[p. 212]
origineel
[Ecce triumphah trahitur Venus ignea curru]
VEnus seer schoon,, menich Persoon,, met hare strael doet branden,
Cupido fel,, doorschietse snel,, met syn Boogh' ende Handen:
Dat menich Minnaer,, hier ende daer,, loopen ghelijck als Ghecken,
Moeten benout,, met Mars seer stout,, Vrou Venus Waghen trecken.
Aen Mars den Krijghs-Godt.
GHy die in't Velt,, u als een Helt,, oyt toonden van beghinne,
Hoe heeft alzoo,, een Vrouwe snoo,, u doch moghen vervvinnen?
Dat ghy dus braef,, ghelijck een Slaef,, haer trecken moet de Waghen,
V Svveert en Schilt,, leght zoo ghy vvilt,, nu vry neer met veel klaghen.
Antvvoort van Mars.
OCh ick bevint,, dat 'tblinde Kint,, my zijn strael heeft doen smaken,
Dies ick met vlijt,, tot aller tijt,, meyn Venus arm te raken,
Omme met rust,, nae vvensch en lust,, der minnen vrucht t'hanteren,
Oorloghe swaer,, soud' ick voorvvaer,, daer gantsch niet voor begheren.
Troost in lijden
.
[p. 213]
origineel
Ecce triumphali trahitur Venus ignea curru,
Armatum Martem nuda domare potest.
Venus vnd ir kindt,
Martem vberwint.
[p. 214]
origineel
Op de vvijse: Edel Kersou.
O Venus fier /
Ghy
Cypersche Goddinne
,
Hoe komt dat ghy ontstelt?
Al door het Vyer /
Van u rasende minne /
Zoo menigh jongher Helt?
Iae ter doot quelt /
Met pijn niet om ghenesen /
Of sy moeten // met versoeten
By haer soet' Lief wesen.
Hoe schoon / hoe sterck /
Hoe wijs ofte hoe machtich /
Sy syn bedroghen al /
Door u Kints werck
Diese doorstraelt zoo krachtich /
Datse komen ten val /
Iae in't ghetal
Van die wt vierighe minne
Door het vrijen // niet bedijen
Maer misten haer sinnen.
Hercules
stout /
Most Haspelen de Spillen /
Van
Omphale
seer fijn /
Die u betrout /
Raect haeste in gheschillen /
Door uwen brant fenijn.
Most niet met pijn /
Dees Helt de Doot besueren /
Door het cierich // Hemde vierich /
Dat sy hem ghinck stueren.
V heete gloet
Heeft oock seer fel doen branden /
Paris
ende
Heleen
,
Waer door met spoet
Een Oorloch is ontstanden /
Met een seer groot gheween:
De
Griecken
reen /
Troya
daerom raseerden /
Nae tien Iaren // datse waren
Daer met Schilt en Sweerden.
V stercken brant /
Heefter vele doen dwalen /
Iae Mannen wijs en vroet /
Most' in een Mand
Virgelius
niet dalen /
En hanghen daer onsoet?
[p. 215]
origineel
Met veel teghenspoet /
Even ten halven weghen /
Sulcke minne // ginck beginnen
Hem te worden teghen.
Hoe vele noch
Syn door Vrouwen bedroghen?
Door u ingheven snel /
Sissera
doch
Is moed' nedergheboghen /
In den schoot van
Iael
,
Die hem seer fel
Syn Hooft al ghinck door-kerven /
Zoo al slapend'// ruste rapend'/
Most hy deerlick sterven.
Een Hooftman boos /
Holophernes
met namen /
Was oock ontsteken heet /
Op
Iudith
loos /
Waer door sy hem bequame
Lustich syn Hooft afsmeet /
Als hy in vreedt
Lach in zijn Tente rustich /
Wel beschoncken // ende droncken /
Nae haer synde lustich.
Heeft
Cupido
,
V Sone jonck van daghen /
Mars
dien Heldt oock door-wont?
Dat hy also
Moet gaen trecken u Waghen /
Met een Hert onghesont /
Die t'aller stont /
In den Krijch was een Heere:
Och hoe moedich // kont ghy spoedich /
'sMenschen Hert om-keeren.
O
Venus
vroet /
Ghy
Princesse
eerwaerdich /
Met
Cupido
u Soon /
Een Meysken soet /
Doorschiet voor my seer aerdich /
Dat deuchdich is en schoon /
Tot mynen loon /
Laet sy my doch ghenieten /
Zoo zal't hoopen // ende loopen
My gheensins verdrieten.
Troost in lijden
.