terug  begin 
[p. 443]

Varia.

Da Costa's Meesterwerken. Voor 't onderwijs en tot zelfoefening, met inleiding en aanteekeningen, door B. Schelts van Kloosterhuis.

Als ik iets over den stijl van den Heer B. Schelts van Kloosterhuis zeide, dan houd ik er voor, dat de Heer Schelts van Kloosterhuis mij zou antwoorden, dat hij zich niet bewust was een stijl te hebben, of ten minste dat hij zich bij het gereed maken van zijn Inleiding en zijn Aanteekeningen op Da Costa, niet bezig gehouden had met wat men gewoonlijk stijleeren noemt. Maar dit bedoel ik ook niet. Ik weet wel dat de Aanteekeningen geen andere stelling hebben dan om het lezen van Da Costa's gedichten wat gemakkeIijker te maken; en dat met de Inleiding niets meer gewild is, dan het verzamelen van eenige gegevens omtrent den persoon en de werken om den dichter in het algemeen. Maar onbewust neemt de Heer Kloosterhuis enkele malen airs aan, die met zijn bescheiden taak niet goed stroken. Dan is hij eenigermate ongepast deftig en serieus en avanceert hij meeningen over literaire en andere onderwerpen; en al kan hij zich tegen deze beschuldiging verdedigen met de opmerking, dat zijne opinies toch niet anders zijn dan de gangbare gevoelens in de leeken-wereld en dat hij dus alleen bij wijze van spreken zijn eigen inzichten ten beste geeft, zoo blijft toch deze fout

[p. 444]

in den vorm bestaan. Beter ware het ongetwijfeld geweest, indien de Heer Kloosterhuis zich gehéel tot citaten had bepaald. Dan zou men niet genoodzaakt geweest zijn, over zijn stijl te praten, dien men nu hoogst middelmatig moet noemen; en had men bovendien hem tot zijne eer kunnen nahouden, dat de dwaasheden die hij in dezen stijl ten papiere stelt, in elk geval slechts de dwaasheden van ánderen waren. De Heer Kloosterhuis had een werk kunnen doen, dat hem wel niet onsterfelijk, maar toch allen die ambtshalve in de noodzakelijkheid komen de verzen van Da Costa te lezen, tot zijne schuldenaren zou hebben gemaakt. Te weten wat de levensgeschíedenis van Da Costa geweest is, hoe hij door bekende auteurs is beoordeeld geworden, en welke de titels en de inhoud van zijne voornaamste gedichten zijn, dit eenigermate volledig en toch beknopt aan het verstand van aankomende of weder naar nieuwe studiën vertrekkende onderwijzers te brengen, is zeker geen gemakkelijke en een nuttige taak. De Heer Kloosterhuis had deze taak kunnen volvoeren zonder eenige schade voor zijn eigen letterkundige reputatie, zoo hij er eene bezeten had. Niet hij zou aansprakelijk geweest zijn voor de taxatie van de lektuur die hij verzamelde; en met eene grootere zorg voor de objectiviteit van zijne voorstelling, zou hij bij het walletje langs hebben kunnen gaan zonder vat op zich te geven. In de schaduw van de aanhalingsteekens zou hij veilig zijn geweest. Zoo als het er nu evenwel uitziet, inviteert de Heer Kloosterhuis ons somtijds tot het kennis nemen van zijn eigen meeningen en brengt hij dus zijne bloemlezing onder het bereik van de kritiek. Zijne verontschuldiging heb ik al genoemd, en ik herhaal dat het blijkbaar niet anders dan de bekoring van de banaliteit en geenszins een ernstig overdacht plan is geweest, dat hem tot deze voorbarigheid heeft gedreven. Zoo valt hij in dezer voege op bladzijde éen van zijne voorrede met de deur in huis, zonder vooruit te hebben bedacht of men het wel de moeite waard zou vinden hem opterapen:

‘Dat den grooteren gedichten van Da Costa eene steeds toenemende populariteit ten deel valt, legt m.i. een gunstig

[p. 445]

getuigenis af van den kunstsmaak van het huidige ontwikkelde publiek. Immers, hij was geen ‘vliegenreddend rijmelaar,’ of kunstige-sonnetten-smedend sentimentspoët met ‘boven lucht en wolken uitschreiende idealen’ (die den ingezonden Nederlander aan weinig meer dan aan klink-klank doen denken), maar een dichterlijk gemoed, dat ‘en verterend aandeel nam In at wat onze tijden baren’, en door eene diepgaande studie der geschiedenis vele en gewichtige dingen over die tijden te zeggen had; dat, eindelijk, die dingen zei in niet-slechts-door-den-vorm aangrijpende verzen: mannen-voer in mannelijk dicht.’

Men ziet dat het reeds dadelijk aan aanhalingen allerminst ontbreekt; inderdaad is deze aanhef niets anders dan het bericht, dat volgens het heerschende gevoelen in de kringen die de auteur bezoekt, de jongere dichters van den tegenwoordigen tijd zijn zooals hij citeert en Da Costa was zooals hij wederom citeert. Maar waarom nu niet de fout vermeden van te doen alsof de Heer Schelts van Kloosterhuis iemand was, die met volkomen bewustheid en volgens eigen, vrijen wil, in de moeilijke vraagstukken die hierbij betrokken zijn, zich partij stelde. Men mag niet denken, dat deze Heer de pretentie heeft gehad, van met deze weinige pennestreken een oordeel te vellen over de poëzie van ons geslacht, nog wel een vergelijkend oordeel met die van een vorige periode. Ook de Heer Kloosterhuis zal weten, dat men met het uitspreken van zulke algemeenheden niet begint, en dat zij enkel als de slotsom van een uitvoerig betoog eenige beteekenis kunnen hebben. Wezenlijk doen de moderne dichters sommige lezers nog aan heel iets anders dan aan klink-klank denken, en ik houd het voor zeker, dat menigeen bij dit naieve debuut den schrijver zal verzoeken voortaan alleen voor zich zelf te spreken. Men zal allicht den samensteller van deze bloemlezing dit onbewust-aanmatigende ten goede houden; schoon hij, indien hij niet kan velen dat men hem gekscherend te woord staat, den in-gezonden Nederlander, die even weinig als de Heer Kloosterhuis de kunst van zijn tijd zou begrijpen, integendeel uit wandelen had moeten

[p. 446]

zenden. De bruikbaarheid van zijne nauwkeurige en zaakrijke deeltjes, als handleiding en als historische compilatie, wint niet bij de uitstalling van eene zoo stuitende onbevoegdheid. Maar tegelijkertijd mag men niet vergeten, dat de Heer Schelts van Kloosterhuis zich op een spreekwoord beroepen mag, dat voor hem gemaakt is. Want de Heer Schelts van Kloosterhuis heeft ons ontwapend dewijl hij ons heeft doen lachen, of ten minste, glimlachen.

terug  begin