terug  begin  verder
[p. 190]

Een Executie. door Ary Prins.

In de verte aan den mond van de rivier lag de oude stad, beheerscht door een donker kasteel, hoog gebouwd op een kalkgrauwe rots, die gevormd was als een gedrochtelijken menschelijken romp, met dreigend vooruitstekenden buik, welke de aarde raakte, en zakborsten, waaruit het heraldieke groen van eenige denneboomen opwies.

Een lucht zonder wolken, om den horizont van melankolieke bleekheid, bijna kleurloos, en hooger op somber, gelijk blauw, alsof er geen zon achter stond, tintte den stroom tot fijn staal, waarin de tallooze torens met hunne koperen spitsen, vergroend door het weder, de plompe bastions met getande kanteelen, en de vooroverhellende smalle huizen met hunne stijl oploopende blauw bepande daken neerspiegelden, met grijze onvolkomenheid, als af brokkelende ruinen.

Op het brakke water dreven schepen, gebouwd als Chineesche jonken met den zwakken stroom mede, en lieten hunne grove netten over den bodem der rivier slepen. Zij waren van donker bruin, bijna zwart hout, glanzend als de huid van een neger. Een enorm zeil klapperde tegen den mast, en aan den kromgebogen, hoog oploopenden voorsteven was het beschilderde uit hout gesneden beeld van den schutspatroon, meest met blauwen mantel en gevouwen handen, aangebracht.

[p. 191]

Zilverwitte visschen staken hunne stompe bekken tusschen de hartvormige blaâren van waterplanten uit, en sloegen het nat met hunne glinsterende staartvinnen omhoog; verdroogd purperkleurig zeegras lag op het strand, in vreemd slangvormige figuren, rond droog-poedergrijze rotsblokken, en met iederen golfslag werd de oever op sommige plaatsen licht violet gekleurd door stervende kwallen, wier hart, gevormd als de blâaren van een viooltje, in de paddestoelen van gelatine verbleekte.

Tot dicht aan het water stonden pijnboomen, die langs een heuvelrij opliepen. Hoog in de lucht wiegelden hunne grijsachtíg groene bladerpruiken, en tusschen de rood-roestige stammen, slank als palmen, liepen op een tapijt van mat paarse bloemen enkele herten. Zij waren spierwit, en hadden zware geweien, vertakt als knoestige eikeboomen. En het suizen der wind werd gestoord door het schuifelen der pooten in opgehoopte dorre blâaren.

Maar eensklaps lichtten de grazende dieren verschrikt hunne koppen op, peilden met de zachte bruine oogen de duisternis onder het groen, en vluchtten snelweg langs het strand. Kromgebekte zeevogels, wit als onbezoedelde sneeuw, staakten hun schommelende wandeling te midden van het aangespoelde, om krijschend al kringentrekkend weg te vliegen, en zelfs de visschen doken onder, aan den waterspiegel een kleinen Maalstroom achterlatend.

Het drooge hout kraakte, en op een groot geel bruin ros, met opgerolden staart, bestrikt met zijden linten kwam een ridder te voorschijn. Hij was van het hoofd tot de voeten geharnast, en het vooruitstekende half geopende vizier van zijn platten helm geleek op den opengesperden bek van een dier fantastische gedrochten - half vogel, half mensch - in grijzen steen op den omgang van oude kerktorens uitgehouwen.

De voethooge ruiker van roode pluimen, die het ijzer kroonde, scheen in het donkergroene floers van de boomen een bonte tropische vogel, en als dwaallichtjes tusschen de struiken schitterden gouden sterretjes op de rouwzwarte hoze, waarmede zijn paard tot op de hoeven behangen was.

[p. 192]

Achter hem, tusschen een Comprachico met hooggewelfde borst als van een vrouw, en in een engsluitend roomwit kostuum, beteekend met botergele slangen, zich in bochten wringend, en tusschen een man in het oranje, op wiens langgevlochten haar een platte hoed, gevormd als een omelet, stond, ging een vrouw, bijna nog een kind. Zij was blank als een Leukopaat, en om de afloopende ranke schouders hing een gescheurde grijze mantel over een goudkleurig onderkleed met groene anjelieren bestikt. Haar zwakke licht-roode oogen sidderden in het licht onder een hooge tartaren muts van zwarte wol, die op het zijdeachtige haar waggelde, en de stijve, spitse vingers, die groot uit de enge mouwen schenen, draaiden een rozenkrans langzaam rond. Zij ging moeielijk als had zij pijnlijke voeten, en de mannen duwden haar voort.

Men ging tot bij het water, en de ridder sprak eenige woorden tot den witten Comprachico, wiens neus opengespleten was, als die van een doghond - en zijn stem klonk vreemd, gesmoord van onder het ijzer.

De verminkte greep daarop de vrouw aan, deed haar mantel af en stroopte het onderkleed woest omlaag - en de ridder zag dit aan, streng onbewegelijk als de koperen figuur op een grafzerk.

Hare borsten, die klein en jongensachtig waren, met rose spleetjes in de toppen, werden geheel ontbloot, doch het kwam niet in haar op uit schaamte de armen tegen het blanke fijn beaderde lichaam te kruisen. Zij was als in een droom boven alles verheven, ongevoelig voor smart, onverschillig voor de blikken der mannen. Haar arm lichaam was als verlaten, en oneindig hoog boven de stof zweefde de geest. Haar oogen weenden niet meer, en staarden wijd geopend, strak voor zich uit, als zagen zij reeds datgene wat nog nooit een mensch heeft aanschouwd, en het scheen haar alsof zij zich niet meer op de aarde bewoog, toen de Comprachico haar tot aan den waterkant bracht.

De man in het oranje, wiens beenige kop, overtrokken door geel trommelvel vol plooien, geleek op Botticelli's portret van Guliano de Medici stond naast haar, leunend op een

[p. 193]

groot slagzwaard, en duwde haar ter neder op de knieën

Met neergeslagen loensche blik zag hij toen op haar af, en een krampachtige stijve plooi kwam om zijn mondhoeken, als bij menschen die een groote krachtsinspanning moeten doen.

Instinctmatig sloot zij de oogen, en drukte de teêre handen plat tegen elkaâr. Haar lippen prevelden, en een oogenblik leefde zij als een uitgaand lampje in een onmetelijke duisternis.

De beul vatte het zwaard met beide handen aan, zette zich schrap, en het lemmet trok bliksemsnel een onvolkomen glinsterende boog.

De romp viel voorover met uitgespreide handen, waarop het bloed uit de halsaderen als uit een gieter spoot.

Het hoofd rolde al draaiend in het water, zonk, kwam weder boven, en de man in het oranje zag het bleek grauwe gelaat, de half gebroken oogen en de stijf geopende mond in een krans van bloedrimpels, die zich in den doodsluier van het haar verwarden, langzaam in de groenige diepte verdwijnen.

terug  begin  verder