terug  begin  verder
[p. 468]

Varium.

Over de Goncourt. - Gij vraagt mij, waarde Redactie, mijn meening over het artikel over De Goncourt in de jongste aflevering van den ‘Gids’? Vergun mij in de eerste plaats de vleiende qualificatie aan mijn adres van de ‘De Goncourt-specialiteit’, die uw vraag vergezelt, af te wijzen, want al ben ik een bewonderaar van De Goncourt, en al hebben de broeders De Goncourt weinig geschreven, wat ik niet meer dan eens gelezen heb, toch acht ik mij daarom nog niet ver genoeg om als ‘specialiteit’ over op hen betrekking hebbende zaken geraadpleegd te worden. In de tweede plaats ben ik het geheel met u eens, dat een literair tijdschrift als het uwe goed doet met belangrijke literaire verschijnselen niet onopgemerkt voorbij te laten gaan, vooral niet indien zij zich voordoen op plaatsen, waar anders weinig belangrijk literairs te observeeren valt, maar, als ik er dan toch iets over zeggen moet, kan ik u mededeelen, dat het tijdschrift, waarin het De Goncourt-artikel voorkomt, ook in deze zijn reputatie gestand heeft gedaan, en dat het artikel wat men noemt ‘niets om het lijf’ heeft. Laat mij echter door mijn persoonlijke overgroote genegenheid voor De Goncourt niet eenzijdig worden. Het moet iederen De Goncourt-vereerder genoegen doen, dat de aandacht meer en meer op die uitnemende

[p. 469]

letterkundige figuren wordt gevestigd, al is het daarbij ook te bekennen, dat de behandeling dier fijne artisten aan blijkbaar te grove en plompe vingers werd toevertrouwd.

Het artikel immers behelst eenige flauw vertaalde citaten uit het werk der Goncourts, omgeven door de in onverzorgden, hier en daar zelfs gewoon foutieven, stijl geschreven herhalingen van de gemeenplaatsen, die sinds een paar jaar in de parijsche dagbladen enz. over de Goncourts in circulatie zijn. Zie daar de indruk, dien het artikel maakt. En dan zijn er buiten-dien twee schromelijke vergissingen in. De eene is, dat de Goncourts niet als letterkundigen maar als schilders zouden geschreven hebben. Het is niet heel duidelijk wat hiermeê bedoeld wordt, maar ik zal strakjes een citaat uit een fransch deskundige meêdeelen, waarin vrij wel het tegen-over-gestelde beweerd schijnt te worden. De tweede vergissing is, dat de Goncourts zelf niet als psychologen beschouwd zouden willen worden. In de voorrede van een hunner eerste romans ‘Germinie Lacerteux’ schrijven zij ter verdediging van hun boek: ‘Aujourd'hui que le roman devient par l'analyse et la recherche psychologique l'Histoire morale contemporaine’, etc. ‘Manette Salomon’, een roman uit hun midden-periode, die de beste psychologische individu-ontleding van onze eeuw bevat, begint dan ook b.v. zijn 128ste hoofdstuk met de woorden: ‘Anatole présentait le curieux phénomène psychologique d'un homme’, etc. In de voorrede van een der laatste romans, ‘La Faustin’, heet 't: ‘je veux faire un roman qui sera simplement une étude psychologique’ etc.

Wat nu de mededeeling aangaat, als zouden de Goncourts als schilders en niet als letterkundigen geschreven hebben, hierop laat ik eenvoudig Gustave Geffroy (in zijn voorrede van De Goncourt's ‘Pages retrouvées’) dit antwoorden: ‘C'est là la caractéristique de leur talent: ‘Ils furent des hommes de lettres et rien que des hommes de lettres. Ils regardèrent, pensèrent, écrivirent en hommes de lettres.... De même que les grands peintres n'ont au contact des choses que des idées picturales, des raisonnements de dessinateurs

[p. 470]

et de coloristes, de même que les purs musiciens n'ont que des sensations musicales, transforment toutes leurs impressions en thèmes musicaux, - de même, eux, littérateurs, out vu et senti toutes choses littérairement, avec l'oeil et le cerveau de leur profession’.

 

F.H.

terug  begin  verder