|
|
|
| | | | | | | | I.
Ik wilde wel iets van
Louis Couperus
(1) zeggen, nu de menschen beweren dat hij
zoo artistiek is.
Wel God-beware-me! - Artist te zijn! - te maken één
mooi, groot, gedragen geluid, dat men in de kleinste bijzonderheden heeft
gevoeld de ziel te zijn, zijn eigen levende ziel, verzinnelijkt tot
klank, en dan die opperste uiting van zijn zelf neêr te smijten op de
wereld, met heelemaal niets anders dan de eenvoudige bedoeling: Zie je, dat ben
ik nu! - en zóó zouden de Orchideeën zijn
geworden? Ik geloof er niets van.
Eigenlijk komt het er niet op aan wat die menschen vinden: zij
zijn als de gauwtevreden toehoorders op een minderen-rangs-concert - kwaad doen
zij niet en de kenner laat ieder z'n genoegen en zoekt elders wat hij verlangt.
Maar.... de heer Couperus is jong, de heer Couperus kan woorden naast elkander
zetten, dat het op een vers begint te lijken - wie weet wat hij op een mooien
dag in zijn hoofd krijgt om te doen.
En dan is het goed, dat de heer C. verschillende opinies over zijn
arbeid verneme, en niet later in zijn binnenkamer zuchten moet:
Heer-in-den-hemel, dat men mij nooit geprezen hadde!
| | | |
Ik wensch den heer C. gaarne het beste toe, maar ik vind zijne
poëzie om helsch te worden. Voor wie gewoon is de emotioneele waarde der
klanken te onderscheiden, en het eerst van alles bij een dichtstuk naar de
groote muziek, de heerschende stemming van 's dichters geluid, het lyrische
accent te luisteren, voor dien zijn deze verzen eene kwelling van lichaam en
ziel. 't Is of men een zangeres hoort, die telkens van de wijs raakt, zichzelve
verliest, weer opvat, weer verliest, en zoo voort, den heelen eindeloozen avond
door en iedereen denkt, dat het zoo tepas komt in haar rol. Want Couperus zingt
niet voluit, zóó uit zijne stemming, hij tracht niet weêr
te geven, nauwkeurig, datgene wat hij in zichzelven verneemt, - hij zet klanken
naast elkander als aardigheidjes tot een streeling des gehoors, hij speelt
bouwdoosje met de taal, hij coquetteert met ons mooi open, Hollandsch geluid.
Dat noem ik ónartistiek zijn.
Maar hoe weet gij dit nu allemaal? zal men mij vragen. Omdat ik
het hoor, waarde vriend, en als gij 't niet hoort, dan moet gij het
trachten te leeren. Dat heb ik ook moeten doen.
Of wilt gij liever een bewijs uit het ongerijmde? Deze klinkende
verzen met hun gepretendeerde Oostersche pracht en Zuidelijke passie, doen zij
u sidderen van genot en huiveren van bewondering door de intensiteit der
visioenen, die zij voor u oproepen als een andere werkelijkheid, dringt hun
klank in u door tot uw diepste wezen, zooals het klagen eener groote
menschenziel of het huilen van den storm bij nacht? Niet liegen… Niet?
Welnu dan kan dit aan u liggen of aan die verzen. In het eerste geval prijst
gij als goed, wat niet den indruk op u maakt, dien goede verzen maken
moeten: dus zijt gij incompetent; in het laatste… quod
demonstrandum.
De bonte schittering van Couperus' verzen is niets dan een
beteekenislooze weelderigheid in de afwisselingen van zijn klank en heel wat
anders als de waarachtige muziek, | | | | de lyrische golfslag, die de
dichterlijke stemming voor het gehoor teruggeeft, zooals de plastiek dat voor
het gezicht doet.
Ja, de plastiek die de keerzijde is van de klankexpressie, als
deze de belichaming van 's dichters sentiment, maar voor een ander onzer
zintuigen, plastiek is er in Couperus' werk weinig te vinden. Gij meent van
wel, Mijnheer of Mevrouw? Maar dat komt omdat wij beiden iets anders
bedoelen.
Gij zijt tevreden, als er over een fantasie gesproken
wordt, met woorden die er bij te pas kunnen komen en die aangenaam luiden
voor uw gehoor, maar ik verlang dat de fantasie zelve in naaktheid voor mij
geboetseerd staat, zonder overtolligheid en ieder woord door klank en
beteekenis onverbiddelijk op zijn plaats. En dat is niet te verwachten van
iemand, die telkens verleid door een tergend rijm of een vleiende alliteratie
of een glinsterend geluid slechts een opeenhooping van kleurige adjectiva en
schilderende trekjes geeft, zonder ooit tot een klare, breede schilderij uit
één stuk te kunnen komen.
Wij hebben tot dusverre alleen over den zuiveren artist
Couperus gesproken, den werkman die uitvoert, wat zijn
fantasie en zijn gevoel hem aanzetten om te doen. Als zoodanig is hij ons
gebleken niet veel zaaks te zijn, maar daarachter zit nog de mensch, de
gevoelende en fantaseerende mensch. En nu is het merkwaardig om te zien, in wat
een noodlottige wisselwerking beide kanten van 's heeren Couperus' wezen met
elkander staan.
Als artist: handig balanceerder op het slappe koord eener
ongevoelde zoetvloeiendheid, jongleur met klankenreeksen van een weeke
onbeduidendheid, spreker en zinger met een krachtelooze radheid van tong - als
mensch, zich bewegend in een fantasiewereld van affectatie en onwaarheid en
flauwigheid, zich suikeren tempeltjes bouwend met goud papier beplakt,
rococo-sentimentjes uitkirrend met een stemmetje van | | | | was, zich
verkneuterend kortom in de bonte en zoetige banaliteit van een modisten-ideaal.
Van stemming voor de natuur, van artistiek zien van het menschelijk doen en
laten, van werkelijkheidszucht, van hartstocht, kortom van alles wat
waar is, in den kunstenaar noch in den aesthetischen mensch, een
spoor.
En die samenhang is zoo natuurlijk. Want wat niet juist gedacht en
groot gevoeld is, kan ook niet juist en groot worden gezegd.
Wij schreven de voorgaande karakteristiek van 's heeren Couperus'
literaire figuur niet omdat wij dien heer, als zoovelen zijner lotgenooten,
voor belachelijk of oneerlijk houden. Wij vinden alles wat hij na
Santa Chiara heeft uitgegeven, de geheele
‘Lent van Vaerzen’, zoowel als al de
‘Orchideëen’ op die ééne na,
absoluut literaire ‘trash’, goed alleen om door heeren
kritiseerende dilettanten te worden aangestaard als iets buitengewoons. Maar
wij waren zelf de eersten, die er onmiddellijk na het eerste verschijnen van
Santa Chiara in 1883, opmerkzaam op maakten in het
Weekblad de Amsterdammer, dat
de Gids nu eindelijk eens een gedicht van eenige
waarde had gepubliceerd. Er zijn na dat jaar in allerlei genre's betere dingen
gedaan, doch wij komen niet op onze meening terug, dat dit gedicht een belofte
inhield, een belofte die nog niet door den schrijver is vervuld.
Helaas, het heeft niet zoo mogen zijn! Laten wij hopen op de
toekomst.
|
(1)Orchideëen door Louis Couperus.
Amsterdam. A. Rössing, 1887.
|
|