|
|
|
| |
| | | |
[De Nieuwe Gids. Jaargang 7. Deel 1]
Johannes Bosboom, geb. 18 Febr. 1817 - † 14 Sept. 1891.
De hand rust voor altoos van een, die menig werk van edele kunst heeft voortgebracht.
Wanneer de Hollandsche jongeren van heden er roem op dragen voort te komen uit een ras, waarvan in schilderkunst ouderen hier, in zoo veel groots en nobels zich uitspraken, - wanneer zij het voorrecht hadden te mogen wijzen op meesters, wonend onder hen, die hun het te bewonderen voorbeeld gaven van een sterke, deftige, emotioneele kunst, dan waren het vooral drie, vier eerbiedwaardige figuren waar zij zich op beriepen, en met welke Bosboom genoemd was.
En evenals ook Israëls eerst in de tweede helft van zijn werken kwam tot de levende kunst die zijn naam hoog zal houden, - zoo telt als kunst, groot door gezondheid en rijpe jeugd, hetgeen Bosboom deed in de laatste twintig jaar.
Uit dien tijd zijn zijne teekeningen vele, - weinig zijn schilderijen. Gelieft men te blijven vasthouden aan de onderscheiding tusschen teekenen en schilderen, dat het eerste op papier, het tweede op doek of paneel gedaan zij, dan moet men zeggen dat Bosboom grooter teekenaar dan schilder was. Want zeldzaam inderdaad is zijn schilderwerk waarin de heele Bosboom zoo krachtig spreekt als in dat onvolprezen Kerkgezicht, wat sedert kort te Amsterdam ter leen in het Museum werd geplaatst.
En zijn teekeningen: ik denk aan Bosboom's teekenen als
| | | |
iets zeer hoogs, door die verrukkelijke hand van breed, vast en gevoelig doen, opwerkend het geziene tot een geheel van meesterlijk makelij. Ik denk aan zulke aquarellen, gelijk nog op deze laatste expositie van de Hollandsche Teeken-maatschappij Bosboom, zeer ziek reeds, zelf gestuurd had, als een waardig afscheid van zijn onverzwakte kunst, - aan heel een heerlijke kunstbeschouwing van Bosbooms teekeningen door hem in Arti eens, nu licht al acht jaar geleden, gegeven, - aan zijn rijke serie fantasien op gegevens in het hofje van Nieuwkoop genomen, - aan zulk een enorm doorwerkte aquarel als de Bossche Kerk bij Mevrouw J. te Amsterdam, - aan een groote O.-I. teekening, die vier jaar geleden in den Haag op de Etsclub was, en die ik mij herinner als een wonder van statigen eenvoud, - aan de drie teekeningen die nu deze maand op de Haagsche zwart-en-wit-expositie prijkten, - aan het gezicht in zijn atelier, en het Choor der Groote Kerk te 's Gravenhage, zooals men die gereproduceerd vindt in Vosmaers Hedendaagsche schilders, - aan een heerlijke schets van de Kloosterpoort te Boksmeer en aan de Groote Kerk te Gouda, die tusschen den tekst zijn weergegeven in de eerste afleveringen van Berckenhoffs thans verschijnende uitgave, - aan vele zulke die men zoo gaarne verzameld zou zien in een tentoonstelling van Bosbooms beste werk, waar men bewonderend staan zou voor een schat van schoons.
Pulchi of Arti, wie zal het eerst zulk een tentoonstelling maken,
Bosbooms kunst heeft aan den eenen kant nimmer de massa afgeschrikt, is aan den anderen kant ook niet voorop gesteld door eenige luidruchtige mode, en dit beide omdat zijn kunst van grooten diepgang in het uiterlijke nimmer geweest is zeer excessief. Zij was dat evenmin als het de aanblik is onzer waardige Oud-Hollandsche gebouwen voor welke hij in bewondering leefde, om het karakter van rustigen welstand in het wel hechten harer schilderachtige deelen.
Want hij hield van het ruime blonde licht, waar dat het grijsbruin gebeeldhouwde houtwerk van banken en lambri- | | | | zeeringen en de kalme koele witte pleistermuren bezocht in consistorie en regentenkamer en raadzaal, en stond verrukt voor de sobere lijnconstructie van deze en van onze simpele koele kerken en kapellen en van kloostergangen en boerendeelen, en voor de machtige werking in dien kloeken bouw van den val der schaduwen en van het licht.
Hij was een delicaat tonalist, zulk een die enkel reeds met vlotte streken een treffende volheid van werking te bereiken wist. Gelijk Rembrandt doet hij wijd getrokken omtrekken die zorgeloos schijnen neergezet, al spreken van rijkdom en lucht en illusie van kleur. Hij drukt het plechtige uit met ongezochte lijnen, hij geeft warme diepte met oningewikkelde samenstellingen van grijs en bruin, hij bereikt onvergetelijke grandeur door groote simpelheid. Bosboom komt tot een waardigheid en staatsie door een verbazend rijp gevoel van proportie, en daardoor tot een volmaaktheid van ordonnantie die nergens de inspanning van het samenstellen voelen doet. Bij zijn onovertroffen kennis van constructie zal men nooit in zijn voorname werk denken aan knap, omdat het daar te blij toe is en te royaal. Want zijn teekenen was het doen rijzen en strekken en welven der lijnen met wijsheid wel, maar ook met groote vreugd, - en alles steeds zoo gehouden, dat het er samengaat tot een sobergesteld kompleet geheel.
Want laat in een zijner kerken, bewoond door koelwarme blankheid, de gedempte lichtwemeling rijker woelen over mooi omlijnde kerkbanken vormen heen, en rechts en links van de grijze statige pilaren neerdalen, over stoergebouwde kantlijnen tredend, en van alle zijden samenstormen om het uit te juichen in den doffen luister daarachter van het hooge koorgewelf, - nergens nochthans zou hij zich verliezen in het weelderige van den toon om den toon zonder effenheid gevoeld, doch hij bleef de nuancen en de lichtwerking doen dienen tot het volbouwen van een geheel van krachtig evenwicht, tot het mee maken van een eendrachtig getimmerte dat zóó iets groots te zeggen had.
| | | |
Zijn zien was, zeer mooi, het primaire zien, maar dat zien door alles heen van den eenvoudigsten grondslag in der dingen kennelijk samenstel, niet verzwakt of vervaagd in, maar vervolmaakt juist door de stoffeering van wat innigheid den kern houdt voor ons gezicht overtogen, - zijn teekenen was het kernachtig concreet uitbeelden van het fondamenteele, maar dàt verrijkt als met kostelijke cier van vorstelijke gevoeligheid, dàt pralend in de wijdte van visioenen, dàt verheerlijkt gelijkt door de gulden glorie van blijde extase.
Aan de eenvoudigste zaken wist Bosboom van aanzien iets groots te geven. Ja, wat eenmaal door Huet van zijn echtgenoote gezegd werd, zij hier met klem getuigd van hem: dat groot het woord is om beter dan eenig ander zijne hoedanigheden te kenmerken. Groot is zijn zien geweest, groot zijn gezonde, gedegen artisticiteit, groot vooral het vermogen van zijn zeldzame kunstenaarswijsheid. Schilder van dezen tijd door nerveuze kanten, door teeder kwaliteiten, door zijn smijdig toondichten in blonde wemelingen van atmosfeer, rangschikt men in gedachte, om het volkomen beheerschte van zijn vaste kunst, om zekere antieke waardigheid van zijn burgerdeftigen geest, veel meer dan een zijner tijdgenooten hem bij die eersten der schilders uit ons roemrijkst tijdperk die ons als klassieken blijven gelden. Zijn werk is dan een zeldzame schakel tusschen het schoon verleden en het schoon heden onzer kunst. En vooral als ik denk aan den aard dier triomfanten schetsen van stadsgezichten, waarmede hij, als gelukkig vertellend, een ander slechts motieven wilde aangeven: impozante gevallen saamgegrepen in enkele gedragen slierten, snel, zonder omzien, zoo grootsch en volkomen neergezet met een spelende penceeltip, dan schijnt mij wel met deze aparte figuur onder de meest superieure artisten van onzen tijd, de allerlaatste der groote Oude-Hollanders heengegaan.
Bussum, einde September '91.
Jan Veth.
|
|
|