terug  begin  verder
[p. 384]

Sonetten door H.J. Boeken.

I.
 
Zooals men, gaande door een lange straat, -
 
Die, somtijds zich verbreedend tot een plein,
 
En soms ophoudend waar de bruggen zijn,
 
Van dit eind van de stad naar 't ander gaat, -
 
 
 
Zoo bont des avonds in den hellen schijn
 
Die van het winkellicht naar buiten slaat,
 
Elk menschepopjen ziet, dat gaat of staat,
 
Dat hoofd en schouders 't allerlichtste zijn;
 
 
 
Maar op een brug van al de stad slechts 't groote
 
Wegdoovende verloop met stippellichten
 
Der donkre cingle' al verder weg ziet wenden: -
 
 
 
Zoo zie ik om mij de dicht bij bekenden
 
Zoo licht, met de begrepene gezichten,
 
En ver de menschheid in haar donkre grootte.
[p. 385]
II.
 
Als een schoon man op een schoon paard gezeten
 
Door 't strijdperk héénstapt, vaardig tot den strijd
 
Nog even ziet hoog zijn jonkvrouw gezeten,
 
Dan, slank vooruitgebogen, rent ten strijd,
 
 
 
Om gene vreeze denkt of dapperheid,
 
Geen acht slaand op alle angst of bijvalskreten,
 
Hopend alléén dat hij wordt schoon geheeten,
 
Schoonst zichzelf wetend in den heev'gen strijd: -
 
 
 
Zoo hoop ook ik weinigen schoon te wezen,
 
Wanneer ik eenmaal strijdend word gezien, -
 
 
 
En niet om kracht of moed te zijn geprezen,
 
Wen 'k nedersla wat waard is velen liên, -
 
 
 
Want eenmaal zal ook ik welwetend rijden
 
Op het schoon ros van wijsheid, reê ten strijde.
[p. 386]
III.
 
O menschen, die ik zag op vele wegen,
 
Reizend van land tot land, door vele steden
 
Ziende uw gezichten en de altrants omkleedde
 
Lichamen loopend langs mij heen bewegen, -
 
 
 
Van wien kon 'k weten voor elkeen de reden,
 
Dat juist uw lichamen dié vormen kregen,
 
Juist uw gezichten zóo mij zagen tegen
 
Als ik u zag, wát wetend van uw zeden?
 
 
 
En waarom doet ge wat ge doet? Het moeten
 
Gaf u uw bezigheid, of de oude sleur
 
U 't ledig zijn en levenslang vervelen.
 
 
 
En waardoor voelt ge wat ge voelt? Reeds 't spelen
 
Van u als kind're' en 't zich bedwingen moeten
 
Was als der oud'ren blij-zijn en getreur.
[p. 387]
IV.
 
O, Menschen, elk zijn eígen leven levend,
 
En toch in alles elkaar nabootseerend, -
 
Elk hebbend zijn hart in zijn binnenst bevend,
 
En toch zoo zéer naar andrer lot zich keerend, -
 
 
 
Elk zijne kracht inwinnend en verterend,
 
Maar één met anders kracht nieuw leven gevend, -
 
Elk in onhoorbre onzichtbaarheid begeerend,
 
Maar in elkaar verstaanbren talen gevend
 
 
 
Elkandren van àl dees gescheidenheden
 
Voorstelling, weten en weer nieuw begeeren,
 
Zoodat gelijkheid schijnt in al wat leden
 
 
 
Alle geslachten in zoo lange tijden,
 
En ook wat wein'gen zeiden meen'gen eeren
 
Als Wijsheid en als de Waarheid belijden.
[p. 388]
V.
 
Ik voel de schoonheid zacht-op in mij groeien,
 
Als in zich 't licht de lucht voelt zich uitbreiden:
 
Bleekscheemring opgerezen, die vervloeien
 
Gaat in roô vlokken door het eenzaam, wijde,
 
 
 
Hoog-doorwolkt Oosten, dat het al één blijde
 
Heelal-dag wordt, alles ál één opbloeien:
 
Vlakten, wouden, waarin nachtwinden woeien,
 
Bergen en steden; éen: hemel, aard, beide; -
 
 
 
Dat nacht niet is, die was met den dag dingend,
 
En éen lichtwemeling, wat nachtgewelven
 
Waren, en koû licht, en licht warmte-geven, -
 
 
 
En de lucht Ik, en het licht, 't al doordringend,
 
Die heel de wereld één maakt met mij-zelven,
 
Mijn schoonheid; zulk een al-op-dag mijn leven.
[p. 389]
VI.
 
O Menschenlichamen, die groeit op aarde
 
Elkaar gelijk in namen van de deelen,
 
In alles anders: anders daar hen baarden
 
Of and're', of zelfde' in and're stond van telen -
 
 
 
Anders door 't leven: naar de teerbewaarde
 
Leêmaten deden op de wilsbevelen
 
Elks Iks, 's lijfs eige' en heere', en konden velen
 
Wat er onweerbaars in de wereld waarde:
 
 
 
En toch éen is er allen wat ge voelt:
 
Pijn en genot voor al die teed're leden,
 
Smart en geluk voor elken wetende' Ik -
 
 
 
Maar veel scheelt wat elk weet, veel dus 't gewik
 
En 't daad'lijk willen tot bevel der leden
 
In 't pijn en smart vliên, waarop elk-een doelt.
[p. 390]
VII.
 
Door 't raampjen zag ik op de donkre banen,
 
Hoe van ver 't wit licht scheen langs gladde reelen,
 
Het vreemd electrisch licht dat als kunstmanen
 
Was tot lantaarnen voor de kruislings vele
 
 
 
Reislijnen; en ín 't rijtuig in bruingele
 
Reisjassen Engelschen, Amerikanen,
 
Of wát landsvolk: zóo lichtgaand dat men wanen
 
Ovalen zou de wielen: - zoo nu velen
 
 
 
Voerden de waagnen over de aarde; dezen
 
Die gingen uit verveling ver en zochten
 
Al wat merkwaardig heet, en enklen die
 
 
 
Voor hunne geld-winst moesten verre wezen,
 
En mij, wien elk mensch, huis, stad deelen dochten
 
Van éen groote Éenheid waarnaar 'k altijd zie.
[p. 391]
VIII.
 
O wondervolle tijd des winters, waarin
 
De warmte van de' Atlantische' Oceaan,
 
Waar zon witgoudt de blauwe waterbaan,
 
Met zuide-weste-winden tusschen haar in
 
 
 
Komt naar het noorder nevelland, en daarin
 
Lauw luwt de vochte koude, waarin staan
 
Tot eene stad huize' en paleize', en gaan
 
Eindloos de rijtuigen tusschen de schaar in
 
 
 
Rustloozer menschen die daar gestaêg leven
 
In 't weinig licht, dat door de mist heen komt
 
Des grooten lichtdags dien de zonne maakt,
 
 
 
Het licht dat als van zich zijnd daar omwaakt
 
De aarde des daags, zoo dat maar donkrer even
 
Dan dampkring 't bouwsel is, dat óp zich domt.
[p. 392]
IX.
 
Gij, die mij eere geeft bij enk'le lieden,
 
Die zien wat ik zie, door mijn enkel woord,
 
Woord van wat Gij mij geeft in Uw aanbieden
 
Van altijd rijkdom, die door mij gehoord
 
 
 
Wordt altijd, zoodat om mij henen vlieden
 
Alle geluid en zichtbaar zijn, gesmoord
 
Door biddende begeert naar U, dan die de
 
Heerlijkheid zijn, die mij en U toehoort: -
 
 
 
Ach, mij en U, ik weet niet wie ik ben,
 
Wat mijn, wat anders, wie de wereld is,
 
Die soms niet anders dan als mijn zich toont, -
 
 
 
Of Gij als machtgre dan ik in mij woont,
 
Of éene van mij, dien 'k als velen ken,
 
Mij, ruimte-en-tijddeel van 't Alongewis.
[p. 393]
X.
 
Zoo zong ik in de vreugde mijner ziel,
 
En mijnes lichaams heerelijk gevoelen,
 
Want nimmer éen, in wien dit leven viel,
 
Die zoo zich voelde boven 't wereldsch woelen:
 
 
 
Wie waren schoon en sterk van lijf, hun koele
 
Hoofd vond geen woorden voor der menschheid ziel;
 
Wie droegen hoog hun goddelijke ziel,
 
Zij moesten zwaar der wereld smart gevoelen.
 
 
 
Mijn vader en mijn moeder, elk van beiden,
 
En vroegere oudren, welke schoonheid heeft
 
 
 
In uwe lijve' en zielen, droef gescheiden,
 
Door alle tijde' in vreugd en leed gebeefd,
 
 
 
Die éens vereenigd worden zoude in mij de
 
Heerlijkheid hoog, die door mij wordt doorleefd?
terug  begin  verder