De Nieuwe Gids. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Gids, De


bron: De Nieuwe Gids. Jaargang 6. W. Versluys, Amsterdam 1891  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 114]

Kunst.
Seymour Haden, Whistler, Witsen en Bauer op de vierde jaarlijksche tentoonstelling van de Nederlandsche etsclub.

Weinig artiesten toch maar van dezen tijd gaat het zooals Van der Meer of Pieter de Hooghe, die in het vreedzame van hun stilburgerlijk bestaan zelf, in het dagelijksch aanzien van hun rustige huiselijkheid, in het allermeest voor de hand liggende van de zichtbare wereld, ongezocht de gelukkigste materie vonden voor hunne onnavolgbare kunst. En toch zijn ook de meesten van onze moderne Hollanders, van onze groote moderne Hollanders, nog van een hokvastheid, van een gehechtheid aan de indrukken uit hunne onmiddelijke omgeving, die mede een factor is van die eigenaardige intimiteit waarin toch vooral de grootheid ligt van hunne emotioneele kunst.

De twee jongere landgenooten intusschen waarover ik hier mede spreken zal, zijn van hen die het eens verder dan onze landpalen willen zoeken. In het verlangen naar nieuwe en bonter werelden van impressies ging een jong Hagenaar van rusteloozen aanleg naar Constantinopel, en bewijst misschien juist door den schat van indrukken die hij van die Oostersche reis meebrengt hoezeer hij, dichterbij, stof zou kunnen vinden, in Rembrandts nog altijd zoo mooie Jodebuurt.

Terwijl zocht een schilder uit onze hoofdstad en die den naam draagt van een Amsterdamsche familie uit Rembrandts

[p. 115]

tijd, in sombere Londensche motieven voldoening voor zijn begeerte naar knokige kracht.

En terzelfdertijd bij toeval komt de grootste Engelsche schilder naar Holland over om er de aanzichten te etsen van het oude Amsterdam, waarvan hij zich met reden verwondert, dat de moderne Hollandsche artiesten niets waardigs hebben in prent gebracht.

 

Doch deze onwillekeurige ruil van sujetten is meer kurieus dan van eenig blijvend belang voor de karakteristiek van hunne werken. Men kan althans van Whistler niet zeggen dat hij voor ons zijn naam innig verbonden heeft aan die van de prachtige stad waar hij verleden zomer gewerkt heeft. En aan de waarde van zijne etsen doet dat dan ook al weinig af. Voor ons, die waarschijnlijk onze wijze zullen hebben van Amsterdam aan te kijken, zou het wel een wonder zijn als een vreemdeling juist diezelfde opvatting weer te geven wist. Maar de artisticiteit van Whistler's etsen en onze opvatting der Amsterdamsche schilderachtigheid zijn twee dingen die elkaar niet behoeven te hinderen. Velasquez heeft een ‘Inneming van Breda’ geschilderd, en voor zoover mij bekend is, wordt door niemand dat schilderij er minder stellig een meesterstuk om geacht, al gelieven wij ons die gebeurtenis uit onze familjare vaderlandsche geschiedenis een weinig anders voor te stellen. Zoo is de verhouding van wat Whistler in Amsterdam zag, en wat een Hollander er van zou kunnen maken, voor ons wel van een bijkomstige kuriositeit, maar wij zullen overigens wijs doen die omstandigheid niet te zeer in het wegen van hunne artistieke waarde te doen gelden. Het veroordeelen van zulke etsen omdat ze niet dàt hebben wat wij, die een weinig vertrouwd kunnen zijn met het leven en den bouw en de reukjes en de geluiden van de achterstad, als Amsterdamsch hebben leeren begrijpen, is ook daarom zoo willekeurig, omdat, wanneer wij ons dan maar voorstelden dat het gevallen waren uit

[p. 116]

een onbekende stad, zij alleen dáarmede als kunst dadelijk gered zouden zijn. Een artiest van Whistlers hoogte heeft in elk geval het goed recht van zijne opvattingen, en het zou niet aangaan zijne etsen naar iets buiten het werk om te beoordeelen.

 

De bewonderenswaardige Engelsche schilder heeft Oud-Amsterdam gezien, als een kurieuze wereld van aardige sloppen en kokette kade-tjes en invitante steigers, waar wonderlijke water-en-vuurwinkels zijn en smalle ouderwetsche gevels met groote ramen van veel kleine ruiten, en trappen waar waschgoed-étalages boven hangen, en ouwejuffertjes-balkons bij waggelende bloempotrekjes. Maar in dat alles en in die waschkotten en spoeltrappen en afdakken en op palen gestutte uitbouwsels heeft hij zich fijn verkneuterd als in de stof van een licht exotiek sprookjesdecoratief. Van de Snoekjesgracht of de Groenburgwal of de Kromboomsloot heeft hij pakhuis-idyllen gedicht en kelderliedjes gecomponeerd of slepende serenades gedacht, - ze gaven den verfijnden kunstenaar de droomerijen van een sierlijke, nette stad, luchtig en zonnig, rankoprijzend uit helder water, bevrijd van Hollandsche zwaarte. Hij heeft met een delicieuze kennis van zijn zien verteld in ragfijn scherende strepen, schaduwende in zilveren ritselende kratsjes met de keurigste hand die ooit over het koper ging, prentend met de zijden fijnheid van zacht gesponnen lijntjes als in goudstof van het teederst lakwerk, het ambergeurig boeket zijner geserreerde illusiën van een zomersch Holland, een Venetiaansch uitziend Amsterdam, een Noordelijk donkere achterstad, opgeklaard in het dolce far niente van zijn effen artistieke caprices.

 

Voor zooals Whistler werkt zou men het woord etsen spitser, snediger, dunner, exacter willen uitspreken, en weinig

[p. 117]

etsen zeker zijn er waarop die van dezen raffiné zoo weinig gelijken als op die van den royalen Seymour Haden. Er is iets in de kloekhartige kunst van Whistlers zwager waardoor het zoo redelijk lijkt, dat de arme krankzinnige Méryon volhield dat Hadens etsen van platen gedrukt moesten zijn uit een vroeger eeuw, door hem ontdekt, opgekocht en met zijn naam geteekend. Seymour Haden heeft een eenvoudige staatsie en een waardigheid die in de school der groote meesters gevormd is. Dat hij Callot en Dürer, Rembrandt en Turner, Claude en Swanevelt met groote toewijding bestudeerd moet hebben, is ten volle begrijpelijk. Zijn standvastigheid is op hunne kracht gebouwd. Hij kent geen moderne nervositeit, hij is van hun bloed. Seymour Haden is tusschen de etsers van dezen tijd de voornaam gelijkmoedige, die als een antiek hooghartig vorst schatten te beheeren heeft van macht en geluk, hoog levend in reine berglucht en genietend van volle zomerweelde. De rustige pracht van zijn groot gedachte, evenredig gebouwde landschappen, is vlot neergeschreven in heerlijk gebraamde lijnen die rustig samengaan in een gouden gareel.

 

Van die groote vreugde van mooi, smakelijk neerschrijven die uit de ruime wijze kunst van Seymour Haden ons soms zoo aanspreekt, is er weinig in de studieuze, vaak imposante etsen van Willem Witsen. De zijne is een donker-ernstige, schier norsche, geklonken kunst. In het vernis-mou-procédé nog, wat bij anderen elken zet verweekelijkt, maakt hij zware trekken dat zij bonzen en dreunen in de vaalheid van zijn savant verkregen ondertinten, en door de wade nog heen van een Londenschen mist, die alles kan doen verschemeren, ziet zijn oog de plans van logge steengevaarten stevig staan als onheilspellende bonken gruwbaar gruis.

Zijn plaat van het leeggeregende Trafalgarsquare, waar de regelmatige silouëtten van zwart glimmende gebouwen en monumenten koud en strak gezet zijn als statige ijzeren

[p. 118]

decoratieschermen die voor elkander schuiven, is in zijn sombere grootschheid een pakkende ets; maar heviger vind ik de kracht van Witsens bizondere personlijkheid in zijne ets van Waterloo-Bridge, waar de reusachtige olifantspooten der zware pijlers van de brug als massieve klonten kolendonkerte dreigend op ons aanvaren in knoestig gegoten ruigte, geteekend als met plotselinge hellekracht door een energiesch woeste vuist.

 

Wat een verschil die twee: Witsen en Bauer. O, die nog zeggen dat de mannen van onze generatie elkaar te zeer gelijken in het karakter van hun kunst!

Hier, twee jonge artiesten opgegroeid in dezelfde beschaving, gerijpt in de bewondering zeker van grootendeels dezelfde meesters, - en welk een afstand, welk een onafhankelijkheid toch bij die beiden van hunne meesters en van elkaar.

Bij Bauer het tegenovergestelde wel van Witsens stalen stelligheid, van zijn nadrukkelijke gespannen vastheid. Want in zijn werk treft ons allereerst een spiritueele radheid van doen, een van zelf zich laten gaan, zoo wonderlijk, dat men denkt aan het bedrijf van een toovenaar wiens vlugge hand, als door spitsvondige gnomen geleid een veelbeteekenend abrakadabra neerschrijít in fluweelige krassen vol illusie en pittoreske niet nader verklaarde webben van lijnen, die samen toch zoo wonderlijk juist den geest van zijn opgetogen indrukken doen kennen.

De onrustige jonge Hagenaar, dien men de Duizend-enéén nacht of een fastastiesche geschiedenis van de Kruisvaarders zou willen zien illustreeren, vond in dat bonte bedrijvige Constantinopel, in het rijke Oostersch overladen aanzicht dier stad van moskeeën, van met trappen oploopende, grillig uitziende straten, waar houten huizen op lange balken gestut een eind over de voorbijgangers heenhangen, in die levendigheid van Turken die in hun kaftans met fez of tulband op

[p. 119]

het hoofd in de café's buiten onder zeilen koffie zitten te drinken of de narghileh rooken, een aanlokkelijk ongekend rijk van mysterieus gepeperd leven.

Een bedelaar die in de zon zijn schijf meloen zit te eten, of een armenier die op straat zijn met koopwaarmanden zwaar beladen paard laat drinken aan een drukbebeeldhouwde fontein, of een kerel die zijn lappen en zwaarden en rommelzoo te venten loopt, of een troep volk die zich in de zon bij een donkere poort vermaken met de toeren van een aap, of een Turksche begrafenis, waarbij voorop de geele ruw-houten kist aan een stokje de tulband van den doode hangt, terwijl om beurte de kist wordt gedragen door de buren, of de Muezzin die op den omloop klimt van de minaret om daarvan af zijn gebed te zingen ten aanhoore der geloovigen, of een winkel in de bazar waar te midden van zijn rommel de koopman in de schaduw op een divan ligt, terwijl een gesluierde Turksche dame onder het zeil van haar ezel is afgestegen om er haar inkoopen te komen doen, of een troep soldaten die, de bijldragers voorop, uit een poort komende, zich naar den Selamlike begeven om den Sultan te zien bidden in de moskee, of het rijke tooneel van een godsdienstigen optocht in de Khan der Perzen door groote vuren grimmig van onder verlicht, waarbij op den voorgrond een hoog ros behangen met schilden en wapenen en tapijten en vage schimmen waarin men de mannen vermoedt die zich op de borst slaan ten teeken van rouw in de schaduw vallen, terwijl vóór hen in het licht een wit paard treedt met een wit kleed, waarop een meisje zit met bloedende hoofdwonde, die gesteund wordt door een naast haar tredend man in rijk gewaad, en voor hen allen uit mannen gaan met opgestokken lichtpakkende vaandels, - de fantastiesche pracht van al dat geheimzinnige, chaotiesche, opzichtige leven, liet hem, broeiend in zijn geest een rijkdom van krabbels en composities noteeren van een pittige confuzie, een suggestieve onvolledigheid, een koortsige warmte van spontane vinding.

Een van de voortreffelijkste van de serie is die meer gear-

[p. 120]

retteerde ets waarop, bovenaan in het breed carré dat onderaan van lijnen leeg is gelaten, aan den wijden ingang van een rechtlijnig brok ondergevel van een moskee, wat mannen en vrouwen indolent neergezeten zijn, en een paar andere figuren zich bewegen onder den halfopgenomen donkeren voorhang, terwijl van de breede trappen een innig-expressief, ruimraak geteekende mansfiguur in het wijde japonkleed, het hoofd op de borst, en de armen plechtig gekruist, in zichzelf verzonken, langzaam zijdelings neerdaalt, en op den voorgrond een lange kerel, van opzij gezien in een kranige houding door een enkelen snellen schrap neergezet, met geheven hoofde opziend den ander in het voorbijgaan scherp opneemt.

Anders, niet zoo concies en weer stouter gedaan met losse gauwe halen, maar evenzeer gelukt van juist op het koper zetten is er een waarvan 't hoog carré van boven waar een leege witte muur komt bijna onbekrast gehouden is, terwijl pittig daarbij een donkere vlak staat van een zwart gat, uitgehouwen onder in den muur, waar het lage winkeltje in is van een kleermaker, die er voor zit te werken, terwijl in een hoek daarbij onder de uitstalling van over elkaar aan den wand gehangen kaftans en gordelstoffen een vrouwtje neergedoken zit, als eene die voor de koude zich hult in een mantel, zich schuw verbergend in de plooibare saradjah.

Op een andere is het in een van de gewelven van de bazaar een uitstalling van losse zeilen díe van boven dwars door den gang gespannen zijn of aan weerszijden heenhangen over dwarsche staken of tentenpalen, waar zich enkele van de duiven opzetten die heenfladderen door het gewelf - een rommel van vliegende lijnen waaronder pittig en levensvol de figuren staan van bedrijvig ventende Turken.

Maar een enkele maal slaat dat veelbeteekenend gebroei, dat vlot gezwem en gehaspel, dat vrij gespring van lijnen uit tot een groot mouvement in een grootere ets, met het aanduiden van welke ik de bespreking dezer veelgevende en toch nog meer belovende prenten, wil eindigen.

In een wijd landschap staan van voren op een terras drie woest verwaaide platanen, hun takken vèr uitslingerend in

[p. 121]

de lucht overheen de koepeldaken van een groot badhuis die als hooibergen zich groepeeren tot naar over heuvelen en cypressen, het verschiet van Stamboels tinnen en torens daarachter.

En door deze waarlijk magistrale plaat geloof ik dat de zoekende Bauer, meer nog dan door een zijner andere etsen, zich met zijn rijk intuïtief talent een voorname plaats heeft verzekerd onder de Hollandsche artiesten van deze dagen.

 

September '90.

Jan Veth.