|
|
|
| |
| | | |
Verzen,1) door Herman Gorter.
I.
De lente - ik sta midden in haar -
o daar komt ze, daar, daar,
daar vliegt ze op me aan, ze zoent me
ze zoent me, ze zoent me en ze noemt me
haar zoete ademen woord voor woord -
o en daar vliegt ze voort
de honnige, fladderende lente
naar de verte, daar naar de horizonnerige tenten,
de zilveren, zilvervoetige, zilverhandige lente
Kijk nu ze strooit den zomer rond
rond haar boezem, haar gladde rug, haar beenen
| | | |
ze gaat langs de horizonnen
ze heeft toch zoo veel, ze kan geven
wel, zie het lichte sneven
van al dat kwijnende levende stervende opflikkerend licht,
en daar midde' in haar gezicht,
zie je het wel, zie je het wel,
hoe licht hoe wit hoe goud hoe schel,
hoe kunnen we 't toch verdragen
van ochtend tot avonddage,
kom weer, kom bij mij weer
gij mijn lieve, mijn lieve, lieve, lieve oogenbegeer.
haar mond midde' in de dorst
van mijn mond, haar roode zachte weeke punttong,
't is of ze heelemaal in me drong.
| | | |
II.
De lamp schijnt, de kamer is open -
buiten hoor ik de wind loopen:
De bladen, de flappende bladen,
de flaplentebladen - de flapnachtbladen,
ze zijn groen en ze zijn zwart en slap -
hun natte lippen, 't slap handegeklap,
hoor 't opwaaien, 't alle-weggaan,
het schermutsel in 't donker van zachte wapenen,
het aan elkaar klapperen,
hoor ze in de verte aangaan,
de nacht is heel open gegaan
langs mijn hand koel gezoen en gestrook
het licht schijnt als in rook,
't is als om slapen te gaan -
in 't schijnlicht, die vlijblaan, 't òpgaan, 't neergaan.
| | | |
III.
Groote lenten met zonlichtboezems
in fonkellichte vèr vallende blouses
waar hoofden zacht in liggen,
donzig en ver als wolkenen,
die in wintermiddagen liggen.
Dàn oogen lichtgrijzig spelen,
doorschijn-licht gedachten vervelen
zich - den ganschen goudgelen
lichtlichten lentenádag -
terwijl de luchten verspelen
heel vèr verre windkrakeelen
De lippen hangen dan stil,
de handen een weinig kil,
het lichaam in lucht, de rille -
in eens om het uit te gillen.
| | | |
IV.
Blinkend licht splinterde fijn,
uìtstortte ik in den schijn,
het straalde over mijn oogen, het stroomde langs mijn lippen,
het viel over mijn gebogen armen en handen - mijn tippen
van mijn vingeren striemden zijn teere geweven lichthuid,
mijn hooge beenen riemden het spiklend spatzilver er uit -
en toen was ik in de dage
waar hàre zoetstroomige bedden lagen,
hare, de jonge gezwollen bloedige bloemige roode lent',
Ze ging zoo dansend, zoo armen zwaar heffend lichtend voorbij,
haar stroomende rug, een glijbaan van licht, haar lichtvolle zy,
het ronde hoofd daar van boven,
die zénuwig dè wind trillen doet -
en daar kwam ze ook weer aan,
de lucht van zich duwend, over de aarde, luchtbelaan,
in het zware daglicht met haar eigen lachlicht,
ademend zwaar alsof ze zong, omdat het haar lippen hóógvol drong,
en de teedergevelde borsten omhoog
waarlangs het licht langzaam vloog
omdat zìj het was - omdat zìj zìj was -
het roode langzame lichte witte met een beetje goude licht,
en over haar wang en gezicht
gleed het neder omlaag, langzaam en juist daarom traag,
en ze kwam zoo dicht bij me
haar teedere volle borst tegen mijn lip
| | | |
een oogenblik, want een tip
was ook al veel te veel voor mij
en ze streelde ook over mij
haar groote omhoog geheven zware maar mij lichte hand
heel het uitgestrekte bloeiende bloem-beddige land
van haar fonkelend gazzend, zonnend, koren-vlammend lijf
om niet te vallen, want ik voelde de duizendtallen
van groote bloeddruppels opspringen als een regen in mij -
maar als een plassende stralende regen in Mei
voelde ik toen het licht van haar oogen
door de glimlichte glanzende drooge
't werd stiller om me heen,
ik zag haar gaan, lichtspreidend als een rad van vuur,
verder en verder, zwijmen in dag, overal gelijk vuur, -
boven, beneden - vurig tevreden -
en ik stond alleen met mijn lach.
| | | |
V.
De lente komt van ver, ik hoor hem komen
en de boomen hooren, de hooge trilboomen
en de hooge luchten, de hemelluchten,
de tintellichtluchten, de blauwenwitluchten,
want dit is het sidderend verlang
o de lente komt, ik hoor hem komen,
hoor de lichtgolven breken
rondom, rondom mijn hoofd,
ik heb het wel altijd geloofd,
Goud is het in de lucht als goude heiligen,
in labberlichtkleeden, de zeilige
die nu de aarde bevaren, bezeilen,
met het zachtgladde kleed scheeren
het zachte hoog luchtkleed tillende zeilen
ze heene en weer wiegelende
en blikken zich spiegelend
in de blauwe verwarmde waterevlakken.
met je zachte warme vingeren
hoog trillende in de bloeme-
luchten die rondom klingelen -
| | | |
van je blauwe vervliedende oogen
het hoogheilige luchtige goudluchtere licht?
hoor je 'm komen teederstillicht?
in zijn gezicht dat daar dagen
hij weent ook over ons henen
in zijn sneeuwglinsterdag.
Lentelicht is nu gekomen,
eindelijk is het gekomen,
lachen zoo licht als dagen,
val toch in tintellichttranen
als bleeke vallende manen
hooge, op stengel verhoogde lenterood-bloemen
|
1)Evenals vroegere in den N.G. geplaatste gedichten (zie N.G. Aug. 1889 pag. 424, 425; 1 Oct. 1889, pag. 124-126; Febr. 1890, pag. 389-393), behooren deze verzen in een nieuwen bundel die binnenkort bij W. Versluys zal verschijnen.
|
|