De Nieuwe Gids. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Gids, De


bron: De Nieuwe Gids. Jaargang 6. W. Versluys, Amsterdam 1891  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

[De Nieuwe Gids. Jaargang 6. Deel 1]

Over de toekomst, door Frederik van Eeden.

A.P. Sinnet. Esoteric Buddhism.

 

Waarom, nu wij toch allen na eenig tegenspartelen de half vernederende, half vleiende waarheid geslikt hebben dat wij in rechte lijn afstammen van eenig aap-achtig beest, waarom overwegen wij dan zoo weinig de even plausibele, niet minder vernederende maar veel rijkere gedachte, dat onze verre nakomelingen minstens even ver boven ons zullen staan als wij boven onze vierhandige soortgenooten?

Waarom komt het zoo zelden in ons op dat er met gelijken grond van waarschijnlijkheid eenmaal wezens van onze afstamming zullen bestaan, die wij gerust engelen kunnen noemen, - zoowel als er eenmaal geleefd hebben die wij oer-menschen of mensch-beesten moeten heeten? En dat die verheven nazaten met een verontschuldigend lachje, met innerlijke schaamte en tegenzin elkander zullen bekennen gedrochten van zulke grove bewerktuiging en zulke lage geestelijke hoedanigheden als de tegenwoordige menschen tot voorvaderen te moeten rekenen.

Dat eenmaal de eene mensch-engel den anderen mensch-engel met zacht verwijten - verwijten zullen dan zeker zacht zijn - zal toevoegen: ‘men kan wel zien dat je van menschen afstamt.’

[p. 2]

Men moet er goed over denken, want het is geen grapje, volstrekt geen herschenschim - het is zoo waarschijnlijk, zoo reëel als eenig denkbaar feit der toekomst. Omdat ik er wat luchtig over spreek moet men niet denken dat ik er luchtig over denk. In mijn eentje dit overwegend vind ik het zeer serieus. Iets komieks ontstaat eerst dan, wanneer ik deze gedachte in aanraking breng met het groote publiek, mijn Hollandsche lezers. Als ik denk aan die en die, dit stukje lezend tot tijdpasseering of uit plichtbesef, omdat hij lid is van een leesgezelschap, aan u bijvoorbeeld en aan u, die tegenwoordig óók al de Nieuwe Gids leest, onder voorbehoud natuurlijk, als ik aan u denk en mij voorstel u te gaan vertellen dat gij de overgrootvader zijt van eenige engelen, dan moet ik daarbij lachen, door contrast-werking.

Toch verzoek ik u, het even als ik een hoog-ernstige zaak te vinden en een zeer belangrijke overweging en mij toe te staan, ter voldoening van mijn plichtsbesef u daarop nadrukkelijk attent te maken.

Eerst zal ik u doen opmerken dat deze toekomst-gedachte geen ijdele fantasie is, maar zoo welgegrond als eenige wetenschappelijke conclusie. Want om haar uit te sluiten zou men één van tweeën moeten aannemen: of dat het proces der evolutie op 't oogenblik zijn toppunt heeft bereikt, of dat de duur der ter evolutie gunstige omstandigheden, met name van een door de zon behoorlijk verwarmde wereldbol te spoedig een eind zal nemen.

De eerste suppositie wordt door niets gesteund. In zulk een geval begint men haar niet aan te nemen. Het eenige wat zich hier tegen zou verzetten is een zeer ongemotiveerde trots, - die dus in een betoog verwaarloosd mag worden.

De tweede kan een mogelijkheid zijn. Er bestaan bekende analogieën. Men weet dat zonnen kunnen verkoelen, dat werelden kunnen vergaan. Alles pleit er voor aan te nemen dat dit ook eenmaal met onze zon en onze aarde zal gebeuren.

Maar daartegenover staat, dat zonnen en werelden zich in

[p. 3]

een gezegenden levensduur mogen verheugen en dat wij die niet bij dagen maar bij jaarmilliarden moeten tellen. Dat dus naar ons klein begrip die leeftijd oneindig is. En dat er dus voor onze rekening geen zier meer of minder kans is dat de gevreesde katastrophe morgen aan den dag, dan wel over honderduizend jaren zal plaats grijpen. Want in het aard-leven is een verschil van honderdduizend jaren als een verschil van een seconde in een menschenleven. Dat wil dus zeggen dat de kansen op eenen spoedigen ondergang der wereld volkomen verwaarloosd mogen worden, daar zij nagenoeg staan als één tot oneindig.

Wij zijn er dus even zeker van, dat de aarde nog honderdduizend jaar zal bestaan, als dat zij er morgenochtend nog zal zijn of zelfs over een uur, dat wil dus zeggen, naar menschelijke spreekwijze, volkomen zeker.

Goed, er komen dus engelen. Over honderd duizend, misschien over een millioen jaar. Dit kan u echter niet heel veel schelen. Gij vindt het oneindig belangrijker dat om half acht de melkboer, en om 8 uur de bakker komt.

Hierin zit juist uw inferioriteit. Dit zal u juist zoo laag, dierlijk, aapachtig doen schijnen in de waardeering uwer nakomelingen.

‘Zoo'n beest,’ zeggen wij, ‘zoo'n beest, als dat maar heeft, dan denkt het ook geen uur verder.’

‘Zoo'n mensch, zeggen zij eenmaal die na ons komen, zoo'n mensch als die maar goed eten en drinken had en wist dat hij het morgen ook zou hebben dan was hij tevreden -’

Als 't waar was, als 't heusch door en door waar was, dan zou ik met dit stukje wel thuis kunnen blijven. Dan zou ik alleen behooren te schrijven over eten en drinken, en hoe daar aan te komen. Dus over politiek, oeconomie, nuttige wetenschap en zoo meer.

Maar 't is niet waar. De tevredenen van onzen tijd kunnen samen wel op één ton dansen, of ze 't nu goed hebben naar den vleesche of niet.

Er was zulk een tijd, nog niet lang geleden, dat het waar was voor de meesten. Een tijd van menschen, volkomen ge-

[p. 4]

lukkig met vechten, eten en drinken en kinderen die zouden doen wat de ouders gedaan hadden.

Maar reeds voor duizende jaren zijn zij gekomen, de vragers, de denkers, de met zich zelf vechtenden, de ontevredenen, - hier en daar, eenzelvig verspreid, twijfelend toeziend in de gelukkige onbewustheid om zich heen, zelf reflecteerend, be spiegelend, niet begrijpend, hopeloos tobbend.

Hun aantal is toegenomen in ongelijke rede met de toename der geslachten. Zij hebben elkander aan 't vragen, aan 't twijfelen, aan 't morren gebracht, zij zijn voor een tijd lang gespaard, zoet gehouden met fantasiën en beloften, zoo mooi mogelijk naar hun verlangen. Maar de twijfel brak weer door. Het kind werpt het mooie speelgoed gebroken weg, de popjes zijn heel mooi maar ze leven niet, er zitten zemelen in, - het kind wil niet gesust wezen, het wil nu eindelijk weten wat er met hem gebeuren gaat.

De ontevredenheid is het eerste symptoom van naderende stijging. De zorg voor iets dat niet het individu is, in ruimte, als naastenliefde, maar ook in tijd, als zorg voor die na zullen komen is een maatstaf van veredeling.

Een dier toont geen verlangens omtrent het toekomende. Het doet, wat het noodzakelijk doen moet wil zijn geslacht niet vergaan. Als de arend haar jongen niet verdedigde, als de sluipwesp haar eieren niet legde op een plaats waar voedsel was voor de larve, er zouden geen arenden en geen sluipwespen kunnen zijn. Dit is geen zorg, geen verlangen. Het is blinde wil tot leven. Geen dier kent zijn jongen als ze volwassen zijn geworden.

Maar de mensch zorgt. Hij doet moeite uit bewust verlangen. En nu is zijn verlangen in deze evolutie-periode zoo ver gegaan, dat hij nog meer wil dan het veilig opgroeien, nog meer dan het levenslang welzijn zijner kinderen, nog meer dan de bloei van zijn persoonlijk geslacht, zijn huis. Hij begeerde het goed te hebben op zijn ouden dag, het scheen hem een deugd daarvoor te zorgen. Hij begeerde dat zijn kinderen het goed zouden hebben, nu en zoolang zij leefden ook na zijn dood. Hij liet hen zijn rijkdom na, hij gaf hun

[p. 5]

raad en vermaningen die moesten strekken tot duurzaam geluk - en niet alleen van de kinderen zelf maar ook van zijn kindskinderen en verder, verder.

In 't eerst nog alleen van 't eigen geslacht, de gens, de afstammelingen in rechte lijn. Later van 't geheele volk - en nog later, nu, in onzen tijd, nu vallen de grenzen der natien weg voor den gelukswil van het individu. Er mogen geen uitverkorenen zijn, individuen, noch stammen, noch volken. Niet ouder- of kinderliefde wordt de hoogste deugd, niet vaderlandsliefde, maar menschenliefde.

Deze veranderingen zijn zonder overleg in ons gekomen. Ik zou geen logische reden weten waarom ik meer van alle menschen en hun verre nakomelingen dan van mijn volk, mijn familie of van mijzelven zou houden. Dit zorgen geschiedt niet uit overweging, maar uit drang. In eersten aanleg is vaderlandsliefde, menschenliefde even instinctief als de liefde van den ooievaar voor zijn oude nestelplaats, van de bijenkolonie voor hun koningin.

Maar het is ons onmogelijk onze daden instinctief te laten blijven. Over alles valt het licht der reflectie. Verder en verder dringt de zelfbewustheid door.

Waarom wij voor ons zelven, voor anderen, voor nog niet bestaande menschen zorgen, - dat zijn dingen die ons gaan interesseeren, want wij doen niet gaarne iets zonder bekende reden.

Soms zijn wij met zeer onvolkomen verklaringen tevreden. Wij zorgen voor ons zelven omdat - er in ons een zelfver-zorgende neiging, egoisme, is. Quia est in eo virtus dormitiva. Wij zorgen voor anderen omdat wij van anderen houden. Een affectie, een mystieke gemoedsaandoening, omdat ze ons zoo bekend is, wordt door ons als redelijken grond aangenomen.

Maar voor de menschheid, voor onze nakomelingen kunnen wij toch zulk een affectie niet voelen.

Het terugbrengen dezer neiging, en ook van alle affectie, tot egoisme - dus het verklaren der mysterieuse gemoedsneigingen uit de - schijnbaar - niet mystieke zucht tot

[p. 6]

zelfbehoud, is wat een menigte onzer denkers getracht heeft. Hoe uit de zucht tot zelfbehoud de neiging tot het verzorgen onzer nakomelingen moet verklaard worden, begrijp ik niet. Maar zoo het gelukt, dan zou daaruit volgen, dat elk mensch, op dit punt tot bewustheid gekomen, het op eenmaal uitschaterde en zoo gauw mogelijk er een eind aan maakte. Dan zou zelfbezinning onvermijdelijk zelfvernietiging worden. Want voor ons nageslacht te zorgen met het doel om voor ons zelf te zorgen is een onuitsprekelijke dwaasheid. Elk mensch, door de Rede overtuigd dat de drijfveer van al zijn daden is egoisme, en de Rede volkomen willende dienen, zou zijn kinderen moeten vermoorden of verwaarloozen. Aldus zou 't menschenras spoedig vergaan.

Het motief, waarmede men zich lang behielp, was een categorische moraal. God wil het zoo, - en later, toen men wat huiverig werd om van God te spreken, omdat God eigenlijk zoo'n rare voorstelling was, - de Deugd, de moraal.

Dit was echter een ontoereikend en wankelbaar begrip. Toen eenmaal het betrekkelijke der moraal, het tegenstrijdige van de Godsvoorstelling was ingezien, konden deze geen dienst meer doen. En daar zitten wij nu, - wij doen meer voor het nageslacht en voor de menschheid dan ooit - en nog altijd weten wij eigenlijk niet waarom. 't Is om beschaamd te worden.

 

Ik kan mij wel begrijpen dat een mijner trouwe medearbeiders in den wijngaard der Gedachte, de godsdienst een ‘positief kwaad’ heeft genoemd,1) en in deze meening zijn voorname hand heeft gereikt aan het literaire schooiertje wiens uitgekauwde en opgewarmde straatuien over den godsdienst nog zooveel aftrek onder de massa vinden.

Wie zich niet ten minste eenmaal duchtig kon vertoornen over de schijnheiligheid, de inconsequentie, de sofistiek van vele geestelijken en godgeleerden, zou bijna toonen geen hart of geen begrip te hebben. Wie niet de absurditeiten van de

[p. 7]

een of andere dogmatische geloofsleer eenmaal met heftigheid heeft verworpen, kan haast niet ernstig hebben nagedacht. Men moet in onzen tijd iemands opinie over religieuse dingen niet vertrouwen, zoo hij niet eenmaal zich gebaad heeft in den Styx van het atheïsme, waaraan de goede Büchner zich nog steeds tusschen stof en kracht zit te vervelen.

 

Eerst wanneer iemand zelf heeft ondervonden hoe hij van het kastje eener absurde religie is geloopen tegen den muur van een nog veel absurder materialisme, dan is hij, na zich aldus tweemaal flink te hebben gestooten, in de rechte stemming voorzichtig voort te gaan, zich te receuilleeren en goed op te letten.

 

Want op dit punt is hij dan nog even wijs, op deze vraag heeft hij nog geen antwoord: ‘Zoo ik voor mijn nageslacht - voor die niet bestaande, mystieke, vermoedelijke wezens - niet zorg om Gods wil, niet om mij zelfs wil, waarom dan? - waarom dan wel? -’

Wat beweegt ons dan toch het ons moeielijk te maken over sociale kwesties, over hervormingen? Wij zullen er geen plezier van hebben, integendeel. Wat willen wij dan toch? Het is toch niet redelijk zooveel moeite te doen, zonder te weten waarvoor?

Is het dan alles maar een aardigheid? een spelletje? een tijdverdrijfje? Doen wij als spelende kinderen die zeggen: ‘Hè ja! als al die doosjes eens op elkaar stonden, dat zou leuk zijn!’ en zeggen wij nu ‘als alle menschen later eens gelukkig werden, dat zou een leuke grap zijn.’

Nu goed! nu staan alle doosjes op elkaar, wat dan? wat dan? dan weer onderste boven?

Jawel, zegt de Wetenschap, de Rede, - dan weer onderste boven, en daarvoor laat men zich verhongeren, of onthoofden, of kruisigen, of in zachtzinniger tijden belasteren en van de Beurs dringen.

Ziehier dan, waarde medestrijder, in plaats van een positief kwaad, een negatief goed.

[p. 8]

Onze betrekkelijkheid, het relatieve, niet-volstrekte van al wat aan ons is, van ons weten, denken, begrijpen en kennen, - omgeeft ons als een fuik de gevangen visch. Onophoudelijk haar vergetend, steeds weer vruchteloos pogend er uit te geraken, stooten wij naar alle zijden onzen neus, en hangen soms, in een der mazen van het net, jammerlijk voor mirakel.

 

Na ingezien te hebben dat al het voor absoluut gegevene: de waarheid, de moraal, de godsdienst, volstrekt niet absoluut is, maar wisselt men den mensch en met het uur, nu komen wij door ons gebrekkig inzicht tot de nog veel dwazere, veel onbestaanbaarder meening, dat deze dingen geheel, volkomen relatief zijn - en dat er niets absoluuts overblijft dan de betrekkingen zelf, de Rede.

Dan zitten wij weer hulpeloos te smakken in het onvermijdelijke net, - want ook de relatieveteit der dingen is zelf weer relatief. Wie het absolute in de dingen ontkent is even ver verdwaald als wie meent het gevonden te hebben. Wij moeten er in berusten het absolute aan te nemen, wetende dat het door enkel relatie, door Rede, onbereikbaar is.

 

Ik heb er nu niets tegen als iemand de woorden geloof en godsdienst af wil schaffen, maar zoo hij het gezegde goed overweegt zal hij dan ook moeten toegeven dat het zaak is terstond met een paar nieuwe woorden gereed te zijn, om die functies der menschelijke ziel aan te duiden die tot heden bij het gebruiken der verworpen woorden bedoeld werden, en die noodzakelijk inherent zijn in elken mensch.

Als men de namen verwerpt zijn de dingen daarom niet verdwenen. Gooit men de beelden der Goden om, dan maken de menschen, zooals Robespierre, een idool van de Rede, wat veel gekker is dan eenige afgoderij.

Ieder moet gelooven, of hij wil of niet - want het weten zonder geloof zou absoluut weten, of Alwijsheid zijn. Ieder

[p. 9]

moet dienen, want leven, handelen zonder dienen, zou absolute vrijheid, zou Almacht zijn.

Wie meent, omdat de heerschende religie een onding is, het alleen met de Rede te kunnen stellen, doet als iemand die zegt: ‘dit huis bevalt mij niet, alleen de steigers zijn goed, dus zal ik maar in de steigers gaan wonen’.

 

Ik heb reeds gezegd hoe wij gelooven en hoe wij dienen.

Reeds door te leven en te handelen dienen wij, blind gehoorzamen wij aan een wil in ons, waarvan wij noch den oorsprong noch de tendens ook maar eenigzins begrijpen. De aanmatiging van vrijheid en eigenmachtigheid zal ons altijd bespottelijk maken - en door onze volkomen onbekendheid met afkomst en einddoel tot niet anders kunnen brengen dan tot zelfvernietiging. Als wij waarlijk vrij en aan onze rede overgelaten waren, dan zou een algemeene zelfmoord het mooiste en rationeelste wereldplan zijn dat wij konden bedenken.

En ook door ons leven zelf bewijzen wij te gelooven. Het doen van bijna elke daad, het dragen van bijna elk leed impliceert een bewust of onbewust geloof, een zonder begrijpen aannemen van het goede en noodzakelijke eener zaak. Wij begrijpen niet waarom wij leven, wij begrijpen niet waarom wij lijden, en allerminst begrijpen wij waarom wij zouden handelen en leed dragen ter wille eener vreemde, onbekende of na ons komende menschheid.

 

De dingen van geloof en godsdienst zijn ten allen tijd genoemd de hoogste, beste dingen. Zij waren heilig, gewijd. Men voelde er voor het allerhoogste, allerwerkzaamste sentiment, de veneratie.

Het hebben van veneratie is zoo noodzakelijk voor alle sterk en volhardend handelen, dat ook degenen die het besef van de rechte heilige, religieuze dingen verloren, veneratie gingen gevoelen voor iets anders, voor wetenschap, kunst, handel, schaakspel, geld.

Nu is het niet genoeg te zeggen dat de veneratie der

[p. 10]

menschen misplaatst is, dat zij ontaard is, dat zij tot een schijn, een bedrog, een kwaad is geworden.

Niemand mag dit doen, niemand kan dit doen die niet gevoelt dat zijn hoogste sensatie hooger en zijn veneratie waardiger is. Want het is even onzinnig te besluiten: men mag niets venereeren, als: men mag niet denken.

En wie dan aankomt met de Rede, doet beter thuis te blijven. En wie aankomt met de Waarheid, kan gelijk krijgen zoo hij dit zeldzaam moeilijk te omschrijven woord goed definieert.

Wie er een abstractie van maakt, heeft weinig kans, maar wie de waarheid noemt: het Reëele, het Waarlijk Zijnde, zal ons bevredigen zoo hij erkent dat zij, eer wij volmaakt zijn, onbereikbaar is.

 

Niemand kan weerspreken dat er harmonie moet zijn tusschen ons redelijk denken en ons geloof. De in den laatsten tijd onder theologen heerschende gewoonte om geloof en wetenschappelijke kennis in waterdichte compartimenten van elkaar gescheiden te houden, kan niet blijven.

Ik begrijp deze harmonie zóó: het gekend zijn is een functie van het geloofde.

Het geloofde is het eerste, het primitieve. Door reflectie wordt het bewust, door relatie wordt het begrepen.

Dus zal al het gekende geloofd moeten zijn, maar niet al het geloofde gekend - evenals al het begrepene bewust moet zijn, maar niet al het bewuste begrepen.

 

Met geloof, met blind, denkloos accepteeren, beginnen wij, begint elk levend wezen. Oorspronkelijk wordt elke sensatie, elke wilsimpuls, elk instinct geloofd, blind aangenomen. Dan komt de reflectie, het zelfbezinnen, en maakt de sensatie tot iets bewusts.

Daar begint het onderscheid tusschen werktuig, automaat en zelfstandig wezen. Daar begint de verantwoordelijkheid als een noodzakelijk volgende nieuwe sensatie. En daar

[p. 11]

begint eindelijk de onbedwingbare neiging: het bewuste, naar rede, in onderling verband te brengen, te begrijpen.

Maar onderwijl blijft het gelooven voortgaan. Geloof moet noodzakelijk de inhoud leveren van het bewustzijn van het begrip. Men kan niet bewust-zijn, men kan niet begrijpen zonder iets bewust te zijn, zonder iets te begrijpen. En dat iets moet eerst zijn geloofd, zijn aangenomen voor waar en reëel, als sensatie, als impuls. Wij gelooven eigenlijk nooit verkeerd, maar wij begrijpen verkeerd. Wat wij zoo heftig verwerpen en veroordeelen in geloovigen en godsdienstigen, is niet hetgeen zij waarlijk gelooven, maar de wijze waarop zij zich verbeelden het te begrijpen. Hun voorstellingen, hun fantasiën. Inderdaad gelooven wij allen nagenoeg hetzelfde, maar wij strijden over de wijze waarop het met elkaar in verband staat.

De strijd tusschen de godsdiensten is altijd een strijd geweest tusschen voorstellingen, tusschen systemen. Dat is dus tusschen de pogingen om het algemeen geloofde tot een bewust begrip te maken.

Het geloof in strengen zin van 't woord, kan nimmer reden van strijd zijn, maar wel de tot begrijpen van het geloofde gemaakte voorstellingen. Bij kinderen en onbewuste volken zal over geloof geen verschil ontstaan. Geloofsstrijd ontstaat eerst bij de bewustwordíng.

 

Nu is het uit de geschiedenis der cultuur duidelijk, dat de bewustwording van het geloofde zich uitbreidt. Wij overdenken hetgeen wij vroeger eenvoudig accepteerden. Wij worden ons bewust van de aandrift waaraan wij gehoorzamen, van onze wenschen en neigingen. Wij geven ons reden van onze daden, dat wil zeggen: wij brengen hetgeen wij van daag doen in verband met hetgeen wij gisteren deden en morgen zullen doen, - meer niet. Wij gelooven precies even goed en ook evenveel als altijd, maar wij gelooven in 't licht der bespiegeling, in 't verband der rede. Veel van het geloofde onttrekt zich nog aan dat licht en dat verband. Maar al ware dit nog zoo weinig, dan zouden wij toch niet

[p. 12]

het geloof kunnen missen. Want dat zou beteekenen dat wij uit de fuik waren, dat wij absoluut, alwijs waren. Naar ervaring blijft ons weten altijd een reflectief, relatief gelooven. Een wijsheid zonder reflectie, dus onbewust, en buiten relatie, dus absoluut, kunnen wij wel aannemen, maar dan slechts als het Allerhoogste, als God.

 

Op het zooeven gezegde, dat de bewustwording van het geloofde zich uitbreidt, rustte mijn bewering dat onverschilligheid voor hetgeen in verre toekomst zal gebeuren een bewijs is van inferioriteit.

Een koe bekommert er zich blijkbaar niet om wat wel het eind zal zijn van haar lekker leventje, zij tobt er niet over wat de boer toch wel in zijn schild kan voeren met al zijn zorg en goede behandeling.

Hoe hooger de mensch staat hoe verder hij gaat denken. Het niet denken over de bedoeling en het effect zijner daden, - hoewel zonder twijfel aangenamer en gelukkiger - schijnt hem laag, dierlijk, inferieur.

Waarom? Waartoe? - zijn vragen, waaraan wij ons niet meer kunnen onttrekken, die wij dagelijks meer bezigen, waarvan wij het nalaten in anderen misprijzen, zelfs belachelijk vinden.

Het is tegen onze innigste neiging iets te doen zonder zin, zonder rede. Het zoeken van den zin, van de reden was steeds het werk der allerbesten.

Reeds nu glimlachen er velen bij het onnadenkend zwoegen der menschen, het tobben voor iets waarvan zij zich nooit rekenschap geven.

‘Allons travailler!!’ roept Zola1) met sombere vastbera denheid, als hij den armen, doodgewerkten Claude begraven heeft. Waarvoor die drukte, lieve man, als 't niet voor je plezier is? Voor geld? voor eer? - die heb je nu. Waarvoor dan verder?

En heeft iemand ooit met voldoening en zonder een glim-

[p. 13]

lach Goethe's oplossing gelezen, als hij den blinden Faust zijn hoogste bestaansdaad doet vinden in het draineeren van een moerassig stuk land? Zullen wij heusch tevreden zijn, met die Aeonen waarin ‘die Spur von unsren Erdenthaten’ niet zal vergaan?

 

Neen! wij moeten het niemand kwalijk nemen zoo hij met zulke voorspiegelingen als einddoel geen genoegen neemt.

 

Maar daarentegen zou ik het wel kwalijk willen nemen als iemand weigerde te werken omdat hij het doel niet kende. Dit zou de arrogantie zijn van een inferieure ziel die de vínger kreeg en de heele hand wilde hebben. En toch zou dit het gevolg worden van de bewering, dat wij het recht hebben uitsluitend verstandsmotieven en geen geloofsmotieven voor onze daden te erkennen. Dat wij niet behoeven te gelooven, noch te dienen.

Dat recht hebben wij niet, de macht evenmin. Of wij begrijpen of niet, wij gaan immers allen door, wij kunnen niet anders, wij worden wel gedreven, voortgeduwd ondanks onze wijsneuzige tegenwerpingen.

Wij moeten gehoorzamen, stil en vlijtig doen, - geloovende in ons zelven, in het goede en waarachtige van hetgeen ons drijft, met inspanning trachtend uit te maken wat zich in ons als het beste en meest dienenswaardige voordoet.

En al doende moeten wij trachten te begrijpen niet alleen omdat wij 't niet laten kunnen, maar omdat wij weten dat dit zeer hoog en zeer goed is.

 

Mij dunkt, het laat zich aanzien, dat er eenmaal een andere maat zal zijn waarnaar de tijdgenooten de grootte der enkele individuen zullen meten.

De Titanen van onzen tijd zijn de groote staatslieden, de groote veldheeren, Napoleon, Bismarck.

Maar als men nadenkt blijkt deze grootte zeer relatief. Vroeger waren Hercules en Simson echte helden, waarachtig groote mannen. Zij hadden enkel spieren, en hoofden als

[p. 14]

ossen. Maar spierkracht had toen een geheel andere beteekenis dan tegenwoordig.

In onzen tijd zou Hercules, in plaats van als heros te worden vereerd, slechts in kermistenten of wellicht in een circus een behoorlijk bestaan kunnen vinden.

Zoo is het onvermijdelijk te denken, dat in de toekomst, wanneer het rusteloos streven der menschen naar algemeene welvaart en pacificatie mocht zijn gelukt, Napoleon slechts als leeraar in geografie en mathesis en Bismarck misschien als employé bij een of andere landbouw onderneming een tamelijk geslaagde carrière zou maken. Van beroemdheid zou zelfs onder de gunstigste omstandigheden geen sprake zijn. Voor hun relatieve grootheid is dan geen plaats, zij zouden zijn als de goudstukken van Robinson Crusoë op zijn eiland.

Maar er is een soort grootheid die wij ons niet relatief kunnen denken. Die is wel altijd erkend, maar niet altijd gewaardeerd, zooals zij door haar eeuwig en essentiëel karakter verdiende. Dit is de grootheid van kunstenaars en wijsgeeren. Onder wijsgeeren reken ik hier ook de beoefenaars der natuurwetenschap, alleen ter wille der wetenschap zelve, dus b.v. Newton, Darwin.

Het is denkbaar en wordt door allen begeerd, dat eenmaal alle menschen zullen leven in welvaart en vrede. Men mag het voor onwaarschijnlijk houden, niemand zal afkeuren of tegengaan dat men zulk een toestand verwacht en tracht te verkrijgen. En dan? Waar blijft dan de waarde van politici, van rechtsgeleerden, van uitvinders, van allen die gezorgd hebben voor materieel belang? - Het huis is gebouwd, het onderhoud is gemakkelijk, - wat zal er van de werklieden worden? Gaan zij dan leegloopen en zich hopeloos vervelen?

Bellamv, in zijn Looking Backward, doet zeer vruchtelooze pogingen om het door hem bedachte toekomst-wereldje eenigzins amusant te maken. Er wordt veel muziek gemaakt, er heeft één boot-wedstrijd plaats, en er worden romans geschreven, hoofdzakelijk over ‘the tender passion’. Want andere passies ontbreken. Het lijkt ons maar een saai leventje.

[p. 15]

Ik meen, dat wie zulk een toekomst begeert en er over wil denken, - moet aannemen dat de grootheid van hen die zoeken naar het zuivere Schoon en naar de hoogste Wijsheid, dan de eenige en onbetwistbare grootheid zal zijn. Dat dan, als de bekommeringen van het materieel bestaan niet meer drukken, het menschenleven eerst recht zal aanvangen, en dat de voortgang der evolutie zich dan zal openbaren op een wijze en in een richting, waarvan weinigen in onze dagen zich een rechte voorstelling kunnen maken.

In onzen tijd, nu het verlangen naar vrijheid, algemeene welvaart en vrede zich laat gelden met een macht en een algemeenheid die doet begrijpen dat wij in een crisis leven, nu is het te verwachten dat alle aandacht en vereering zal gewijd zijn aan hen die deze crisis ten einde brengen.

Men begint de waarde van niet-nuttige dingen, van zuivere wijsbegeerte, van zuivere kunst bijna te betwijfelen. Het huis wordt gebouwd, de bouwmeesters zijn de hoofdpersonen, de werklieden voelen zich belangrijk en loopen de toekomstige bewoners die maar in den weg staan, bijna omver.

Maar ik schrijf dit, om er aan te herinneren, dat als het huis ooit voltooid mocht worden, de verhoudingen zullen veranderen.

 

Nu heb ik nog niet over het boek gesproken dat de aanleiding is geweest van deze beschouwingen. Dit was ook deze maal mijn voornemen niet. Uitsluitend aan hen, die de strekking en den zin dezer gedachten goedkeuren en wèl verstaan, raad ik dringend het boek te lezen.

 

Bussum, Sept. '90