De Nieuwe Gids. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Gids, De


bron: De Nieuwe Gids. Jaargang 6. W. Versluys, Amsterdam 1891  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 470]

Gedichten in proza. Door Frans Erens.

I. Stilte.

Ginds rijzen de stammen zilvergrijs recht naar de takken omhoog. Donkere strepen en lappen van boschdichtheid daar ginds.

Ik sta alleen in eene dronkene heerlijke alléénheid.

Suizende stilte, heerlijke eenzaamheid.

Geen blad dat kleppert, geen stem die bezoedelt de ronddwalende gewaden mijner ziel, die blank-wit drijven, rondom me drijven, witte slepen in de kristalheldere bronnen, straal-sidderende plassen, glasheldere zonwemelende plassen met reine kiezelsteenen op den bodem beneden, in de zinkende gezonkene diepte.

Alléén, alléén; heerlijk alléén. In de lichtwemelende, vonkelende wellen het spattende zonnegoud; gouddruipend licht in het daveren der doorzichtige zilveren vloeibaarheid.

Naar de diepe blauwe hemelen in het oneindige verzinken, weg in de wellen oneindig weg.

Reine halmen rondom, tierende welige halmen, grashalmen van groene hoop, stijgende hoop naar de blauwe luchten daar boven, verbleekende zilverreine blauwluchten.

Alléén, alléén; heerlijk alléén. Reine aarde, zand-aarde;

[p. 471]

geurige, zieldrenkende heidebloemen, blauw-bleek verpurperende knoppen in duizenden, duizenden om mij heén, onbezoedeld, zuigende de stille vaste aarde.

Ik ben alléén. Geen menschen. Geluk dan, eindelijk geluk.

Weg zijn de vrouwen-japonnen de roode, geele, muffe vrouwen-japonnen, de onreine zweetende vrouwenarmen, weg. Geen adem te ruiken van vrouwen uit den slijmerigen mond. Weg de nare vrouwenstemmen, die kakelen van visites van heeren en dames.

Weg zijn de vrienden, de bekenden. Weg, gelukkig weg, zij kennen de aarde niet, de reine aarde.

Alléén sta ik, heerlijk alléén op de aarde die me heeft doen zijn, de aarde die tiert, opstuwt de boomen en bloemen, die verwerkt en filtert de onreinheid van menschen en dieren, ze verwerkt tot schakels van levens, nieuwe, steeds nieuwe levens.

Weg het vervelende gepraat en het onnoozele Woord. Weg zijn de schilders die mooie dingen willen zien.

Klaterend geluid van het wellende, vallende water over de buigende biezen. Rimpelend vlak van het vonkende water, sprankelend, goudsprenkelend in de diepte, zandgoudend het zonnelicht. Ongeschondene stilten.

Mijn hand in het water. Mij doorwasemende koelte, koele reine vlagen van den ijlenden wind langs mijn lichaam in het suizen der heide, onafzienbare heide. Hoog in de lucht stildraaiende sperwer uitgespreid hangend in de diepe blauwte alléén, spelend en vallend en schietend omhoog, hoog ijlend en deinend en voortijlend met den wind, en terug en omlaag en zinkend en verdwijnend in de gouden tinteling, oneindige lucht.

Alléén sta ik in de stilte der grootmachtige aarde, in het reine worden der dingen om me heen.

Ginds liggen de graf heuvels van verdwenen, ongekende volkeren: er over heen bloeit de heide, door de heide ruischt de wind.

[p. 472]

II. Nacht in de Middeleeuwen.

In verre tijden... donkere wouden; hooge boomen ver af... onafzienbare wouden in het donker.

Toen was alles kalm en zacht, in den avond die daalde over de aarde.

Achter de aarde ging weg, achter de helling de zon, en langer en langer rekten zich uit over den grond de schaduwen der bergen en in de dalen zonk ongekende zalige rust.

Zwarter en zwarter werd de lucht en zilverend zilverden de sterren pinkend en blinkend hier en daar, hoog, en laag - naar - den horizont. Één was er groot en wit zilverend, in krioelenden witbrand in de verte en hoogte der lengende zwarte afstanden, een stille troost van lichtende vreugde in het zwarte heelal,
in het drukkende zwarte heelal.

In het lijden verzachting bracht zij, de witte ster.

Toen daalde de verheffende, opklarende, verlichtende rust in de kalme vereffening van de gezichten der menschen, die neerlagen in lijden, in de duistere woningen.

En tinkelden, tinkelden de sterren in millioenen getinkel, onbeweeglijk toch starend in het rustige heelal, dat zijn weg zong en bazuinde in zwarte maatlooze ruimte, in het druppelende worden en verdwijnende gaan der zich verdrlngende dingen.

Laat geluiden de honden die blaffen in de stilte der aarde in het welige donker. Geen roeren der bladeren, die hangen en wachten aan de groene boomen hoog. De forsche stammen, die steunen grijs en gerimpeld, met korstige trekken van hout en dragen volbladerende groene machtige zwermen van bladeren, hangend nu als zwarte haren der nacht.

Laat stroomen de nacht in de rustige aarde. Wijd rusten de geharnaste scharen in de kampen en voor de poorten der steden slapen gehelmde mannen en snorken op de koelende steenen.

Laat slaan de nachtegalen aan de klaar-donkere beeken,

[p. 473]

die ratelen over de steenen onder de hangende struiken, laat ze slaan met hun zilveren slagen, als sterren van klank in het zwart van den nacht.

Laat dan ijlen omhoog de opdoomende droomen; laat komen de vroomen bij de stille kapellen, bij de zwijgende beelden en zuchten en bukken in stilte,
in zonden, in tranen.

De ronde volle maan doet zwarten de bosschen in de glooiende dalen; en op de klimmende hellingen liggen ze als zwarte pelsen in het wit-volle stillicht.

Donker massalend stijgen de burgen, spitsend op de toppen der bergen, rijzend in machten vergroot en verbreed als voorhistorische gedrochten in het blauw zwarte lichtdonker.

Op en neer op den toren de wachter, bekijkend uit de verte de glimmende golven van den voortijlenden stroom klotsend langs de oevers met verdwijnende vonken, plassend in zilver in aankabbelend gekuif.

Op en neergaand de wachter op den kantigen toren.

Laat slaan de nachtegalen in de afgrondende laagte. Laat spelen en dansen en flikkeren de stralen der maan op water en tinnen, op transen en bladeren.

Laat spitsen de heksen hun puntige kinnen boven de gloeiende vuren.

Laat staren de wichelaren in hun lange talaren.

In het holst van den nacht trekken de monnikken in het ruischen der witte gewaden door de sonore gangen van geweldige abdijen, bij het spokende spelen, van hun schaduwen op de witte muren in het turen van het maanlicht door de vale glazen van de kokerende gangen.

Zij zingen in biddend gebrom voor de zwijgende altaren; hun zangen die vallen in zware, hortende tempos, gestuwd op het commando van den ijzeren ritus, in het galmende geklaag tegen de forsche wanden, terwijl onder de ronde kolonnen grijnzen de zondige draken met verwijde monden en krommende machtlooze klauwen.

Laat schijnen de maan over de stille aarde.