Den derden dag, dat ik op reis was, kwam ik in een vreemde sombere stad, omgeven van dorre zandige vlakten, bloedkleurig beâard door ijzererts.
Tot tegen het vallen van den avond, dwaalde ik langs donkere, sterk overhellende huizen, waartusschen de lucht hoog weg een melancholisch lichtend pad scheen, en langs smalle grachten, gevuld met een groenachtig stilstaand water, vol geheimzinnige opborrelingen, en waaruit zwarte glibberige palen spookachtig opstaken.
Ik zag in holle nissen, op donkere hoeken van straten, uit hout gesneden Madonna's, met afgeregende kleuren, waggelend achter roestig traliewerk, waarvoor eens in vrome tijden een waskaars had gebrand - en, in een oud romaansch kerkje, op dikke muren, half vergane fresco's: een barbaarsche, groenachtige, bruinbespikkelde Christus met uitgeteerde stijve armen en een dof rooden mantel om de puntige schouders, te midden van apostelen, die plechtig omhoog wezen, en wier witte haren als vlammen boven bleek gele gezichten opkrulden.
Het was reeds donker, toen ik naar mijn logement ging. Een zwoele stormwind deed de roode olievlammen in de
waggelende straatlantaarns omkrullen, en over de stad schoven losse roetzwarte wolken met uitgerafelde randen.
Een bleek schijnsel gleed langs de huizen, en in de onzekerheid van een geheimzinnige schemering zag ik vreemde, bewegende vormen. Schoorsteenen werden dreigend door hunne uit de duisternis opduikende rechtlijnigheid, die scheen te breken. Verlichte vensters sloegen op muren uitgerekte helle vakken, waarop de schaduwen van ontbladerde boomen als skeletten heen en weder dansten. Langs gevels, die onverwachts uit het donker te voorschijn sprongen, streken lichtende lijnen, als schrampte phosphor tegen den steen. Donkere massaas, zwak beomtrekt, hadden van uit de verte de geweldige vormen van byzantijnsche monsters en het gepoetste koper van deurkloppers vlamde op het donkere hout als basiliskoogen.
Dit alles maakte mij onrustig, en de onverschillig-treurige stemming, waarin ik sedert dagen verkeerde, en die bijna weemoedig genotvol was, ging op in een onbewuste vrees, die groot en geheimzinnig uit het hart opsteeg.
In het hotel gekomen, ging ik dadelijk naar boven.
Mijn kamer was aan het einde van een lange, smalle gang, en hier boven den grond, bemerkte ik eerst hoe hard het stormde. De wind gierde aan beide zijden langs het huis, met sombere langgerektheid, alsof stoom werd afgelaten, en zijn geweld was zoo groot, dat ik den indruk kreeg, dat het huis door ‘materie’ was omgeven, evenals bij een sneeuwval of overstrooming. Het dak kraakte boven mijn hoofd, en het tochtte in de gang zoo erg, dat ik mijn hand voor het licht moest houden. Ik droeg het een weinig ter zijde, en toevallig omkijkende, zag ik op den witgekalkten muur mijn zwevende schaduw, lang uitgetrokken, met een dansend peervormig hoofd, op smalle schouders, en dunne beenen, die ombraken op den vloer.
Door den storm kon ik maar niet in slaap komen.
Voortdurend keerde ik mij om, het hoofd vol wilde ge-
dachten. Ik wond mij op over kleinigheden, of dacht met de obstinatie van een geloovige, die honderdmaal achtereen hetzelfde gebed prevelt, voortdurend over ééne zaak.
Het was eindelijk niet meer uittehouden; ik sloeg de bedgordijnen open, stak de kaars aan, en op een arm leunend, keek ik lang naar den spiegel, die doodglansde in het donker. Hij hing voorover, en ik zag een kwik-glimmende plek in het glas. Waar had ik die melkkleurige metaaltint nog meer gezien? Ik deed vreeselijke moeite het mij te binnen te brengen, maar mijn geheugen was verzwakt, en ik kon mij alleen iets herinneren van een fijn witten nevel die langzaam optrok, en vol bewegende lichtjes was. Ik zag die lichtjes, zij kwamen nader, en in een vreemd bosch van hooge dennenstammen, zwart glimmend als ebbenhout, waarvan gouden naalden onhoorbaar afregenden, zag ik een processie van meisjes met lange waskaarsen, die dof geel opflikkerden in de dun-witte ijlheid van den mist.
Zij gingen met langzame schreden, en plechtige gebaren der smalle handen op een mat-purperen sneeuw van anemonen en om haar heen kromden zwart gebrande takken uit den grond, harig als insectenpooten, waarop mosgroene pluimen statig heen en weder wiegelden.
Hare doorzichtige slepende gewaden, van fijn lila en onschuldig rood, golfden om het ijle bloesemblanke van maagdelijke nevelvormen met amberwitte rondingen en teer-rose schaduwen, en zij zagen mij strak aan met groote wijdgeopende oogen, waarin het blauwgrijze van een ondoorgrondelijke treurigheid een zachten wellust van gemakkelijk vloeiende tranen in mij deed opkomen.
Ik ontwaakte, en lag op mijn rug, terwijl de kaars nog naast mij brandde. De opgeslepen vlam laveerde door den tocht in alle richtingen, en met mijmerende strakheid zag ik naar de donkere meubelen, wier geheimzinnige onbewegelijkheid uit de rijpe schaduwen naar voren glimde.
Ik rekte mij uit, luisterde droomerig naar het getril der ruiten, en ongeboren gedachten sluimerden weder in de nevel-
plooien van mijn geest, maar op eens schrikte ik wakker door een zacht geluid, dat met den storm in geen verband stond.
Het klonk als voetstappen, en ik begreep dadelijk, dat zij naar mijn kamer kwamen. Mijn angst was geweldig. Het bloed bonsde tegen mijn slapen, en mijn oogen, die zich verwijdden, gloeiden, als had ik mij lange nachten over duistere boeken ingespannen; groote druppels rolden langs mijn voorhoofd, en de voetstappen naderden langzaam, heel langzaam. Zij waren slepend zacht, bijna onmerkbaar in den storm, maar ik hoorde ze boven alles uit, als beefde de grond onder de schreden van een metalen kolos. En op eens sprong de deur wijd open, met een zacht gekraak, alsof de wind het deed.
Een koude vrees smoorde mijn keel toe. Het bloed stroomde naar mijn hart, dat dreigde te bersten. Ik voelde, dat ik doodsbleek werd. Voor mijn, ‘inpuilende’ oogen kwam een fijn grijs waas, als waren zij overspannen door een dun vlies, en met verlammende starheid zag ik naar een ouden man, die binnenkwam.
Zijn platte kop, gesloten in een grijze pruik, die omkrulde bij de beenige ooren, was bolwit als een champignon en met gezwollen bleek-blauwe aderen aan de slapen. De oogleden waren lang uitgerekt, bijna gesloten, en van onder de loodgrauwe gleuven gleed een doodgaande blik naar mijn bed. Van het lichaam zag ik alleen vage omtrekken in een koolzwarte duisternis; maar plotseling begon het hoofd te bewegen.
Het rolde stuiptrekkend, grijnzend heen en weder tusschen opbultende schouders. Het danste; het sprong op als een veerkrachtige bal, in een electrischen vonkengloed, en viel neder op een bloederigen halskolom.
Toen zakte ik achterover, en zag niets meer.
Bij mijn ontwaken was het helder dag, en had de storm zich gelegd.
Een gevoel, alsof een band om mijn hoofd was gesmeed,
mijn brandende oogen, en een vermoeiende prikkeling in de voeten, herinnerden mij aan den onrustigen nacht.
Ik sprong echter haastig uit het bed, zonder veel om het ‘hoofd’ te denken, kleedde mij aan, en schelde den knecht. Heeft u van nacht niets gemerkt, vroeg hij geheimzinnig, onder het aanreiken van het scheerwater.
- ‘Neen’ zeide ik werktuigelij k, en mijn stem stokte.
- ‘Een oude Heer, die naast u logeerde, heeft zich den hals afgesneden.’
Soost, Augs. '88.