De Nieuwe Gids. Jaargang 8


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Gids, De


bron: De Nieuwe Gids. Jaargang 8. W. Versluys, Amsterdam 1893  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 226]

Verzen, van Henriëtte van der Schalk.

 
Nu heeft de morgen voor goed afgedaan
 
zijn vrees-aanjagende stroeve gezicht,
 
en als een hooge grotzaal die met licht
 
blank gemaakt wordt, komt hij feestelijk aan.
 
 
 
En ik sta, rechtlachend zie ik hem gaan
 
en komen en gedenk, hoe 'k een gewicht
 
hem achtte en klaagde, dat ik opgericht
 
hem niet kòn drage' en kromp voor zijn kille aan-
 
 
 
raking en weende, dat ik weder sliep.
 
 
 
En hoe hij nu geworde' is als een vriend
 
die niet verschrikken kan, schoon hij ook riep
 
en wekte in nachtdiept', wijl hij zoo veel maal
 
bode van vreugd was, dat zijn stem verdient
 
te heeten fanfare van zegepraal.
[p. 227]
 
Schemering is het doodgaan en vertrekkend
 
begeven van dingen die zijn gegleden
 
mee met den dag, en steunde' als vertrouwdheden,
 
en ware' als scheidingen, wegen behekkend.
 
 
 
Plekkend beschenen witte heerlijkheden
 
van dag den morge', en onbevreesd zich trekkend
 
was daaraan op, 't hart dat nu is zich rekkend
 
uit wanhopig naar de vreemde leegheden
 
 
 
van den avond en zijn gemaskerd gezicht, -
 
maar de dingen die hem zullen behooren
 
houden hun oogen nog zoo vragend gericht;
 
en de verledenheên hebben verloren
 
hun glans, en liggen van al hun bekooren
 
leeggeloopen, met een verdrietig gezicht.
[p. 228]
 
't Hoogleven der momenten geeft het niet,
 
en niet heugnis van weidsche aardlichtingen,
 
maar d' onverschillige verrichtingen
 
en liefheden van het vrouwe-gebied
 
 
 
te maken tot een rei van stichtingen
 
- barmhartigheden, die géén sterv'ling ziet -
 
dat is de groote lichtschepping, die giet
 
de konstante gelaats-verlichtingen
 
 
 
over die jonge' en oude' en maakt hun praten
 
en de kadens van hun bezorgde handen
 
't hart rustigend als d' oogen flauwe glooi-ing,
 
 
 
en 't bij hun zijn en toekijken, vermooi-ing
 
van voele', als gaan uit ratelende straten
 
waar stille schepen slapen, die daags landden.
[p. 229]
 
En toen begon een stem zacht uit te schijnen,
 
dat was als oop'ning van verborgenheden
 
en als op waters bloemen glijden, gleden
 
de hartedingen mede, zonder schrijnen
 
 
 
tegen die wanden, waar in verwoedheden
 
mensche' aan rameie', en die toch nooit verdwijnen
 
geheel, en sluite' in cirkelende lijnen
 
arme menschen, arme afzonderlijkheden.
 
 
 
En 't was verwonderlijk goed, d' atmosfeer
 
te voelen van dat gouden uitgaand spreken
 
telkens opdagend als een verwijd verschiet,
 
 
 
als een, dat men nu eerst met oogen ziet
 
maar waarop vèèl droomen zijn neergestreken,
 
en weer vindt schoon als droomend, maar nog meer.
[p. 230]
 
Samenkomen van oogen is gebroken
 
muziek, hun roeringen zijn wonderbare;
 
en verschuiving van wanden onzichtbare
 
die weerend bouwden ziele' om zich. - 't Gesproken
 
 
 
wordt dan geweten 't onbeholpen zware
 
van poginge' ontoereikende, en verstoken
 
met schaamt. - Denkstralen schieten op als spoken,
 
beangstigend door 't onverwacht; vervaren-
 
 
 
brengend rijst volle erkentenis, en zeeën
 
ziel liggen open, sprakeloos ontbloot.
 
 
 
Dan, niet een lang verdragen van te groot
 
genot is dit, en als vermoeide armeeën
 
scheiden ze ontdaan en zich niet onder-winden
 
samen te komen en dit weer te vinden.
[p. 231]
 
Liefste van dingen zijn de binnen-eigen
 
die zoo lang 't bevriendelooze leden,
 
dat zij de monden pijnlijk toededen
 
verrukt te voele' opleve' in nieuw niet-zwijgen.
 
 
 
Oogen gespeend van uiterlijkheden
 
worde ooren die naar hooren stilte neigen,
 
en schatte' uit die mijnen van aandacht stijgen
 
voor de gelijken en de òpheden.
 
 
 
Van die staan de' eenen met handreiking wachten,
 
ééne beweging: mijne zijn gekomen
 
in warmenden, voelen er veilig thuis.
 
 
 
Maar d' andren, zij als mast-toppe' in gebruisch
 
van rondom golve', en waar moge' overnachten
 
vér-willende vogels, van vleugels loome.