziel of het huilen van den storm bij nacht? Niet liegen… Niet? Welnu dan kan dit aan u liggen of aan die verzen. In het eerste geval prijst gij als goed, wat niet den indruk op u maakt, dien goede verzen maken moeten: dus zijt gij incompetent; in het laatste… quod demonstrandum.

 

De bonte schittering van Couperus' verzen is niets dan een beteekenislooze weelderigheid in de afwisselingen van zijn klank en heel wat anders als de waarachtige muziek,

[p. 136]

de lyrische golfslag, die de dichterlijke stemming voor het gehoor teruggeeft, zooals de plastiek dat voor het gezicht doet.

 

Ja, de plastiek die de keerzijde is van de klankexpressie, als deze de belichaming van 's dichters sentiment, maar voor een ander onzer zintuigen, plastiek is er in Couperus' werk weinig te vinden. Gij meent van wel, Mijnheer of Mevrouw? Maar dat komt omdat wij beiden iets anders bedoelen.

Gij zijt tevreden, als er over een fantasie gesproken wordt, met woorden die er bij te pas kunnen komen en die aangenaam luiden voor uw gehoor, maar ik verlang dat de fantasie zelve in naaktheid voor mij geboetseerd staat, zonder overtolligheid en ieder woord door klank en beteekenis onverbiddelijk op zijn plaats. En dat is niet te verwachten van iemand, die telkens verleid door een tergend rijm of een vleiende alliteratie of een glinsterend geluid slechts een opeenhooping van kleurige adjectiva en schilderende trekjes geeft, zonder ooit tot een klare, breede schilderij uit één stuk te kunnen komen.

 

Wij hebben tot dusverre alleen over den zuiveren artist Couperus gesproken, den werkman die uitvoert, wat zijn fantasie en zijn gevoel hem aanzetten om te doen. Als zoodanig is hij ons gebleken niet veel zaaks te zijn, maar daarachter zit nog de mensch, de gevoelende en fantaseerende mensch. En nu is het merkwaardig om te zien, in wat een noodlottige wisselwerking beide kanten van 's heeren Couperus' wezen met elkander staan.

Als artist: handig balanceerder op het slappe koord eener ongevoelde zoetvloeiendheid, jongleur met klankenreeksen van een weeke onbeduidendheid, spreker en zinger met een krachtelooze radheid van tong - als mensch, zich bewegend in een fantasiewereld van affectatie en onwaarheid en flauwigheid, zich suikeren tempeltjes bouwend met goud papier beplakt, rococo-sentimentjes uitkirrend met een stemmetje van

[p. 137]

was, zich verkneuterend kortom in de bonte en zoetige banaliteit van een modisten-ideaal. Van stemming voor de natuur, van artistiek zien van het menschelijk doen en laten, van werkelijkheidszucht, van hartstocht, kortom van alles wat waar is, in den kunstenaar noch in den aesthetischen mensch, een spoor.

 

En die samenhang is zoo natuurlijk. Want wat niet juist gedacht en groot gevoeld is, kan ook niet juist en groot worden gezegd.

 

Wij schreven de voorgaande karakteristiek van 's heeren Couperus' literaire figuur niet omdat wij dien heer, als zoovelen zijner lotgenooten, voor belachelijk of oneerlijk houden. Wij vinden alles wat hij na Santa Chiara heeft uitgegeven, de geheele ‘Lent van Vaerzen’, zoowel als al de ‘Orchideëen’ op die ééne na, absoluut literaire ‘trash’, goed alleen om door heeren kritiseerende dilettanten te worden aangestaard als iets buitengewoons. Maar wij waren zelf de eersten, die er onmiddellijk na het eerste verschijnen van Santa Chiara in 1883, opmerkzaam op maakten in het Weekblad de Amsterdammer, dat de Gids nu eindelijk eens een gedicht van eenige waarde had gepubliceerd. Er zijn na dat jaar in allerlei genre's betere dingen gedaan, doch wij komen niet op onze meening terug, dat dit gedicht een belofte inhield, een belofte die nog niet door den schrijver is vervuld.

Helaas, het heeft niet zoo mogen zijn! Laten wij hopen op de toekomst.