terug  begin  verderprepost
[p. 272]

Zes Christus-verzen, door J.H. Leopold.

I.
 
Stammen vragen naar een vreemd ding,
 
steektakken in wringverwildering
 
in een akelig scherp afpijnen
 
op dingen die dood verloren schijnen;
 
een alpogen van dat strakke winterwoud
 
wringend op in een sterk vragen stout,
 
in een niet weten en al de boomen
 
waren in warre verschrikking gekomen.
 
 
 
Daaronder weggeworpen versmeten
 
aan den weg iemand vergeten
 
weg - en om hem was wild gewas
 
opstaande waarin windkou was;
 
en in het donkere omzijn der kleeren
 
een dun aangezicht zich om ging keeren
 
en lag dan in wachten op wat zou zijn
 
en oogen waren in dit bleek aanschijn
[p. 273]
 
van zoo een blinkend wezen, dat zij geleken
 
op donker water, op twee verre beken
 
twee zomerbeken, waarin overvloed,
 
een diepe weelde opwellen doet;
 
uit het donkere onder is vol opbloeien
 
van vocht en dan een uitgaan een lang vervloeien
 
in een strak gebogen glans vlietend uit
 
en daar is geen wind bewegen, geen geluid. -
 
Zoo dit oogleven, het stille, vele
 
in rond het doode het eene, geheele
 
denkleven, eêle rijkdom van een ziel gouden
 
in blanken arbeid, klein ingehouden
 
een streelend peinsbegeeren op een ding gericht
 
een trillend willen, dat huivert achter dit aangezicht.
 
Wel een vreemde, zoo een angstige hemelling
 
daar de rustende, de zeer vereerlijke
 
de klam zweetende, de nu deerlijke
 
die onder lag, de verworpeling? -
 
Hemeling?
[p. 274]
II.
 
Er is in donkerte een flauw afschijnen
 
van een gezicht mat-zijen, zacht-zijen
 
en daarin vochte oogen zoet kwijnen
 
in een gezicht mat-zijen, zacht-zijen.
 
 
 
In lauwe donkerte is woordenklank
 
in talmen, in een kalm teemen
 
lief-langzaam in een tragen zang
 
klagend, in een kalm teemen.
[p. 275]
III.
 
‘Daar was weening in mijn beî oogen
 
en in mijn ziel een bleek verwelken
 
en in de leegte hing getogen
 
treuren, een droefheid....
 
Welke, welke?
 
 
 
Het zal wel wezen het zelfde weenen
 
dat heeft geknakt al de blij zijn kelken
 
bangheid om een verloren ééne
 
dier ziels lievelingen.
 
Welke, welke?’
[p. 276]
IV.
 
O, wat als loten
 
van welig blij zijn
 
in denken u bij zijn
 
was uitgeschoten,
 
 
 
trok in tot klauwen,
 
die smartend grepen,
 
van wild benepen
 
bloedend berouwen.
[p. 277]
V. (Kerstliedje).
 
In de donkere dagen van Kersttijd
 
is een kind van licht gekomen
 
de maan stond helder over den dijk
 
en ijzel hing aan de boomen.
 
 
 
Onder de doeken in de krib
 
daar lag dat lief Jezus kindekijn
 
en spelearmde en van zijn hoofd
 
ging af een zuivere lichtschijn.
 
 
 
Maria die was bleek en zwak
 
op de knieën neergezegen
 
en zag blij naar het kindeke;
 
en Jozef lachte verlegen.
 
 
 
En buiten in de bittere kou
 
en de stille Kerstnacht laat
 
de heilige driekoningen kwamen van ver
 
door de diepe sneeuw gewaad.
[p. 278]
 
De heilige driekoningen hoesten en doen
 
en rood zijn bei hun ooren
 
een druppel hangt er aan hun neus
 
en hun baard is wit bevroren.
 
 
 
De heilige driekoningen in den stal
 
verwonderd zijn binnen getogen
 
het licht dat van het kind afging
 
schijnt in hun groote oogen.
 
 
 
De heilige driekoningen staren het aan
 
en weten zich niet te bezinnen
 
en het kind ligt al te kijken maar
 
en tuurt in een denkbeginnen.
[p. 279]
VI. Is het waar, dat gij het waart?
 
Toen,....
 
toen er een licht verschijnen
 
tusschen de heesters kwam, door de jasmijnen
 
en de bloeistruiken door en de roode rozelaren
 
en de geuren die als vlinders waren
 
wuivende, struivende over de glinsterblaren
 
en buiten de zon aanminnig
 
en van wind een streelgeaêm kus-innig.
 
Toen, als er een door de stamrijen ging
 
in een blanke lentmijmering
 
in een denken zeer sterk en ingetogen
 
en heeft het stille hoofd nimmer afgebogen
 
en scheen lezende met alle verstand
 
in een boekske open in zijne hand
 
zoo stil een zinnen, een wezen zoo louter, fijn
 
licht vloot af van de haren, de wangen zijn
 
en edel muziek, een omspelen van klanken
 
in het ruizelen van zijn kleed, het goudblanke
 
in zijn gaan door de bloemen, de bloesemranken.
[p. 280]
 
En zoo groote ingekeerdheid was in dezen
 
hij mocht wel zelf zoo een plant wezen
 
zulk een bloem vredig staande op haren stengel
 
in half wezen verloren, gewiegd
 
door windewil, windewil, die loom wiegt
 
de tengere met heiligheid, de gewijde
 
met het volle denkhoofd, het gebenedijde
 
in een enkel en hoog eenzijn
 
in zich zelven geheel heen zijn
 
in zich pijnende, kwijnende, bloemmensch alleen zijn.
prepostterug  begin  verder