terug  begin  verder

[De Nieuwe Gids. Jaargang 4. Deel 2]

[p. I]

In Memoriam. J.A. Alberdingk Thijm.

Sedert wij dit tijdschrift schrijven, bijna vier jaar, is het nu de vijfde keer dat wij met deze woorden van rouw boven onze bladzijden moeten beginnen.

Huet, die dichter bij ons stond dan hij of wij wel wisten; Bosboom-Toussaint, die curieuze en respectabele auteur van vroeger, Multatuli, haar tijdgenoot en haar meerdere, Vosmaer, de fijne man die zoo boos niet kon wezen dat wij zijn jeugd en zijn middelbarden leeftijd daarom zouden vergeten; allen eerbiedwaardig en onvergetelijk om hun gelukkigen strijd met omstandigheden en met een menschdom waarin bijna geen plaats was voor meer dan middelmatigen.

En nu is het Alberdingk Thijm wiens naam aanspraken op onze beste gevoelens doet gelden, wiens weggaan een droefheid is, wiens nagedachtenis wij meer schuldig zijn dan klachten en verslagenheid. Wanneer zullen wij onze schuld aan deze Dooden kunnen afdoen? Ons is de plicht om in de taal die wij thans spreken tot onze tijdgenooten die naar ons hooren, te zeggen wat deze menschen voor ons zijn geweest, en als binnenkort allen zullen gestorven zijn die in zulke jammerlijke dagen en tijden de Hollandsche kunst van schrijven hebben bewaard en verhoogd en hebben overgebracht op hunne lateren, dan is geen gering gedeelte van hunner zonen taak eerst vervuld, als Zij zullen staan,

[p. II]

onwrikbaar op hun voetstuk van onzen eerbied, gebeeldhouwd met zorgvolle en vaste hand in het marmer van het proza dat ook na hun verscheiden niet opgehouden heeft in smetteloosheid te winnen.

Maar ook wij mogen in de eerste dagen als Zij dood zijn, ons vergenoegen met de hand te drukken van hunne bedroefde vrienden. Te zien dat een nieuw geslacht, dat toch niets anders doet dan wat Zij hebben gedaan en wat hun nu wordt aangerekend als een deugd en een eer, mét de ouderen bij het graf staat, en na te gaan dat de bloemen die men den lijken meêgeeft, niet worden benijd, maar met een overvloeiend gevoel van genegenheid aan de Dooden worden gegund, is zeker een troost voor hen die mogelijk geen troost verlangen of kunnen verdragen.

Ook Alberdingk Thijm was een van hen die onder ons voortleefde als een herinnering, als een levende bladzijde historie, als Een met eene stem sprekende van vroeger dagen. Het zullen voortaan bijna alleen de boeken zijn die het verledene zullen bevatten. Kostbaar daarom is de getuigenis van den ouderdom. En als de grijsheid zelve verdwijnt en ten grave daalt, spoedig de een na den ander zich afwendt en ons alleen laat staan, dan zullen wij ons leven lang de plek blijven aanwijzen waar Zij begraven zijn en met hen die edele gaven van dat beste van wat de menschen hebben, in hunne handen veilig door een lang en moeilijk leven gedragen.

Wij hebben van Alberdingk Thijm veel gehouden en er is niemand van ons die niet de grootheid voelt van dit nieuwe verdriet.

terug  begin  verder